Archive for januari, 2014

6 januari 2014

Geen versplintering – Over het aantal partijen in de Tweede Kamer

door Jan Dirk Snel

[Maandag 6 januari 2014] Laat ik me tot de feiten beperken.

Zo af en toe hoor je mensen klagen over de ‘versplintering’ in het parlement. Er zouden te veel partijen zijn. Vaak gaan dergelijke opmerkingen gepaard met een pleidooi voor de invoering van een kiesdrempel. Onlangs spraken de oud-bewindslieden Hans Hoogervorst en Aart Jan de Geus – nota bene lid van een partij die bij de laatste verkiezingen 8,51% van de stemmen haalde en die hard op weg lijkt om onder de vaak genoemde grens van 5% te duiken – zich daar in Nieuwsuur nog eens voor uit. En als de weergave van de NOS klopt, was het Rick van der Ploeg, die in het Verenigd Koninkrijk woont, ontgaan dat er daar een coalitie regeert en verkeerde hij in onthutsende wereldvreemdheid in de waan dat er aldaar een ‘tweepartijenstelsel’ bestaat. Ook VNO-NCW-voorzitter Bernard Wientjes pleitte overigens een tijdje geleden voor een kiesdrempel.

Meer dan tien
Het zou wellicht goed zijn nog eens inhoudelijk op de woorden en betogen, voor zover ze daar althans aan doen, van deze lieden in te gaan, maar nu wil ik me tot enkele feiten beperken. Is er sprake van een versplintering van ons politieke bestel? Het antwoord is duidelijk: nee. Tenminste niet als men onder ‘versplintering’ een proces dat op een toename duidt, verstaat. Als men er een toestand onder verstaat, dan moet het antwoord luiden dat het al bijna een eeuw is zoals het nu is.

Wilhelmus Wijk

Wilhelmus Wijk met martiale snor midden voor als president van de Vereniging van onderofficieren ‘Ons Belang’ in 1920. Hij was toen ook Kamerlid voor het VDW. Fotograaf onbekend. Bron: Geheugen van Nederland.

De feiten dus. Sinds de invoering van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging in 1918 zijn er 27 verkiezingen voor de Tweede Kamer gehouden. Als men een overzicht maakt van het aantal partijen dat in elk van die jaren minstens één zetel haalde, dan ziet dat er zo uit:

17: 1918
14: 1933, 1971, 1972
12: 1929, 1982, 1994
11: 1925, 1967, 1977, 2012
10: 1922, 1937, 1963, 1981, 2002, 2006, 2010
09: 1986, 1989, 1998, 2003
08: 1948, 1952, 1959
07: 1946, 1956

Dat lijkt misschien simpeler dan het is. Wat is precies een partij? Wat is een lijst? Op details wijzigde het kiesstelsel sinds 1918 nog wel eens. Politieke partijen bestaan in onze wetgeving nauwelijks of slechts marginaal. Tel je de concurrerende kandidaten voor de CPH in 1929, Lou de Visser en David Wijnkoop, als tot één of twee partijen behorende? (Ik kies dus voor twee, want dat jaar bestreden ze elkaar, al volgde de verzoening het komende jaar.) Maar als men afgaat op de opgaven van de Kiesraad op de speciale site met verkiezingsuitslagen, van de site Nederlandse verkiezingsuitslagen 1918-nu, die (bij alle uiterlijke eenvoud) vaak iets meer toelichting geeft en meer helderheid verschaft, en Parlement.com, dan zijn dit de aantallen gekozen partijen waar men voor elk jaar op uitkomt.

Wat betekent dit? Dat er bij de 27 verkiezingen gemiddeld 10,48 partijen gekozen werden. Reken maar na: 283/27. Je ziet het eigenlijk in één oogopslag. Zeven keer, van 1922 tot 2010, werd er een Tweede Kamer van tien partijen gekozen. Negen keer bleef men onder dat aantal partijen en elf keer zat men er net iets of zelfs flink boven. Pas in 1946, in uitzonderlijke omstandigheden na de Bezetting, dook men voor het eerst onder de tien zitting nemende partijen en meteen ook diep – een verschijnsel dat tot de jaren veertig en vijftig beperkt bleef. Vanaf de jaren zestig keerden meer pluralistische patronen terug. Bij de laatste verkiezingen in 2012 werden er elf partijen gekozen. Dat was net iets boven het gemiddelde, maar kwam al drie keer eerder voor en zeven keer waren het er zelfs meer. De huidige samenstelling van de Tweede Kamer valt binnen het sinds lang gebruikelijke patroon.

6828 stemmen
Maar het is verder niet zo van belang. Al ongeveer een eeuw heeft ons parlement, althans dat deel dat bij directe verkiezingen gekozen wordt – en het andere deel dat indirect gekozen wordt, verschilt in samenstelling niet heel erg – ongeveer tien verschillende partijen. Soms zijn het er wat meer, soms wat minder, maar van een proces van versplintering is op geen enkele wijze sprake, dat maken de cijfers direct duidelijk.

Het aardige is zelfs dat het aantal gekozen partijen van de eerste keer, woensdag 3 juli 1918, zeventien, daarna nooit weer geëvenaard is. Dat kwam ook door de aanpassing van de restzetelverdeling. In 1918 was men wel heel rigoureus te werk gegaan. De restzetels werden kennelijk verdeeld volgens een systeem van ‘grootste overschotten’, waarbij men minstens de helft van de kiesdeler behaald moest hebben. Maar dat betekende dus wel dat Willem Wijk – voluit: Wilhelmus Wijk – namens het Verbond tot Democratisering der Weermacht (VDW) met slechts 6828 stemmen, 0,51% op het geheel, de Staten-Generaal mocht betreden.

Met 13.417 lag de kiesdeler destijds een stuk lager dan nu: in 1918 mochten alleen mannen stemmen en het aantal inwoners was lager. Bij de verkiezingen van 2012 lag de kiesdeler op 62.828. Als men daarbij betrekt dat sinds 1922 ook vrouwen mogen stemmen, betekent dat dat per stemgerechtigde de kiesdeler inmiddels ruim een keer zo hoog ligt als destijds. Ons parlement is aan de kleine kant, maar dat zal bekend zijn (en geeft ook een wrange smaak aan nog niet zo lang geleden gedane voorstellen de Tweede Kamer tot honderd leden terug te brengen).

Kiesdeler
In 1922 had men het stelsel al wat aangepast. Toen moest men om voor een restzetel in aanmerking te komen, al minstens 75% van de kiesdeler hebben behaald. Zo betrad dat jaar de Staatkundig Gereformeerde Partij ons parlement met 0,91% van het totaal aantal stemmen. Het is de enige vooroorlogse partij die nog in de Tweede Kamer aanwezig is, de enige partij die aan alle 27 verkiezingen deelnam en bij 26 daarvan succes had: alleen de eerste keer in 1918 lukte het met 5180 stemmen, 0,39%, nog niet.

Sinds 1937 moet men in ieder geval de kiesdeler, toen op 1/100 en nu dus op 1/150 van het aantal uitgebrachte stemmen, bijna 0,67%, liggend, gehaald hebben. Toen het zetelaantal in 1956 eindelijk van 100 naar 150 ging, profiteerde daar overigens geen partij van. Het GPV (Gereformeerd Politiek Verbond) bleef met 0,65% net onder de nieuwe kiesdeler steken.

Het doet er allemaal niet toe. In 1918 moest men net iets meer dan een half procent van de stemmen behaald hebben, tegenwoordig tweederde procent om voor een zetel in aanmerking te komen. Maar al die tijd heeft het gemiddelde aan partijen of fracties in de Tweede Kamer iets boven de tien gelegen. Het aantal gekozen partijen zegt uiteraard niet per se iets over het aantal fracties, omdat er zich gaandeweg ook nog scheuringen kunnen voordoen. Geert Wilders is bijvoorbeeld zo begonnen en zijn eenmanssekte brengt regelmatig nieuwe afscheidingen, of beter gezegd, uitstotingen – één, tweedrie – voort.

Overzichtelijk
Maar het omgekeerde kan ook. In 1918 werden er dan wel 17 partijen gekozen, het aantal fracties bleek minder te zijn. Vijf van de toen gekozen partijen, de Economische Bond (EB), de Middenstandspartij (MP), de Neutrale Partij (NP), het Verbond tot Democratisering der Weermacht (VDW) en de Plattelandersbond (PB), verenigden zich toen op voorstel van Henri ter Hall van de NP tot de Neutrale Fractie onder voorzitterschap van EB’er Willem Treub (wiens geestelijke erfenis, de grondpolitiek, dezer dagen in Amsterdam trouwens vanuit vehement antiliberale hoek onder vuur ligt, maar dit geheel terzijde).

Daarvoor bestond de Tweede Kamer bovendien uit honderd afgevaardigden die allemaal persoonlijk in een kieskring gekozen waren. Met die zeventien partijen en nog veel minder fracties was het er al een stuk overzichtelijker op geworden.

Met de huidige elf partijen is een parlement van 150 leden nog steeds overzichtelijk. Van versplintering is dan ook geen sprake.

(127)

1 januari 2014

Arthur Danto (1924-2013) – Een verlaat geplaatst in memoriam

door Jan Dirk Snel

Elk oorspronkelijke filosoof meent dat de filosofie bij hem begint, schreef de vrijdag [25 oktober 2013 – dit stukje werd geschreven op 28/9 oktober 2013; zie verder het naschrift] op 89-jarige leeftijd in Manhattan overleden Amerikaanse filosoof Arthur Coleman Danto (1924-2013) in Connections to the World (1989/97), het werk waarin hij zijn wijsbegeerte systematisch uiteenzette.

Ens representans
Anders dan in de wetenschap is er in de filosofie geen sprake van een voortschrijden van kennis. Elke ware filosoof begint weer van voren af aan. Van binnen uit gesproken heeft de wijsbegeerte dan ook geen geschiedenis. Danto greep zelfs naar een drastisch beeld: de geschiedenis van de filosofie is één lange nachtmerrie waaruit ze verlangt te ontwaken. En elke filosoof die meent dat hij iets te vertellen heeft, voelt zich de eerste die echt wakker is geworden.

DantoConnections

`

In de filosofie gaat het om het geheel van de wereld, waar de mens deel vanuit maakt en waarvan hij kan zich distantiëren. Of beter gezegd: het gaat niet om een mogelijkheid, vroeger of later is dat is onvermijdelijk. Danto beschouwt de mens als een ens representans, een wezen dat zich een voorstelling van de wereld maakt. Het belangrijkste onderscheid dat Danto maakt, is dan ook tussen het subject en zijn voorstellingen. Hij ziet dat al bij Plato die naast de mens en de wereld de ideeën poneert, of bij de jonge Wittgenstein die het in plaats daarvan over proposities heeft.

Men zou allicht op de gedachte kunnen komen dat de drie bestanddelen die Danto onderscheidt – subject, voorstellingen (of representaties) en wereld – sterke overeenkomsten vertonen met het klassieke onderscheid tussen de subjectieve geest (ons individuele bewustzijn), objectieve geest (dat wat we aan betekenis objectief kunnen vastleggen op de harde schijf van een computer of op de pagina van een krant) en de uitwendige natuur (de fysieke realiteit) en dat door Karl Popper in zijn theorie van de drie werelden is gethematiseerd.

Maar Danto ordent zijn aanpak niet naar de drie elementen, maar naar de drie relaties die er tussen bestaan. Die tussen de wereld en het subject is de causaliteit. De wereld werkt op de mens in. Ze veroorzaakt zo voorstellingen bij hem. Bij deze relatie gaat het om de verhouding van de mens tot zichzelf. En de vraag is vervolgens of zijn voorstellingen de wereld werkelijk representeren. In deze derde relatie staat de vraag naar waarheid centraal.

Maar hoewel Danto, die vanaf 1951 verbonden was aan Columbia University in New York, begon als een analytisch filosoof, is hij niet helemaal consequent in de uitwerking van de drie relaties. Op een nogal willekeurige wijze ordent hij aloude filosofische kernthema’s die hij in een voortdurende dialoog met grote filosofen vanaf Descartes bespreekt, onder de kopjes ‘verstaan’, ‘kennis’ en ‘wereld’. Hoewel de filosofie volgens hem tijdloos is en er altijd weer dezelfde filosofie kan en zal ontstaan, loopt zijn betoog uit op de vaststelling dat het menselijk bestaan radicaal historisch is. Het DNA van de mensheid ten tijde van de Renaissance was nauwelijks anders dan in onze dagen, maar de culturele en historische voorstellingen die de omstandigheden van ons leven bepalen, zijn dat wel.

Augustinus
Danto maakte ook naam als geschiedfilosoof, kunstfilosoof en kunstcriticus – hij schreef jarenlang kritieken voor The Nation – en zijn kunstbeschouwing is dan ook radicaal historisch. Bekend werd hij met het artikel ‘The Artworld’, dat hij in 1964 publiceerde in The Journal of Philosophy. Daarin reflecteert hij op de Brillo Box van popartiest Andy Warhol, die hij recentelijk in de New Yorkse Stable Gallery had gezien. Warhols imitatie van een gewone consumentenverpakking was van triplex, maar in de nabootsing – vanouds voor het centrale element in de kunst – kon het kunstzinnige element niet liggen. Waarin dan wel? Danto’s antwoord was: in de kunsttheorie. Niet inherente kenmerken maken een voorwerp tot kunst, maar de uitwendige kunstopvatting. En die theorie was een gevolg van historische ontwikkelingen binnen de wereld van de kunsten zelf. Een paar eeuwen eerder zou Warhols Brillo-doos nooit als kunst herkend zijn.

De kunst zelf was in de voorgaande eeuw conceptueel geworden, zag zich niet meer als imitatie van de werkelijkheid, maar schiep zelfstandig een eigen werkelijkheid. De institutionele omstandigheden maken van een voorwerp kunst, dat het in een galerie of museum staat bijvoorbeeld. Veelzeggend is Danto’s verwijzing naar Augustinus: ‘De kunstwereld verhoudt zich tot de echte wereld ongeveer als de wijze waarop de stad Gods [civitas Dei] zich verhoudt tot de aardse stad [civitas terrena]. Bepaalde voorwerpen zijn net als bepaalde personen burgers van twee werelden’. Zo kreeg kunst bij Danto in feite een religieuze betekenis.

Het was het gevolg van een culturele ontwikkelingen binnen de kunsten waarbij het oude stijlbegrip afgelost werd door bewust filosofisch ontwikkelde stromingen – denk aan termen al kubisme, futurisme, surrealisme, dada, popart en zo meer. Uiteindelijk ging de kunst zo naar zichzelf verwijzen. Later noemde Danto dat in aansluiting bij een woord van Hegel het ‘einde van de kunst’. Maar terwijl bij Hegel de kunst vervangen werd door de filosofie, omdat die leidde tot meer menselijk zelfbegrip, werd de kunst sinds Warhol zélf filosofie. Natuurlijk zou er nog steeds kunst gemaakt worden, maar een werkelijk historische ontwikkeling was na dit eindpunt niet meer mogelijk.

Nachtmerrie
Men kan zich afvagen of Danto daarmee niet overdreef. Zoals Francis Fukuyama met het ‘einde van geschiedenis’ uiteindelijk niet veel meer bedoelde dat er aan een vrij korte ideologische strijd in de twintigste eeuw definitief een einde was gekomen, zou men kunnen betogen dat Danto in feite alleen maar beschreef hoe een bepaalde conceptuele benadering van kunst, die ook pas een goede eeuw oud was, een logisch eindpunt had bereikt. Maar zoals de gewone politieke geschiedenis na de val van de Muur doorgaat, zou men ook kunnen opmerken dat de gewone kunstgeschiedenis na Warhol wel degelijk nieuwe wegen inslaat.

Misschien gaf Danto zelf een hint hoe men zijn inspirerende, maar niet onomstreden kunstfilosofische beschouwingen kan relativeren. Als elke waarachtige filosoof meent dat hij de eerste is, denkt hij daarmee in feite ook dat hij de laatste is, schreef hij. Maar, voegde hij eraan toe: zijn opvolgers zullen ook hem zien als een onderdeel van de nachtmerrie waaruit zij op hun beurt ontwaken.

Jan Dirk Snel

Over het stukje hierboven

Het was een vraag van Sjoerd de Jong die mij aan het stukje hierboven deed denken. Op facebook plaatste hij een link naar een in memoriam over Arthur Danto in The Guardian van 4 november 2013 en voegde eraan – of beter: ervoor – toe:

‘Goed voornemen voor jaaroverzichten: mogen dode filosofen ook weer meedoen? Hem niet gezien’

Dat herinnerde mij eraan dat ik zelf een week eerder al wel een vergeefse poging gedaan had om een stukje bij het overlijden van Danto te schrijven. Of beter: om dat geplaatst te krijgen. Dat lukte niet.

DeJongDanto

`

Uit het zicht
Dat schrijven wel. Ook daarvan was overigens even niet zeker. Toen het overlijden van Danto op maandag 28 oktober bekend werd, met name via dit stukje in The New York Times, denk ik – dat overigens op de 27e gedateerd is, de dagen wisselen in de VS nu eenmaal wat later dan hier – trok dat gegeven in althans mijn tijdlijn op Twitter nogal wat aandacht. Ik besloot daarom ’s mans hoofdwerk, dat ik ooit druk onderstreept had, uit de kast te halen en weer door te bladeren en nog meer van en over hem te lezen en te herlezen, waaronder het hierboven genoemde befaamde stuk over Warhol en de Brillo-doos uiteraard.

Ik kreeg het idee dat ik wel een stukje kon schrijven en begon daar welgemoed aan. Maar daarna werd ik die middag langdurig onderbroken en ’s avonds moest ik weg, zodat ik pas ’s avonds laat bij thuiskomst het stukje af kon maken. Ik besloot het op te sturen naar Religie & Filosofie van Trouw. In de loop der jaren heb ik wel vaker stukjes aangeboden en soms maken ze daar gebruik van en soms niet. In dit geval dus niet. Ik hoorde niets meer en, zoals dat gaat, na verloop van tijd was ik het ook een beetje vergeten. Begin december schoot het me weer te binnen en toen heb ik nog eens navraag gedaan. Een redacteur, die de naam niet onthulde – aan anonieme twitteraars moet ik al wennen, maar anonieme e-mailschrijvers bezorgen helemaal een oenhaimisch gevoel – schreef me dat mijn stuk tussen ‘8147 ongelezen mails (…) even uit ons zicht geraakt’ was. Tja, dat soort dingen gebeuren. Het opmerkelijke is overigens dat Trouw bij mijn weten het overlijden van Danto niet eens gemeld heeft.

Algemeen
Ik geloof dat er sowieso weinig aandacht in de Nederlandse pers aan is besteed. Ik zag nog wel dat Xandra Schutte in De Groene Amsterdammer van een week later een nabeschouwing over Arthur Danto schreef. Ik heb het nu even niet bij de hand, maar ik geloof dat het best een aardig stuk was. Maar ook zij begon direct weer over Andy Warhol, terwijl Danto toch ook een gewoon wijsgeer was, die over allerlei filosofische thema’s schreef. Daarom was ik mijn tevergeefs aangeboden stukje bewust eerst maar eens over zijn algemene filosofie begonnen.

Overigens, wie het stukje leest, zal merken dat ik vooral nu ik Connections to the World nog eens doorbladerde en enkele hoofdstukken herlas, ik niet helemaal overtuigd was door de wijze waarop hij zijn hoofdindeling uitwerkte. Het is net alsof Danto een beetje slordig redeneert en de onderverdeling kwam me nu enigszins willekeurig over. Maar misschien is die gedachte te voorbarig. Het boek is per slot van rekening voortgekomen uit What Philosophy Is uit 1968 en je zou zeggen dat hij in de loop van enkele decennia toch wel grondig over de basisbegrippen zal hebben nagedacht.

Maar goed, dankzij de reminder van Sjoerd de Jong bedacht ik ineens dat ik nog een stukje in mijn computer had staan. Het is kort (999 woorden) en ik heb er inhoudelijk niets aan veranderd; alleen de tussenkopjes heb ik nu toegevoegd.

(126)