Wat is waarheid? – Over een relationeel begrip

door Jan Dirk Snel

[Donderdag 3 juli 2014] De vraag wat waarheid is, is allereerst een feitelijke vraag, die we naar waarheid zullen moeten proberen te beantwoorden. Uiteraard, waarheid is vooral een oordeel, een beoordeling. Als we zeggen dat iets waar is, spreken we daarmee een kwalificatie uit die een criterium impliceert, namelijk of het ‘zo’ is, zoals dat ook geldt als we iemand aardig noemen, of een luiaard, of van een gebeurtenis zeggen dat die afschuwelijk is of van een voornemen dat het alleszins reëel is. Maar de vraag hoe we dergelijke oordelen en criteria gebruiken, is allereerst weer feitelijk van aard: hoe gebruiken we die in de praktijk? Hoe fungeert een begrip als waarheid?

Overeenstemming
Woorden en begrippen staan nooit helemaal vast. Het woordenboek omschrijft wel allerlei gangbare betekenissen, maar volledig kan het daarin nooit zijn. Dat komt omdat woorden en begrippen telkens weer in andere omstandigheden in telkens nieuw zinnen gebruikt worden. Om een voorbeeld uit mijn vorige stukje te gebruiken: wie bij democratie vooral aan de tegenstelling met aristocratie denkt, gebruikt het begrip in een iets andere betekenis dan wie bij democratie primair aan de tegenstelling met dictatuur denkt, ook al kan hij het in concreto over hetzelfde politieke bestel, zeg het Amerikaanse, hebben.

Zandvoort raadhuis

Raadhuis te Zandvoort (foto: Rudolphous, Wikipedia)

Wat is waarheid? Er bestaat vanouds een omschrijving, die onder meer bij Thomas van Aquino te vinden is, en die in ieder geval klassiek mag heten:

‘Veritas est adaequatio rei et intellectus.’

Waarbij de volgorde van de laatste twee begrippen trouwens ook omgedraaid kan worden. Waarheid is de overeenstemming tussen zaak en begrip, tussen werkelijkheid en taal, daar komt het zo ongeveer op neer. Het is in feite de gewone woordenboekomschrijving. Mijn Van Dale uit 1976 opent de beschrijving zo:

‘het ware; het in-overeenstemming-zijn van het denkbeeld met de wetten van het denken of met zijn voorwerp, van een verhaal of bericht zoals zij is’

Dat klinkt al wat ingewikkelder, maar de kern is hetzelfde: het gaat om overeenstemming tussen een denkbeeld, een gedachte, die om erover te kunnen spreken, uiteraard wel geformuleerd moet zijn, en iets anders. Het Woordenboek Woordenboek der Nederlandsche Taal, dat in dit geval eens later was, sloot zich daar in 1988 kennelijk bij aan:

‘Het ware; datgene wat overeenkomt met de feiten of in overeenstemming is met de inzichten van het verstand, met de wetten van het denken, voorgesteld als enkelvoudig begrip: als eenige ware, juiste weergave van de feiten, van de dingen zooals ze zijn, gesteld tegenover alles wat er niet mee overeenstemt en om die reden wordt beschouwd als leugen of dwaling.’

Het opvallende is dat het in dit geval aanvankelijk open laat wat dat ‘wat’ is dat met de feiten et cetera ‘overeenkomt’, maar vervolgens kiest het daarvoor het woord ‘weergave’, dat op taal betrekking kan hebben, maar ook ruimer gebruikt kan worden. Er is ook een subtiel verschil met de twee voorgaande omschrijvingen. Die lokaliseren waarheid in de overeenstemming of het in overeenstemming zijn, terwijl het in het laatste geval in een onbepaald ‘wat’ gesitueerd wordt, dat vervolgens ergens mee overeenkomt. De eerste omschrijving lijkt me adequater en zeker vollediger en ik zal uitleggen waarom.

Verdubbeling
‘Waar is, van iets dat zo is, te zeggen dat het zo is, en van iets dat niet zo is, te zeggen dat het niet zo is’, merkte Aristoteles al op en zo is het. Je zegt iets en je zegt dat over of van iets. Er zijn dus twee polen en waarheid betreft de relatie tussen die twee. Twee dingen komen overeen: begrip en zaak, taal en werkelijkheid. Het is ook nooit moeilijk geweest om dat te begrijpen en gewone mensen snappen dat nog steeds onmiddellijk. Filosofen lijken echter in de afgelopen eeuw het spoor soms wat bijster geraakt te zijn en dat kon wel eens komen door de veelvuldige toepassing van tarskiaanse terminologie in gewone wijsgerige teksten, waar Alfred Tarski zelf overigens ook niets aan kon doen, want die waarschuwde al dat zijn formele systeem op zichzelf stond en dat men het niet in natuurlijke talen moest gebruiken. Maar veel filosofen deden dat, eigenwijs als ze zijn, toch, men kan het tegenwoordig alom constateren, en dat heeft soms enige verwarring veroorzaakt.

Neem een tegenwoordig in allerlei boekjes gebruikelijke formulering als

‘Sneeuw is wit’ is waar dan en slechts dan als (desda) sneeuw wit is
‘Sneeuw is wit’ <=> sneeuw is wit

Wat gebeurt hier? Links staat een uitspraak of een propositie, intellectus dus in de klassieke definitie. En rechts staat de werkelijkheid, de res uit dezelfde klassieke definitie. Wat gebeurt er in de eerste regel hierboven? Waarheid wordt eenzijdig in de propositie gelokaliseerd. Maar die zin kan op zich helemaal niet waar zijn, dat geeft de verbindende formule al aan. Die is alleen waar als het tweede ook waar is, namelijk als sneeuw ook inderdaad wit is. Kortom, niet de propositie als zodanig is waar, die is slechts waar als we die in verbinding tot het tweede, de werkelijkheid, zien. Wie waarheid wil lokaliseren, moet dan ook niet de nadruk leggen op de uitspraak tussen aanhalingstekens, maar op het equivalentieteken <=> in de tweede regel. Alleen in onderlinge verstrengeling is de eerste uitspraak waar. Pas in de relatie is er sprake van waarheid.

Enigszins verwant hieraan lijkt de merkwaardige, soms opduikende gedachte dat waarheid een ‘afbeelding’ van de werkelijkheid zou zijn, een gedachte waar de jonge Wittgenstein, die ernstig in de war was en de rest van zijn leven heeft besteed om weer uit die verwardheid te komen, niet geheel onschuldig aan is. (Het levert trouwens soms aardige en ook wel amusante literatuur op: tobbers zijn het interessantst.) Het is wel het extreemste voorbeeld van een foutieve lokalisering van waarheid. Afbeeldingen, een tekening of een schilderij, noemen we trouwens meestal niet waar, maar eerder waarheidsgetrouw, wat in feite een dubbele relatie tot veronderstelt: tot een externe waarheid die op zich weer relationeel van aard is. Een schilderij is niet waar, maar kan iemand bijvoorbeeld uitbeelden ‘zoals hij is’. Dan doet het recht aan de waarheid.

Maar terug naar de sneeuw. In feite gaat het hier om een tamelijk onnodige verdubbeling. Aan beide kanten staat gewoon hetzelfde, in taal, maar in het eerste geval leggen we de nadruk op de talige pool, in het tweede op de werkelijkheid. Maar die werkelijkheid is nog steeds in taal geformuleerd. We weten pas dat sneeuw wit is, als mensen onder elkaar weten wat sneeuw is en wat wit is. Je kunt wel zeggen: je doet die uitspraak of iemand anders doet die uitspraak en je gaat vervolgens in de winter of boven de Poolcirkel of ergens hoog in de bergen naar buiten, ziet daar sneeuw en constateert met eigen ogen dat die wit is. Maar om het daar met elkaar over eens te worden, moet je nog steeds met elkaar praten. Natuurlijk is die sneeuw ook wit als we binnen blijven en die niet zien, maar dan kunnen we niet samen vaststellen dat dat ook waar is.

Verbinding
De verdubbeling is wellicht geschikt om twee polen te onderscheiden, maar als het om waarheid gaat, kunnen ze niet gescheiden worden. Ze horen bij elkaar. En als het om waarheid gaat, gaat het juist om de relatie tussen taal – of andere symbolen – en die werkelijkheid, om de onlosmakelijke verbondenheid of verstrengeling. Het idee dat je de formulering (intellectus) en zaak (res) afzonderlijk tegenover elkaar kunt zetten en vervolgens in alle rust kunt vergelijken, is simpelweg onjuist. Het gaat juist om de verwevenheid van beide, daarin ligt het waarheidskarakter. Sneeuw is wit en daarom is de uitspraak dat sneeuw wit is, waar. Als het niet waar was dat sneeuw wit is, was ook de uitspraak dat ‘sneeuw wit is’ niet waar. Het is zo en daarom is het waar.

Als ik iemand in Zandvoort opbel en die zegt dat hij heerlijk in de zon zit, en ik spoed mij direct naar Zandvoort en het regent er en er staan grote plassen en iemand op straat verhaalt me mij dat het al de hele dag stortregent, dan kan ik terecht uitroepen: ‘maar die en die vertelde me dat de zon scheen!’ – ook al heeft hij die formulering niet letterlijk gebruikt. Waarheid gaat dan over de vraag of de zon schijnt, niet over een exacte formulering en ook niet over de zon of over zonnestralen, want die kunnen niet waar zijn, maar over een toestand die op heel veel verschillende wijzen geformuleerd kan worden. Het gaat erom of die toestand zich voordoet. Of dat waar is.

Wie wil weten of iets waar is, wil niet slechts een oordeel over een uitspraak of een propositie, die wil weten of die bewering of propositie klopt. Die wil iets over de aangeduide werkelijkheid, waarnaar verwezen wordt, weten. Intellectus en res, begrip en zaak, taal en werkelijkheid staan niet los tegenover elkaar, die zijn innig en onlosmakelijk verbonden en over die verwevenheid gaat de kwalificatie waarheid.

Formulering en zaak
Het accent kan wel verschillend liggen. Soms wil je weten of een specifieke uitspraak waar is. Alle aandacht gaat dan naar die ene pool. Bill Clinton zei dat hij … enfin, dat weet u zelf wel, en toen wilden we, althans nogal wat mensen, weten of hij gelogen had of niet. Alle aandacht ging naar de specifieke formulering en of die deugde. Wat er gebeurd was, was op zich van geen enkel belang, een volstrekt onnozele aangelegenheid, maar de vraag of de president van de Verenigde Staten betrouwbaar was in zijn uitingen, dat vonden sommigen, en vooral ene Kenneth Starr met een wat ziekelijke belangstelling, een punt. Bij juridische zaken, en dat was dit, gaat het vaak om de exacte formulering.

In andere gevallen gaat het juist om de zaak. Als ik wil weten of het loont een mooie strandwandeling in de zon te gaan maken, wil ik weten hoe de toestand in Zandvoort is. De formulering is dan van geen belang. Of iemand daar nu zegt dat hij in de zon zit of dat het zonnig is of dat hij na uren buiten gezeten te hebben helemaal verbrand is, doet er niet toe, ik wil weten hoe het weer daar in Zandvoort is.

Als een politieman aan omstanders vraagt welke kant een winkeldief opging, en getuigen vertellen hem dat hij richting centrum ging, maakt het weinig uit of de een zegt dat hij rende en de ander dat hij rustig kuierde, het gaat om de vraag welke kant hij uitging, om dat ene gegeven dus, die een zich in de tijd realiseerde handeling omschrijft. Het gaat dan om een bepaalde werkelijkheid. Of die zus of zo is.

Uitspraken en feiten
Interessant is in dit geval het onderscheid tussen bijvoorbeeld uitspraken of beweringen of kiest u maar een verwante term, en wat we feiten plegen te noemen. Soms gaat het om de precieze waarheid van een bewering, soms om een feit. Uitspraken kunnen waar of onwaar of iets er tussenin zijn, feiten zijn waar. Zijn feiten dingen die buiten de taal omgaan? Zo ervaren we ze wel. Een feit kun je verwoorden en dat op verschillende manieren. Maar dat feit moet nog steeds wel verwoord worden of anderszins weergegeven worden: een foto met je mobieltje vanuit Zandvoort kan ook een overtuigend bewijs vormen voor het feit dat daar de zon schijnt. De foto is op zichzelf niet waar, de foto vormt een bewijs voor een bepaalde waarheid.

Maar bij feiten hebben we de neiging het talige element te vergeten. We kunnen dat hierboven in de omschrijving in het WNT zien. Dat heeft het op een gegeven moment over waarheid als ‘als eenige ware, juiste weergave van de feiten’. Dan worden de feiten onderscheiden van de weergave, maar zonder weergave zijn die feiten helemaal niet bespreekbaar. Ook al ligt bij feiten de nadruk op de weergegeven werkelijkheid, in het begrip feit is nog steeds geïmpliceerd dat het meegedeeld en gecommuniceerd kan worden.

Feiten moeten geformuleerd worden. Uiteraard blijft het een feit dat de zon in Zandvoort schijnt, tenminste als dat zo is, ook al meldt niemand dat, maar over dat feit kunnen we toch pas spreken als iemand het uitspreekt of anderszins weergeeft. Feiten zijn ware beweringen. Ook hier zien we de innige verstrengeling tussen zaak, res, en begrip, intellectus, maar alle nadruk ligt op het eerste. En feiten worden telkens in weer andere bewoordingen weergegeven. Daar zit een creatief element in, want vrijwel elke menselijke zin is nieuw, en een element van gebondenheid in: die creatieve schepping die die uiting is, is gebonden aan de werkelijkheid. Ik kan wel beweren dat het gras achter mijn woning geel is, maar het is simpelweg niet waar, geen feit. De zon is niet waar, de zonnestralen zijn niet waar, Zandvoort is niet waar, maar dat de zon in Zandvoort schijnt, kan wel waar zijn: de omschrijving van die toestand is creatief en talig en tegelijk gebonden aan de realiteit.

Inhoud
Wie meent dat waarheid alleen maar op taal, op de intellectus betrekking heeft, heeft het duidelijk niet begrepen, zoals dat ook geldt voor wie meent dat feiten alleen maar op de res betrekking hebben. De klassieke definitie is helder genoeg. Waarheid gaat altijd om een relatie, een verbinding, een overeenkomst, een verstrengeling, een verwevenheid tussen twee elementen die we begripsmatig wel enigszins kunnen onderscheiden, maar die juist op elkaar betrokken zijn. De klassieke omschrijving die alle nadruk legt op de adequaetio en die uit de Van Dale, die ook de nadruk legt op het in overeenstemming zijn, zijn daarom iets adequater dan die uit het WNT, maar ook daarvoor geldt dat we alleen maar weten ‘wat’ er waar is als we meer weten over waarmee het ‘overeenkomt’.

Het maakt daarbij niet uit of het nu overeenkomt met bijvoorbeeld een wiskundig gegeven, als dat drie keer drie negen is, of met iets in de buitenwereld, bijvoorbeeld dat België eergisteren met 2-1 van de Verenigde Staten won of dat Helsinki de hoofdstad van Finland is. Ik geef toe de voorbeelden zijn wat simpel. maar dat zijn ze in de boekjes ook: altijd weer blijkt de Eifeltoren in Parijs te staan, sneeuw wit te zijn en regent het er voortdurend in vele talen.

De sterke nadruk op het propositiebegrip in nogal wat hedendaagse, analytische filosofie heeft het relationele karakter van waarheid soms uit het oog doen verliezen, omdat men alle nadruk op éen van de twee verbonden polen legt. Toch is dat bij nadere beschouwing niet nodig. Wat is een propositie? De inhoud van een bewering. In het overbekende voorbeeld staan ‘es regnet’, ‘il pleut’, ‘it is raining’ en ‘het regent’ als vier verschillende formuleringen voor dezelfde propositie. Maar wat zegt dat? Dat de inhoud niet identiek is aan de formulering, maar naar een externe werkelijkheid verwijst. Een propositie is pas waar in de verbinding met die werkelijkheid, nooit op zichzelf.

Correspondentie
Wat ik hier uiteenzette, wordt wel eens de correspondentietheorie genoemd, maar die uitdrukking is misleidend. Een theorie wordt het pas als er veel meer aan vastgeknoopt wordt. Correspondentie, overeenstemming, is simpelweg de ware, zij het ongetwijfeld onvolledige omschrijving van hoe het waarheidsbegrip in het leven van alledag meestal functioneert en dat is geen theorie, die je kunt aanhangen of verwerpen, maar een kwestie van feitelijkheid.

Uiteraard is hiermee niet alles over waarheid gezegd. Het begrip functioneert als alle of althans vele woorden en begrippen in allerlei contexten. Maar dit is wel de kern. Waarheid is een zaak van verbinding van twee elementen die niet los van elkaar gezien kunnen worden.

En ik heb veel buiten beschouwing gelaten. Hoe meer het gaat om de werkelijk grote vragen, de grote waarheden, hoe meer de waarheid iets is dat van buiten komt. De waarheid overkomt ons of die vinden wij, die verzinnen we niet, hoe creatief we ook zijn in het formuleren van waarheden. De waarheid is groter dan wij zijn. Als het er werkelijk op aankomt, kunnen we die hooguit stamelend of tastend formuleren. Waarheid is heel wat meer dan iets dat in de taal besloten is. Hoe belangrijker de waarheid is, hoe minder het accent in de verbinding, de overeenkomst, ligt op de woorden, de intellectus, en hoe meer het op de zaak, de res, ligt.

Maar altijd gaat waarheid, zoals de klassieke traditie terecht zegt, over adequaetio, een overeenkomst, een relatie. Dat wilde ik er tegen hedendaagse misverstanden in even inhameren.

(155)

11 Responses to “Wat is waarheid? – Over een relationeel begrip”

  1. “Ik geef toe de voorbeelden zijn wat simpel.”
    Inderdaad. Probeer uw analyse eens toe te passen op de Tweede Wet van Newton (kracht = massa maal versnelling oftewel F = m*a) en de Stelling van Pythagoras (a^2 = b^2 + c^2). Met die twee zijn we immers al een eindje op weg met de grote vragen. Bedenk: wiskunde is ook een taal en hierboven heb ik twee wiskundige uitdrukkingen gepresenteerd. Misschien komt u, net als ik, tot de conclusie dat “waarheid” in het dagelijks leven een handig begrip mag zijn, maar niet zodra we systematisch proberen vat te krijgen op de hele bliksemse boel in plaats van op simpele, willekeurige, in uw stukje op zichzelf staande voorbeelden. Misschien blijkt zelfs dat dan “de waarheid overkomt ons of die vinden wij” een betekenisloze uitspraak te zijn ……

    Mark Nieuweboer

    • Kloppen die wet en die stelling? Welnu, zelfde verhaal. De beschrijving voldoet aan de werkelijkheid, ook al is die bij de stelling van Pythagoras bijvoorbeeld primair ideëel en bij de tweede wet van Newton niet direct met de blote ogen zichtbaar.

  2. “Kloppen die wet en die stelling?”
    Ja en nee ….. Dat is natuurlijk de reden dat ik die twee te berde bracht. Voor de Tweede Wet van Newton begint het al met de vraag “wat betekent kracht?” De moderne natuurkunde heeft de betekenis van het woord zodanig veranderd dat men tegenwoordig liever de term interactie gebruikt. Toch kan men uit de moderne natuurkunde de Tweede Wet van Newton wel afleiden.
    Voor de Stelling van Pythagoras: welke werkelijkheid? De driedimensionale ruimte die door Euclides en Descartes wordt verondersteld? Of een gekromde ruimte a la Riemann en Einstein?
    Het is allemaal niet zo eenvoudig.
    Of de werkelijkheid waar de Tweede Wet van Newton en de Stelling van Pythagoras aan refereren niet direct met het blote oog zichtbaar zijn doet er niet toe. Dat probleem heeft de natuurkunde al lang opgelost.

    • Leren jouw leerlingen dat het kwadraat van a plus het kwadraat van b gelijk is aan het kwadraat van c? Als dat zo is, ben je kennelijk van mening dat dat waar is. Deze uitspraak voldoet aan een werkelijkheid, dat kan een eigen geestelijke werkelijkheid zijn, maar ook een werkelijkheid die mensen met bepaalde regels en conventies zelf hebben geschapen. Als ze die erkennen kunnen ze niet ineens zeggen dat dit vandaag wel geldt en eergisteren ook wel, maar gisteren toevallig niet. Er is een norm waarin de uitspraak afgemeten wordt, een bepaalde geestelijke werkelijkheid. Zoals ook bijvoorbeeld de uitspraak dat Amsterdam de hoofdstad van Nederland is, in overeenstemming is met bepaalde juridische en constitutionele gegevens. Het kan soms zijn dat van een uitspraak niet zo goed duidelijk is of ie waar is of dat ie een beetje waar is of in bepaalde omstandigheden, maar in alle gevallen refereer je aan een bepaalde werkelijkheid. En als inderdaad niet zo helder is waar een bewering aan refereert, dan is de waarheid van die bewering ook onhelder.

      • Maar kennelijk ben je het daar wel mee eens. Als je zegt ‘ja en nee’, dan betekent dat dat je niet zeker weet of iets waar is of niet. De stelling van Pythagoras lijkt me overigens gewoon in een plat vlak te gelden. Ik denk niet dat veel mensen zouden stellen dat die onjuist of onwaar is.

  3. Dat leer ik hen inderdaad. Alleen voel ik me een beetje een bedrieger.

    “Als ze die erkennen kunnen ze niet ineens zeggen dat dit vandaag wel geldt en eergisteren ook wel, maar gisteren toevallig niet.”
    Ja hoor, dat kan ik wel. Als het me uitkomt neem ik vandaag aan dat de Euclidische/Cartesiaanse werkelijkheid geldt en morgen de Relativistische van Riemann en Einstein. Niemand in de wis- en natuurkunde die daar bezwaar tegen heeft. Ik zal straks een voorbeeld geven waarbij u zelf ook zoiets doet.

    “Er is een norm waarin de uitspraak afgemeten wordt, een bepaalde geestelijke werkelijkheid.”
    Oh ja? Hoe weet u dat zo zeker? Wis- en natuurkundigen zouden dat wel eens kunnen betwijfelen.

    “Het kan soms zijn dat van een uitspraak niet zo goed duidelijk is”
    Ah, maar dat is het leuke van de taal genaamd wiskunde. Wiskundige uitspraken zijn altijd ondubbelzinnig duidelijk. Nee hoor, dat is het probleem niet.
    Ander voorbeeld, hetzelfde probleem.

    “De Aarde is plat.”
    Dat is een duidelijk voorbeeld van een niet-ware bewering, toch? Maar als u berekent hoeveel tijd u nodig hebt om van huis naar werk te reizen houdt u toch echt geen rekening met de kromming van de Aarde, laat staan met de gekromde Relativistische ruimte-tijd. Dat is natuurlijk wel mogelijk, maar de berekeningen worden erg ingewikkeld, terwijl de uitkomsten vrijwel hetzelfde zijn. Dan laat ik nog buiten beschouwing dat in absolute zin de Relativiteitstheorie ook al incorrect is, met name ook tav de wijze hoe we ruimte opvatten. Dus in dit geval verwijst uw berekening naar een werkelijkheid waarin de Aarde plat is.
    Maar reist u met een vliegtuig van Amsterdam naar Australie dan is uw werkelijkheid een andere: namelijk de sferische Aarde. En als u in uw auto GPS gebruikt dan is uw werkelijkheid plotseling Relativistisch.
    Wat is dan nog het waarheidsgehalte van uw bewering dat u x minuten tijd nodig hebt voor uw reis, als die gebaseerd is op onware aannames?

    • Beweringen refereren ergens aan. De uitspraak dat de gehele aarde plat is, is een andere dan de uitspraak dat het korte stuk weg van huis naar werk geen hoogteverschil vertoont, of dat een nieuw gelegd betonvloertje perfect vlak is. Wie de reistijd berekent, houdt rekening met die concrete werkelijkheid en beschrijft die zo goed mogelijk. Die heeft het niet over de hele aarde.
      En ja, uiteraard is er een geestelijke werkelijkheid. Deze woorden en jouw woorden zijn geestelijke uitingen, zoals het gegeven dat drie keer vier twaalf is, dat ook is. Als het geen geestelijke realiteiten waren, konden wij er op deze afstand niet over communiceren. Taal behoort tot de realiteit van de geest, tot een deel van de werkelijkheid dat we geestelijk noemen, al zijn er ook tekens zichtbaar, of kan ik woorden met zwarte inkt op papier opschrijven. De inhoud blijft geestelijk. De vraag is alleen wat de exacte aard van die geestelijke werkelijkheid is. Maar dat die empirisch bestaat, kan niemand ontkennen, al is het mogelijk dat iemand een andere aanduiding verkiest. Als wiskundige uitspraken ondubbelzinnig duidelijk zijn, dan voldoen ze kennelijk aan bepaalde regels, waar die ook precies vandaan komen. Ik kan dat niet helemaal rijmen met de uitspraak dat vandaag dit en morgen (of gisteren) dat kunt zeggen. Bij dat gelden lijkt het me eerder een vraag in betrekking waartoe. In welk geval is het handiger van het een uit te gaan en in welk van het ander?

  4. “De uitspraak dat de gehele aarde plat is, is een andere dan de uitspraak dat het korte stuk weg van huis naar werk geen hoogteverschil vertoont.”
    Hoogteverschil doet in mijn voorbeeld niet terzake. Als wij in ons dagelijks leven het korte stuk van weg naar huis plat noemen is het een weinig gekromd, simpelweg omdat de Aarde sferisch is. Het is alleen zo weinig dat we het kunnen verwaarlozen. Uw repliek doet dus niet terzake.
    Iets soortgelijks geldt voor het GPS-systeem in uw auto.

    “Wie de reistijd berekent, houdt rekening met die concrete werkelijkheid en beschrijft die zo goed mogelijk. Die heeft het niet over de hele aarde.”
    Precies mijn punt. Dan kunnen we dus niet over DE werkelijkheid spreken.

    “En ja, uiteraard is er een geestelijke werkelijkheid.”
    Dat is nog maar de vraag, maar ik wil het hier niet hebben over materialisme versus dualisme. Dat doet voor mijn punt niet terzake.

    “Ik kan dat niet helemaal rijmen met de uitspraak dat vandaag dit en morgen (of gisteren) dat kunt zeggen.”

    http://nl.wikipedia.org/wiki/Postulaten_van_Euclides

    Binnen deze werkelijkheid is de Stelling van Pythagoras waar.
    Hier hebben we er een paar waarbinnen de Stelling van Pythagoras niet waar is:

    http://nl.wikipedia.org/wiki/Niet-euclidische_meetkunde

    Het is dus nogal boud te stellen dat er maar één res is, waar formuleringen naar verwijzen middels de relatie genaamd waarheid. Zoals ik al stelde gebruikt de Klassieke Natuurkunde de Euclidische Meetkunde terwijl de Relativiteitstheorie een niet-Euclidische Meetkunde gebruikt (namelijk die van Riemann). Op allerlei punten komen zij overeen, in uw woorden, doen ware uitspraken. Op andere punten spreken zij elkaar tegen. Gaat u daaruit concluderen dat de werkelijkheid zoals beschreven door Euclides en Newton niet waar is? Dat zou toch wel erg kras zijn.
    Nu beweer ik niet dat we werkelijkheden vrijelijk kunnen kiezen; ik ben beslist geen postmodernist. Er zijn allerlei randvoorwaarden die de keuze beperken – we mogen alleen binnen een beperkt gebied stellen dat de Aarde plat is, zoals bv. binnen de grenzen van uw gemeente. Binnen een veel groter gebied (snelheid niet te groot; schaal waarop we meten niet te klein) mogen we stellen dat we de Euclidische/Newtoniaanse werkelijkheid aanvaarden. Deze keuze dienen we eigenlijk aan het begin netjes aan te geven, maar menselijk als we zijn gebeurt dat meestal impliciet. Uw voorbeeld “sneeuw is wit”, onder voorbehoud dat we de termen “sneeuw” en “wit” nauwkeurig definiëren mbv natuurkunde en ook nog mbv filosofie afspreken wat “is” betekent, is in alle natuurkundige werkelijkheden waar.
    Vandaag moest ik surveilleren tijdens het (Surinaamse) examen op mijn school; een prima gelegenheid om van alles te overdenken. Het daagde me dat mijn punt uw betoog eerder versterkt dan verzwakt. Binnen de Euclidische/Newtoniaanse werkelijkheid is de Stelling van Pythagoras een waarheid als een koe. In een niet-Euclidische niet. Waarheid is daarmee nog wat relatiever geworden.
    Jerry Coyne mag in deze zin zijn boek dus nog altijd Why Evolution is True noemen.

    Mark Nieuweboer

    • Dank, Mark Nieuweboer, ja het komt me voor we je punt mijn betoog eerder versterkt dan verzwakt, althans dat we allebei op zoek zijn naar de juiste wijze om dit te bekijken.

      Ik geloof niet dat ik betoog dat er één res, één werkelijkheid is, waar we steeds naar verwijzen. Of in zekere zin doen we dat ook wel, maar die gehele werkelijkheid, waar vele werkelijkheden een deel vanuit maken, is er misschien wel, maar die kennen we niet volledig en die kunnen we ook niet volledig omschrijven. In een concreet geval hebben we het dus over een deel van de werkelijkheid en meestal blijkt uit de context van de bewering ook wel welk deel dat is. Als ik het bij een specifieke waarheid heb over de overeenstemming van begrip of zin (intellectus) en een zaak of een toestand (res), gaat het dus over een specifieke zin of uitspraak of een specifiek verhaal (intellectus). Als ik zeg dat de zon in Zandvoort schijnt, gaat het over die werkelijkheid en niet meer. Je kunt juist ook zeggen dat het handige en flexibele van onze taal is dat we elkaar in een concrete context wel degelijk kunnen begrijpen zonder alles eerst nauwkeurig te definiëren. Neem die sneeuw die wit is. Mensen weten in het dagelijks leven wat sneeuw is en wat ze onder wit verstaan, dan is een natuurkundige bepaling niet nodig. Maar als een leraar aan zijn klas wil uitleggen waarom sneeuw wit is, dan hij meer over beide begrippen te berde brengen omdat de dagelijkse omgangskennis dan verdiept wordt. Overigens moet ik toegeven dat de mededeling dat sneeuw wit is, nogal simpel is. Omdat iedereen dat wel weet, zal men zich zelden genoopt vinden om dat expliciet mee te delen. Iemand opent op een koude decemberdag niet de gordijnen en roept uit: ‘De sneeuw is vandaag wit!’, alsof iemand iets anders verwachtte, maar bijvoorbeeld wel ‘Jongens, er ligt sneeuw!’ of ‘Wat ziet die sneeuw er prachtig uit!’.
      Maar kortom, als we naar de werkelijkheid verwijzen, is in een concreet geval meestal duidelijk welk deel of aspect van de werkelijkheid in haar geheel we bedoelen. En als dat niet zo is, dan moet dat even verduidelijkt worden: niet wat werkelijkheid in het algemeen is, maar over welke specifieke werkelijkheid we het hier hebben.

      Ik denk dat het probleem met die euclidische en die niet-euclidische meetkunde is dat ze beiden de werkelijkheid – hier een veel groter deel van de werkelijkheid in haar algemeenheid – beschrijven, maar onderling niet helemaal te rijmen zijn. Dan is er een zeker coherentieprobleem. Ik citeer: ‘Op andere punten spreken zij elkaar tegen. Gaat u daaruit concluderen dat de werkelijkheid zoals beschreven door Euclides en Newton niet waar is? Dat zou toch wel erg kras zijn.’ Die tegenspraak is een zeker probleem, maar als beide theorieën helpen onze werkelijkheid te beschrijven, zullen we ze beide moeten aanvaarden. Hier komt ook het pragmatische aspect tevoorschijn. Het lijkt me overigens niet dat de ene dag de ene waar is en de volgende de andere, maar dat we voor een specifiek doel dan eens een beroep doen en dan op de andere. Dat kan op elk moment. Tussen die theorieën doet zich, als je ik volg, kennelijk een zeker probleem voor, niet dat de ene de werkelijkheid (ook hier altijd een deel van de totale werkelijkheid, die open is) zus en de andere die zo beschrijft, maar dat ze soms strijdig lijken te zijn.

      Binnen het kader waarbinnen de stelling van Pythagoras functioneert is ze gewoon waar. Het probleem van de uitspraak ‘evolution is true’ is niet dat we niet begrijpen wat ermee bedoelt wordt, maar dat we over een verschijnsel meestal zo niet spreken. De bedoeling van de uitspraak is helder, maar de formulering is wat ongelukkig. Je zegt eerder dat de evolutietheorie waar is, maar ik denk dat dat woord hier vermeden wordt, omdat mensen dan al snel roepen ‘het is maar een theorie’, Maar theorieën zijn niet maar zo theorieën, we kunnen zeggen dat ze (globaal genomen) juist zijn of waar.

      Wat betreft die geestelijke werkelijkheid: wij begrijpen elkaar hier, dit zijn uitingen van onze geest en dit is een geestelijke werkelijkheid zou ik zeggen. Maar ook hier gaat het om een deel van de werkelijkheid, hoe die geestelijke werkelijkheid zich tot de rest van de werkelijkheid verhoudt is, een andere.

      Concreet nog even: met dat hoogteverschil duidelijk is op die bolling. Als je ervan uitgaat dat een landschap vrijwel vlak is, in onze ervaring, en je trekt in die dimensionele ruimte een rechte lijn tussen vertrekpunt en aankomstpunt, gaat die lijn dus door de aardkorst. Maar ik drukte me misschien niet zo handig uit. Ik had het dus niet over hoogteverschil op de aarde, zoals we daar gewoonlijk over spreken.

      Maar nogmaals, volgens mij zijn we het gewoon eens. Als we een beroep doen op de werkelijkheid, is dat in die concrete omstandigheden altijd een concrete werkelijkheid, tegelijk zit er in dat beroep iets gemeenschappelijks: bijvoorbeeld dat die werkelijkheid zich aan ons aandient en dat we die maar zo niet naar onze hand kunnen zetten.

  5. … “dat die werkelijkheid zich aan ons aandient en dat we die maar zo niet naar onze hand kunnen zetten.” Een waar woord, maar het is wellicht een van de meest gebezigde manipulaties in de politieke arena, waarbij vanzelfsprekend het volk steeds opnieuw mag betalen voor de eigen onderwerping aan de wetten van deze ‘missionarissen’.

Trackbacks

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: