Waarom woorden veranderen

door Jan Dirk Snel

Dit is geen bijster originele openingszin. Toch is hij ondanks zijn simpelheid – zes woordjes, wat is dat nou? – waarschijnlijk nog nooit eerder zo opgeschreven. Op internet kan Google hem tenminste niet vinden, althans nu nog niet, want na korte tijd zal de zoekmachine naar dit stukje verwijzen. Nu zegt dat niet alles, omdat het merendeel van alle geschreven taal nog lang niet op internet staat en het is de vraag of het ooit zover komt.

En daarnaast heb je dan nog veel en veel meer gesproken taal, die elke dag vervliegt. Elke dag worden er miljarden zinnen op de wereld gesproken, die zo nog nooit eerder gezegd zijn en die ook nooit weer gezegd zullen worden. Dat is het kenmerk van menselijk taalgebruik: dat het telkens weer nieuw is, onontkoombaar, al is het zeker niet willekeurig.

Persoon en patroon
Iemands taaluitingen passen in een patroon. Ze zijn kenmerkend voor een persoonlijkheid. Op grond van de stijl kan men, soms zo al en soms na nauwkeurige vergelijking, vaststellen dat een bepaalde tekst alleen van één bepaalde auteur kan zijn. Het gaat er dan niet om dat die persoon precies dezelfde formuleringen als elders gebruikt, maar wel om de manier waarop hij zinnen en delen van zinnen vormt, of om de wijze waarop zijn gedachtengang verloopt. Ook binnen de voortdurende nieuwheid zijn er structuren herkenbaar. De mogelijkheden van taal zijn onuitputtelijk, zo groot dat zelfs elk mens zijn eigen stijl kan ontwikkelen, of misschien gewoonweg hééft, en daarbinnen toch steeds weer andere dingen kan zeggen.

JHvandenBergOpHet ScherpVanDeSnede

`

We vormen natuurlijk geen zinnen door woordjes te combineren. De beginzin in dit stukje is heel kort, maar ik moest toch even vlug tellen om vast te stellen dat het werkelijk om zes woorden gaat. In een andere taal, het Engels bijvoorbeeld, zou dezelfde gedachte een ander aantal woorden opgeleverd hebben. ‘This is not a very original opening’ telt bijvoorbeeld al zeven woorden – die in die volgorde, niet die zin, twee keer op het web voorkomen – al weet ik niet zeker of het simpele ‘opening’ in dit geval wel de beste overzetting van ‘openingszin’ is – wel als het me er om zou gaan dat het begin van dit stukje als zodanig niet erg oorspronkelijk is, maar wellicht niet nu het me specifiek om die ene zin te doen is. Nou ja, met ‘opening sentence’ komt hij dus al één keer voor, maar dan weer niet als zelfstandige openingszin en daar verander ik zo niets aan.

Niet te harden
Onze wereld verandert steeds, fysiek, maar dat gaat meestal geleidelijk en soms met sprongen, als er nieuwe gebouwen gebouwd worden, huizen anders ingericht worden, de infrastructuur veranderd wordt of, zoals dat in onze dagen gaat, van cultuurlandschap zelfs ‘nieuwe natuur’, een soort zichzelf ontkennend cultuurlandschap dus, gemaakt wordt. Maar ook onze situatie is telkens net iets anders. Elke dag is weer een andere dag. Elke lente is een herhaling, maar toch kon Gorter het terecht over een nieuwe lente hebben. En ook al doen we telkens zo ongeveer dezelfde dingen, toch praten we er in steeds weer iets andere variaties over.

We verdragen ook niet anders dan variatie en nieuwheid. In zijn onlangs verschenen korte, eigenlijk te korte, autobiografie, Op het scherp van de snede. Memoires van een gewraakt schrijver (Pelckmans Klement 2013) schrijft de psychiater en historisch fenomenoloog Jan Hendrik van den Berg (1914-2012), die als scholier een rebel was, maar het als hoogleraar aan de stok kreeg met opstandige studenten, over de docent Nederlands op de Kweekschool in Deventer – het moet zo ongeveer 1933 geweest zijn – ene voornaamloze Timmer, die zijn stof niet kende en die vooral hinderlijk was omdat hij in een les van drie kwartier veertig keer een vast en nogal lang tussenwerpsel gebruikte: ‘snie-waar, goed, dus, kijk, en, wij gaan verder’. De klas had het geteld. Op een dag werd de jonge Jan Hendrik door de man de klas uitgestuurd, omdat hij hem had uitgelegd dat die een fout had gemaakt. Toen de directeur, kwaad, hem vroeg of hij de les van de leraar naar behoren kon bijwonen, antwoordde hij: ‘Nee, meneer Douwes, dat kan ik niet!’. Waarop de jonge onderwijzer die de hoofdakte probeerde te halen, van school werd gestuurd. Hij had natuurlijk gelijk. Iemand die schier elke minuut dezelfde woorden bezigt, die valt niet te harden.

Creatief
Je hebt wel filosofen gehad die meenden dat onze natuurlijk taal onvolkomen is. Ze zou te onnauwkeurig zijn. Ook Ludwig Wittgenstein, verder een alleszins boeiend denker, had daar een handje van, zowel in zijn eerste als in zijn latere periode. Hij dacht dat de alledaagse taal ons voor de gek hield. Soms is dat misschien ook zo en bij gelegenheid is het verstandig om eens precies na te gaan wat we nu eigenlijk – over verraderlijke woorden gesproken! – zeggen als we dit of dat zeggen. Nog erger maakten allerlei logisch positivisten het. Maar die waren dan ook alleen maar geïnteresseerd in het beschrijven van de wereld en dat is nou net niet onze normale omgang met de dingen. Die is veel creatiever. Wij scheppen onze wereld telkens, zoals wij ook blikken werpen en niet alleen maar indrukken op ons netvlies opvangen.

Onze natuurlijke taal is juist bijzonder geëigend voor onze omgang met de wereld. Ze is creatief. Ze past zich voortdurend aan aan nieuwe situaties, weet ook het ongeziene toch te omschrijven met al bekende termen, al gebeurt dat een enkele keer aarzelend. Maar al snel vinden we voor elke nieuwe situatie nieuwe woorden. En wij mensen scheppen dus met onze woorden zelf steeds nieuwe situaties, ook al lijkt de uiterlijke toestand ongewijzigd.

Woorden fungeren in een heel web. In bijna elke zin staan ze weer in een volstrekt nieuwe combinatie. Daardoor veranderen ze ook telkens een heel klein beetje. Ze kunnen steeds meer, blijkt elke keer weer. Bestaande woorden zijn in staat ook nieuwe betekenissen te verwoorden en met onze bekende woorden roepen we zelf, zonder dat we dat vaak doorhebben, nieuwe betekenissen op.

Vast
Soms hebben we inderdaad behoefte aan een taal die het vaste van het bewegende onderscheidt. Daarom kennen specifieke vakgebieden vaak nauwkeurige definities. Maar die vormen soms eerder een belemmering omdat ze niet de volle werkelijkheid recht kunnen doen en juist nieuwe zienswijzen in de weg kunnen staan. Maar ook dat valt mee, omdat ook in vaktechnische verhandelingen het aantal vastgelegde begrippen een minderheid vormt. Lees eens een filosoof als Jürgen Habermas, of luister eens naar zijn wijze van spreken. Bij hem liggen de substantiva nogal lomp en zwaar vast, al zijn die in de Duitse idealistische traditie vaak zo groot en omvattend dat je je nog wel eens afvraagt of ze zijn zinnen niet overladen. Bij hem zijn ook de adjectiva vaak tamelijk saai en vastgelegd. Maar iets moet de zinnen soepel houden en dat zijn meestal de werkwoorden en die zijn dikwijls heel alledaags en huiselijk, beeldend soms ook. Bij Kant kun je trouwens hetzelfde opmerken.

En voor de vaste structuren van de wereld hebben we natuurlijk de wiskunde al. Die blijkt op een verrassende manier onderliggende structuren in onze wereld te kunnen bevatten. Daarmee zien we dingen die we zo aan de oppervlakte niet zien en we kunnen er zo vooral over communiceren, maar ze beschrijft ook niet de gehele wereld, maar naar haar aard juist het bestendige. Ze is een aanvulling op de taal van onze leefwereld, geen vervanging ervan.

Er zijn natuurlijk vele redenen waarom taal verandert en taalkundigen kijken dan naar woorden, woordbetekenissen, naar woordvormen, naar klanken, naar hele zinnen of zinsdelen, zelfs naar spelling – niet zo’n erg taalkundig verschijnsel op zich, maar de spelling heeft soms wel degelijk invloed op hoe we woorden opvatten, al gaat het daarbij nogal eens om misverstanden, maar ook door fouten verandert taal. Mijn opsomming is ongetwijfeld taalkundig onvolledig en suspect. Maar daar gaat het me nu niet om. Het gaat me nu om het alledaagse fenomeen dat taal telkens nieuw is, dat de combinaties die vanuit gehelen voortkomen – zinnen, zinsdelen, zoiets vaags als gedachten – kleine gehelen die zelf vaak weer uit grotere gehele voortvloeien, telkens weer andere zijn. En alleen door die flexibiliteit veranderen woorden al geleidelijk. Ze bieden nieuwe mogelijkheden. De betekenis kan een beetje verschuiven.

Verlies
En daarbij gaat er natuurlijk ook iets verloren. Omdat we telkens nieuwe dingen zeggen, zeggen we oude dingen niet meer. Ook oude patronen en gedachten gaan verloren. Als je een achttiende-eeuws boek leest, valt je dat direct op. Je snapt op zich wel wat er staat, denk je althans, maar de woorden worden vaak net iets anders gebruikt dan wij nu doen. Soms kun je ze vertalen in een ander woord, dat toen ook al bestond, maar dat nu de betekenis heeft gekregen van dat woord van toen en wat het toen aanduidde, daarvoor wordt dan nu ook weer een ander woord gebruikt. Maar de verschuivingen zijn zo subtiel dat je er vaak net niet helemaal vat op krijgt.

Het lijkt niet of de betekenissen van een eeuw of twee geleden ergens tussen nu bekende betekenissen inhangen. Ze horen thuis in een ander taalweefsel en in andere wijze van denken. Daarom begrijpen we oude teksten wel en toch gaat er iets verloren. Iets ontgaat ons. Dat kan ook niet anders als we bedenken dat dat sommige woorden of begrippen goed tien of twintig jaar oud zijn. We kunnen ons niet eens meer voorstellen hoe we dezelfde gedachte dan dertig jaar geleden uitdrukten. Deden we dat eigenlijk wel, konden we dat wel? Maar dan zullen er ook dingen zijn die we in 1980 nog wel konden zeggen en nu niet goed meer.

Vat
Er is natuurlijk altijd wel gepoogd om ook op onze natuurlijke taal vat te krijgen. Dat is vanouds de logica. Maar heel ver kwamen we daarmee niet. Of een paar zinnen, een paar elementaire gedachten geldig verbonden waren, in een syllogisme bijvoorbeeld, dat konden we nog net vaststellen. Maar zelfs dat zei weinig over de waarheid of inhoud van een redenering. De logica kan alleen iets zeggen over enkele formele kenmerken. Maar een redenering kan ongeldig zijn en toch uit allemaal ware beweringen bestaan en ze kan geldig zijn en complete nonsens bevatten.

En de formele logica die in de laatste eeuw opgang maakte, maakte zich meteen ook los van de natuurlijke werkelijkheid van onze taal. Zelfs de simpelste waarheidstabellen hebben nauwelijks enige betekenis voor onze gewone taal. Wie vier proposities conjunctief verbindt, moet als er één van onwaar is, logisch al concluderen dat de totale bewering onwaar is, die terwijl die heel goed waar kan zijn, met erkenning van een kleine onbeduidende vergissing. Of zelfs dat niet, omdat die opmerking er in het geheel totaal niet toe doet. En de meeste betogen kunnen we helemaal niet logisch analyseren. Verder dan een paar zinnen komt de logica niet.

Altijd nieuw
Dat komt omdat onze taal scheppend is. Zelfs lieden die aan het begin van een verhandeling of boek ons met nauwkeurige begripsbepalingen vermoeien, houden zich daar in de loop van het betoog gemeenlijk zelf niet aan. Dat is meestentijds geen gebrek of slordigheid, maar noodzaak. Omdat het betoog hen daartoe noopt. De woorden en begrippen betekenen iets anders en vooral meer dan ze zelf beseffen.

We creëren iets. Een stukje als dit bijvoorbeeld. Bijster origineel is dat ook inhoudelijk niet, omdat ik over dit soort dingen ook eerder wel eens wat mijmerend geschreven heb. Maar nieuw is het, in deze vorm althans, wel.

 ♦

(121)

2 reacties to “Waarom woorden veranderen”

  1. Ik heb veel waardering voor het feit dat u de tijd en moeite neemt om tijdens het woeden der gehele wereld te schrijven over een dergelijk tijdloos onderwerp, en dat zeg ik zonder ironie. Helaas kan ik die rust niet meer opbrengen.

  2. “Nog erger maakten allerlei logisch positivisten het. Maar die waren dan ook alleen maar geïnteresseerd ….”
    De tweede zin invalideert de eerste. We moeten niemand beoordelen op wat hij/zij niet claimt. Het zou me sterk verbazen als Bertrand Russell zelfs in zijn logisch positivistische periode iets tegen creatief taalgebruik had.

    “Maar die vormen soms eerder een belemmering omdat ze niet de volle werkelijkheid recht kunnen doen en juist nieuwe zienswijzen in de weg kunnen staan.”
    Ja. Daarom gebruiken moderne natuurkundigen liever de term interactive dan kracht.

    “Maar ook dat valt mee …”
    Er speelt nog iets anders. Zie

    http://nl.wikipedia.org/wiki/SI-stelsel

    Deze zeven fundamentele grootheden worden gebruikt om alle andere natuurkundige begrippen (middels de taal genaamd wiskunde) te definiëren. Alleen zijn minstens twee van deze (tijd en massa; voor de eerste zie Augustinus van Hippo) zelf onmogelijk te definiëren zonder in cirkelredeneringen te vervallen. Daar loop ik als natuur- en wiskundeleraar dan ook elk jaar tegenaan, met als gevolg dat ik me een halve bedrieger voel die de eersteklassertjes maar wat wijs maakt.

    “Ze zou te onnauwkeurig zijn.”
    De nauwkeurigste taal die er is – wiskunde – stelt ook in de natuurkunde niet helemaal tevreden ….. Dus heb ik geen keus dan de creatieve benadering.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: