De kiezer en de rechtsstaat

door Jan Dirk Snel

Een der langstzittende leden van de Staten-Generaal, Geert Wilders, een politiek ondernemer die een zogenaamde politieke partij runt en die vandaag 5.333 dagen in de Tweede Kamer zit en daarmee in anciënniteit slechts vijf leden voor moet laten gaan, heeft door een peil.nl van Maurice de Hond een vijftal vragen en een drietal stellingen aan 1900 Nederlanders van 18 jaar en ouder laten voorleggen ‘over de Islam en immigratie uit Islamitische landen in Nederland.’

Vragen en stellingenExif_JPEG_PICTURE
Dit zijn de vijf vragen:

1. Vindt u dat de Islam een verrijking is van Nederland?
2. Vindt u dat er in Nederland een stop moet komen op de immigratie vanuit Islamitische landen?
3. Vindt u dat er een stop moet komen op het bouwen van nieuwe moskeeën in Nederland?
4. Denkt u dat er een relatie is tussen de islam en de recente terreurdaden in Boston, Londen en Parijs?
5. Hoe groot acht u de kans dat een dergelijke terreurdaad ook in Nederland plaats vindt?

En dit de drie stellingen. De vraag luidt telkens: ‘Kunt u aangeven of u het eens of oneens bent met de volgende stellingen?’

6/6a. Er moet een grondwettelijk verbod op de sharia in Nederland komen.
7/6b. Nederland is er beter op geworden door de komst van migranten uit Islamitische landen.
8/6c. Er is inmiddels genoeg Islam in Nederland.

Ik citeer letterlijk. De opvallende, maar niet consequent toegepaste hoofdletters in de woorden ‘Islam‘ en ‘Islamitisch(e)‘ zijn dus niet van mij. De resultaten van het onderzoekje verschenen zaterdag op de site van De Telegraaf onder de kop ‘Stop bouw moskeeën‘. Inmiddels is het volledige onderzoek ook via de site van Wilders’ zaak, de PVV, beschikbaar.

Attitudes en feitelijkheden
Het is een curieus rijtje. De laatste stelling (8) zou men zelfs heel positief kunnen lezen: de vraag of er genoeg van iets is, impliceert immers dat er ook te weinig kan zijn. Maar dat zal hier wel niet bedoeld zijn. We kunnen de vragen en stellingen in drie groepjes indelen. Het eerste wordt gevormd door drie vragen over maatschappelijke attitudes: of men de islam een verrijking van Nederland vindt (1), of Nederland er door de komst van migranten uit islamitische landen beter op is geworden (7) en de al aangehaalde vraag of er genoeg islam in Nederland is (8). Mensen kunnen van alles vinden, maar het zijn als zodanig geen vragen die rechtstreeks over politiek gaan. Het antwoord levert alleen enige kennis over de samenleving op. Voor moslims zijn de resultaten overigens niet erg bemoedigend.

Dan zijn er twee vragen die over feiten en mogelijkheden gaan. Namelijk of men denkt dat er een relatie is ‘tussen de islam en de recente terreurdaden in Boston, Londen en Parijs’ (4) en hoe groot men de kans acht dat ‘een dergelijke terreurdaad ook in Nederland plaats vindt’ (5). Tja, in Boston, Londen en Parijs hebben de verdachten zelf kennelijk een zeker verband met de islam, althans met hun opvatting van de islam en dat is voor hen uiteraard de enige die ertoe doet, gelegd. In die zin ís er een relatie. De enige vraag is in welke richting de relatie gelegd moet worden – de formulering hier volgt een aan het daderperspectief tegengestelde richting – en hoe die nader geïnterpreteerd moet worden. Als je vraagt of er een relatie is tussen mannen en deze terreurdaden, moet het antwoord ook positief zijn, maar ook daarmee is verder nog niet veel gezegd.

Terrorisme is op zich een tamelijk marginaal en ook machteloos verschijnsel en terroristen moeten het hebben van aandacht. En ze hopen dat je hun interpretatie overneemt. Het domste wat je kunt doen, is daar uitgebreid in meegaan. Natuurlijk kun je dergelijke daden niet geheel negeren, maar er zo weinig mogelijk aandacht aan besteden als redelijkerwijs maar mogelijk is, is het enige verstandige antwoord. Maar goed, de twee vragen zijn niet erg interessant en ze lenen zich eigenlijk ook niet goed voor een mening. Een zeker verband is er altijd en de kans op het zich voordoen van terreurdaden, kun je nu eenmaal niet statistisch berekenen. De natte vinger kan iets slechter of iets beter beredeneerd zijn en dat geldt ook voor de op zich gewetensvolle analyses van het dreigingsbeeld door de NCTV.

Verbieden
Dan blijven er als derde groepje nog drie vragen over en die hebben betrekking op politiek en wetgeving. Het gaat over drie mogelijke verboden, al worden die twee keer ‘stop’ genoemd. Of beter: het gaat over drie onmogelijke verboden, maar de vraagsteller doet net of die wel mogelijk zijn, dat is het verraderlijke. Het zijn onzinnige vragen en de opdrachtgever, een fervent tegenstander van enkele fundamenten van onze rechtsorde die vooral bekend staat om zijn politieke belletjestrekkerij – men ziet, ik druk me voorzichtig uit – beseft dat natuurlijk ook best. De vraag is alleen waarom Maurice de Hond zich hiervoor leent.

De vraag of er een specifieke stop moet komen op de immigratie vanuit islamitische landen (2), is uiteraard een onzinnige. We weten dat immigratie vanuit de EU vrij gemakkelijk is en dus relatief hoog en vanuit andere landen tamelijk moeilijk en dat de feitelijke immigratie vanuit landen die men islamitisch zou kunnen noemen, laag is. Maar uiteraard gelden er op dit punt algemene regels. Bij asielverzoeken en het al dan niet honoreren daarvan is Nederland bijvoorbeeld aan internationale verdragen gebonden. Er gelden algemene regels en men kan niet discrimineren naar de overwegende religieuze gezindheid van het land van herkomst. Zoals bekend wil de PVV een algehele ‘immigratiestop voor mensen uit islamitische landen’. Dat wil dus ook zeggen dat bijvoorbeeld christelijke asielzoekers uit het Midden-Oosten of andere landen van islamitische signatuur of ook Indonesiërs van welke denominatie ook hier volgens Wilders expliciet niet welkom zijn. Men kan zich afvragen of de 55% van de ondervraagden die op deze vraag ja zei, daar ook zo over denkt. Maar het is een onzinnige vraag.

Even zinledig is de vraag of er ‘een grondwettelijk verbod op de sharia in Nederland’ moet komen (6). Zou Maurice de Hond de vergelijkbare vraag of er een grondwettelijk verbod op de halacha moet komen, ook zo unverfroren hebben durven voorleggen? Of zouden morele overwegingen dan ineens wel een rol gespeeld hebben? Het zijn natuurlijk zinloze en onmogelijke vragen. Uiteraard staat het mensen vrij zich aan hun morele systeem te houden, zolang dat niet conflicteert met wettelijke bepalingen. Iemand mag best een biertje afslaan of in de winkel varkensvlees laten liggen, omdat hij zijn religieuze opvattingen wil volgen. Maar wat zou de maar liefst 72% die het bestaat hier ja te zeggen, nou denken? Denken zulke mensen überhaupt iets?

Grondrechten
Dan de vraag waar het kennelijk om gaat en die ook de kop voor het bericht in De Telegraaf leverde: of mensen vinden dat er ‘een stop moet komen op het bouwen van nieuwe moskeeën in Nederland” (3). Opnieuw is duidelijk dat het hier om een uiterst merkwaardige vraag gaat. Een verbod op het bouwen van islamitische gebedshuizen zou uiteraard in strijd zijn met een belangrijk grondrecht, dat in de Grondwet staat en waar Nederland ook via internationale verdragen aan is gebonden. Het gaat om een vraag die praktisch volstrekt irreëel en principieel uiterst bedenkelijk is. Dat weet iedereen, zou je zeggen.

Ja, dat zou je inderdaad zeggen, maar hoe vallen de antwoorden dan te verklaren? Maar liefst 63% van de ondervraagden is voor een – ongrondwettig – verbod. Van mensen die in 2012 op de PVV stemden is dat 97%, van die op de VVD 82%, op het CDA 60%, op D66 36%, op de PvdA 41%, op de SP 47% en van de aanhang van 50Plus 89%. (Bij de laatste partij zegt een noot: ‘stemt nu 50Plus”. Bij mijn weten kan men nu helemaal niet stemmen, maar men zal wel iets als de huidige politieke voorkeur bedoelen, zodat mensen in deze groep kennelijk twee keer kunnen voorkomen.) Vrouwen vinden dit in hogere mate dan mannen, ouderen meer dan jongeren en mensen met een religie meer dan mensen zonder. Mensen met een lage opleiding zijn veel meer voor een verbod dan mensen met een hoge opleiding. En lieden met een middeninkomen weer meer dan mensen met een hoger of lager inkomen.

Wat die cijfers waard zijn, kun je je overigens afvragen. Maurice de Hond zegt wel dat het om een representatieve steekproef gaat, maar nergens noemt hij de non-respons. Of gaat het om mensen die toch al vrijwillig aan zijn onderzoekjes deelnemen? En hoe representatief zijn die? Wie neemt vrijwillig deel aan een onderzoek met zulke rare vragen? Menigeen zou bij het zien van onzinnige vragen toch onderweg afhaken, zou je zo denken.

Rechtsbewustzijn
Maar toch, ook al moet je een en ander misschien met een flinke korrel zou nemen, de hoge cijfers geven ernstig te denken, zelfs als ze bij een mogelijk beter onderzoek een stuk lager zouden uitvallen, en dat is de reden dat ik er aandacht aan besteed. Wat kan de reden zijn dat een meerderheid der ondervraagden en mogelijk heel wat Nederlanders zonder blikken of blozen voor een ongrondwettelijk verbod zijn? Het gaat hier niet alleen om de aanhang van Wilders, wiens vijandschap tegen delen van onze rechtsorde maar al te zeer bekend is, ook in andere politieke partijen – zes zijn er genoemd, GroenLinks, ChristenUnie, SGP en PvdD niet – blijkt een aanzienlijk deel van de achterban bereid een uiterst dubieus voorstel te onderschrijven. Wat kan daarvan de reden zijn?

Ik zie drie mogelijkheden. De eerste is dat de ondervraagden echt principieel tegen bepaalde grondrechten zijn en dus ook tegen de levensbeschouwelijke vrijheid die de Grondwet en internationale verdragen garanderen. De tweede is dat men heel naïef is en in feite niet beseft waar men ja op zegt. En de derde is dat men best de strekking doorheeft, maar bewust even provoceert zonder dat men het werkelijk meent – dat van die ‘stop’, bedoel ik. In alle drie gevallen geeft het antwoord toch te denken. Ik denk dat de eerste groep het kleinst is. Als het er op aankomt, gunnen Nederlanders anderen hun fundamentele vrijheden wel, denk ik. De derde groep zal ook gezien het huidige geestesklimaat wat groter zijn, maar het wil er bij mij nu ook weer niet in dat ruim tachtig procent van de ondervraagde VVD’ers of zelfs 36% van de naar hun mening gevraagde D66’ers zo onserieus is. Het meest voor de hand ligt dat de tweede groep verreweg de grootste is.

Dan zouden de antwoorden duiden op een gebrekkig ontwikkeld rechtsgevoel. Mensen hebben kennelijk veel moeite om hun materiële voorkeuren en de formaliteit van het recht, die gaat over de (abstracte) rechten van anderen, uit elkaar te houden. Niemand hoeft enthousiast te zijn over de komst van meer moskeeën, maar daar gaat het niet om. Het gaat om de toepassing van onze grondwettelijke orde en onze rechten. Het is heel curieus dat mensen zich daar niets van aantrekken, maar dat velen ondertussen een verbod op het volgen van bepaalde morele richtlijnen die hun niet bevallen, wel in de grondwet willen vastleggen. Alsof een grondwet gaat om wat jouw toevallige wensen zijn en niet om de ruimte die de overheid aan iedereen biedt.

Tegenspraak
Toen Rob Hartmans en ik een paar jaar geleden, toen twee politieke partijen in zee wensten te gaan met een partij die niet democratisch georganiseerd is en die vindt dat onze rechtsstaat zo niet de hare is, het Comité voor de Rechtsstaat oprichtten, wezen sommigen ons erop dat ons beroep op de rechtsstaat veel te abstract is en niet door iedereen begrepen wordt. Het appel zou te weinig aantrekkelijk zijn. Ons antwoord was dat we ons ook niet primair richtten op de gehele bevolking, maar op leden van de Staten-Generaal die een principiële grens dreigden te overschrijden. Die zouden toch beter hebben moeten weten. En dat vind ik nog.

De betreffende partijen hebben ondertussen leergeld betaald – de gedoogpartner bleek, zoals te verwachten viel, onbetrouwbaar en liep ineens weg bij onderhandelingen – maar het blijkt dat zij en dat alle politieke partijen in de richting van hun achterban nog wel wat te doen hebben. Politici willen nog wel eens roepen dat de kiezer altijd gelijk heeft, maar dat is niet anders dan de erkenning dat uitgebrachte stemmen nu eenmaal feitelijk tellen, los van de achterliggende intenties. Maar in zijn houding heeft de kiezer soms helemaal geen gelijk en verdient hij geduchte tegenspraak. De Grondwet is inderdaad een handboekje voor het handelen van de overheid en geen verplichtende normatieve richtlijn voor onderdanen of burgers, maar men zou toch mogen hopen dat de meerderheid van de kiezers de grondprincipes van ons rechtsbestel onderschrijft en die ook in het geven van politieke meningen tot uiting brengt.

Er valt nog heel wat aan politieke opvoeding te doen. En volgens mij moet dat ook best lukken. Als je mensen iets meer geconcretiseerd vraagt of ze de vrijheid die ze voor zichzelf graag hebben, ook anderen gunnen, zullen ze na enig nadenken daar gemeenlijk toch positief op antwoorden. Denk ik althans. Hoop ik tenminste. Maar het primaire verbodsinstinct – bevalt me niet? verbieden! – we zien het in allerlei gevallen telkens weer, zit er nu eenmaal diep in bij mensen. Waarschijnlijk alleen door scherp te vragen of mensen werkelijk van onze rechtsorde af willen, kunnen ze waarschijnlijk op betere gedachten gebracht worden.

Lef
Hoe het ook zij, het onderzoekje, hoe twijfelachtig in allerlei opzichten wellicht ook, geeft aan dat het niet voldoende is alleen naar de aanhang van één extreme, zich voortdurend misdragende ‘politieke partij’ te wijzen. Voor alle politieke partijen is er nog heel wat werk aan de winkel. Ze zullen het lef moeten tonen hun eigen achterban op betere gedachten te brengen.

(101)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: