Hoe ‘wij’ het verleden personaliseren – Bij de herdenking van het slavernijverleden

door Jan Dirk Snel

Soms hoort een mens wonderlijke dingen. Het late NOS Journaal dat op donderdag 13 juni rond middernacht werd uitgezonden – en dat merkwaardigerwijze trouwens niet online staat (niet bij die donderdag en niet bij de volgende dag), maar dat kennelijk wel stof opleverde voor een afzonderlijk berichtje – overviel de kijker plompverloren met deze mededeling:

‘De Raad van Kerken geeft toe dat zij betrokken is geweest bij de Nederlandse slavenhandel.’

Waarop een fragment uit het programma Knevel en Van den Brink dat er net aan voorafging, volgde, waarin algemeen secretaris Klaas van der Kamp van die kerkenraad – de kans het woord te gebruiken met als eerste deel een werkelijk meervoud laat ik me niet ontgaan – aan het woord kwam.

Raad van Kerken
Me dunkt, menig kijker die op dat late uur al wat in dreigde te dommelen, zal toch in één klap klaarwakker zijn geweest. Ik in ieder geval wel. Dat was een schokkende mededeling. En nee, dan heb ik het er niet over dat raad vanouds een mannelijk woord is en dus als hij aangeduid dient te worden. (Diverse gemeenteraden, universiteitsraden en andere raden kenden wel een lid dat elke keer dat het fout ging, daar ritueel op wees.) Ik doel op de inhoud. De Raad van Kerken is in 1968 opgericht. Ik dacht direct aan de eerste voorzitters, dr G. de Ru, dr P.G. Kunst, dr A. Kruyswijk, prof. dr H. Berkhof, prof. dr D.C. Mulder, om me maar tot de eerste decennia te beperken. Zouden deze brave mannen nog maar veertig, dertig jaar geleden werkelijk betrokken zijn geweest bij de slavenhandel? Grapje natuurlijk, het ging om een ongelukkige formulering, maar vreemd genoeg past ze wel bij de curieuze wijze waarop de Raad van Kerken met het slavernijverleden omgaat.

Exif_JPEG_PICTURE

Nationaal Monument Slavernijverleden. Oosterpark, Amsterdam.

Men weet het, vandaag is het 150 jaar geleden dat Nederland de slavernij in Suriname en de Antillen afschafte en Klaas van der Kamp zat bij Knevel en Van den Brink omdat de Raad van Kerken daarop vooruitlopend de volgende dag een verklaring zou uitgeven. Die verscheen dus op vrijdag 14 juni 2013 onder de titel Verantwoording van het slavernij­ver­le­den en de tekst heb ik in een bijlage hieronder opgenomen. Het document telt slechts 448 woorden en bestaat uit drie delen: na een korte inleiding een soort actualiserende schets van het verleden, waarna een stichtelijke toepassing volgt.

Heden en verleden
Laten we eens naar het tweede deel kijken. Daarin worden twee soorten zinnen of zinsdelen over heden en verleden voortdurend afgewisseld. Het heden gaat voorop (en ik citeer letterlijk, maar voeg bij mijn herschikking gemakshalve hoofdletters en cursiveringen toe):

We weten uit de Bijbel dat alle mensen naar Gods beeld zijn geschapen
– Maar we hebben mensen niet als beelddrager rechtgedaan
We erkennen onze betrokkenheid in het verleden van afzonderlijke kerkleden en van kerkelijke verbanden bij het in stand houden en legitimeren van de slavenhandel
– Als kerken weten we ons deel van dit schuldig verleden
– En moeten we vaststellen dat theologie in bepaalde omstandigheden misbruikt is om de slavernij te rechtvaardigen
– Als kerken benoemen we deze betrokkenheid
– En willen we helpen recht te doen aan de nazaten van hen die soms generaties achtereen zijn geknecht en uitgebuit
– Waarbij we als kerken ons realiseren dat kerken destijds onderling verschilden qua mogelijkheden en dat er binnen diverse kerken ook verschillende geluiden te horen waren

Maar tussendoor wordt toch ook nog een kleine poging gedaan het verleden te beschrijven:

– Ze zijn niet behandeld zoals het conform het later geformuleerde handvest voor de rechten van de mens wenselijk zou zijn
– De slavernij heeft eeuwenlang tot 1863 plaatsgevonden onder Nederlandse vlag
– Er was geen of onvoldoende respect voor Bijbelse en menselijke waarden
– Honderdduizenden mensen werden van huis en haard weggehaald
– En moesten een leven lang in gevangenschap verkeren
– Werden uitgebuit
– Kregen geen kans om in vrijheid van geloof, meningsuiting en arbeid hun leven invulling te geven
– Velen stierven tijdens het transport
– Miljoenen mensen werden slaaf gehouden

De incongruentie springt direct in het oog. Een actief, hedendaags wij gaat telkens voorop en de werkwoorden zijn op één uitzondering na in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Het verleden komt er bekaaid vanaf. Het komt letterlijk op de tweede plaats. En het wordt overwegend in de verleden tijd of voltooid tegenwoordige tijd weergeven. Tegenover het actieve wij staat een passief zij van niet nader aangeduide, anonieme mensen. Het gaat dan over objecten, slachtoffers, maar de handelende subjecten worden niet aangeduid.

Identificatie
Mensen hebben de neiging zich met de geschiedenis, althans met die geschiedenis waar ze zich mee bezighouden of zich in verdiepen, te identificeren. Tijdens mijn studie heb ik medestudenten wel eens horen beweren dat je nooit, werkelijk nooit, wij zou mogen zeggen. Wij hebben immers de Tachtigjarige Oorlog niet gewonnen en wij werden in 1810 geen deel van het Franse keizerrijk van Napoléon en wij werden in 1813 echt niet bevrijd. Wij leefden toen immers niet. De waarschuwing is terecht, maar ondertussen gaat het wel over onze geschiedenis. Als historicus kun je je uiteraard helemaal op de geschiedenis van de Chinese Han-dynastie of het tsaristische Rusland of het zevende-eeuwse Byzantium werpen, het is nou ook weer niet zo vreemd dat je in Italië meer kenners van de Italiaanse dan van de Nederlandse geschiedenis zult aantreffen en dat het omgekeerd niet anders is.

Geschiedbeoefening vervult diverse functies, die elkaar niet uitsluiten en ik zou zo een-twee-drie geen uitputtende opsomming kunnen geven, maar een van de functies is in ieder geval dat ze het heden verklaart. Het was niet ondenkbaar geweest dat wat nu Nederland is, onderdeel van een Duits of een Frans rijk was geworden – of beter: gebleven – maar nu het land er is, kun je voor de historische verklaring van het uiteraard altijd contingente heden toch niet om, zeg, de Unie van Utrecht van 1579 of de Bataafse staatsregeling van 1798 heen. Geschiedenis laat zien hoe de dingen nu eenmaal gegaan zijn. En dan komen vanzelf ook andere functies in beeld: het tonen van de alteriteit van het verleden bijvoorbeeld en soms ook wel die van de structurele gelijkblijvendheid: de braudelliaanse longue durée. En nog veel meer. Hoe het ook zij, vaak zijn er aanknopingspunten met ons alledaagse heden. En dat geldt trouwens ook voor de geschiedenis van het oude Israël, het oude Rome en in een globaliserende wereld geldt dat zelfs voor de geschiedenis van de Inca’s of oude Indiase beschavingen.

Betrokkenheid is deels gegeven en deels ook wel wenselijk. Je verwacht van een goede historicus immers niet alleen dat hij ons de feiten vertelt, maar ook dat hij laat zien waarom een verhaal de moeite waard is. Maar tot de professionaliteit van de historicus behoort ook dat hij afstand neemt en zich niet al te zeer met het onderwerp van studie vereenzelvigt. Betrokkenheid mag, maar je moet het verleden als zodanig ook onbevangen tegemoet treden. Je moet het recht doen in zijn eigenheid.

Persoonlijk
Op dat punt gaat het in de verklaring van de Raad van Kerken, die typerend lijkt voor veel meer hedendaagse populaire omgang met het verleden, helemaal mis. Op geen enkele wijze problematiseren de opstellers de band tussen heden en verleden. Ook in zijn toelichting laat Klaas van der Kamp dat volledig achterwege. Maar wat is die band precies?

Emmer

Overigens kan ik mijn exemplaar van dit boek nergens vinden. Ik vermoed dat ik het ooit uitgeleend heb. Maar aan wie?

In Letter & Geest van Trouw schreef Piet Emmer, auteur van De Nederlandse slavenhandel 1500-1850 (2000, tweede uitgebreide druk 2003), zaterdag een artikel dat de titel ‘Meer trauma dan geschiedenis‘ meekreeg. Hij behandelt daarin vooral het perspectief van de nakomelingen van de slaven en de vraag of de slavernij anderhalve eeuw na dato nog zou doorwerken in zaken als ‘racisme, discriminatie, tienerzwangerschappen, gebroken gezinnen, echtelijke ontrouw, criminaliteit, slechte schoolprestaties, hoge bloeddruk en nog veel meer’. Onder dat meer valt in ieder geval nog bezit en financiële positie. Zijn antwoord is negatief en zakelijk lijkt me dat ook in grote lijnen juist. Emmer schrijft in dat stuk ook dat ‘de Tweede Wereldoorlog, de Bezetting en de Bevrijding’ geworden zijn ‘wat ze moeten zijn: zuiver historische gebeurtenissen, waar de huidige generatie zich niet meer persoonlijk bij betrokken voelt’. De implicatie is duidelijk: zo zou het met de slavernij ook moeten zijn.

Maar misschien is Emmers formulering net iets te gemakkelijk. Ja, heel veel mensen, nog lang niet alle trouwens, hebben door hun leeftijd geen directe herinneringen meer aan de jaren tussen 1940 en 1945, maar het feit dat ik hier na enig aarzelen 1940 en niet 1939, het begin van de Tweede Wereldoorlog, schrijf, geeft aan dat het nu ook weer niet om puur afstandelijke fenomenen gaat. Ik kies daarmee voor een typisch Nederlands en niet internationaal perspectief. Als ik op 4 mei naar de Dam ga, is dat nou ook weer niet onpersoonlijk. Via mensen die we kennen of kenden en via verhalen bestaat er nog wel degelijk een persoonlijke betrokkenheid. En als het om het slavernijverleden gaat, lijkt het me voor de hand te liggen dat veel Nederlanders van Surinaamse of Caribische afkomst zich meer met de slaven van toen verbonden voelen, terwijl veel andere Nederlanders historisch toch eerder een zeker besef zullen hebben dat de slavenhandelaren en slavenhouders een onderdeel vormen van de geschiedenis van hun land. En beide perspectieven kunnen natuurlijk best samengaan, want als het om betrokkenheid bij de geschiedenis van je land gaat, maakt het weinig uit of je voorouders hier nu al acht eeuwen wonen of pas in de zeventiende eeuw uit Scandinavië of Frankrijk kwamen of in de negentiende eeuw uit Westfalen of in de twintigste eeuw uit Suriname of Indonesië.

Afstand
Kortom, een zekere identificatie met het verleden is onvermijdelijk. Als die er niet meer is, hoef je ook niets te herdenken. Dat geldt ook voor jaren als 1813 of 1815. Maar er is ook afstand. Het gaat wel om onze geschiedenis – en vaak vanuit verschillend beleefde perspectieven – maar het gaat ook om geschiedenis. Als je gedenkt, herdenk je de lotgevallen van andere mensen, niet van jezelf. En gegeven je positie in het leven, die je voor een groot deel niet zelf uitgezocht hebt, voel je je vaak tamelijk onontkoombaar meer betrokken bij het ene of het andere perspectief.

Maar ook aan de afstand moet recht gedaan worden en dat gebeurt in de verklaring van de Raad van Kerken totaal niet. Veel te snel eigenen de opstellers zich het verleden toe. Ze spreken voor mensen die zelf niet meer kunnen spreken. De incongruentie die ik aanwees, is typerend: ze beginnen bij zichzelf en gaan in feite niet alleen pontificaal voor het verleden staan, maar ook voor wie ze als de slachtoffers zien. Hier toont zich het onvermogen het verleden zelf te laten spreken. De opstellers vinden zichzelf zo belangrijk dat ze er geen oog meer voor hebben.

Historici betogen vaak klassiek historistisch dat je het verleden naar zijn eigen normen moet beoordelen. Dat is juist. Als je menselijk handelen niet afmeet aan de morele normen die voor hen golden, doe je ze geen recht en kun je ze niet begrijpen. Maar tegelijk creëer je daarmee afstand en geef je in feite wel een oordeel: niet dat mensen in het verleden in hun eigen ogen onjuist handelden, maar wel dat wij hun normen zo niet meer kunnen delen. En als het werkelijk om ethische normen gaat en niet om tamelijk contingente zeden en gewoonten, impliceer je daarmee wel degelijk dat onze moraal in ieder geval op dat specifieke punt beter is – wat overigens ook het relativerende besef met zich mee kan brengen dat mensen in de toekomst wel eens weer zo naar ons kunnen kijken.

Schuld
De overdreven personalisering van het slavernijverleden zou wel eens een onderdeel van een veel breder probleem kunnen zijn. Het verleden wordt naar ons beeld en naar onze gelijkenis herschikt. Dat zie je ook met de zogenaamde Gouden Eeuw. De tv-serie die een poosje geleden werd uitgezonden, was, geloof ik, inhoudelijk best goed, maar het was in hoge mate ook een beeld naar onze smaak. In die zin kon het hedendaagse nationalisme, hoewel meer low-key geuit, wel eens groter zijn dan dat van de negentiende eeuw. Als Evert Jan Potgieter naar de zeventiende eeuw verwees, was dat vooral een aansporing: toen deden onze voorvaderen het goed, laten wij onze slapheid overwinnen en de zaken ook weer zo krachtig aanpakken! Maar nu gaat het vaak om een esthetische vereenzelviging waarbij alle kantjes die ons niet bevallen, subtiel buiten beeld gelaten worden. En tja, als zulke aspecten dan toch wel in beeld komen, zoals in het geval van de slavernij, dan komt ineens de tegengestelde tendens op. Wie trots is, ontkomt niet aan de schaamte. Maar of het nu om vereenzelviging met de ‘slachtoffers’ of met de ‘daders’ gaat, het betekent alleen maar dat we onszelf belangrijker vinden dan de mensen uit het verleden en hen niet meer serieus nemen.

Exif_JPEG_PICTURE

Nationaal Monument Slavernijverleden. Oosterpark, Amsterdam.

Typerend is dat de opstellers menen te ‘moeten’ – let op dat woord – ‘vaststellen dat theologie in bepaalde omstandigheden misbruikt is om de slavernij te rechtvaardigen”. Misbruik veronderstelt kwade trouw: ze wisten wel beter, maar deden toch iets anders. Het lijkt me veel meer voor de hand te liggen om ervan uit te gaan dat theologen die de slavernij te rechtvaardigen achtten, dat oprecht meenden. Niks misbruik, gewoon serieuze redeneringen. En een zelfde soort aanmatiging kenmerkt het vrome, derde deel van de verklaring. Neem een zin als deze:

‘We erkennen nazaten van de slaven dat we veel leed hebben veroorzaakt.’

Dat is pure flauwekul en wie zoiets toch opschrijft, maakt zich aan ernstige onoprechtheid schuldig. Zo iemand verdient het niet om nog serieus genomen te worden. Nee, we hebben geen leed veroorzaakt, althans niet het leed van de slavernij van eeuwen her. Uit de toelichting blijkt dat de titel na lang delibereren niet over schuld spreekt, maar volgens Klaas van der Kamp maakt deze alinea wel duidelijk ‘dat er onomwonden sprake is van een schuldbelijdenis, maar dan een schuldbelijdenis die niet goedkoop wil zijn.’ Kom nou, deze schuldbelijdenis is wel gratuit en niet een klein beetje ook, want de opstellers matigen zich aan te spreken voor mensen die al lang dood zijn en die zich mogelijk helemaal niet schuldig voelden. En als ze over de glibberige eerste zin van de slotpassage nagedacht hadden, hadden ze dat ook kunnen weten:

‘Wie kan de schuld vergeven en vergiffenis aanreiken voor mensen die zelf geen woorden meer in de mond kunnen nemen en die tot het einde van hun leven in slavernij hebben moeten doorbrengen?’

Het antwoord lijkt me duidelijk: niemand. Slaven die al eeuwen dood zijn en ‘die zelf geen woorden meer in de mond kunnen nemen’, kunnen geen schuld meer vergeven en mensen die hun leed toegevoegd zouden hebben, kunnen ook nergens om vragen, als ze dat tenminste al zouden willen.

Provinciaals
Wie het verleden zo persoonlijk in beslag neemt, heeft geen belangstelling voor het verleden meer en doet mensen die voor ons geleefd hebben, geen recht. Als we het verleden als ons verleden zien, hoort er bij dat we ook de – in onze hedendaagse ogen – zwarte kanten van dat verleden erkennen. Als mensen zich bij het slavernijverleden betrokken voelen, is het goed dat het herdacht wordt, maar het is dan wel zaak het verleden ook als verleden te herdenken en het binnen de loop van de geschiedenis, de historische ontwikkeling, te plaatsen.

De keerzijde van de welhaast perverse gretigheid waarmee de opstellers van de verklaring zich het verleden toe-eigenen, zich verantwoordelijk en uiteindelijk toch schuldig achten, getuigt van een grote zelfgenoegzaamheid. Wij weten het beter. Ik denk dat het ook een teken is van het idee dat nadere vooruitgang niet meer mogelijk is. Nu we herdenken dat 150 jaar geleden de slavernij werd afgeschaft, zou het in feite meer voor de hand liggen daar de nadruk op te leggen. De generatie die toen leefde en handelde, kwam kennelijk ook al tot de erkenning dat slavernij niet juist was. Maar die generatie had nog wel meer om voor te vechten. Dat besef lijkt nu afwezig te zijn. Het heden is het enige dat we hebben, de toekomst zal niet groots en schitterend meer zijn en op zijn best meer van hetzelfde bieden, en dus moet ook het verleden zich maar naar onze normen voegen. Wij leven na het einde van de geschiedenis en de geschiedenis moet zich maar aan onze ontwikkelingsloze ahistoriciteit aanpassen.

Het verslag op de site van de Raad van Kerken opent met de vaststelling dat het ‘provinciale karakter van de Nederlanders (…) soms schrijnend’ is. Ja, dat is misschien zo, maar juist deze verklaring is daar wel een erg trieste uiting van. Het gaat alleen maar over ons. En het zet de zaken historisch totaal niet in verband. Als Klaas van der Kamp in zijn toelichting stelt, dat ‘Nederland het laatste land was wat de slavernij en de handel in slaven heeft afgeschaft’ – het gaat dan om de jaren 1863 en 1814 – is dat simpelweg onwaar. Een simpele blik op Wikipedia had hem al beter kunnen leren. Slavernij is een zeer gevarieerd en historisch en mondiaal zeer breed verspreid fenomeen. En de facto bestaat het trouwens nog steeds, zoals bij de promotie van Lotte Pelckmans – op dit boek – nog eens onder de aandacht werd gebracht. En als historici erop wijzen dat veel andere vormen van menselijke dienstbaarheid en uitbuiting, dat omstandigheden van andere mensen, ook in Europa, vaak veel erbarmelijker waren, dan is dat niet om iets aan de slavernij af te doen, maar zet het dat fenomeen wel in perspectief.

Geen belangstelling
Ook bij Knevel en Van der Brink liet Klaas van der Kamp zien dat hij geen enkele behoefte heeft zich werkelijk in het verleden te verdiepen. Hij had het erover dat wij goed aan de slavenhandel verdienden. En hij meldde vervolgens dat diaconieën in het westen van Nederland rijker waren dan die elders. In een artikel had Van der Kamp zoiets ook al eens geschreven en daarbij doodleuk beweerd: ‘Complete grachtengordels in het westen van Nederland verrezen, mede mogelijk gemaakt door geld verdiend uit de omzet van mensenhandel.’ Sprookjes natuurlijk. Ja, Holland was nu eenmaal veel rijker dan veel andere gewesten: het graafschap bracht ook tegen de drievijfde van de generaliteitsbegroting op, terwijl de omvang van de bevolkingsomvang ongeveer tweevijfde van het totaal was. Maar het overgrote deel van het geld werd uiteraard gewoon met de handel in Europa – of met lokale nijverheid of landbouw – verdiend. De handel op de Oost en de West vormde slechts een klein deel. De grote belangstelling voor de VOC brengt mensen nog wel eens op verkeerde gedachten, vrees ik. Vorig jaar berekenden twee historici dat de totale opbrengst van de slavenhandel – let wel: dat is is iets anders dan de slavernij – in 234 jaar tussen de 63 en 79 miljoen gulden bedroeg. Dat is een hogere uitkomst dan waar tot dusverre vanuit gegaan werd, maar het blijft natuurlijk een miniem bedrag.

Exif_JPEG_PICTURE

Gedeeld verleden, gezamenlijke toekomst. Uit de titel van het Nationaal Monument Slavernijverleden spreekt een andere geest dan uit de verklaring van de Raad van Kerken.

Het is de taak van historici om dingen in perspectief te zetten, maar het nadeel blijft dat als je tegenover niet werkelijk in het verleden geïnteresseerden de nuchtere feiten naar voren probeert te brengen – het bekendste voorbeeld is altijd het lage Nederlandse aandeel van slechts ongeveer 5%, misschien net iets meer, in de totale trans-Atlantische slavenhandel – dat je verhaal al gauw defensieve, apologetische trekjes lijkt te vertonen. En dat geldt ook voor de betogen van Piet Emmer waarin hij terecht vragen stelt bij allerlei sociale fenomenen die na anderhalve eeuw nog steeds direct tot de slavernij herleid worden. Ja, slavernij was bepaald niet het enige euvel in de geschiedenis van de mensheid, er waren vele andere verhoudingen en omstandigheden waarin mensen meer leden en het was in ieder geval een fenomeen met veel verschillende uitingsvormen en praktijken. Wij nu zijn niet schuldig aan of verantwoordelijk voor de slavernij van vroeger en niemand nu lijdt in onze samenleving werkelijk nog onder de gevolgen van de slavernij in de Nederlands West-Indië. Maar dat wil nog niet zeggen dat mensen toch niet alle reden hebben om er aandacht voor te tonen en de slavernij en vooral de bevrijding eruit te herdenken, gewoon omdat de slavernij nu eenmaal een onderdeel is van een geschiedenis die ze als de hunne of de onze beschouwen. Het is niet zozeer vanwege de praktijk dat we de slavernij herdenken, maar vooral vanwege de formele verhoudingen die dit begrip uitdrukte en die strijdig zijn met wat wij heden ten dage als fundamentele menselijke waardigheid, gelijkheid en vrijheid beschouwen.

Empathie
De verklaring van de Raad van Kerken is een holle tekst, loos gespeel met morele begrippen en in die zin bepaald niet onschuldig. Ze is vooral ook beledigend voor de adressanten. Je hoort medemensen serieus te nemen en in oprechte bewoordingen aan te spreken. Het is een triest geval waarin een hele groep mensen, kerkelijke leiders nota bene – de dertien lidkerken van de Raad van Kerken hebben zich ‘unaniem achter de verklaring geschaard’ – de weg even kwijtgeraakt is. Maar ach, daaraan kunnen we snel voorbijgaan.

Het gaat om meer, want in de personalisering van het verleden sluit het document wel aan bij een hedendaagse trend. Maar eerlijk gezegd blijft het me toch een beetje een raadsel waarom sommige mensen zo met geschiedenis omgaan en zich per se in verhalen van eeuwen her binnen willen wurmen. Wat kan daarvan toch de reden zijn? Hoe verloopt de gedachtegang, waarbij men zichzelf in een verhaal van van anderen inschrijft? Het gaat kennelijk om een kunstmatig idee van beleving. Als je het totaal verknalde Scheepvaartmuseum bezoekt, kom je dezelfde wonderlijke kronkels tegen. Maar wie zichzelf zo zelfgenoegzaam op de voorgrond stelt, beleeft juist niets meer. Dat doe je alleen maar door je op het object te richten en daar belangstelling voor te tonen. Een aangrijpend verhaal kan je helemaal in beslag nemen. Maar dat is dus precies het omgekeerde van wat hier gebeurt.

Het verleden kan alleen maar betekenis hebben als het in zijn eigenheid recht gedaan werd. Tegelijk zullen we die belangrijke onderdelen van het verleden waarvan we denken dat die betekenis voor ons hebben, ook blijven herdenken. Verschillende aspecten van het verleden zullen we als ons verleden blijven erkennen en dan kan het gaan om aspecten die we nu mooi vinden en over aspecten waarover we nu een tegengesteld oordeel hebben.

Maar het wordt wel tijd te beseffen dat het verleden werkelijk over andere mensen met andere inzichten en andere wijzen van handelen dan wij gaat. Alleen zo kan geschiedenis empathie bevorderen. Niet alles draait om ons.

Bijlage: VERANTWOORDING VAN HET SLAVERNIJVERLEDEN

Wij als kerken in Nederland, verenigd in de Raad van Kerken, hechten er aan onderstaande uit te spreken tot de kerken en de nazaten van de mensen die ooit als slaven werden verhandeld en als slaven moesten werken; nazaten leven in verschillende landen, onder meer in Suriname, Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Caribisch Nederland en Nederland.

We weten uit de Bijbel dat alle mensen naar Gods beeld zijn geschapen maar we hebben mensen niet als beelddrager rechtgedaan; ze zijn niet behandeld zoals het conform het later geformuleerde handvest voor de rechten van de mens wenselijk zou zijn. We erkennen onze betrokkenheid in het verleden van afzonderlijke kerkleden en van kerkelijke verbanden bij het in stand houden en legitimeren van de slavenhandel; de slavernij heeft eeuwenlang tot 1863 plaatsgevonden onder Nederlandse vlag. Er was geen of onvoldoende respect voor Bijbelse en menselijke waarden. Honderdduizenden mensen werden van huis en haard weggehaald en moesten een leven lang in gevangenschap verkeren, werden uitgebuit, kregen geen kans om in vrijheid van geloof, meningsuiting en arbeid hun leven invulling te geven. Velen stierven tijdens het transport. Miljoenen mensen werden slaaf gehouden. Als kerken weten we ons deel van dit schuldig verleden en moeten we vaststellen dat theologie in bepaalde omstandigheden misbruikt is om de slavernij te rechtvaardigen. Als kerken benoemen we deze betrokkenheid, en willen we helpen recht te doen aan de nazaten van hen die soms generaties achtereen zijn geknecht en uitgebuit, waarbij we als kerken ons realiseren dat kerken destijds onderling verschilden qua mogelijkheden en dat er binnen diverse kerken ook verschillende geluiden te horen waren.

Wie kan de schuld vergeven en vergiffenis aanreiken voor mensen die zelf geen woorden meer in de mond kunnen nemen en die tot het einde van hun leven in slavernij hebben moeten doorbrengen? We realiseren ons dat we te laat spreken, te weinig op het goede moment de goede inzichten hebben gehad en ons hebben laten leiden door misplaatst winstbejag en machtsmisbruik. Het is een vorm van onrecht, die doorwerkt tot in de huidige generatie toe, waar een deel van onze samenleving is gebouwd op misbruik van anderen en waar discriminatie onvoldoende wordt uitgebannen. Er zijn vele zaken die we niet meer kunnen veranderen. We erkennen nazaten van de slaven dat we veel leed hebben veroorzaakt. We spreken de wens uit om samen met hen en samen met allen die gerechtigheid en vrede willen dienen te zoeken naar een samenleving waarin menswaardig leven, vrijheid, verantwoordelijkheid, solidariteit en respect elementaire waarden zijn. We hopen op een gezamenlijke inzet voor de samenleving, omdat we ons realiseren dat ook vandaag de dag gelijkwaardigheid van mensen allerminst vanzelfsprekend is en iedere keer weer ontdekt, verworven en verdedigd zal moeten worden.

Raad van Kerken in Nederland

(111)

One Comment to “Hoe ‘wij’ het verleden personaliseren – Bij de herdenking van het slavernijverleden”

  1. Dank voor dit geluid van de redelijkheid dat het narcissistische van plaatsvervangende schuldbelijdenissen duidelijk maakt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: