Archive for juli, 2014

13 juli 2014

Voor Israël zijn – Enkele opmerkingen tijdens de zoveelste Gaza-actie

door Jan Dirk Snel

[Zondag 13 juli 2014] Kun je voor een land zijn? Bij voetbal schijnt het te kunnen. Mensen volgen een wedstrijd en blijken dan voor Brazilië of Nederland, voor Duitsland of Argentinië te zijn. Dan gaat het om een spelletje, maar kan het in de echte wereld ook? Er bestaat vooral een lijst van landen waar mensen ooit erg voor waren en die toch niet zo erg bleken te deugen – of beter: niet deugden, want dat zulks het geval was, kon men direct al wel weten. De Sovjetunie had vrienden, de DDR en China hadden die, zelfs Albanië had ze en her en der zijn er mogelijk nog een paar vrienden van Cuba. Het bleek vooral om utopieën te gaan, communistische, waarbij de werkelijkheid vaak nogal schril contrasteerde met het aanbeden ideaal.

Utopie
Het is misschien niet geheel toevallig dat Israël zo ongeveer het laatste land is waar nog op die manier over gesproken wordt. Nee, communistisch was het niet, een bescheiden socialistische heilstaat was het in de ogen van vele brave sociaaldemocraten de eerste twee of drie decennia van zijn bestaan wel een beetje. En een utopie was het zeker. Het was het land waar de woestijn tot bloei gebracht werd, waar het onmogelijke waar gemaakt werd, waar de beloften en visioenen van de oudtestamentische profeten alsnog verwezenlijkt werden.

Gaza-Roberts

Gaza in 1839, zoals gezien door David Roberts (1796-1864)

Helemaal onbegrijpelijk was dat allemaal niet. Het was ook iets wonderbaarlijks dat de joden, een volk dat op de tijd van de Makkabeeën na nooit een eigen staat had gehad, in 1948 een eigen staat wisten te stichten. Maar velen dachten aan de bijbelse geschiedenissen over Israël en Juda van voor het jodendom en daarin figureerden wel twee koninkrijken – het onderscheid tussen de oud-Israëlitische religie en het jodendom heeft nooit zo sterk in het algemene bewustzijn geleefd. (Het woord ‘volk’ behoeft overigens ook nadere kwalificering; het joodse volk was altijd iets anders dan, zeg, het Italiaanse.) Het was ook de overwinning van het leven op de dood van de vernietigingskampen. Miljoenen mochten dan vermoord zijn, het joodse volk leefde. Am Jisraeel chai. Zo werd dat althans door velen beleefd. Terwijl het zionisme voor de Tweede Wereldoorlog binnen joodse gemeenschappen in overwegende mate werd afgewezen, was het nu een onontkoombare realiteit.

Het verhaal van het ontstaan van de staat is altijd dubbelzinnig geweest. Aan de ene kant is het het succesverhaal van de verwezenlijking van een ideaal, het zionisme, maar tegelijk is het een gegeven dat de meeste joodse immigranten niet kwamen omdat ze een droom verwezenlijken wilden, maar omdat ze vluchtelingen waren. Pas in Israël werden ze zionist. En het zat er natuurlijk ook impliciet in. Het zionisme was al een antwoord op Europees antisemitisme: de vlucht zat er als het ware al in.

Te veel geschiedenis
Israël is een Oost-Europese staat in het Midden-Oosten. En het is bovendien ook nog een staat die in feite net naast het oude bijbelse kernland kwam te liggen: in de kustvlakte met Tel Aviv als symbool, terwijl de bijbelse verhalen zich juist grotendeels in het bergland van Judea en Samaria afspelen, met Jeruzalem als centrum. (De huidige Arabische dorpen gaan uiteraard vaak terug op de joodse dorpen van destijds. Het sprookje dat joden ooit massaal Palestina verlaten zouden hebben, kom je overigens nog verrassend vaak tegen, soms zelfs in serieuze handboeken.) Het was daarom niet zo vreemd dat de overwinning in 1967 als een wonder beleefd werd. Als het over Israël gaat, dan gaat het nooit alleen over het heden, dan resoneren verhalen uit de geschiedenis mee, verhalen over de laatste zestig jaar of de laatste eeuw, maar ook verhalen uit en over vele eeuwen of zelfs millennia. Dat maakt het allemaal ook zo ingewikkeld. Er speelt te veel mee om ooit zuiver, sec, te kunnen kijken naar wat er nu gebeurt. Achter elke zin, achter elk oordeel resoneren vrachten vooronderstellingen.

De laatste jaren heb ik vrijwel niets over Israël en vooral niet over wat wel het conflict of het vredesproces met de Palestijnen heet, geschreven. Beide termen – conflict, vredesproces – duiden merkwaardigerwijze zo ongeveer hetzelfde aan. Ik had er geen zin meer in. Het lijkt ook zo zinloos. Sinds ik in 1981 voor het eerst in Israël kwam en daar vervolgens twee keer een tijdje doorbracht, is men in feite geen stap verder gekomen. Het was toen al duidelijk dat de bezetting – waar op zich niets illegaals aan is, het is een internationaalrechtelijk omschreven gevolg van oorlog en wie er begon (inzake de Golan Israël, zou ik zeggen, zij het mogelijk met een redelijke, indirecte casus belli, inzake de Westoever overduidelijk de toenmalige bezetter, Jordanië) doet trouwens ook niet ter zake – te lang duurde. Veertien jaar al! Zo langzamerhand treden er nieuwe lichtingen soldaten aan die geen persoonlijke herinnering aan de Zesdaags Oorlog meer hebben en dit normaal vinden, was de gedachte. Inmiddels zijn we ruim dertig jaar verder. De bezetting duurt inmiddels 47 jaar, terwijl het land slechts 66 jaar bestaat. Het heeft de ziel van het land ernstig aangetast, dat is duidelijk.

NOS GAZA

Voorbeeld van volstrekt kwaadaardige kritiek vanuit zelfverklaarde pro-Israelhoek. Hier kijken we de gekte midden in het gelaat. Dit soort cynisme is tegenwoordig niet heel zeldzaam. Juist in Israël ziet het opmerkelijkerwijs een geschikt object. (Bron: Ruud Denis op Twitter)

Een tijd geleden, een half jaar misschien, had ik aangekondigd dat ik nog eens een stuk wilde schrijven waarom ik niet meer over Israël, de Palestijnen en het conflict schreef. Ik wilde vooral uitleggen hoe asymmetrisch eigenlijk alles is en hoe divers de gezichtspunten daardoor zijn, hoe men, als dat zo uitkomt, van het feitelijke naar het morele of juridische switcht of juist omgekeerd. Je krijgt nooit alles evenwichtig in één plaatje. Altijd valt er nog meer bij te halen. Ik had voor dat voorgenomen verhaal ook wel aantekeningen gemaakt, maar ik denk dat ik het nooit meer zal schrijven. Het is te ingewikkeld. De houding van veel commentatoren is bovendien al te onverkwikkelijk. Journalisten die over Israël en de Palestijnen schrijven, krijgen voortdurend kritiek. Elk woordje wordt gewogen en o wee, als iets de criticus niet zint. Direct in de hoogste boom! Hierbij doe ik een extreem voorbeeld dat een of andere viezerik gisteren in mijn tijdlijn op Twitter waagde te deponeren. Goed, hier wilde de opsteller duidelijk ook niet redelijk zijn en zoekt hij in opperste kwaadaardigheid zelfs achter simpele feiten al van alles, maar je ziet het in feite van beide (of alle) kanten. Als Christiane Amanpour een interview met Hamas-leider Khaled Mashaal houdt, zoals ze in 2012 deed, dan zijn er ook gelijk weer allerlei wijsneuzen die menen moeten aan te wijzen dat ze in die en die vraag toch van verkeerde veronderstellingen uitging. Te gepolariseerd, te onverkwikkelijk allemaal.

Klein
Nu het Israëlische optreden in Gaza opnieuw in de belangstelling staat, beperk ik me tot een paar opmerkingen. Voorop staat, dunkt me, dat eigenlijk heel onze belangstelling, ook voor dit conflict, via Israël verloopt. Je kunt wel proberen evenwichtig te zijn en het lot van Palestijnen dient ons zeker aan het hart te gaan, maar ik denk dat het realistisch is om te onderkennen dat Israël in zekere zin meer ‘bij ons’ hoort. Dat zie je juist ook vaak bij mensen die Israël scherp kritiseren. Dat doen ze dikwijls niet omdat ze bij voorbaat iets tegen Israël hadden, maar juist omdat ze graag zagen dat Israël het beter zou doen, waarbij de vroegere houding van vereenzelviging een enkele keer misschien al te zeer in het tegendeel verkeert. Natuurlijk zijn er ook mensen die vanwege hun achtergrond zich eerder met Palestijnen zullen identificeren, maar voor het merendeel van de Nederlanders en westerlingen ligt een zekere identificatie met Israël toch meer voor de hand, al zal ik dat nu niet nader uitwerken.

Een ander punt is dat het conflict uiteraard klein is, hoewel het in het wereldnieuws altijd overdreven veel aandacht kreeg. Het is met verloop van jaren ook duidelijk kleiner geworden. Veertig of dertig jaar geleden heette dit nog ‘het Midden-Oosten-conflict’ en lange tijd daarna toch nog zeker de ‘kern’ ervan. Of die perceptie nu zakelijk juist was of niet, met de ontwikkelingen elders in de Arabische wereld, is het zeker niet meer het geval. Het is juist één van de kleinere en meer onoverzichtelijke conflicten. Het is natuurlijk waar dat wat er momenteel in Syrië en Irak gebeurt, veel ernstiger is. ‘ISIS doodt dagelijks evenveel burgers als Israël tijdens deze actie. Opzettelijk en ongeprovoceerd. Ik probeer verschil in reactie te duiden’, twitterde Eddy Terstall gisteren. Hij zal vast gelijk hebben. Ook het aantal doden dat het huidige Egyptische bewind onder de eigen bevolking gemaakt heeft, zal hoger zijn dan wat Israël de laatste jaren in Gaza veroorzaakt heeft.

Maar is daarmee het optreden gerechtvaardigd? Moeten we dan maar niets zeggen? Lijkt me niet. Zoals we de doden in Oekraïne moeilijk kunnen vergelijken met die in Irak of Syrië, geldt dat ook voor die nu in Gaza. Wat bijvoorbeeld zeker ook erg overdreven was, was de grote aandacht voor de dood van drie gekidnapte Israëlische jongens. Was dat dan niet hartverscheurend voor de families en nabestaanden? Zeker. Maar toen hun lichamen gevonden werden, waren er in direct verband met hun zaak al vijf Palestijnen gedood en inmiddels zijn het er meer. Ja, het was erg, maar de grote media-aandacht buiten Israël was volstrekt schijnheilig. Israël maakt routinematig Palestijnen dood. Iedereen weet dat en wie het niet gelooft, volge vooral de blog Abu Pessoptimist van Maarten-Jan Hijmans die regelmatig over allerlei ‘incidenten’ rapporteert. Het is goed en uiterst nuttig dat hij dat doet, maar is dat allemaal wereldnieuws? Nee, ook weer niet. We weten immers allemaal hoe Israël systematisch met Palestijnse levens omgaat. Palestijnen zijn er om te vernederen, te mishandelen, dood te maken.

Oplossing
Alles aan de situatie of het conflict is asymmetrisch. Er zijn geen twee gelijkwaardige partijen die op grond van gelijkheid met elkaar kunnen praten. De Palestijnen zijn volstrekt van Israël afhankelijk. De fout van de akkoorden van Oslo was dat er veel te veel opengelaten was voor nadere regeling. Misschien dat Jitschak Rabin echt vrede wilde, maar met de moord op hem in 1995 waren alle kansen op een vergelijk verkeken. Binjamin Netanjahoe, het toonbeeld van de ultieme nihilist – zou u het wagen een derdehands fiets van de man te kopen, ooit de man ook maar een geringe poging tot geloofwaardigheid zien ondernemen? – die in 1996 voor het eerst premier werd, heeft duidelijk nooit vrede gewild en nooit de bezette gebieden op willen geven.

Israël heeft zichzelf als joodse staat al lang opgegeven. Politici, ook internationaal, die nu nog over een tweestatenoplossing spreken, zijn duidelijk hypocriet. Israël gaat niet meer weg. Daarvoor wonen er inmiddels te veel Israëli’s op de Westoever en is de infrastructuur al te zeer op de Israëlische behoeften aangelegd. De werkelijke oplossing is allang in de maak: Israël zal de Westoever moeten annexeren en de Palestijnen daar gelijke rechten, ook politieke, moeten geven. Het is een oplossing die, als ik dat goed begrijp, ook voorgestaan wordt door de nieuwe Israëlische president, Reuven Rivlin, die op 27 juli zal aantreden en die realistischer lijkt dan de eeuwige dromer Sjimon Peres, en die vooral veel oog voor de rechten van minderheden lijkt te hebben. Bij een annexatie van Judea en Samaria zou het joodse aandeel in de staat nog wel in de meerderheid zijn, maar het zou toch een andere staat worden. Men zou eraan kunnen denken om het familierecht, dat nog op het Osmaanse milletsysteem teruggaat, aan te passen en mensen de keus uit een algemeen burgerlijke of een specifiek religieuze optie (joods, islamitisch, christelijk – uiteraard alle in varianten – en anderszins) te geven. Maar het zal nog wel even duren. De Palestijnen zouden er zelf om moeten vragen of belangrijke delen van de internationale gemeenschap zouden er op aan moeten dringen.

Gaza zou niet bij die optie passen. Annexatie ervan zou het demografisch overwicht voor de joodse bevolking van Israël te zeer verstoren en men heeft er gevoelsmatig toch niet mee wat men met Judea en Samaria heeft. Gaza zou een soort zelfstandig stadstaatje moeten worden. In die zin is de tweestatenoplossing dus toch niet helemaal voorbij, maar dan wel in heel andere zin dan velen er nu nog onder verstaan. Egypte wil Gaza duidelijk niet onder zijn hoede nemen en bij de inkapseling heeft het jarenlang met Israël onder één hoedje gespeeld. In feite zou een sterke macht Gaza voorlopig onder de hoede moeten nemen en tegen Israël en Egypte moeten vertellen dat ze zich nergens mee te bemoeien hebben. Het stadstaatje zou vanaf zee bevoorraad moeten worden. Maar ja, wie zal die taak op zich willen nemen? En zou Hamas akkoord gaan?

Acceptatie
Kortom, ook al staat de eindoplossing in feite allang vast – Israël zal Judea en Samaria annexeren en de inwoners volledig gelijke rechten geven en Gaza zal zelfstandig worden – toch is de weg nog lang, omdat veel spelers op de internationale Bühne nog een draai zullen moeten nemen. De vraag is bijvoorbeeld wanneer de Verenigde Staten bereid zullen zijn om van het gedrochtelijke idee van een tweestatenoplossing af te stappen. Een presidentschap van Hillary Clinton zou in ieder geval enorme vertraging betekenen, zoals het presidentschap van haar man William Jefferson Clinton destijds in feite ook de enige echte kans, belichaamd in een voortzetting van het proces dat onder leiding van George H.W. Bush en James Baker III in Madrid begonnen was, om zeep hielp.

En ook al ligt deze oplossing voor de hand, het kan altijd weer anders gaan, vooral ook omdat we niet weten hoe het verder zal gaan in het Midden-Oosten. Veel kritiek op de politiek van Israël de laatste decennia was op zich terecht. Het land wilde (vaak) duidelijk geen vrede en het wilde de bezette gebieden niet echt afstaan. Dat is helder. Maar de vraag is wel hoe dat zo kwam. En het antwoord lijkt me toch te liggen in een gebrek aan vertrouwen in de omgeving. Heel veel Israëli’s wilden de afgelopen decennia wel degelijk vrede en dat de meerderheid zich zo heeft laten gijzelen door een minderheid die de gebieden per se wilde koloniseren, komt ook doordat die meerderheid geen duidelijk alternatief voor ogen zag.

Er zijn nog steeds zo’n 32 staten die Israël niet erkennen, merendeels Arabisch of islamitisch, en dat is niet normaal. Israël mag dan ten opzichte van de Palestijnen wel een Goliath zijn, zoals dat heet – merkwaardige uitdrukking trouwens: David versloeg Goliath – het voelt zich in de omgeving altijd nog bedreigd en dat is niet geheel onbegrijpelijk, al zijn naburige staten na de stichting in 1948 alleen in 1973 echt een oorlog tegen Israël begonnen (of het dreigen of provoceren in 1967 wel zo serieus was, is nog maar de vraag). In Libanon werd een paar jaar geleden nog een tentoonstelling van World Press Photo afgebroken omdat men geen foto van een Israëlische fotograaf accepteerde. Het schijnt dat het verbond van artsen in Jordanië, een land dat vrede met Israël gesloten heeft, in principe tegen behandeling van Israëlische patiënten is, althans dat meen ik opgevangen te hebben uit de mond van een voormalig Israëlisch ambassadeur aldaar. Hoe het ook zij, het is waar dat Israël om allerlei redenen de bezette gebieden niet wilde opgeven, het lijkt me ook duidelijk dat in de ogen van veel Israëli’s een helder vertrouwenwekkend perspectief, werkelijke acceptatie, niet alleen wat formuleringen van politici dus, zich ook nooit aandiende.

Eigen voortreffelijkheid
Dat maakt het ook nu zo lastig. Nee, natuurlijk deugt er van het Israëlische optreden niet veel. De cijfers spreken duidelijke taal. Sinds de eerste Qassem-raket in april 2001 in Israël landde, zijn er 4.845 Palestijnen en 174 Israëli’s gedood, meldde HaAretz deze week – ik zag het via een tweet – en vooral het eerste getal is inmiddels al weer een stukje hoger. De cijfers spreken boekdelen.

Het is duidelijk dat het Israëlische leiderschap de weg volkomen kwijt is. Men weet heel goed dat het doodmaken van nog meer Palestijnen nou niet bepaald effectief is, maar men gaat toch door. Maar wat is het alternatief? Ja, in ieder geval anders optreden op de Westoever, dat zou al iets zijn. Er niet langer vanuit gaan dat Palestijnen er zijn om vernederd, mishandeld en doodgemaakt te worden, dat zou al een begin zijn. Maar zou dat nu nog helpen? Na de hele cyclus van wraak en haat? En is zo’n ommekeer nog mogelijk? Dat de actie in Gaza een antwoord zou zijn op de dood van de drie lifters, dat gelooft natuurlijk geen mens. Dat toch beweren is uiteraard vooral provocatief bedoeld: laten zien hoever men wel niet durft te gaan. Maar je kunt je natuurlijk wel afvragen wat men in de Gazastrook doet met al die gammele raketten die  het lot van de bevolking bepaald ook niet verbeteren. Hamas is zeker zo irrationeel als de Israëlische leiding.

Het grootste probleem van Israël is misschien wel het hoog opgeven van eigen voortreffelijkheid. Het schijnt zo te zijn dat bedrijven die reclame maken met de ethische codes die ze toepassen, het in de praktijk vaak niet zo goed doen. Moraal is niet iets waar je te koop mee moet lopen, maar dat je uit moet voeren. Dit schreef Esther Voet van het CIDI vrijdag in de Volkskrant:

‘Waar Israëli’s het leven als heilig beschouwen, vindt het bewind in Gaza de dood heilig. Dus als er burgerslachtoffers vallen, verliest Israël en wint Hamas. Daar keren de david- en goliatrollen weer om, want de dood vinden is gemakkelijker dan het leven behouden.
Dit essentiële verschil in mentaliteit wordt in het Westen nog steeds niet gezien, en zo betekent elk militair succes verlies voor Israël.’

Het is een type denken dat me bekend voorkomt. Als je even in Israël hebt rondgelopen, is het patroon vertrouwd. Steeds geeft men hoog op van de eigen hoge moraal. Het punt is misschien dat het nog een klein beetje waar is ook. Ja, het komt tegenwoordig voor dat partijen in de islamitische wereld het martelaarschap vertekenen. Voor wat betreft Koerdistan heeft Mariwan Kanie overigens aangetoond dat dit moderne idee van het martelaarschap begonnen is bij communisten en ook bij Hamas lijkt een seculiere, in feite marxistische oorsprong, een visie op de geschiedenis waarbij doden mest zijn op de akker van de vooruitgang, me op zich bepaald niet onwaarschijnlijk. Politiek islamisme kenmerkt zich in het algemeen door een sterk seculiere component, die ook niet verwonderlijk is bij een dergelijke politisering van de religie.

TsurkovMorele eigendunk
Maar het punt is natuurlijk dat het zo opzichtig half waar is. Ja, het kan zijn dat Hamas in propaganda martelaarschap verheerlijkt, maar de ouders, kinderen en familieleden van slachtoffers die gedood worden, zijn nog steeds echt verdrietig. Die houden ook van het leven. Iemand als Joris Luyendijk heeft destijds in reportages genoegzaam getoond hoezeer het beeld omsloeg als je na de propaganda nog even bij families bleef hangen. En het is vooral zo half waar of onwaar, omdat de cijfers uitwijzen dat Palestijnse levens voor Israël niet erg tellen. De verschillen in dodentallen zijn volstrekt disproportioneel, nu tijdens de acties tegen de Gazastrook, maar ook van week tot week door het optreden van leger en kolonisten op de Westoever.

Niets is geschikter om je kritisch ten aanzien van Israël te maken dan het volgen van de officiële propaganda. Bekijk de tijdlijn van de IDFspokesperson op Twitter en je ziet levendig voor ogen wat er mis is. Veel morele eigendunk die je al gauw op de gedachte brengt dat men wel beseft dat er iets grondig mis is. Neem een tweet als deze:

‘Unlike Hamas terrorists, the #IDF does all in its power to limit civilian casualties http://youtu.be/OtL5QitoSC0

Met filmpje erbij. Waarbij men een actie afgelast, omdat er mensen, mogelijk kinderen, te dichtbij zijn. Vast en zeker waar. Maar al te vaak gaat het dus wel mis en wordt er wel een strandtent getroffen. En ja, het zal waar zijn dat raketinstallaties vlakbij woningen staan op gesteld, dat wapens in woonhuizen en moskeeën zijn opgeslagen, dat mensen als menselijk schild dienen, maar wat zegt het over jou, als je zonder goede reden daarin meegaat door dergelijke doelen aan te vallen? Israël zou geloofwaardiger zijn als het de fouten ook meldde. Nu werkt de propaganda over de eigen goede bedoelingen alleen maar averechts. De verhoudingen zijn iets al te ver zoek.

Het blijft onduidelijk wat Israël met Gaza wil. Op de Westoever kan men er nog vanuit gaan dat men een deel van de bevolking liever kwijt dan rijk is met het oog op de annexatie die er onvermijdelijkerwijze een keer komt, maar inzake Gaza gelden dergelijke motieven niet. Waarom dan toch steeds weer grove acties, die weer verbittering en dus zo af en toe raketbeschietingen opleveren? Het blijft onduidelijk. Men heeft kennelijk geen idee.

Voor Israël
Het zal duidelijk zijn. Ik ben voor Israël. Normaal ben ik niet voor landen, maar bij Israël moet men dat er wel bij zeggen. Er bestaat inderdaad weerstand tegen Israël in de wereld die ziekelijk is. De negatieve houding van veel Arabische en islamitische staten valt ook niet te pruimen. Men kan nog zoveel bezwaar hebben tegen de wijze waarop de staat ontstaan is, dat is geen reden om zolang in een algemeen afwijzende houding te persisteren. Uiteraard hoort Israël de Nakba te erkennen en er op een bepaalde manier op te reageren, maar de verdrijving van de pakweg driekwart miljoen Palestijnen is nu ook weer niet zo uitzonderlijk. Ongeveer in dezelfde tijd werden er twaalf tot veertien miljoen Duitsers verdreven en die vluchtelingen vormen nu geen probleem meer. Ze kwamen goed terecht (en nogal wat wonen er net over de grens met Nederland). Ook rond die tijd ontvluchtten ongeveer zeven miljoen hindoes en sikhs Pakistan, terwijl ongeveer een zelfde aantal moslims juist daar hun toevlucht zochten.

Zo betoogde Israël dat er tegenover de driekwart miljoen Palestijnen die in 1947-1949 verdreven werden, ongeveer een gelijk aantal joodse vluchtelingen uit de Arabische landen stond. Ja, die waren natuurlijk ook het gevolg van het ontstaan van de staat, vroegen daar ook niet om, maar tegelijk kun je zeggen dat het patroon van etnische zuivering nu eenmaal bij de moderniteit hoort. Het gaat nu nog door wat betreft christelijke groeperingen in het Midden-Oosten. Natuurlijk kan men het leed van de ene groep niet afstrepen tegen dat van de andere. Maar de buurlanden hadden ook wel wat meer kunnen doen voor de opvang en integratie van de vluchtelingen. Het probleem is ook kunstmatig in stand gehouden en dat nakomelingen na generaties nog steeds officieel als vluchteling erkend worden, dat deugt ook niet.

Ik ben voor Israël en daarom ben ik kritisch over Israël. Van het optreden tegen de Palestijnen klopt niet veel. Het is allemaal te disproportioneel. Het is vooral ook ondoordacht. Wie kan nu werkelijk denken dat door maar mensen dood te blijven maken, er niet nog meer verbittering en nog meer wraak ontstaat? In Israël hoorde ik nogal eens het argument: ja, maar dit is het Midden-Oosten, hier verstaat men alleen de taal van het geweld. Het lijkt me dat de praktijk toch wel het tegendeel aantoont.

Eenstaatsoplossing
Het zou vooral goed zijn als Israël duidelijk aangaf wat men nu eigenlijk wil. Door de kolonisatie van de Westoever, die wel tot annexatie moet leiden, heeft men impliciet aangegeven dat men niet langer een joodse staat wil zijn. Maar tegelijk maakt Binjamin Netanjahoe steeds enorme drukte van de erkenning van Israël als joodse staat. De windbuil voert natuurlijk ook niet de pretentie dat hij eerlijk of consistent is, maar het lijkt me dat leidende Israëlisch intellectuelen op dit punt duidelijkheid zouden moeten verschaffen. Zoals sommigen van hen in een tijd dat dat nog niet algemeen aanvaard was, maar dat nog wel mogelijk leek, zich uitspraken voor een tweestatenoplossing, zouden ze zich nu duidelijk voor annexatie en gelijkberechtiging moeten uitspreken.

Van leidende Palestijnse intellectuelen zou een dergelijk realisme ook verwacht mogen worden. Dat ook omdat het nog maar de vraag is of een eigen Palestijns staatje wel veel rechtsstatelijkheid zou bieden. De praktijk tot dusverre geeft weinig reden voor optimisme. En vooral van de internationale gemeenschap mag men een ferme keuze voor een eenstaatsoplossing verwachten. Een politicus die zich nu nog uitspreekt voor een tweestatenoplossing is ongeloofwaardig en schijnheilig. Die is niet werkelijk uit op een oplossing. Mensen dienen voorop te staan. Palestijnen verdienen domweg gelijke rechten als Israëli’s.

Kritiek op het optreden van een staat betekent normaal gesproken niet meer dan dat en niet dat men die staat weg wil hebben. Maar bij Israël ligt dat anders. Het zijn vooral de ‘aanhangers’ die vaak over het ‘bestaansrecht’ beginnen en vaak ongepast, maar tegelijk kan men er ook wel iets van begrijpen. De angst voor extinctie zit in Israël nu eenmaal diep en over de historische achtergrond daarvan hoef ik het nu niet nader te hebben. Maar juist als men het beste met Israël voorheeft, zal men het land kritiek naar mijn idee ook bepaald niet mogen onthouden. Het bevindt zich op een doodlopende weg en het wordt tijd dat het aangeeft wat het nu eigenlijk wil.

Goed
Kritiek die Israël totaal demoniseert, deugt niet. Kritiek hoort zaakbetrokken te zijn. Maar je ziet ook een verdediging van Israël die het allemaal nog erger maakt en die vooral van een enorm cynisme getuigt. Het lijkt de hedendaagse erfenis van de utopie. Hedendaags nihilisme, dat om onheldere redenen soms ‘rechts’ wordt genoemd, terwijl het hooguit tegen een bepaald type links is, lijkt vaak voort te komen uit het verlies van heldere idealen. Het utopisme sloeg om in cynisme.

Het beste lijkt het me er je niets van aan te trekken. Ja, elders op de wereld en in het Midden-Oosten is het vaak nog veel erger, maar wie zich bij Israël en de Palestijnen betrokken voelt, kan alleen maar hopen dat het in het Heilige Land goed komt. Dat betekent op zijn minst dat Palestijnen volop als mensen met gelijke rechten behandeld worden en dat er aan het veelvuldige Israëlische wangedrag een einde komt. Dat is goed voor de Palestijnen en het is ook goed voor Israël, dat nu verkeerd is in een karikatuur van de schijnende staat die vroege zionisten ooit voor ogen hadden.

Ook dit verhaal is niet evenwichtig. Dat kan ook niet. Altijd speelt er veel te veel mee, te veel geschiedenis vooral ook. Nooit eigenlijk is het mogelijk om een probleem of een actie zuiver op zich te zien. Maar omdat dat nooit lukt, zeg je elke keer ook weer te weinig. Omdat er tegen elk gezichtspunt zich nog weer een ander gezichtspunt, dat ook beschouwing behoeft, aandient. Het enige dat we kunnen doen, is ons uitspreken voor de humaniteit, voor het welzijn van alle mensen in  het Heilige Land. En voor de waarheid, voor de feiten en tegen de propaganda. Zonder waarheid immers geen gerechtigheid.

(159)

8 juli 2014

Consistentie en redelijkheid II – Een antwoord aan Emanuel Rutten

door Jan Dirk Snel

[Dinsdag 8 juli 2014] Emanuel Rutten reageerde heel snel op mijn stukje over consistentie en redelijkheid, maar hij gaat slechts op een deel van mijn, toegegeven, ook wel erg lange stuk in. Zo zegt hij aan het slot dat hij ‘helaas wederom een hoop verwarrende uitspraken, die ik verder maar laat rusten’, tegenkwam, maar hij vertelt niet welke. Met name jammer vind ik dat hij niet uitlegt waarom hij in zijn eerdere stukjes zonder nadere uitleg overging van de bespreking van (in)consistentie, het aangekondigde onderwerp, op waarheid, een begrip dat daar deels mee in verband kan staan, maar toch iets anders is. Ook legt hij nog steeds niet uit wat hij nu eigenlijk onder overtuigingen of onder het ‘accepteren’ van uitspraken verstaat.

A_velocipede_race_at_Jardin_du_Luxembourg_in_1818

Een wielerwedstrijd heet soms ook wel een criterium. Hier een wedstrijd tussen nog traploze rijwielen in de Jardin du Luxembourg te Parijs, 1818.

Criteria
Maar laat ik nu ingaan op waar hij wel op ingaat. Laat ik voorop stellen dat ik op zich in mijn stukje betoogde dat Rutten inzake twee van zijn drie uitgewerkte voorbeelden – de verzameling van al onze overtuigingen en een boek – gelijk heeft. Alleen het loterijvoorbeeld is naar mijn idee niet overtuigend.

Ik denk dat een deel van het misverstand als volgt verwoord kan worden. Ik heb het over de bruikbaarheid of geldigheid van criteria als zodanig. Kunnen we met een bepaald criterium overweg? Rutten daarentegen heeft het over iets anders: namelijk of in bijzondere, empirische gevallen aan bepaalde criteria voldaan is. Maar het feit dat een bepaalde verzameling uitspraken niet te overzien valt en we dus niet weten of aan het criterium voldaan is, zegt uiteraard niets over de vraag of het criterium toch normatief geldig is.

Maar laat ik voor ik verder ga, eerst de omschrijving die Rutten nu geeft van de twee besproken criteria nog even weergeven:

A: een verzameling uitspraken in kwestie moet consistent zijn
B: het mag niet zo zijn dat de verzameling uitspraken inconsistent is en dat diegene die de verzameling wil accepteren ook weet dat deze verzameling inconsistent is

Iedereen die dit vergelijkt met de weergave van het oorspronkelijke criterium (in zijn eerste stukje, in rood te vinden in mijn vorige stukje) zal overigens zien dat criterium B nu anders geformuleerd is.

Noodzakelijke voorwaarden
Wat Rutten doet en overigens al zijn eerste stukje deed, is dit: hij maakt van deze criteria noodzakelijke voorwaarden voor de acceptatie van bepaalde verzameling uitspraken, waarbij overigens in het ongewisse blijft wat dat accepteren precies betekent.

Dat is een specifieke handeling, een specifieke toepassing. Het is natuurlijk duidelijk dat als je een verzameling niet goed te overzien valt, zoals al je overtuigingen of zelfs de inhoud van een boek van een paar honderd bladzijden, dat je dan dergelijke criteria niet altijd volledig toegepast kunt hebben. Uiteraard probeert de auteur zich niet tegen te spreken, maar het blijft altijd mogelijk dat een lezer hem erop wijst dat de redenering op bladzijde 234 toch duidelijk in strijd is met die op pagina 68.

Kortom, het gaat Rutten dus niet om de criteria als zodanig, maar om een andere vraag: het accepteren van verzamelingen uitspraken. De vraag is dan of de genoemde criteria daar bruikbaar voor zijn en als het om grote niet overzichtelijke verzamelingen gaat, kunnen we hem volop bijvallen dat zulks niet het geval is. Maar dat wisten we natuurlijk al bij voorbaat: het gaat immers om zaken die we niet volledig overzien. We hebben bepaalde opvattingen, maar uiteraard gaan we ervan uit dat die niet allemaal consistent zijn. Iemand schrijft een boek, hij probeert zich niet tegen te spreken, maar hij beseft uiteraard dat het altijd mogelijk is dat dat toch een keer gebeurt. Criteria als waarheid, consistentie, helderheid, zinvolheid en anderen spelen voor de auteur zeker mee, maar hij zal echt niet denken dat ze allemaal vervuld zijn

Een algemeen criterium (A)
Dat Rutten steeds bezig is met een andere vraag dan die naar de geldigheid van de twee criteria als zodanig, komt heel helder tot uiting in deze passage:

‘Snel schrijft vervolgens: “Met het algemene criterium [i.e., criterium A] zal op zich niemand moeite hebben”. Ook dit is natuurlijk niet het geval. Sterker nog, criterium A is zelfs evident onhoudbaar als noodzakelijke voorwaarde voor het redelijk accepteren van een omvangrijke verzameling uitspraken.’

Hij heeft het over iets heel anders dan ik. Criterium A, dat inconsistentie ongewenst is of om nadere opheldering vraagt, is een gewoon alledaags criterium. Dat is inderdaad volstrekt probleemloos. Als alle criteria geldt het ook altijd in een sociale context. Men moet weten wanneer het beroep erop nuttig, gepast of behulpzaam is. Maar het is als zodanig een volstrekt probleemloos criterium.

En Rutten heeft natuurlijk ook gelijk dat het ‘evident onhoudbaar’ is ‘als noodzakelijke voorwaarde voor het redelijk accepteren van een omvangrijke verzameling uitspraken.’ Tenminste als we onder ‘onhoudbaar’ hier iets als bruikbaar verstaan. Wat dat accepteren van een grote verzameling uitspraken ook mag betekenen, het is natuurlijk duidelijk dat die vanwege de onoverzichtelijkheid niet bij voorbaat aan alle mogelijke criteria kan voldoen. Maar het criterium blijft natuurlijk wel geldig. We kunnen het altijd in concreto op enkele uitspraken uit de verzameling, als die toevallig ter sprake komen, toepassen. In die zin is het dus zeker niet onhoudbaar. Alleen het idee dat er volledig aan voldaan zou zijn, is onhoudbaar. Maar wie zal dat ook denken?

Een specifiek criterium (B)
Dan het tweede criterium. Rutten meent dat ik dat ‘überhaupt niet begrepen’ blijk te hebben. Dat lijkt me toch sterk. In mijn vorige stukje heb ik allerlei mogelijke lezingen ervan de revue laten passeren en ik heb laten zien dat als we letterlijk nemen wat er staat, dat flauwekul is, maar dat het ook mogelijk is achter de als zodanig ongelukkige formulering – waarvan ik, nogmaals, besef dat Rutten die van anderen overgenomen heeft – meer begrijpelijke bedoelingen te vermoeden.

Maar niet begrepen? Ik citeer de oorspronkelijke tekst:

‘dat het niet zo mag zijn dat […] je ook weet dat die verzameling inconsistent is.’

In zijn tweede stukje schreef Rutten dit:

‘Het criterium eist alleen maar dat als de desbetreffende verzameling logisch inconsistent is, dit in ieder geval niet geweten wordt door diegene die de verzameling wil accepteren. ‘

Zie nu ook definitie B hierboven en dit keer schrijft hij ook nog dit:

‘Criterium B zegt alleen maar dat als een verzameling uitspraken logisch inconsistent is en je dit ook weet, je die verzameling niet redelijk kunt accepteren.’

Het is duidelijk dat hij hier nu iets anders schrijft. Nu neemt hij het redelijk kunnen accepteren in het criterium op, maar aanvankelijk ging het om het criterium als zodanig. En als we het letterlijk lezen, zoals ook Rutten in zijn tweede stukje overduidelijk deed, is het een verbod op weten. Het ligt uiteraard voor de hand om te denken dat iets anders bedoeld is, bijvoorbeeld een aansporing om als je van een inconsistentie op de hoogte bent, daar wat aan te doen, maar dat staat er nu eenmaal niet en zo las Rutten het ook niet. (Terloops zien we hier ook nog dat Rutten bijvoorbeeld niet bezig is met een toch veel meer voor de hand liggend gebruik van de criteria, namelijk om uitspraken aan te passen, maar slechts met die ene, nog steeds onheldere vraag naar de ‘acceptatie’ ervan.)

Mijn zinsnede dat het aangevulde criterium ‘veel zwaarder is’, is totaal niet van belang voor de rest van mijn betoog en kan ook rustig geschrapt worden, maar het valt niet zo moeilijk om uit te leggen wat ik ermee bedoelde. Het algemene criterium, dat je niet inconsistent mag zijn, is volstrekt probleemloos. Uiteraard weet je dat niet al je overtuigingen of uitingen eraan voldoen, maar dat doet iets af aan je acceptatie van het criterium. Het is een aanleiding om zodra je wel op een inconsistentie gewezen wordt, daar serieus op in te gaan. Maar het tweede criterium dat je niet mag weten dat je opvattingen wel eens inconsistent kunnen zijn, terwijl je daar uiteraard vanuit gaat, is dan natuurlijk veel sterker. Er komt nog iets bij. Je mag niets niet weten wat je toch weet. Het is letterlijk genomen vooral onzinnig. Rutten gebruikt sterkte en zwaarte ten aanzien van een specifieke toepassing, wat je dan gaat ‘uitsluiten’, maar dat is iets heel anders dan waar ik op doelde. Als het om je opvattingen gaat, is de hele gedachte dat je die kunt ‘accepteren’, ook al ongerijmd. Die heb je. Gewezen worden op het criterium consistentie betekent niet dat je je opvattingen uitsluit, maar dat je ze aanpast of verwerpt.

 –

Redelijkheid
Het blijft onhelder wat Rutten onder dat ‘accepteren’ van verzamelingen uitspraken verstaat. Er bestaan gewoon allerlei overtuigingen en opvattingen, mensen doen allerlei uitspraken. Die accepteren we verder niet, die zijn er gewoon. Maar soms, in specifieke situaties, als dat nodig lijkt of blijkt, leggen we nadere criteria aan. Stilzwijgend, onbewust vaak, zijn ze op de achtergrond aanwezig. Klopt dat wel? Zien we daar geen tegenspraak? Is dat geen evidente onzin? Is dat niet kwetsend? En zo door.

Het lijkt me weinig zinvol om je als filosoof het hoofd te breken over de vraag wanneer je een bepaalde verzameling uitspraken ‘accepteert’, vooral niet zolang niet duidelijk is wat daar onder verstaan moet worden. Een auteur die een boek schrijft, kijkt dat zelf na, de uitgever kijkt dat na en dan wordt de tekst ‘geaccepteerd’’. Dat is gewoon een praktische gang van zaken. Filosofen kunnen misschien proberen om over gebruikelijke maatschappelijk normen, waaronder waarheid, consistentie, nut, zinvolheid en andere wat nadere verheldering te brengen. Het lijkt me weinig zinvol als ze gecompliceerde bijkomende normen gaan verzinnen. Wat zouden mensen daar aan hebben?

Redelijkheid is vooral een sociaal fenomeen. Het is iets dat elk moment steeds weer gerealiseerd moet worden. Dat gebeurt dus ook bij het maken van het boek of als je desgevraagd je nadere verantwoording van je overtuigingen aflegt. Redelijkheid is dan ook vooral de bereidheid om bepaalde maatschappelijk aanvaarde normen telkens weer toe te passen. Je kunt zelden zeggen: nu heb ik alles gecontroleerd, nu is redelijkheid helemaal verwerkelijkt. Normen moeten telkens weer in concreto toegepast worden. De algemene norm (A) dat inconsistentie onwenselijk is, vormt een onderdeel van het maatschappelijk discours, de specifieke norm (B) dat je geen weet mag hebben van inconsistentie, is op zijn best een aansporing werk van A te maken en voegt dan niets toe, maar dat is wel een erg welwillende lezing.

Zinvol?
De vragen die ik aan het eind van mijn vorige stukje stelde, blijven staan. Levert dit soort gedoe iets op? Worden we hier wijzer van? Krijgen we zo meer inzicht in wat redelijkheid is? Is het opwerpen van dit soort vragen moreel verantwoord? Ik geloof het nauwelijks, hooguit in die zin dat we zien dat het zo bepaald niet moet. Ik heb het vorige en dit stukje geschreven omdat ik nu eenmaal beloofd had ergens naar te kijken, maar ik maak er doelbewust verder niet veel reclame voor, omdat dit thema zo veel te weinig oplevert. Het is eigenlijk jammer van de tijd. Ik geloof dat mensen hun denkvermogen gekregen hebben om die voor nuttiger zaken te gebruiken.

Filosofie moet inzicht bieden, zich niet met zinloze vragen bezig houden. Ik zal proberen om me in het vervolg weer op zinvollere thema’s te richten of om thema’s die hier niet eens zover vanaf liggen, op een zinvollere wijze te behandelen.

 (158)