Ontledende wijsbegeerte? – Enkele kanttekeningen bij een nieuwe inleiding in de analytische filosofie

door Jan Dirk Snel

[Vrijdag 31 oktober 2014] In zijn conference ‘Onder de wapens’ (1963) verhaalde de Vlaamse presentator en schrijver Jos Ghysen (1926-2014) hoe hij ooit voor zijn militaire dienstplicht werd opgeroepen. Op een gegeven moment toonde een sergeant een wapen:

‘Kijk dit is nou een mitrailleur. Dit heet bij ons een bren. Weet je in hoeveel tijd ik dit wapen uit elkaar neem?’ Wij wisten het niet. Natuurlijk niet.
‘In zestien seconden,’ zei hij. Wij hoorden aan zijn toon dat zelfs de generaal daar een punt aan mocht zuigen. ‘En weet je in hoeveel tijd ik het in elkaar steek?’ (Het leger verricht ook opbouwende dingen.) ‘Nee,’ zeiden wij, ‘wij weten het niet.’ Voor ons stak het niet op een dag natuurlijk. Wij hadden toen nog elf maanden daarvoor. ‘In 28 seconden’ zei hij trots.
Het uit elkaar nemen hebben wij achteraf ook onder de knie gekregen. Maar andersom werken was een heel stuk moeilijker. Een keer heeft eens iemand het record van 45 seconden gehaald, maar toen zag het er plots als een heel ander wapen uit. Het ding schoot in een hoek van negentig graden. Toen kwam toevallig juist de majoor daar voorbij. Die keek een hele tijd met gefronste wenkbrauwen naar dat verdedigingsmiddel en toen vroeg hij aan de sergeant: ‘Vallen die Engelse dingen mee?’ ‘Jawel mijn majoor,’ zei de sergeant.’

 

Deconstructie
Aan dit verhaal moest ik denken toen ik het nieuwe boek Analytische filosofie. Een inleiding onder redactie van Chris Buskens en Herman Simmissen, uitgegeven bij Vantilt in Nijmegen, in handen kreeg. Als we nog in de dagen van Jan Hendrik Glazemaker (1620-1682) geleefd hadden, dan zouden wij nu ongetwijfeld over de ontledende wijsbegeerte gesproken hebben. Begrippen, beweringen en hele systemen uit elkaar halen, ze demonteren, daar is de analytische filosofie vanouds op ingericht. Het is de filosofie van de deconstructie, zouden we kunnen zeggen, als die term al niet voor een andere stroming gebruikt werd.

Analytische filosofie

Een filosofie van het hoofd, maar niet van het hart?

Maar is deze wijsbegeerte vervolgens ook in staat om dingen weer in elkaar te zetten en iets constructiefs tot stand te brengen? Of krijgen we dan zo’n Angelsaksisch geweer als uit het verhaal van Jos Ghysen, dat alleen maar dwars kan schieten, maar de roos nooit zal raken? Dat is de vraag die de analytische filosofie al sinds jaar en dag begeleidt. Men kan wel nauwkeurig redeneren en pretenties ontrafelen, maar gaat het ook nog ergens over? Of is het maar wat Spielerei waar weinig wijsheid en inzicht aan ontleend kan worden?

‘Zich verwonderen over de zin van het leven of de ultieme principes die aan het zijn ten grondslag liggen, is geen interessant of vruchtbaar vertrekpunt voor filosofisch onderzoek’, schrijft Filip Buekens in zijn binnen de analytische traditie te situeren inleiding tot de filosofie, Grammatica van concepten, uit 2003. Let wel, hij doet dat in een passage waarin hij de opvattingen van Ludwig Wittgenstein over zogenaamde ‘mislukte’ vragen weergeeft, maar Buekens wekt toch min of meer de indruk ermee in te stemmen: ‘Spreken over “mislukte” vragen wijst erop dat de vraag zelf incoherent is.’ Maar waarom zou dat zo zijn? Mensen die dergelijke vragen stellen, weten wel degelijk wat ze bedoelen en ze achten ze vaak urgent en belangrijk, ook al kan een nadere analyse van de formulering vervolgens geen kwaad. Filosofie is vanouds het zoeken naar wijsheid en dan kan men dergelijke ‘grote’ vragen niet straffeloos laten liggen. Dan snijdt men het hart uit de filosofie. (Wittgenstein, maar dit tussen haakjes, bleef tot aan zijn vrij vroege dood enorm met dit soort vragen tobben.)

Thematisch
Ik heb, laat ik dat maar direct bekennen, jarenlang niet goed geweten wat ik nu van de analytische filosofie moest denken. De pretentie van helderheid sprak me op zich aan, maar tegelijk kreeg ik zelden teksten onder ogen waar ik nu echt veel wijzer van werd. Maar misschien las ik de verkeerde boeken. Ooit was ik vrij enthousiast over Modern Philosophy. An Introduction and Survey (1994) van Roger Scruton, omdat hij daarin technieken en inzichten uit de analytische filosofie combineert met die uit andere stromingen en een veel breder terrein dan in zulke inleidingen gebruikelijk is, behandelt. (Let op: dit is niet het boekje dat als Moderne filosofie (2006) in het Nederlandse vertaald is en dat in het Engels A Short History of Modern Philosophy (1995) heet, maar een veel dikker werk van meer dan zeshonderd bladzijden.) Maar toen ik onlangs de eerste tweehonderd bladzijden nog eens herlas – de rest moet nog – was ik veel minder geestdriftig. Ik heb het wel een beetje gehad met dat begripsmatige gepiel dat voor filosofie door moet gaan.

Niet dat er bij Scruton en (andere) wijsgeren uit de analytische traditie geen aardige inzichten te vinden zijn, maar die hebben dan meestal weinig te maken met het typische vocabulaire waaraan die stroming te herkennen is. Wat ik de laatste jaren zoal aan redeneringen onder ogen kreeg, stemde me meestal niet vrolijk. Kortom, ik begon met een fikse dosis scepsis aan deze nieuwe inleiding.

Laat ik er daarom eerst maar iets aardigs over zeggen. Het is, zoals ook in besprekingen van Jan Riemersma, Taede Smedes en Sebastien Valkenberg is aangegeven, een zeer toegankelijk boek. Wie een indruk wil krijgen waar analytische wijsbegeerte over gaat, moet het zeker lezen. De opzet is goed doordacht. Het gaat om een thematische inleiding. Dat wil zeggen dat het niet om één systematische introductie in de filosofie volgens een analytische denkwijze gaat, zoals bij Buekens, maar het gaat ook niet om een historisch of biografisch overzicht waarbij denker na denker afzonderlijk afgehandeld wordt. Het boek bevat acht thematische hoofdstukken, die soms zelf weer meer thematisch of systematisch zijn opgezet, soms ook een meer historisch karakter hebben – en vaak een zekere combinatie vertonen. Al met al geeft het boek binnen het thematische bestek ook een zekere geschiedenis van de loop die de analytische wijsbegeerte sinds Bertrand Russell en G.E. Moore tot op heden nam.

Opzet
Weet je wat? Ik zet de inhoud even op een rij (met na de hoofdstuktitel de naam van de auteur(s), maar dat zou u zo ook wel doorhebben):

Inleiding: wat is analytische filosofie? – Chris Buskens & Herman Simissen
1. Logica – Rob van der Sandt
2. Taalfilosofie – Bart van Beek & Bart Geurts
3. Kenleer – Igor Douven
4. Wetenschapsfilosofie – Chris Buskens
5. Philosophy of mind – Marc Slors
6. Ethiek – Jan Vorstenbosch
7. Filosofie van de religie – Rik Peels
8. Filosofie van de geschiedenis – Herman Simissen
Epiloog – Chris Buskens & Herman Simissen

Men zal een zekere bewuste opbouw onderkennen. ‘De logica en de taalfilosofie vormden aanvankelijk (…) het fundament, of ten minste de belangrijkste hoekstenen, van de analytische filosofie’, schrijven de bezorgers in hun inleiding. Let op, ‘aanvankelijk’, dus nu kennelijk niet meer, althans niet zonder meer. Maar in hun opzet gaan ze er nog wel vanuit. Eerst de wetten van het denken en het middel waarmee we onze gedachten en onze filosofie vormgeven, zou men dus kunnen veronderstellen. En dan komt de vraag naar wat menselijk kennen eigenlijk is. Wetenschap is een maatschappelijke instelling die gericht is op het enigszins systematisch najagen van kennis en de filosofie ervan wordt hier afzonderlijk behandeld. Men zou zich ook af kunnen vragen of het niet beter is om dit vak gewoon onder de epistemologie te scharen, maar in dit geval zijn het wel twee heel verschillende betogen geworden. De laatste vier hoofdstukken gaan vervolgens over de vraag wat (of wie) de mens is – de verhouding tussen geest en lichaam en de vraag wat menselijk bewustzijn nu eigenlijk is, in feite – de normen voor het menselijk handelen, de godsdienst en de geschiedenis, kortom de mens als sociaal wezen in de tijd.

Op zich heeft men zo de hoofdtakken van de wijsbegeerte wel min of meer te pakken, al kan men zich afvragen of metafysica (of ontologie) niet afzonderlijk behandeld had moeten worden en of cultuurfilosofie en esthetica niet ook een eigen plaats hadden verdiend. Maar het boek biedt ook zo al heel wat. De eerste drie hoofdstukken, over logica, taal en epistemologie, lijken het meest typerend voor de traditionele analytische wijsbegeerte. De laatste vier hoofdstukken geven dan meer de moderne uitwaaiering te zien die soms ook een correctie is op de aanvangen dezer stroming. Op dat punt zit er een zekere paradox in het boek. De analytische wijsbegeerte kwam tot aanzijn als een breuk met de filosofische traditie – Elizabeth Anscombe gaf ooit een student die het gewaagd had na te kijken wat George Berkeley en David Hume ergens over dachten, er op college ongenadig van langs: hij moest zelf nadenken en geen oude filosofen lezen – maar inmiddels heeft ze in de loop van een eeuw een eigen ontwikkeling doorgemaakt, waarbij filosofen niet alleen afscheid namen van aanvankelijke uitgangspunten, maar in feite ook weer meer bij de wijsgerige traditie van alle eeuwen aansloten. Daar zit een element van vooruitgang in, maar toch ook een zekere vergeefsheid. Was heel wat beeldenstormerij niet tamelijk loos?

Zinvolheid
Neem het logisch (of empirisch) positivisme van de zogenaamde Kring van Wenen, de Wiener Kreis, met Rudolf Carnap, Otto Neurath, Moritz Schlick en Friedrich Waismann, dat in menig hoofdstuk aan de orde komt. Daarin zou men slechts twee soorten uitspraken als betekenisvol erkennen: (1) uitspraken die over de wereld gaan en die waar of onwaar kunnen zijn, en (2) analytische uitspraken van het type ‘alle vrijgezellen zijn ongetrouwd’. (En dat dat laatste helemaal geen zuiver aprioristische uitspraak is, laat ik dan maar even rusten: er zit heel wat historisch veranderlijke empirie in deze opmerking.) Uit het hele boek blijkt dat tegenwoordig zelden iemand een dergelijk standpunt huldigt. Tegelijk wordt wel beschreven dat dit tussen pakweg 1930 en 1960 de dominerende richting binnen de analytische filosofie was. Beschreven wordt ook hoe iemand als W.V.O. Quine dit soort ideeën van binnenuit ondermijnde.

Maar ondertussen zit de lezer nog steeds met een groot raadsel. Waren er überhaupt mensen die dergelijke quatsch serieus namen? Ik bedoel maar, er wordt vaak, en terecht, opgemerkt dat de criteria van het logisch positivisme zelf niet aan de eigen twee eisen voldoen. Maar er zijn toch geen tientallen jaren nodig voor iemand dat eens ontdekt? Dat ziet iedereen toch direct? Elk normaal mens beseft toch dat er een enorm verschil is tussen feitelijke uitspraken en zinvolle uitspraken? Kennis nemen van feiten kan zinvol zijn, maar het hangt er maar net vanaf hoe je er wijzer van wordt of op welke vragen ze antwoord geven. En iedereen zal toch beseffen dat vragen naar zinvolheid en betekenis iets heel anders is dan vragen naar het zoveelste harde, maar vaak zinloze feitje? Zin zit ook in literatuur, cultuur, in religie, in arbeid, in het alledaagse samenleven. De enige vraag die blijft hangen, is wat de leden van de Weense kring nu werkelijk dachten. Zo onzinnig als ze gemeenlijk neergezet worden, kan geen mens zich opstellen, zou ik zo denken. Er wordt trouwens wel beschreven hoe Otto Neurath tot andere inzichten kwam, maar ook dan blijft het de vraag wat hij daarvoor echt gedacht of beweerd heeft.

En zo is er meer. Bertrand Russell kon dan we met het verzinsel komen dat we primair ‘sense-data’ waarnemen, maar wat we, juist filosofisch gesproken, dagelijks waarnemen, zijn gewoon concrete objecten als tafels en stoelen of auto’s, winkels en bomen. (En ook schrijnend onrecht kunnen we soms echt concreet voor ogen zien, maar dit terzijde.) En A.J. Ayer kon in Language, Truth en Logic (1936) dan wel stellen dat iemand die zegt dat stelen slecht is, geen feitelijke uitspraak doet, zodat ‘there is plainly no sense in asking which of us is in the right’, ieder normaal mens zal ook zien dat het wel degelijk zinvol is om te vragen wie er gelijk heeft. Of beter: om simpelweg te stellen dat degene die stelen immoreel acht, gelijk heeft. Meer dan een flauw gebbetje van een blaag die nog niet serieus aan filosofie wilde doen, was het bepaald niet. En er waren ook heel wat tijdgenoten die dat direct zagen. Maar de vraag die dan wel blijft, is: waarom neemt men in een overzicht dit zogeheten emotivisme serieus? Juist om door het contrast met dergelijke onzinnigheden de zinvolheid van een andere aanpak te doen uitkomen? Maar waarom doen we – ik sluit mezelf nu maar even hierbij in – dan eigenlijk alsof hier van één traditie sprake is? Omdat we, ook om ons af te zetten, toch juist die oudere dubieuze teksten lezen? Verheldering via het negatieve of onzinnige, zoiets dus. (Lees Ayer wel, maar ‘quickly and inattentively’, was het advies van Scruton, die eraan toevoegde: ‘The details of the argument are preposterous’. En zo is het.)

Toegankelijk einde
Naarmate het boek vordert, wordt het toegankelijker, maar in feite ook minder specifiek voor één bepaalde stroming. Het trouwens alleszins heldere hoofdstuk over wetenschapsfilosofie bevat in wezen hetzelfde verhaal als dat dertig jaar geleden ook al opgedist werd met achtereenvolgens hoofdrollen voor Karl Popper, Thomas Kuhn, Imre Lakatos en Paul Feyerabend. Er schijnt in die tak niet zo bar veel nieuws te gebeuren, maar dat is misschien ook wel troostrijk. Wel is er nog een aardige slotrol voor het tot voorzichtigheid en bescheidenheid manende constructief realisme van de Amerikaanse filosoof Bas van Fraassen (met wie ik overigens een keer op een feestje genoeglijk in gesprek raakte, waarna ik pas na geruime tijd tot de ontdekking kwam wie hij was). Het stuk over de filosofie van de geest – waarom het een Engelse aanduiding meekreeg, is onhelder – bevat een uitstekende weergave van de wijzen waarop diverse filosofen de verhouding tussen geest en hersenen of lichaam proberen te omschrijven. Of ze met de verschillende omschrijvingen nu werkelijk veel oplossen, is de vraag, maar het is zonder meer een helder overzicht.

Wittgenstein1920

Ludwig Wittgenstein (1889-1951), tweede van rechts, op de Hochreith in Neder-Oostenrijk, 1920.

En datzelfde geldt ook voor de overzichten over de wijsgerige ethiek en de geschiedfilosofie. Dat over de ethiek laat zien dat mensen bij alle scherp redeneren van allerlei veronderstellingen uit kunnen gaan – zelfbeschikking is tegenwoordig een belangrijke waarde – maar ook dat ondanks Moores ontmaskering van de naturalistic fallacy de natuur in feite niet uit de wetenschap van de moraal uit te bannen valt. Het laatste hoofdstuk loopt in feite wel uit op de constatering dat geschiedfilosofen weinig anders kunnen dan zich bij de praktijk van historici aansluiten en dat die in de praktijk drommels goed weten wat ze doen, zodat je aan het nut van afzonderlijke wijsgerige reflectie kunt gaan twijfelen. Dat is iets dat misschien voor veel meer vak- en deelfilosofieën geldt, maar men kan er ook optimistisch tegenaan kijken. Wetenschapsbeoefening vraagt vanzelf om filosofische reflectie. De grens van de wetenschappen is nooit scherp afgescheiden van het volle leven en juist dat maakt wetenschapsbeoefening ook weer menselijk en zinvol. Wetenschap en filosofie zijn noodzakelijkerwijs nauw verbonden, er is geen scherpe grens.

Iets meer moeite heb ik met het artikel over godsdienstfilosofie. Op zich is dat typerend voor nieuwere ontwikkelingen binnen de analytische traditie, omdat in de oudere opvattingen voor metafysica en religie in het algemeen geen plaats werd gezien. Maar het hoofdstuk is tevens wel erg beperkt van focus. De auteur merkt op dat het in deze wijsgerige tak ‘grotendeels om één propositie’ gaat – op die volgens mij overbodige term propositie kom ik terug – namelijk de bewering dat God bestaat. En zijn op zich overigens alleszins heldere uiteenzetting gaat vervolgens hoofdzakelijk over de opvattingen van de Amerikaanse wijsgeer Alvin Pnlatinga hierover. Ik snap dit niet goed. Religie is toch een heel breed terrein? Aan het eind noemt de auteur nog twee andere terreinen, die van de verhouding tussen wetenschap en religie en de zogenaamde filosofische theologie – waar de Utrechtse hoogleraar Vincent Brümmer, overigens niet genoemd, nog wel eens wat aan deed – maar je zou toch denken dat er in aansluiting bij de godsdienstfenomenologie van Gerardus van der Leeuw of de beschrijving van wereldbeelden door Ninian Smart nog hele wijsgerige velden open liggen. Neem alleen maar de vraag of religie een ontische constante is of niet, maar er valt zo veel te overdenken. Het kan veel breder.

Logica en taal
De meeste vragen heb ik bij de eerste hoofdstukken. Op zich is het hoofdstuk over logica best aardig, hoor. Het geeft een goede indruk waar dat vak zoal over gaat. Maar wat is het filosofische van het vak? Dat wordt niet goed duidelijk. Bertrand Russell dacht ooit, de inleiders vertellen het, dat men met behulp van de logica een ideale taal kon construeren, ‘die niet leed aan de vaagheid en meerduidigheid van de gewone, natuurlijke taal’. Dat ideaal is niet verwezenlijkt, maar het was natuurlijk ook nogal ondoordacht. Natuurlijke taal is juist heel precies en flexibel, juist omdat woorden en zinswendingen telkens weer nieuwe betekenissen kunnen aannemen die passen bij nieuwe situaties. Bijna elke menselijke zin is nieuw en uniek. Natuurlijke taal biedt juist bij uitstek de mogelijkheid om heel nauwkeurig iets nieuws te zeggen. Kunstmatige ‘talen’ kunnen misschien voor een specifiek geval een zeker nut hebben, maar ze zijn uit de aard der zaak veel beperkter en ook minder nauwkeurig als het gaat om het recht doen aan de steeds veranderende werkelijkheid. Het is dan ook niet voor niets dat ze eerder een klein stukje eigen werkelijkheid scheppen dan dat ze nu recht doen aan de bestaande en zich immer in de tijd ontwikkelende wereld.

Het hoofdstuk over de logica geeft een aardige indruk van waar logica van oudsher én sinds Frege over gaat, maar het laat niet echt zien dat het vak enige filosofische relevantie heeft. Tegen het slot gaat het bijvoorbeeld over het onderscheid dat Frege ooit maakte tussen Sinn (de betekenis op zich) en Bedeutung (de verwijzing naar iets externs) van zinnen, maar wat we daaraan hebben, wordt niet uitgelegd. De lezer krijgt bouwstenen mee, maar waarvoor eigenlijk? Het is gewoon een aardig, soms wellicht bruikbare indeling, maar om meer dan twee aspecten die we af en toe bij de interpretatie van bepaalde beweringen kunnen gebruiken, lijkt het nu ook weer niet te gaan. Zeg maar, iets van de orde van grootte van wat een gemiddeld columnist op een achternamiddag verzint voor zijn volgende stukje. En de auteurs kunnen wel beweren dat de ‘morgenster’ en de ‘avondster’ dezelfde Bedeutung hebben, naar het zelfde object verwijzen dus, maar in Sinn verschillen, dat lijkt me toch echt een misverstand. De Morgenster mag dan evengoed als de Avondster Venus zijn, het spreken over beide verwijst wel degelijk naar geheel verschillende situaties en ook dat moment hoort erbij. En ook de Sinn van woorden verwijst wel degelijk via hun vroegere en bekende gebruik naar de werkelijkheid. Het woordenboek is niet in het luchtledige opgesteld, zullen we maar zeggen.

In het hoofdstuk over taalfilosofie komt het onderscheid weer terug. De auteurs behandelen eerst een ‘extensionele betekenistheorie’, die betekenis (Sinn) en verwijzing (Bedeutung) aan elkaar gelijkt stelt en stuiten dan vervolgens op een aantal ‘problemen’. Ja, nogal wiedes, zou ik zeggen. Als je eerst een rare theorie opvoert, gaat het vanzelfsprekend niet goed. Kon je weten. Het grappigste ‘probleem’ is trouwens nog wel dat ‘niet alle ware zinnen (…) dezelfde betekenis hebben’, terwijl dat om de een of andere reden volgens deze theorie wel zou moeten. Maar, verdorie nog aan toe, ‘Willem Drees was een PvdA’er’ blijkt toch echt iets heel anders te betekenen dan ‘Het getal elf is oneven’. Kortom, hier slaat de absolute gekte toe, wat ook wel weer de bedoeling is, want de auteurs willen ons zo duidelijk maken dat deze betekenistheorie niet echt werkt. Alsof we dat van tevoren al niet doorhadden. Wat het nut ervan is, blijft onhelder. Grappig is trouwens nog dat de auteurs vervolgens opmerken dat we in principe wel kunnen bepalen ‘wie de burgemeester van Volendam’ is, ook al weet je dat niet. Dat Volendam geen zelfstandige gemeente is, lijken ze even niet te beseffen. (Die gemeente had dus min of meer als variant op de overbekende hedendaagse kale koning van Frankrijk kunnen dienen.)

Scholastiek
Nou ja, vervolgens gaat het dan nog om de intensie. ‘De intensie van een zin is een functie van mogelijke werelden naar waarheidwaarden.’ Kortom, geklets. In deze wereld doen zich soms verschillende mogelijkheden voor, maar wat de lol ervan is om over mogelijke werelden te praten? Werkelijk geen idee. ‘Uitdrukkingen zoals “de dochter van de paus”, “Zeus” en “Vliegend Spaghettimonster”, verwijzen in onze wereld nergens naar’, betogen de auteurs ook nog. O nee? Op Wikipedia kun je zo in allerlei talen een lemma over dat Vliegende Spaghettimonster vinden en het gaat hier om een denkbeeldige figuur die Bobby Henderson in 2005 voor het eerst opvoerde, een idee dat vervolgens een wijde verbreiding heeft gekregen. Het gaat niet om een wezen van vlees en bloed, maar als idee bestaat dat Vliegend Spaghettimonster wel degelijk. En wie erover spreekt, verwijst naar van alles en nog wat dat er inmiddels over geschreven en gezegd is. De wereld van de geest, de objectieve geest, zeggen we dan vanouds, behoort ook tot de externe werkelijkheid, waar je naar kunt verwijzen, zou ik zo denken.

De auteurs eindigen met wat opmerkingen over de praktische omgang met taal in de zogenaamde pragmatiek. Dat is op zich zeker niet onnuttig, maar onduidelijk blijft ook hier wat we eraan hebben. Zoals de logica ons niet de wetten van het werkelijke denken aan de hand doet, maar zich beperkt tot enkele formele aspecten die nauwelijks iets te maken hebben met wat we in het dagelijks leven ‘logisch’ noemen, zowel in spreken als in handelen, zo blijft ook hier onduidelijk wat reflectie op taal nu verder bijdraagt aan de beantwoording van filosofische vragen. Zelfs omtrent wat betekenis nu eigenlijk is, worden we niet veel wijzer. En dat terwijl filologen zich toch al eeuwen buigen over de betekenis van teksten en semantici, semiotici, semiologen of hoe ze zich ook maar noemen, de betekenis van allerlei andere verschijnselen uit de doeken proberen te doen.

Wat we in deze hoofstukken zien, is dat als dit analytische filosofie is, het allemaal bar weinig met het zorgvuldig ontleden van begrippen, ideeën, uitspraken of theorieën te maken heeft. Integendeel, op een nogal willekeurige wijze worden allerlei indelingen naar voren gebracht – of het nu om het onderscheid tussen Sinn en Bedeutung, intensie en extensie, analytisch en synthetisch, a priori of a posteriori gaat – waarvan volstrekt onduidelijk is op welke vraag ze een antwoord geven of inzake welk vraagstuk ze verheldering brengen. Misschien is dit gereedschap, maar waar dient het voor? We krijgen wat brokjes hedendaagse scholastiek voorgeworpen, zonder dat we ook maar enig idee hebben waar men op reageert of waarheen de weg wijsgerig leidt.

Propositionele kennis
Nog sterker zien we dat in het derde hoofdstuk over de kenleer. Dat kenmerkt zich volledig door een dogmatisch, onondervraagd uitgangspunt. De auteur onderscheidt drie soorten kennis: propositionele kennis, vaardigheidskennis en vertrouwdheidskennis. Dat is een bekende en bruikbare indeling: weten dat, weten hoe en weten in de trant van ‘Mark kent Lodewijk’. (Ik heb een vaag vermoeden dat het derde type wel tot één en twee te herleiden valt, of anderszins misschien buiten het schema zou behoren te vallen, maar dat laat ik nu maar even zitten: het onderscheid komt op zich inzichtelijk voor.) En vervolgens gaat het dan om het eerste type: propositionele kennis.

Daarvoor moet men eerst weten wat een propositie is. De auteur zegt: ‘Een propositie is datgene wat door een zin wordt uitgedrukt.’ Dan is dus ‘wil je de deur even dichtdoen?’ of ‘wat een rotdag’ of ‘daarvoor moet men eerst weten wat een propositie is’ ook een propositie, terwijl deze zin als geheel het ook is. De inhoud van elke zin in het boek of in dit stukje zou dan een propositie zijn. Kan natuurlijk. Maar gewoonlijk doelt men met proposities toch op zinnen die waar of onwaar kunnen zijn en voor heel veel van onze zinnen geldt dat nu eenmaal niet. Waarheid is nu eenmaal slechts een gelaagd element in ons alledaagse spreken en schrijven.

Maar juist op dit punt treft men in dit boek, zoals zo vaak in teksten vanuit de zogenaamde analytische traditie, nogal wat merkwaardigheden aan. Zo schrijven de auteurs van het taalfilosofiekapittel: ‘Een zin is waar of onwaar, al dan niet in overeenstemming met de werkelijkheid, en daarom zullen we ervan uitgaan dat de extensie van een zin een waarheidswaarde is: waar of onwaar.’ Maar zinnen zijn ten eerste vaak helemaal niet waar of onwaar en ten tweede is de keuze uiteraard veel uitgebreider. Ons spreken is op waarheid gericht, maar we kunnen op allerlei wijzen daarbij tekortschieten. Een zin kan grotendeels waar zijn of min of meer. Het kan om een vergissing gaan, maar ook om een harde leugen. Waarheid is geen binaire keus, maar een aspect van ons spreken en uiten. En het is dan ook merkwaardig om over (slechts twee) waarheidswaarden te spreken. Wie dat doet, is slordig en vooral filosofen zouden dat niet moeten doen. Proposities, waarheidswaarden, het zijn allemaal verzinsels die we niet nodig hebben en die alleen maar verwarring zaaien. Men kan het gewoon hebben over wat iemand beweert en wat de feiten zijn.

Waar geloof
Maar nu het punt waar het om gaat. ‘Kennis is gerechtvaardigd waar geloof’, betoogt de auteur van het epistemologische hoofdstuk. Hij noemt dat de klassieke analyse, zelfs afgekort tot KA. Ook andere auteurs in dit boek blijken van deze omschrijving uit te gaan. Zo lezen we in het godsdienstfilosofische artikel dat het ‘onomstreden’ is ‘dat iemand alleen weet dat p als zij p gelooft (denkt dat p waar is) en als p waar is. Je kunt niet weten dat Parijs de hoofdstad van Frankrijk is als je niet denkt of van mening bent dat Parijs de hoofdstad van Frankrijk is en je kunt niet weten dat Lyon de hoofdstad van Frankrijk is, omdat dat simpelweg onwaar is.’ En het is zeker juist dat we deze omschrijving veel vaker tegenkomen, ook buiten dit boek, zodat ze wellicht inderdaad al ‘klassiek’ is.

Maar dat maakt haar nog niet juist en zeker niet ‘onomstreden’. Het lijkt me nogal evident dat er niet veel van klopt. Misschien dat de moeizaamheid om deze definitie in het Nederlands weer te geven, al iets zegt. In het Engels is het uiteraard: justified true belief. En belief is dan iets wezenlijk anders dan faith. Je ziet dat in het Nederlands dat belief soms wordt weergegeven met geloof en soms met overtuiging. Het veronderstelt dus dat weten een specifieke vorm van geloven (overtuigd zijn, belief) is. Sneeuw is wit spul en hagelslag is bruin spul, omdat de nogal onbepaalde term spul ruimer bruikbaar is. Zo duid je een deelverzameling binnen een bredere verzameling aan: de algemene term wordt door middel van specifieke adjectieve aanduidingen ingeperkt.

Maar is weten nu echt een vorm van geloof? Kennen we een dergelijke ruimere term die, of een dergelijk ruimer begrip dat weten of kennis vanzelf insluit? Ik geloof van niet. Als iemand tegen je zegt: ‘ben je er werkelijk zeker van dat Astana de hoofdstad van Kazachtstan is?’ en je antwoordt: ‘ik geloof van wel’, dan maakt hij daaruit terecht op dat je niet al te zeker van je zaak bent. Geloven in deze zin en weten overlappen elkaar hooguit ten dele. Sommige dingen weet je domweg en het zou onzinnig zijn te zeggen dat je ze gelooft en dat dat geloof of die aanname of die overtuiging een ruimere omschrijving is, waar ware gerechtvaardigde kennis binnen valt.

Inzicht
De hele definitie klopt niet. Er is iets voor te zeggen dat het begrip kennis impliceert dat ze waar is. Dat soort explicaties kunnen wellicht soms een wijsgerig nut hebben. Je kunt er ook over praten of kennis gerechtvaardigd is. Mij lijkt dat het er vooral om gaat dat die kennis, wanneer daarnaar gevraagd wordt, te rechtvaardigen valt, dat je kunt aangeven waarom een en ander klopt. Uiteraard weet je veel dingen omdat je mensen gelooft. Je gelooft wat bronnen je vertellen. Maar dat is vooral omdat je die bronnen betrouwbaar acht. Als ik op CNN zie dat president Obama vandaag een persconferentie op het Witte Huis geeft, dan weet ik dat hij niet in Duinkerken is, als iemand dat mocht beweren. Dat geloof ik niet, maar dat weet ik, omdat ik in de betrouwbaarheid van bepaalde berichtgeving geloof. Het geloven van een berichtgever of bron is iets anders dan het kennen van bepaalde informatie.

Kennis is geen geloof, ook geen waar geloof of een gerechtvaardigd geloof of een gerechtvaardigd waar geloof. Of het omgekeerde helemaal opgaat, weet ik niet zeker, maar toch eerder. Kennis is namelijk geen zaak van ware proposities alleen. Uiteraard moet wat iemand beweert, kloppen. Maar kennis kent twee gedaanten. Ten eerste dat wat al op papier of op band of op andere dragers staat. En ten tweede kennis die mensen telkens opnieuw in telkens andere bewoordingen verwoorden. Kennis bestaat dus ook niet uit een bepaalde verzameling proposities, want dezelfde kennis wordt telkens net iets anders verwoord. En ook een boek of een artikel is iets anders dan een collectie proposities. Het heeft een opbouw. Kennis bestaat niet alleen, ze is niet iets voltooids, kennis ontstaat ook telkens. Ze is nooit af.

Kennis is vooral gelaagd. Het gaat niet alleen om ware uitspraken, maar ook om inzicht, om de juiste conclusies, om wat het antwoord is op een nieuwe onverwachte vraag. Als een programma als Nieuwsuur een item over, zeg, Jordanië wil maken, dan nodigt het een deskundige uit in de studio die van alles weet van de Hasjemitische monarchie. Maar die persoon beschikt niet over een verzameling beweringen of proposities die je ook op Wikipedia en elders op internet kunt vinden. Zo’n deskundige wordt geacht inzicht te hebben en te weten wat nu het juiste antwoord op een onverwachte vraag is, wat de juiste of mogelijke analyses en conclusies in verband met nieuwe ontwikkelingen zijn. Echte kennis is verbonden met inzicht en wijsheid. Alleen al daarom is kennis (in de zin van weten dat) geen propositionele kennis, het is veel meer.

Slordig
Aan het slot van het epistemologische betoog komt de auteur te spreken over bayesianen die uitgaan van graden van geloof. Dat gaat in de goede richting. Maar het blijft van het misverstand uitgaan dat geloof het wijdere begrip is en kennis of weten een specifieke variant. Het is eerder omgekeerd. Weten is het bredere begrip dat een grote gelaagdheid kent. Je kunt iets met grote zekerheid weten, maar je kunt iets ook min of meer weten, zo’n beetje. Je kennis kan ook wankel zijn. Het verhaal van Jos Ghyssen dat ik aan het begin van dit stukje citeerde, stond me zo ongeveer bij, maar ik wist niet meer of hij nu over een sergeant of een officier, een majoor of een generaal sprak. Ik wist wel iets, maar die kennis was vrij vaag, tot ik de tekst opzocht. Het zou dus over graden van kennis of van weten moeten gaan. Het is niet zo dat je eerst denkt dat Parijs de hoofdstad van Frankrijk is en dat je door wat meer informatie of onderbouwing tot de conclusie komt dat je dat ook weet. Omdat je het weet, denk je of geloof je het ook. Het geloven van zegslieden of bronnen beschrijft een andere relatie dan het geloven van bepaalde gegevens als zodanig.

Nuchelmans

Het door Buskens en Simissen geredigeerde boek beoogt de opvolger te zijn van het overzicht van de analytische wijsbegeerte dat Gabriël Nuchelmans in 1969 schreef. Dit is een afbeelding van de derde druk uit 1974.

De definitie van kennis als justified true belief, gerechtvaardigd waar geloof, probeert elementen te stapelen. Je hebt (1) een bepaalde overtuiging (p) en die blijkt vervolgens (2) waar en (3) gerechtvaardigd te zijn. Het is zoiets als een paard omschrijven als een pony die groter is dan zichzelf. Kennis is geen zeker geloven, maar geloven dat iets zus of zo is, is wel een onzekere vorm van kennis. Beter is echter ervan uit te gaan dat beide begrippen hun eigen betekenis hebben en slechts deels op elkaars terrein komen. Het gebruik van overtuiging maakt het er ook al niet beter op. Ik ben pas overtuigd dat Astana de hoofdstad van Kazachstan is, als iemand dat bestrijdt en bijvoorbeeld bij hoog en laag volhoudt dat Alma Ata dat is, en ik nog eens extra gecontroleerd heb hoe het nu eigenlijk zit.

Het gaat me nu niet om deze specifieke auteur, maar dit voorbeeld illustreert naar mijn idee wel hoe slordig er in de analytische filosofie soms – of misschien wel vaak – geredeneerd wordt. Het is lastig om het onderscheid tussen belief (geloof, overtuiging, wat ook precies) en kennis nauwkeurig te beschrijven, maar dat de vaste, vaak gehanteerde definitie justified true belief niet echt deugt, dat vermoed je toch al vrij snel. En toch wordt zo’n slordige omschrijving keer op keer gebruikt. En datzelfde zien we dus telkens weer, ook als het om overbodige dingen als proposities of waarheidswaarden of waarheidscondities gaat. Allemaal begrippen die een betoog er bepaald niet helderder opmaken.

Stromingen
Bewust heb ik de gelegenheid aangegrepen om enkele kritische noten te kraken. De analytische filosofie mag dan wel de naam hebben naar helderheid te streven, mij valt juist vaak de ongelooflijke slordigheid op. Die komt vooral voort uit de steriele scholastiek, waarbij bepaalde begrippen of omschrijvingen – propositie, justified true belief, dat type dus – zonder veel plichtplegingen gebruikt worden zonder dat men zich afvraagt of men het onderwerp niet beter wat onbevangener en nauwkeuriger kan benaderen. Analytisch filosofische teksten kenmerken zich in de praktijk niet immer door te beginnen met begrippen nauwkeurig te bekijken, maar juist door het invoeren van totaal niet onderbouwde of doordachte eigen termen. Maar al te vaak heb ik teksten onder ogen gehad, waarbij de auteur aan het begin een merkwaardige schuiver maakt en vervolgens doodgemoedereerd door blijft redeneren, terwijl naar mijn idee zijn hele betoog op los zand gebouwd is. Zo’n betoog mag dan ogenschijnlijk van strakke redeneringen aan elkaar hangen, het is nog niet gezegd dat het ook ergens op slaat.

Dit boek laat zien dat er onder het kopje analytische filosofie ook heel veel zinvolle onderwerpen behandeld worden, maar juist in de laatste hoofdstukken is het typisch analytische jargon vaak niet erg aanwezig. Maar gaat het dan nog wel om een specifieke stroming? Hoort niet elke wijsbegeerte op verheldering en zorgvuldige analyse uit te zijn? De editeurs merken in hun epiloog op dat het onderscheid tussen de analytische en de continentale filosofie vanaf het midden van de jaren zeventig ‘geleidelijk veel minder scherp is geworden’. Dat kan kloppen, maar de formulering laat, misschien ongewild, nog iets anders zien, door namelijk alle overige vormen van wijsbegeerte onder dat ene kopje ‘continentale wijsbegeerte’ te scharen. Dat is iets van de laatste decennia. Toen C.A. van Peursen in 1968 twee stromingen vergeleek, noemde hij zijn boek Fenomenologie en analytische filosofie en niet ‘Continentale en analytische filosofie’. Hij onderscheidde toen allerlei stromingen; het dialectisch materialisme, de ‘nieuwere wetenschapsfilosofie’, de existentiefilosofieën, de fenomenologie en de meer analytische richtingen. Het tamelijk nieuwe is dat we tegenwoordig meestal niet meer tussen allerlei stromingen onderscheiden – al kan het nog wel, zoals aan het begin van dit stukje even terloops bleek – en dat de zogenaamde ‘analytische filosofie’ in feite nog de enige echt afzonderlijke stroming is. Zonder dieventaaltje kunnen ook filosofen die binnen deze traditie zijn opgeleid, gewoon met andere wijsgeren discussie gaan en dat gebeurt gelukkig ook veelvuldig.

Laat ik het nog maar een keer duidelijk zeggen: dit is een informatief boek en wie wil weten wat er in de analytische wijsbegeerte zoal omgaat, moet dit zeker lezen. De beginhoofdstukken roepen bij mij vele vragen op, meer dan ik nu kon behandelen, maar je leert er wel goed van hoe bepaalde wijsgeren nu eenmaal redeneren, al begrijp ik dus niet goed waarom eigenlijk. De redacteuren hebben het aan het slot over de eisen van ‘helderheid en toegankelijkheid’. Ingenomen standpunten dienen zorgvuldig beargumenteerd te worden. Daar kan ik het alleen maar grondig mee eens zijn. Mijn enige punt van zorg is dat juist analytici op dit punt nog wel eens tekortschieten. Het kan dus nog helderder, er dient nog zorgvuldiger en toegankelijker beargumenteerd te worden. Maar goede filosofen dienen ook te beseffen dat filosofie iets anders is dan wedstrijdjes doen in argumentaties. Het gaat om inzicht, om Existenzerhellung, ja, om wijsheid.

De majoor
Kortom, ik ben er niet zeker van of de vergelijking in de aanhef van dit stukje in de praktijk wel helemaal opgaat. De naam geeft aan dat het hier om een ontledende wijsbegeerte gaat, maar mijn vraag is of men niet te snel wat knutselwerkjes in elkaar zet. Analyseren impliceert immers dat er iets is dat men analyseert: bestaande opvattingen van mensen en filosofen bijvoorbeeld. Dat vraagt om een houding van luisteren, en lezen natuurlijk. Het vraagt in feite ook om een zeker respect voor traditie: het besef dat anderen voor je ook wel eens iets zinvols bedacht hebben. En tegelijk dient men die traditie dan kritisch te ondervragen. Maar het is iets anders dan zelfgenoegzaam wat knutselen met begrippen van eigen makelij.

Maar u wilt natuurlijk nog weten hoe de majoor reageerde. Zo, vertelde Jos Ghysen:

En toen glimlachte die majoor bemoedigend naar ons en hij liep het oefenveld over. Kaarsrecht, zoals dat van majoors in de boeken staat.

Naschrift (17.40 en 19.50 uur)
Ik heb één zin toegevoegd en enkele kleine correcties (en aanvullingen) doorgevoerd.

(166)

3 reacties to “Ontledende wijsbegeerte? – Enkele kanttekeningen bij een nieuwe inleiding in de analytische filosofie”

  1. Geachte heer Snel. Omdat u uw uiteenzetting begon met een voor mij favoriete conference van jaren geleden heb ik uw bespreking van een nieuw boek over analytische filosofie helemaal uitgelezen. U bent scherpzinnig en zover ik kan beoordelen hebt u gelijk met uw kritiek die niet mals is. U spreekt zelfs over ongelooflijke slordigheid en insinueert dat de hele analytische filosofie overbodig zou moeten zijn omdat de analytische kritiek in elk filosofische discipline aanwezig wordt geacht te zijn. Dit gevoel hou ik over na het lezen van uw stuk. Hoeveel mensen lezen dit en nog belangrijker hoeveel mensen doen er iets mee? Zijn deze boeken en recensies niet slechts voor een elitaire incrowd? Wilt u mij een genoegen doen en mij het belang van zowel boek als recensie duidelijk maken? Bij voorbaat mijn hartelijke dank.

    • Veel dank voor de vragen.

      1.Dat dit stukje voor een weblog eigenlijk veel te lang is, besef ik. Wil je gelezen worden, moet je eigenlijk geen stuk boven de duizend of misschien vijftienhonderd woorden schrijven (en sommigen zullen waarschijnlijk zelfs betogen dat je niet meer dan zeven- of achthonderd woorden moet schrijven). Maar ik had nu eenmaal dit te vertellen. Opdelen in vier stukken zou ook merkwaardige stukjes zonder kop of staart opgeleverd hebben (of als ik er gepoogd had er wel zulke stukjes van te maken, zou het geheel waarschijnlijk nog veel langer geworden zijn). Dus heb ik het maar in één keer geplaatst, voor wie toch de moeite wil nemen. Maar misschien had ik zo’n punt als dat over de ware gerechtvaardigde overtuigingen even kunnen aanduiden en daar dan een afzonderlijk betoog over kunnen schrijven, bedacht ik achteraf.

      2. Wat is het belang van het boek? Binnen de filosofie is de analytische richting niet onbelangrijk. In de Engelstalige wereld is ze zelfs zeer prominent aanwezig en de aanduiding Angelsaksische filosofie fungeert soms min of meer als synoniem. Hoe belangrijk ze is in Nederland of in Duitsland of Frankrijk kan ik niet goed inschatten. In het publieke debat lijkt ze inderdaad niet erg aanwezig te zijn, althans niet wat betreft de meer specifieke kenmerken. Maar ik hoop dat ik dat toch ook voldoende beschreven heb. De analytische filosofie is tegenwoordig heel breed. Nadenken over moraal of de verhouding tussen lichaam en geest of meer specifiek tussen brein en geest is zonder meer nuttig. Althans het gaat om vraagstukken die veel mensen interesseren. En ook analytische filosofen nemen op dat punt allerlei standpunten in en zijn vaak heel goed in staat om aan het publieke debat mee te doen, zonder dat ze door bijzonder jargon onverstaanbaar worden. Integendeel. Het merendeel van dit boek gaat over belangrijke filosofische problemen en daar worden zeer bruikbare dingen over geschreven. Het is gewoon een goed boek. Natuurlijk spits ik mijn stuk toe op enkele kritische punten, maar daarmee raak ik niet het hele boek.

      3. En of dit elitair is? Tja, er zullen vast en zeker meer mensen de Linda lezen dan dit boek, maar voor iedereen met enige belangstelling voor wijsbegeerte is dit boek goed te doen. (En als iemand een hoofdstuk lastig vindt, zou ik aanraden dat eerst maar over te slaan en verder te gaan in het volgende.) Er doet zich inderdaad misschien wel een zekere paradox voor. De analytische filosofie beoogt helder te zijn, maar een deel van de publicaties oogt, ook door het veelvuldige gebruik van formules, juist niet erg toegankelijk. Maar er zijn ook filosofen uit deze traditie die én nauwkeurig en helder zijn én heel goed leesbaar. Het hangt ook een beetje van het thema en het terrein af. En van de inzet natuurlijk.

      4. Ik zie soms slordigheden, juist in stukken die heel specifiek van typisch ‘analytische’ technieken lijken uit te gaan. In dit stuk maak ik me druk over de omschrijving van kennis als ‘justified true belief’, omdat die definitie naar mijn idee feitelijk echt niet klopt, zodat het voortdurend overnemen ervan van slordigheid getuigt. Ik meen zoiets vaker waar te nemen en dat schrijf ik ook, maar echt goed onderbouwen kan ik dat in één zo’n stukje uiteraard ook niet. Of het soms of vaak voorkomt, valt pas te zeggen als je een groot aantal gevallen bekijkt. Maar het zou kunnen dat de lezer iets van mijn indrukken herkent en daarom heb ik ze toch maar verwoord. Maar in algemene zin heb ik op dit punt niet echt iets bewezen en dat kan ook niet in dit bestek.

      5. Dat ik zou insinueren dat de hele analytische filosofie ‘overbodig’ zou zijn, gaat me wel iets te ver. Filosoferen is niet alleen een kwestie van zelf iets bedenken, maar ook van kennis nemen van wat anderen al eens bedacht hebben. In je eentje kom je gemeenlijk niet zover. En er worden in dit boek heel wat wijsgeren besproken die heel veel zinvolle dingen geschreven hebben. Dat lijkt me bepaald niet overbodig. Ook bepaalde technische termen die kenmerkend zij voor een specifieke traditie – bij Husserl en de fenomenologie heb je dat evenzeer – kunnen in een betoog soms best hun nut bewijzen. Maar dan moet dat wel blijken. De een leert meer van de ene traditie en de andere van een andere stroming, maar het lijkt me wel verstandig daarin niet al te eenkennig te zijn. In de filosofie gaat het er vooral om of je over een thema iets zinnigs vertelt.

      6. Maar nogmaals, ik maak wat werk van een paar punten van kritiek, maar op zich vind ik dit een goed boek. Het is ook een leerboek van de Open Universiteit (OU) en het zal zeker zijn nut bewijzen.

  2. Hartelijk dank voor uw antwoord waarmee ik een heel eind kan meegaan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: