De overzijde – Kees Fens en W.E.G. Louw kijken uit over de stad

door Jan Dirk Snel

[Dinsdag 24 juni 2014] Aan de overkant sterven mensen. Niet dat ik dat elke dag scherp besef, maar zo af en toe sta ik er ineens bij stil.

Ruyschstraat

Ruysschtraat, mei 2013 De straten en het plein die het ziekenhuiscomplex omringen, zijn deels genoemd naar befaamde natuurwetenschappers uit de Nederlandse geschiedenis: de anatoom en zoöloog Frederik Ruysch (1638- 1731), de mathematicus en fysicus Willem Jacob ’s Gravesande (1688-1742), de arts en anatoom Petrus Camper (1722-1789).

Fens
Zes jaar geleden was dat het geval. Op zaterdag 14 juni 2008 overleed Kees Fens in het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. In de overlijdensberichten van bekende mensen lees je vaker dat ze in het OLVG gestorven zijn en nu ik ten behoeve van dit stukje wat dingen nakeek, zag ik dat Wikipedia in het lemma over dat ziekenhuis zelfs een curieus, maar waarschijnlijk weinig volledig rubriekje met aldaar overledenen heeft. Ook Jos Brink, Hans van Mierlo en Gerrit Komrij bliezen er hun laatste adem uit. Het speelt zich allemaal af op zo’n honderd tot honderdvijftig meter – ik heb dat zelfs nog even afgepast – van waar ik dit schrijf. Maar dit is een concreetheid die abstract blijft. Daar aan de overkant is het een andere wereld.

Bij het overlijden van Kees Fens was dat anders. Dat kwam doordat hij twee dagen ervoor, op donderdag 12 juni, nog een beschouwing in de Volkskrant geschreven had, waarin hij als het ware een teken van leven van de overzijde gaf. Hij meldde zich en het was voor de goede lezer, die een goede verstaander is, duidelijk waar hij zich bevond. Het stuk staat nog steeds op internet en wordt daarmee tegenwoordige tijd. De lezer blijkt luisteraar geworden. Al drie weken luistert hij dagelijks naar de nationale nieuws- en actualiteitenzender. En daar hoort hij over boeken praten. Die hij waarschijnlijk niet zou willen lezen. Maar die wel steeds genoemd worden.

‘Wie een jaar luistert (liefst met uitkijk op de dode stad) kan een magistraal werk schrijven over een land waar niets gebeurt, niets wil gebeuren omdat het geen enkel probleem wil oplossen. De enige oplossing in dit land is een nieuw probleem. En een nieuwe reeks discussies.’

Stadsdeel
En al luisterend tijdens zijn laatste levensdagen keek Kees Fens dus uit over ‘het stadsdeel’, waarin ook mijn woning zich bevindt: ‘Al drie weken ligt een stadsdeel onbewogen voor mij. Er gebeurt niets. Soms rijdt er een auto, de laatste bewoners vertrekken….’ Stadsdeel, het is een prachtige, vervreemdend ironische term in dat stukje. Het ging natuurlijk over Amsterdam-Oost, maar dat schreef Fens niet met zoveel woorden, hij abstraheerde. Stadsdeel fungeert allereerst als een zakelijke, administratieve term. Amsterdam was en is, ook na de afschaffing van de stadsdeelraden, de vergane schepping van Wolter Lemstra, opgedeeld in een aantal stadsdelen. Het kan ook om een geografische aanduiding gaan. Het is niet zo vreemd om iemand te vragen in welk stadsdeel hij woont. En tegelijk blijft het toch een ietwat kunstmatige term. Wie vanuit de hogere verdiepingen van het OLVG uitkijkt over de omgeving, zal het eerder over de wijk – dat is de oude term – of vagelijk en algemener de stad hebben. Of over de huizen. Maar niet over het stadsdeel.

Kees Fens dus wel. Hij gebruikte een ongepast, althans niet helemaal passend of voor de hand liggend woord en juist daarin lag de kracht van zijn stukje. Want over vervreemding, over afstand nemen ging het. En daarom is het me ook bijgebleven. Het stadsdeel werd een metafoor voor Nederland en de tijd, de wijze waarop Nederlanders de tijd vullen, namelijk door steeds nieuwe, onopgeloste en onoplosbare problemen op te werpen en er geen op te lossen. ‘Regeren is hier stenen op de weg leggen en dan praten over wie ze moet weghalen.’ Het stadsdeel werd het zinnebeeld van een ‘land waar niets gebeurt, waar alles uniform is, waar de schijn van voldaanheid wordt opgehouden’.

Daar van bovenaf, van de hogere verdiepingen van het OLVG moest het stadsdeel dat ik vooral vanuit de straten ken, levendig, gevuld met mensen, er heel anders uitzien. Voor mij is de straat hierbeneden altijd vol leven en altijd kom ik wel bekenden tegen, mensen dus die je alleen uit de straat kent, maar daar van bovenaf zag het er voor Kees Fens dus heel anders uit: verstild, doods. Ik begreep dat vorig jaar toen ik een keer wel aan de overzijde in het ziekenhuis was. Met vrienden en vriendinnen zaten en stonden we om het bed van een vriendin die het bewustzijn al verloren leek te hebben, maar van wie we hoopten dat ze onze stem toch nog net zou horen. Drieënveertig jaar was ze nog maar toen ze de volgende dag stierf. Maar toen ik vanuit die kamer naar buiten keek zag ik hetzelfde als Kees Fens had gezien: daken, huizen, straten, verstilling.

LouwVGLouw
Ruim zeventig jaar eerder eerder dan Kees Fens keek er ook iemand uit over de huizen, vanaf een wat lager standpunt, niet dat vanaf de hoge verdieping van een modern ziekenhuis dat zich ver boven de omringende huizen verheft, maar vanuit een gewone Amsterdamse woning.

Stadsgesig

Hier voor my venster strek die kalm blou
in klare koepeling oor de huise uit:
strak gewels en dakke ry aan ry
tot waar in vlak wei die lyn vergrou.

So stil strek hierdie lewe voor my uit,
so onomstootbaar lê die dae voor,
die dade wat my hand nog sal verrig
totdat my hart in volle vlug sal stuit.

William Evart Gladstone Louw, Gladstone voor bekenden, W.E.G. op zijn bundels, was drieëntwintig of vierentwintig toen hij deze regels in 1937 in Amsterdam schreef, die in 1940 in zijn bundel Terugtog gepubliceerd werden. Eind 1935 was hij vanuit Kaapstad naar Nederland gekomen om aan de Universiteit van Amsterdam, toen vaak de GU, de Gemeentelijke Universiteit genoemd, Nederlands en kunstgeschiedenis te studeren. Toen de oorlog al begonnen was, maar gelukkig Nederland nog niet bereikt had, in november 1939, keerde hij naar zijn vaderland terug, waar hij in 1942 promoveerde op Die invloed van Gorter op Leopold. ’n Bydrae tot die studie van die sensitivisme. Samen met zijn broer N.P. van Wyk Louw en Elisabeth Eybers wordt W.E.G. Louw tot de vernieuwende ‘Digters van Dertig’ gerekend.

De gelijkenis én het contrast trof me. Terwijl Kees Fens twee dagen voor zijn dood over het stadsdeel uitkeek, eindigde hij met de raadselachtige woorden: ‘Ik vrees dat als ik morgen wakker word, het stadsdeel er niet meer staat.’ Alsof hij het waarschijnlijke, dat het omgekeerde was, wilde bezweren. Toen W.E.G. Louw als jongeling, wiens handen nog veel zouden verrichten, over de Amsterdamse huizen uitkeek, dacht hij al aan zijn eigen dood. Die kwam iets meer dan vier decennia later, op 24 april 1980 in Stellenbosch, zoals beschreven. Oud was hij toen nog niet, als we bedenken dat de Versamelde gedigte, waarin ik tijdens slapeloze nachten soms lees en waaruit ik het vers hierboven citeerde, in 1988, op 31 mei, bij Tafelberg in Kaapstad verschenen ‘ter herdenking van die digter se geboorte 75 jaar gelede’ .

Op de voorgaande dag, woensdag 23 april, zo schrijft zijn geliefde Rosa in het nawoord bij de uitgave die al haar ’s mans bundels omvat,

‘het my man my vertel dat hy besig was met ’n idee vir ’n reeks nieuwe verse. Dit was tydens een van ons wandelinge op een van die roo gruispaadjes deur die Maraispark. Maar hy het ook daarby gesê: “Ons Louws lewe niet lank nie, dit weet jy mos.”

Versnipperd
Het poëtische prozastukje van de oude Kees Fens twee dagen voor zijn dood deed mij denken aan het gedicht waarin de jonge Gladstone Louw uitkeek over dezelfde stad. Of misschien eerder omgekeerd: bij de lectuur van Louw dacht ik weer aan Kees Fens. Maar of er verband is? Misschien verbind ik alleen maar twee toevallige snippers met elkaar. Vanavond presenteert Wiel Kusters zijn biografie van Kees Fens, Mijn versnipperd bestaan, niet zoals oorspronkelijk gepland in het zuiden van de middeleeuwse stad, aan het Spui,  maar ten noorden daarvan,  in de Amsterdamse openbare bibliotheek, op een in de negentiende eeuw in het IJ opgeworpen eiland.

Naschrift (10.55 uur)
Citaat met de eerste regels uit het stukje van Kees Fens toegevoegd. Die had ik direct moeten opnemen.

(151)

One Comment to “De overzijde – Kees Fens en W.E.G. Louw kijken uit over de stad”

  1. Mooie, nostalgische en melancholieke overpeinzing. Literatoren leven volgens mij altijd een beetje buiten de werkelijkheid. In die werkelijkheid worden wel degelijk veel problemen opgelost maar dienen zich elke dag weer nieuwe problemen aan.
    We zijn allen deel van de mythe van Sisyphus.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: