Filosofiegeschiedenis en klein geluk

door Jan Dirk Snel

Filosofiegeschiedenis is een merkwaardig vak. Ten eerste is het geen geschiedenis. Ten tweede gaat het niet over filosofie.

Of nee, daar gaat het wel over en juist daarom is het geen geschiedenis. Waar het om gaat, is dat de definitie van wijsbegeerte een jaar of tweehonderd geleden nogal ingrijpend veranderd is. Filosofie was vanaf het begin de term voor wat nu wetenschap heet. Als Plato voor een regering door wijsgeren pleitte, betekende dat dus dat hij vond dat regeren iets was voor deskundigen, voor mensen die er specifiek voor opgeleid waren – en dus niet dat dat alleen overgelaten moest worden aan lieden die slechts wat beschouwelijker van aard waren.

Exif_JPEG_PICTURE

Wetenschap en wijsbegeerte
Hoe de scheiding tussen wijsbegeerte en wetenschap zo precies tot stand is gekomen, is nog een ingewikkeld verhaal. Het had natuurlijk sterk te maken met de groei van de wetenschap vanaf het begin van de zeventiende eeuw, wat we nu met een door Alexandre Koyré in 1939 gemunte term de Wetenschappelijke Revolutie noemen. Die nieuwe natuurwetenschap bleek wel tot veel kennis te leiden, maar niet bepaald tot meer wijsheid. Eerder kun je zeggen dat de mechanisering van het wereldbeeld de gedachte dat er in het universum inherent wijsheid te halen viel, ondermijnde. In de eeuw van de Verlichting werd filosofie dan ook gaandeweg veeleer de aanduiding voor subjectieve praatjesmakerij. De Franse philosophes die de Encyclopédie uitgaven, verzamelden wel veel kennis, maar mengden dat met wat allerlei wereldbeschouwelijks waarvan het nog maar de vraag was of dat allemaal wel zo vanzelfsprekend uit de nieuwe kennis omtrent de wereld voortvloeide. Dennis Diderot leed bijvoorbeeld aan het merkwaardige bijgeloof van het materialisme, wat nou niet bepaald op een kritische geest wijst.

Hoe het ook zij, er trad een scheiding op tussen wetenschap en wijsbegeerte, of meer in het algemeen tussen geleerdheid en kennis aan de ene kant en filosofie aan de andere kant. Wijsbegeerte werd het nadenken en speculeren over dingen die je eigenlijk niet precies kunt weten, over wat buiten het strenge domein van de gedeelde kennis moet blijven. Twee gebieden bleven er vanzelfsprekend over. Ten eerste de bezinning op het menselijk handelen: ethiek, politieke filosofie, rechtsfilosofie, sociale filosofie, cultuurfilosofie – dat complex dat ingaat op het persoonlijke en maatschappelijke handelen van mensen en hun onderlinge verhoudingen. Ten tweede de bezinning op wat aan (wetenschappelijke) kennis voorafgaat of er uit voortvloeit of er juist principieel buiten blijft, inclusief vragen over menselijke verwerving en verwerking van kennis en de menselijke reactie op de hem omringende werkelijkheid: epistemologie, wetenschapsfilosofie, metafysica, ontologie, logica, esthetica, dat soort wijsgerige disciplines.

Men zal hier de eerste twee van de beroemde vier vragen van Kant, maar dan in omgekeerde volgorde, in onderkennen: wat moet ik doen, wat kan ik weten? (Of de derde en vierde – wat kan ik hopen en wat is de mens? – wel echt afzonderlijke vragen zijn, lijkt me maar nog de vraag: met enige handigheid kan men ze wel tot de eerste twee herleiden.) Bewust kies ik voor die andere volgorde. Dat vragen naar handelen en menselijke verhoudingen blijvend zijn, is helder. Maar de vragen rondom kennis, of het nu om metafysica of epistemologie gaat, bezorgen de wijsbegeerte dezer dagen vaak de naam vooral een kwestie van moeilijkdoenerij en vaagheid te zijn.

Canonieke geschiedenis
Doordat filosofie een restdiscipline werd, waarin alle bezinning achterbleef die niet in concrete wetenschappen of vormen van gerichte geleerdheid werd uitgewerkt, kreeg ze ook een heel merkwaardige geschiedenis. Als wijsbegeerte gewoon wetenschap was gebleven, zou een geschiedenis van de wijsbegeerte een geschiedenis van de wetenschap zijn geweest. Maar door de vernauwing van het begrip die door de boedelscheiding ontstond, werd er nu ook een geheel nieuwe geschiedenis van de filosofie gereconstrueerd, waarin delen van wat in vroeger eeuwen en millennia onder wijsbegeerte verstaan werd, opgenomen werden en andere aspecten buiten zicht gelaten werden. Filosofiegeschiedenis werd canonieke geschiedenis, zoals dat ook bij literatuurgeschiedenis vaak het geval is: niet de geschiedenis van hoe de filosofie of de literatuur zich ontwikkelde, maar een geschiedenis van wat inhoudelijk de tand des tijds getrotseerd heeft of waarvan men dat tenminste denkt – of wil of hoopt.

Filosofiegeschiedenis werd de geschiedenis van een aantal opvallende denkers. Voor wat betreft de vroegmoderne tijd, vanaf de zestiende tot en met de achttiende eeuw, werd de canonieke geschiedenis van de wijsbegeerte zo vooral de geschiedenis van enigszins marginale figuren, die buiten de universitaire filosofiebeoefening stonden – zoals trouwens ook de nieuwe natuurwetenschap in hoge mate buiten de hogescholen (in de toenmalige betekenis) ontwikkeld werd. Denk aan Descartes, Spinoza, Locke, Leibniz en vele anderen. Pas vanaf de boedelscheiding, vanaf de tijd van Kant dus, gaat filosofiegeschiedenis hoofdzakelijk over hoogleraren, al had je altijd types als Kierkegaard of Schopenhauer die buiten de officiële onderwijsinstellingen opereerden.

Wijsbegeerte in Nederland
Eén groot voordeel van het ahistorische en canonieke van de filosofiegeschiedenis is dat het vak een enigszins internationaal karakter heeft verkregen en behouden. Enigszins: de canonieke lijst beperkt zich in hoofdzaak tot Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, maar zo af en toe mag er toch ook een Italiaan, Spanjaard, Amerikaan of Nederlander op en naarmate de eeuwen vorderen, komen daar meer landen bij. Vóór de Renaissance hebben we het uiteraard over andere gebieden, vooral rondom de Middellandse Zee, en trouwens ook over meer culturen. Filosofiegeschiedenissen zijn dan weliswaar niet universeel, ze zijn ook niet eng nationalistisch. In een navelstaarderig land als Nederland is dat vandaag de dag een groot voordeel.

Toch roept die canonieke lijst met vooral figuren die in hun eigen tijd afweken, een wat irreëel beeld op van de historische werkelijkheid. Er waren zoveel meer filosofen en je kunt de groten of de verondersteld groten eigenlijk alleen maar begrijpen tegen de achtergrond van de bredere intellectuele wereld waarin ze leefden. Wijsbegeerte behoorde al die eeuwen immers tot het gewone curriculum en er waren dus duizenden beoefenaren en docenten. Daarom was het begin jaren negentig ook zo aardig dat er vanuit het Rotterdamse door de werkgroep Sassen het initiatief werd genomen om een speciaal tijdschrift uit te geven over de Geschiedenis van de Wijsbegeerte in Nederland – en dat was dan ook de titel. Het tijdschrift was in feite het vervolg op de uitgave van een gelijknamige serie kleine kleurige paperbacks, die vanaf 1988 tot 1993 bij Ambo in twintig delen verscheen.

Het was nog de tijd van voor internet en je moest destijds maar net ergens lezen dat er een nieuw tijdschrift was verschenen of het op een studiezaal zien liggen. Al vrij snel had ik me op Geschiedenis van de Wijsbegeerte in Nederland geabonneerd, maar op het moment dat ik dat deed, was het allereerste nummer van de eerste jaargang niet meer verkrijgbaar. Toen het tijdschrift in 2003 na veertien jaargangen stopte, had ik de hele serie dan ook compleet, op de allereerste aflevering na.

Geluk in Deventer
En toen kwam ik dus op een dag in Deventer, niet echt op boekenjacht, maar in een straatje met veel tweedehandsboekwinkeltjes, ik denk de Assenstraat – ik zou het ter plekke zo herkennen, maar op Google Maps is het vanuit de lucht wat moeilijker zoeken – liep ik zomaar een winkel binnen. Beneden in de kelder met goedkope boeken stond vooraan een doos en bovenop lag de eerste aflevering van Geschiedenis van de Wijsbegeerte in Nederland. Eén euro koste het ding. U ziet het hier op de foto. Soms heb je het gevoel dat de dingen zo moeten zijn.

Ik had nu mijn serie compleet en dat is niet vaak zo bij tijdschriften, al was het maar vanwege hun lange levensduur. Overigens leverde een blik in Picarta me nu toch een kleine ontnuchtering op. Het blijkt dat er in 1989 al een nulnummer verschenen was en dat had ik kennelijk ook uit een tussentijds in 1999 verschenen register kunnen opmaken.

Dat nummer heb ik dus nog niet. Maar ach, wie weet kom ik dat ook nog eens tegen. Je kunt beter wat goed vertrouwen in dit soort zaken hebben dan dat je je in de wijsbegeerte door bijgeloof laat overmannen.

(115)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: