Erkenning en verdraagzaamheid – Over meerderheid en minderheden

door Jan Dirk Snel

Je hebt dus de meerderheid en je hebt dus minderheden.

Althans, zo is dat nu. Lange tijd was dat anders in de Nederlandse geschiedenis. Zo’n anderhalve eeuw bestonden er alleen maar minderheden. Maar dat is voorbij. Nu bestaat er een grote meerderheid die het zelfde morele regime deelt.

Meerderheid en minderheden
Dat is een natuurlijk gebeuren. Mensen zijn kuddedieren. Ze doen wat anderen ook doen. Ze denken wat anderen ook denken. Als mensen in een samenleving dezelfde soorten dingen horen en zien en dezelfde media volgen, kortom deel uitmaken van één communicatiegemeenschap, dan gaan hun gedragingen en opvattingen ook een zekere eenheid vertonen. Daarbinnen zijn er natuurlijk kleine variaties, maar al te groot zijn die niet. Voor hun denkbeelden en gedragingen zijn mensen van anderen afhankelijk.

Er zijn ook minderheden. Die onttrekken zich enigszins – meer is het vaak ook niet – aan de druk van de grote groep die onze samenleving vormt. Die minderheden vormen subculturen. Daarbinnen doen zich natuurlijk dezelfde groepsprocessen voor. Ook daar doen mensen wat andere mensen binnen de groep doen en ook daar denken mensen wat andere leden van hun subcultuur zo ongeveer denken. En dat opnieuw met kleine variaties.

Abels Ovittius

Mooi boek, waar je nog eens wat van opsteekt.

Pibo
Wij hebben het allemaal eerder gezien. Tien jaar geleden schreef Paul H.A.M. Abels een boek getiteld Ovittius’ Metamorphosen. De onnavolgbare gedaantewisselingen van een (zielen)dokter in de Reformatietijd. Het gaat het over het schelmachtige leven van Pibo Ovittius van Abbema (ca. 1542-1618). Het was een man die in de roerige zestiende eeuw, de tijd van een grote omwenteling in de samenleving, van een omvang die voor ons nu onvoorstelbaar is, voortdurend op de vlucht was voor zijn eigen verleden – wegens polygamie was hij uit Friesland verbannen – maar die daarbij ook over een wonderlijk aanpassingsvermogen beschikte. Hij was onder meer pastoor en predikant, maar niet slechts in die ene volgorde. Terwijl de gereformeerde classis in Alkmaar dacht in hem een gereformeerde predikant op Wieringen te hebben, zag de plaatselijke bevolking hem toch echt als een traditionele of misschien ook wel niet al te traditionele katholieke pastoor.

Het roerige leven van Pibo eindigde in rust. In 1610 benoemden de Staten van Utrecht hem tot predikant in Zuilen en daar sleet hij zijn laatste levensdagen omringd door vrouw en kinderen, terwijl hij zijn gewone taken, preken, zielszorg en lesgeven, uitoefende. Hij overleed begin 1618, in januari of de allereerste dagen van februari. Dat was dus nog heel wat maanden voor de nationale Synode van Dordrecht (1618-1619), die in november begon. Ik noem dat omdat me herinner hoe iemand bij een presentatie van het boek opmerkte dat Pibo misschien wel met de remonstranten, die begin 1619 veroordeeld werden, zou zijn meegegaan. Of dat we niet weten hoe hij gereageerd zou hebben, dat kan ook. Maar volgens mij kunnen we dat wel met vrij grote zekerheid weten. Iemand die zijn hele leven lang overleefd heeft door zich aan te passen, volgt ongetwijfeld de meerderheid. Die gaat de rust die hij eindelijk gevonden heeft, niet nog eens op het spel zetten.

De remonstrantse minderheid had de naam nogal ongedurig en fanatiek te zijn. De ‘hevigen’ noemde Maurits hen. Als politicus die op orde uit was, hield hij niet van lieden die met hun felheid de rust verstoorden. Alleen wie echt overtuigd is, voegt zich bij de minderheid. Wie twijfelt of niet zulke welomschreven opvattingen heeft, blijft bij de meerderheid. En zo is destijds Nederland dan ook gereformeerd geworden. De politiek volgde de krachtigste groep en door steun van de overheid ging die de meerderheid vormen, al vormde die nooit zo’n hechte groep en bleef de band vaak losjes. Na verloop van tijd, een eeuw, anderhalve eeuw of anders zeker wel na twee eeuwen, zette de verbrokkeling in, waaruit de pluriforme situatie voortkwam die de afgelopen decennia door een nieuwe, maar niet al te duidelijk benoembare morele meerderheid afgelost wordt.

Verdraagzaamheid
Minderheden wijken af. Van de meerderheid. Ze buigen niet met mee. Ze hebben hun eigen normen. Daarom vindt de meerderheid ze al gauw fanatiek en halsstarrig. Minderheden zijn immers minderheid omdat ze op bepaalde punten nu eenmaal afwijken en stellige andere opvattingen koesteren of zich anders gedragen. Was dat niet zo, dan kon men zich ook wel aan de meerderheid aanpassen en meebuigen.

Dat levert al gauw een verwijt vanuit de meerderheid op. Minderheden willen graag ruimte voor hun opvattingen en gedragingen. Maar zijn ze zelf wel tolerant? Nee, natuurlijk niet in alle opzichten, want daarvoor zijn ze nu juist een minderheid met eigen opvattingen. Als een minderheid de meerderheid zou vormen, zouden een aantal dingen er anders uitzien. Dat kan niet anders.

Dat geeft de spanning aan als het om verdraagzaamheid gaat. Dat is niet alleen een kwestie van do ut des. Verdraagzaamheid houdt in dat de meerderheid een minderheid, wier opvattingen ze vaak niet deelt en soms zelfs regelrecht afkeurt of verafschuwt, toch ruimte geeft. Daar zit ongetwijfeld ook iets neerbuigend in. Toe maar, als jullie nu zo graag willen… Altijd blijft er een spanning bestaan tussen het materiële en het formele element, tussen het inhoudelijke verschil en de gedeelde of toegestane vrije ruimte.

In een situatie waarin er geen natuurlijke meerderheid was en er dus alleen een meerderheid gevormd kon worden doordat minderheden samenwerkten, viel verdraagzaamheid in zekere zin ook gemakkelijker op te brengen, omdat het toen vaak meer om een uitwisseling ging. Jij wilt graag dat? Nou, ik wil graag dit. Laten we gelijk oversteken en elkaar de ruimte geven. Voor wat hoort wat. En uit de logische dynamiek – er werd een algemene regel geformuleerd – vloeide dan ook nog wel eens ruimte voort voor andere minderheden die niet eens bij het spel van onderhandeling en uitwisseling waren betrokken.

Erkenning
Maar nu er één morele meerderheid is – en pas op, dat is nadrukkelijk geen ‘seculiere’ meerderheid versus een ‘religieuze’ minderheid, zoals abusievelijk nog wel eens gedacht wordt – kost het die meerderheid vaak moeite om begrip op te brengen voor minderheden die in haar ogen zo vreemd doen. Verdraagzaamheid, ruimte scheppen of behouden voor afwijkende opvattingen en gedragingen, is dan ook niet alleen een kwestie van neerbuigendheid of welwillendheid, het vergt ook zelfbeperking en misschien wel lichte opoffering. Je moet er even langer voor nadenken dan waar je initiële reflexen je misschien brengen.

Ook van de minderheden vergt het inspanning. Een minderheid die stevig in de schoenen staat, is uiteraard overtuigd van het eigen gelijk. Maar tevens moet die minderheid constateren dat de meerderheid en dat andere minderheden daar anders over denken. Dat is natuurlijk wat vreemd. Als wij toch echt gelijk hebben, waarom zien al die anderen dat dan niet? Minderheden moeten daarom leven met deze uiterlijke relativering van hun gelijk. Ze kunnen anderen vaak niet overtuigen, maar ze kunnen wel erkenning vragen, niet voor de materiële inhoud van hun opvattingen en gedragingen, wat ze natuurlijk het liefst zouden willen, wel voor hun goed recht om af te wijken. Maar wie ziet zichzelf graag als iemand die afwijkt? Wat voor een soort erkenning vraag je dan eigenlijk? Je vraag in feite erkenning voor de buitenkant van je bestaan, niet voor dat waar je hart naar uitgaat.

Wat is eigenlijk de basis van verdraagzaamheid? De reden ervoor? Als ik het goed zie, kan hier het romantische idee van authenticiteit een belangrijke rol spelen, zoals een liberalisme dat in de Romantiek gefundeerd wordt in het algemeen een krachtiger indruk maakt dat een liberalisme dat in de Verlichting – of een veronderstelde ‘Verlichting’ – verankerd wordt. Men leze Isaiah Berlin of anders diens leerling John Gray over de twee gezichten van het liberalisme er maar op na. Verdraagzaamheid hoeft niet alleen een concessie te zijn, het kan ook de erkenning zijn dat het mogelijk is dat er dingen zijn die ons ontgaan. Dat er best goede redenen zouden kunnen zijn waarom andere mensen anders denken en zich anders gedragen. Het kan ook het besef zijn dat minderheden ons ook wakker kunnen houden en onze aandacht kunnen richten op aspecten die we anders mogelijk over het hoofd zouden zien. Alleen al door hun aanwezigheid stellen ze vragen bij wat voor velen vanzelfsprekend is. De relativering werkt ook de andere kant op.

Wederkerigheid
Het besef dat je zelf graag erkenning wil, kan het besef met zich meebrengen dat dat ook voor anderen, ook voor minderheden geldt. In die zin kan verdraagzaamheid dus ook weer iets wederkerigs krijgen, ook als het om de verhouding van meerderheid en minderheid gaat.

Mensen zijn kuddedieren en binnen de meerderheid en de minderheden verlopen de processen niet zo anders. Mensen buigen mee, dat is de regel. Maar mensen zijn ook tot reflectie in staat en soms buigen ze niet mee. Het is verstandig die mogelijkheid open te houden. En de vaak wat lastige erkenning dat anderen anders zijn, kan daarbij behulpzaam zijn. Juist het besef en de erkenning dat er anderen zijn, schept ruimte, ook voor wie zich wel stevig binnen de meerderheidscultuur genesteld heeft. De wetenschap dat er anderen zijn en dat er minderheden zijn, schept ook binnen de meerderheid de ruimte om even afstand te nemen en erkenning voor eigenheid te vragen.

(106)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: