Hersenen en moraal – Over Dick Swaab en Immanuel Kant

door Jan Dirk Snel

[Woensdag 8 oktober 2014] Bestsellers koop ik eigenlijk alleen maar nieuw als ik nog niet weet dat het bestsellers zijn. Zodra ik dat doorheb, wacht ik meestal even. Het kenmerk van een bestseller is nu eenmaal dat het boek goed verkocht wordt, en vroeger of later zie je het dan wel voor een prikkie in de kringloopwinkel of op de tweedehandsmarkt verschijnen. Ik vraag me af of de verschijning van Dick Swaabs Wij zijn ons brein in september 2010 me destijds wel onmiddellijk is opgevallen, maar niet lang daarna kan het boek me toch niet ontgaan zijn, omdat stellingen eruit her en der druk besproken werden. En dat geldt dan uiteraard vooral voor die ene stelling die de titel lijkt te suggereren. Maar een aantal weken geleden kwam ik het boek dan toch voor vier euro tegen in de kringloopwinkel die ik pleeg te frequenteren, en toen heb ik het maar eens meegenomen – tegen betaling uiteraard.

KantSpiegel

.

Twee dingen
Wat mij direct trof, was de allereerste zin:

‘Er zijn ten minste twee gigantische wetenschappelijke vraagstukken voor deze eeuw: hoe ontstond het heelal en hoe werken onze hersenen.’

Het is een mooie, pakkende beginzin en mij deed hij onmiddellijk aan een beroemde zin uit de geschiedenis van de wijsbegeerte denken, die, vermoed ik, eigenlijk iedereen wel kent. Deze namelijk van Immanuel Kant:

‘Zwei Dinge erfüllen das Gemüt mit immer neuer und zunehmenden Bewunderung und Ehrfurcht, je öfter und anhaltender sich das Nachdenken damit beschäftigt: Der bestirnte Himmel über mir, und das moralische Gesetz in mir.’

In beide gevallen worden de overrompelende omvang van de natuur en de ondoorgrondelijke diepte van een individueel mensenkind met elkaar gecombineerd. Er is natuurlijk ook een groot verschil. Terwijl Swaab het heeft over onze hersenen, verwondert Kant zich over de morele wet in ons. Dat is ook het punt waarop de kritiek op Swaab vaak aanvangt. De gelijkstelling in zijn titel, die programmatisch is, roept direct vragen op. Dat onze gedachten, dat ons handelen, dat ook ons morele handelen verband houdt met wat er in ons brein gebeurt, dat zal iedereen wel beseffen, maar klopt de gelijkstelling ook? Wie wil uitdrukken wie hij of zij ten diepste is, zal niet direct aan zijn hersenen denken. Van een absoluut dualisme mag dan weliswaar geen sprake zijn, een zekere dualiteit van geest en lichaam bestaat er in onze ervaring wel degelijk. We zijn meer en vooral iets anders dan ons brein.

Ik wil daar nu, in dit stukje, niet te diep op ingaan. Er is veel kritiek op Swaab gekomen, omdat hij al te lichtvaardig de grenzen van zijn vakgebied, neurologie, hersenonderzoek, zou overschrijden – en dat is wellicht ook zo. Maar iedere lezer van zijn boek zal dat ook onmiddellijk zien. Swaab begint vrijwel direct te vertellen over het sociale en geestelijke milieu waarin hij is opgegroeid, en als zijn boek iets laat zien, is het wel dat een mens, ook een voortreffelijk wetenschappelijk onderzoeker, niet alleen door de gaven die hij bij de geboorte heeft meegekregen, bepaald wordt, maar ook door zijn maatschappelijke en culturele omgeving met alle bijbehorende denkbeelden en door zijn levenservaringen gevormd wordt.

Natuur
Wat Dick Swaab naar mijn idee in zijn boek vooral doet, is een oude opvatting van natuur herstellen. Mensen hebben altijd geweten dat ze in hoge mate door hun natuurlijke aanleg bepaald worden. Ze hebben altijd opgemerkt dat ze in die en die karaktertrek of in die en die vaardigheid wel erg op (een van) hun ouders of grootouders lijken. En ook als ze bijvoorbeeld muzikaliteit absoluut niet in verband konden brengen met de kundigheden van hun voorgeslacht, beseften ze vaak wel degelijk dat het om een ‘gave’ ging, iets dat ze mee hadden gekregen. In die zin vormt het verslag van Swaabs bevindingen een nuttig tegenwicht tegen een overtrokken sociaal constructivisme dat wel erg veel menselijk handelen tot een persoonlijke, maar vaak wel sterk door maatschappelijke factoren bepaalde keuze maakte. Swaab heeft volkomen gelijk dat ‘het idee dat we volkomen vrij zouden zijn om wat dan ook te kiezen’, niet alleen onjuist is, maar ‘ook veel ellende voortgebracht’ heeft. Denk alleen maar eens aan de moeders – en misschien ook wel vaders, maar toch vooral moeders – die een paar decennia geleden dikwijls de geestesziekten van hun kinderen op hun bord kregen. Zij zouden het in de opvoeding helemaal verkeerd gedaan hebben. Alleen zo al kan het benadrukken van menselijke bepaaldheid ook weer leiden tot menselijke vrijheid: niet alles is onze ‘schuld’.

Swaab heeft naar mijn idee dan ook groot gelijk als hij suggereert dat een ‘volledige’ vrije wil een illusie is. Volgens mij hebben oplettende mensen dat altijd geweten. De vraag is alleen wat het verschil is tussen een ‘volledige’ vrije wil en de, laat ik zeggen, alledaagse vrije wil waar we in het maatschappelijk verkeer vanuit gaan. Wie iets uit vrije wil doet, wordt niet gedwongen, dat is de primaire betekenis en zonder dat begrip kunnen we alleen uit praktische overwegingen al niet leven. Daar heb je geen diepere metafysische beschouwingen over de fundering van die wil voor nodig. Maar aan dat nadere onderscheid lijkt Swaab weinig aandacht te besteden. Er is, door Douwe Draaisma bijvoorbeeld, wel over geklaagd dat hij de grenzen van zijn eigen vakgebied wel erg gemakkelijk uit het oog zou verliezen, maar hij doet dat met zo’n zichtbare nonchalance dat je je daarover naar mijn idee ook weer niet al te druk over hoeft te maken. Je ziet het direct. En niet geheel ten onrechte repliceerde Swaab dat men dan ook maar moet aangeven waar hij fout zit.

Vrijheid
In Trouw staat vandaag een interview met Felix Schirmann, die morgen in Groningen bij Trudy Dehue promoveert op het proefschrift The good, the bad, and the brain. Theory and history of the neuroscience of morality, en daarin, dat interview dus, zegt hij onder meer:

“De neurowetenschappers die zich bezighouden met moraliteit hebben, zowel in het heden als in het verleden, weinig overtuigend en bovendien controversieel bewijs voortgebracht. Het morele brein is een hypothese en zeker geen wetenschappelijk feit. Wat opmerkelijk is, is dat onderzoek in het verleden zich voornamelijk toespitste op immoraliteit en niet op moraliteit, wat waarschijnlijk te wijten is aan het feit dat het wetenschappers aan middelen ontbrak om het levende brein (waarin moraliteit te vinden zou moeten zijn) te analyseren.’

Wat hij daar opmerkt, zien we ook in het boek van Swaab. Als die nogal wat afdingt op de vrije wil, noemt hij ‘agressief en delinquent gedrag, pedofilie, kleptomanie en stalken’. Maar daarmee is nog steeds niet verklaard hoe mensen zich wel aan regels, morele en andere, kunnen houden. De menselijke natuur is in de geschiedenis van de westerse wijsbegeerte altijd tweevoudig of dubbelzinnig opgevat: als aanduiding van onze menselijke bepaaldheid én als norm voor onze bestemming. Het idee van een regel of een norm – dat kan een morele norm zijn, maar bijvoorbeeld ook een logische norm, waar ik het in mijn vorige stukje over had – veronderstelt op zijn minst een zekere mate van vrijheid. Je kunt immers ook van de norm afwijken. En hoewel het op het eerste gezicht misschien wat paradoxaal lijkt, is Kants idee dat juist het opvolgen van de (morele) norm een uiting van vrijheid is, bij nader inzien zo gek nog niet.

Er lijkt me eigenlijk niets op tegen als hersenonderzoekers de menselijke bepaaldheden nader in kaart brengen. In feite maakt die de vraag naar de menselijke vrijheid, het vermogen om de morele wet en andere regels op te volgen of juist niet op te volgen, alleen maar groter. Van de twee opmerkingen waarmee ik begon, lijkt me die van Kant dan ook dieper te gaan dan die van Swaab. Swaab noemt twee vraagstukken en problemen kun je oplossen. We zullen zien hoever men deze eeuw komt. Kant had het over ‘bewondering en eerbied’ en zijn zin stond dan ook aan het eind van zijn boek over de praktische rede. Hoe meer we weten, hoe meer die zullen toenemen.

Besluit
Bij de beginzin van Swaab die ik citeerde, moest ik nog ergens aan denken. In 2001 promoveerde in Groningen Whee Ky Ma op 22-jarige leeftijd en hij was daarmee de jongste promovendus in vele decennia. Hij is inmiddels trouwens ingehaald, wat de leeftijd betreft dan. Zijn vakgebied was de natuurkunde en hij promoveerde op de snaartheorie, over de fundamentele krachten in ons universum dus. Maar hij stapte daarna over de neurowetenschap: ‘Bij natuurkunde is bijna alles wel uitgezocht wat gedaan kon worden. Over de werking van de hersenen is nog vrij weinig bekend. Op dit gebied kunnen nog grote ontdekkingen worden gedaan. Ik heb de ambitie om hier iets bij te dragen’, zo lichtte hij toe. Kortom, de tweeslag waarmee Swaab opent, belichaamt hij zo ongeveer in zijn werk.

Mooi allemaal, maar over wat moraal is en wat menselijke vrijheid is, zijn we daarmee nog niet uitgepraat.

(164)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: