Archive for mei, 2013

29 mei 2013

Is er iets mis met de buitenlandpolitiek van de EU?

door Jan Dirk Snel

Het buitenlands beleid van de Europese Unie maakt een zwakke indruk. Dat hoor je nogal eens beweren. Maar is die verwijtende opmerking ook terecht? Moet de EU wel een buitenlands beleid hebben? En wat mag je er dan van verwachten?

Falen
De EU heeft natuurlijk een buitenlands beleid, ze probeert daar althans iets aan te doen. Lange tijd, tot aan het verdrag van Lissabon (2009) vormde het Gemeenschappelijk Buitenlands en VeiligheidsBeleid (GBVB) de zogenaamde tweede pijler – het zelfde soort beeldspraak waar in Nederland het begrip verzuiling uit voortkomt – en nog steeds geldt de functie van de Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid als een belangrijke post. De EU heeft tegenwoordig net als elke klassieke vereniging, zoals de Verenigde Staten, een voorzitter, Herman van Rompuy, en een secretaris, Catherine Ashton.

Exif_JPEG_PICTURE

Een Europese straat. Wibautstraat, Amsterdam.

Afgelopen maandag besloten de ministers van buitenlandse zaken het bestaande wapenembargo tegen Syrië met ingang van de komende maand te laten verlopen. Men kan het ook anders zeggen: over voortzetting werd men het niet eens. Een andere gemeenschappelijke koers stippelde men ook niet gezamenlijk uit. Overigens blijven economische en financiële sancties wel van kracht.

Is dit nu een uiting van zwakte? Sommigen beweren dat. Maandag scheef Annette Riedel op de site van Deutschland vooraf een commentaar onder de titel ‘Das swache Bild der EU’. Ze hield er al rekening mee dat de ministers het niet eens zouden worden. En dat zou volgens haar een ‘verheerendes Signal’ aan de Syrische dictator afgeven: ‘Er und seinesgleichen können darauf bauen, dass die EU immer wieder außenpolitisch zu uneins ist, um handlungsfähig zu sein. ‘

‘Die traurige Botschaft wäre: Mit der EU ist international nicht verlässlich zu rechnen. Das war schon bei der jüngsten Runde der Weltklimaverhandlungen so.’

Dinsdag, toen het besluit eenmaal genomen was, betoogde Ralf Neukirch op de site van Spiegel Online iets soortgelijks en de titel van zijn bijdrag, ‘EU-Position zum Syrien-Krieg: Europas Zwergenpolitik‘, geeft al een indicatie. Ik citeer twee zinnen, uit het begin en het einde van zijn beschouwing:

‘In Wahrheit ist der Beschluss ein Dokument des Scheiterns: Die Gemeinschaft hat bewiesen, dass sie als außenpolitischer Akteur nicht ernst zu nehmen ist.’
‘Die EU hat sich ein weiteres Mal in einer zentralen außenpolitischen Frage ins Abseits gestellt.’

De EU faalt, ze telt niet mee, ze heeft zich buiten spel gezet. Het oordeel is duidelijk. Maar waar is het eigenlijk op gebaseerd? Kennelijk op de gedachte dat de EU als gemeenschap wel een grote rol zou moeten spelen. Maar waarom zou dat moeten? Dat maken Riedel en Neukirch niet duidelijk. Ze vertrekken vanuit een onberedeneerd standpunt, dat nergens op gebaseerd is. Hun hele beschouwingswijze is nogal hysterisch, al zullen ze dat zelf mogelijk als ‘idealistisch’ of zo beschouwen. In hun analyse houden ze geen rekening met machtsfactoren en als het om buitenlandse politiek gaat is dat niet erg verstandig.

Belang
Wat zijn de belangen? Waar is de EU voor opgericht? Voor het scheppen van een gemeenschappelijke markt, zou ik zo ongeveer zeggen. Het gaat om de economie. En daar komt vanzelf van alles bij kijken: financieel en monetair beleid bijvoorbeeld. Sociaal beleid zou misschien ook meer wenselijk zijn, bijvoorbeeld omdat het wel zo handig is een beetje op dezelfde voorwaarden samen te werken en te concurreren. Ik bedoel maar, het is wel aardig dat een goede maaltijd in een Duits restaurant meestal aanmerkelijk goedkoper is dan in Nederland – het land kent nog steeds geen minimumloon, al lijkt dat er nu eindelijk aan te komen – het gevoel dat je mensen zit uit te buiten, laat zich soms moeilijk afschudden. Maar gegeven dat de schepping van een gemeenschappelijke markt het centrale punt van de EU is, zal een gemeenschappelijk buitenlands beleid vooral daar betrekking op moeten hebben: op economische en handelspolitieke overwegingen. Vanaf het begin van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal is er op dat punt welomschreven soevereiniteit overgedragen en het ligt voor de hand dat de EU zich naar buiten toe bezig houdt met dingen waar ze ook intern over gaat. Maar de EU is nu eenmaal geen staat en haar handelingsbereik is beperkt.

Kortom, het ligt ook niet erg voor de hand dat de EU een compleet buitenlands beleid voert. Als het lukt om het ergens over eens te worden, dan is dat meegenomen. Lukt dat niet, nou dan is het veel verstandiger dat de staten zelfstandig hun eigen weg gaan. Als het bijvoorbeeld gaat om Syrië, is het niet zo duidelijk wat een gemeenschappelijk belang zou kunnen zijn. Waarom zou je dan verwachten dat men het eens zou moeten zijn? Dat dat niet lukt, is geen teken van zwakte, maar een gevolg van de gewone machtsverhoudingen. Landen als het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk willen de handen vrij hebben om naar bevind van zaken te kunnen handelen en eventueel wel wapens te kunnen leveren of anderszins te kunnen optreden. Een land als Duitsland zal dat met zijn terughoudende, pacifistische traditie niet snel doen. Een land als Oostenrijk voert een neutrale buitenlandse koers. Net als Cyprus, Finland, Ierland, Malta en Zweden is het trouwens geen lid van de NAVO.

Er is in dit geval en is in veel gevallen geen enkele reden waarom de staten van de EU één buitenlands beleid zouden moeten ontwikkelden. Die noodzaak is er in feite als het gaat om wat ze gemeenschappelijk hebben. Juist de flexibiliteit geeft de leden van de EU in totaal veel meer macht. Frankrijk kon in Mali zelfstandig optreden en vervolgens kijken van wie het nadere hulp kon verwachten. En zo heeft ook Groot-Brittannië zijn eigen invloedssfeer. Dat geldt in zekere zin nog voor een klein land als Nederland ten opzichte van Suriname. Meer coördinatie van het buitenlandbeleid in de EU zou alleen maar tot verzwakking leiden. Overigens hebben Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk nu nog ieder een permanente zetel in de Veiligheidsraad, al kan men zich afvragen of landen als India en Brazilië daar zo langzamerhand niet meer aanspraak op zouden kunnen maken. Maar hier beperk ik me tot de EU. Een buitenlandpolitiek kan die van de individuele lidstaten niet vervangen, zolang het niet om zaken gaat die de unie zelf behartigt. Dat het vaak niet lukt tot een gemeenschappelijk standpunt te komen, is anders dan Riedel en Neukirch denken, dan ook geen uiting van zwakte, maar de gewone uitkomst van de weging der verschillende belangen. Het is alleen meegenomen dat het zo af en toe wel lukt een gemeenschappelijke positie in te nemen. Dat is dan een extra sterkte.

Geen superstaat
Waar komt de irreële beschouwingswijze van lieden als Riedel en Neukirch vandaan? Kennelijk vanuit het idee dat de EU eigenlijk een soort superstaat zou moeten zijn. Maar dat is ze nou net niet en dan zou de EU ook niet goed werken. Een staat moet zijn eigen legitimiteit hebben. Als minderheid of als verliezer in het politieke krachtenspel moet je het kunnen hebben dat jouw mening niet doorgezet wordt in beleid. Het blijft toch jouw land. Maar bij de EU is dat niet zo. Een gemeenschappelijk buitenlands beleid dat ver gaat, zou alleen maar betekenen dat de opvattingen en ook de belangen van diverse deelstaten niet gehonoreerd worden. Dat zou de legitimiteit alleen maar aantasten – en niet alleen dat: ook het vermogen om te handelen.

Het lijkt me belangrijk dat de EU zich inzake buitenlandse politiek en veiligheidsbeleid terughoudend, faciliterend blijft opstellen. Kijk waar je het eens kunt worden, maar beschouw het niet als een mislukking als dat niet het geval is. Voor het veiligheidsbeleid hebben we de NAVO al. Een groot deel van de EU-landen is daar lid van, een ander deel niet. Maar er horen ook andere landen bij. En als het om de overdracht van soevereiniteit gaat, een thema dat tegenwoordig in verband met de EU nog wel eens opkomt, dan is de NAVO toch een heel wat sterker geval. Een aanval op een andere lidstaat – en Syrië ligt aan de grens van het NAVO-gebied – wordt immers als een aanval op allemaal en dus ook op het eigen land beschouwd.

Reidel schrijft op een gegeven moment:

‘Gerade da, wo es des ganzen Gewichts der EU bedürfte, um ein ernst zu nehmender globaler Machtfaktor sein zu können, da ist es dann gern mal vorbei mit der Kompromissfähigkeit, die bei internen Angelegenheiten sonst im guten und weniger guten Sinne sprichwörtlich ist.’

Ze formuleert het als een naïeve waarneming, waar een vraag in besloten ligt – waarom dat verschil? – maar als ze wat nuchterder nadacht, ligt het antwoord er al in besloten. Ja, inzake interne aangelegenheden moet men het wel eens worden. Inzake de buitenlandse politiek is dat eenvoudigweg niet nodig.

Bij Neukirch blijkt het om nog wat meer dan naïef geloof in de gedachte dat eenheid moet, te gaan. Hij is er gewoon chagrijnig over dat de EU-ministers niet gedaan hebben wat hij wil.

‘Die EU hätte damit drohen müssen, dass sie ihre Zurückhaltung aufgibt, falls die Konferenz ergebnislos bleibt. Die Amerikaner haben dies bereits angekündigt. Die Briten haben sich im gleichen Sinne geäußert. Ob dies Assad wirklich zum Einlenken bewegt, ist völlig offen. Sicher ist allerdings, dass der zerstrittene Haufen, als der die Europäer sich derzeit präsentieren, keinen Druck auf irgendjemanden ausüben wird.’
‘Es wäre sinnvoll gewesen, wenn die EU als Ganzes gesagt hätte, wir nehmen vor der Konferenz keine Option vom Tisch, auch Waffenlieferungen nicht.’

Kortom, hij weet wat de ministers hadden moeten doen: dreiging tegen Syrië achter de hand houden. Hij vergeet even dat dat voor Duitsland geen optie is en dat een land als Oostenrijk daar echt nooit mee kan instemmen. De ministers doen niet wat hij wil en dus gaat hij als een klein kind zitten drenzen over het onvermogen van anderen. Maar die anderen doen gewoon wat ze zelf goed achten en dat is geen zwakte, maar hun sterkte.

Verwachtingen
Over de mogelijkheden van een gezamenlijke Europese buitenlandse politiek wordt vaak in erg irreële termen gedacht. Het gaat niet eens om te hoge verwachtingen, het gaat om volledig ongegronde verwachtingen.

(98)

28 mei 2013

De overheid als zedenmeester

door Jan Dirk Snel

Wie tegenwoordig het woord zedenmeester in de mond neemt, zal het gemeenlijk over de overheid hebben. De paar boektitels die de laatste decennia verschenen zijn met dit woord in de titel, bevestigen dat ook: het gaat over de staat, de overheid, het politieke systeem of over de kinderbescherming, maar die is nauw met de overheid verbonden.

Zedenmeester
Het past bij de oorsprong van het begrip. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal leert ons dat het allereerst om een vertaling van het Latijnse censor gaat. En dat was de term waarmee eertijds ‘in het Romeinsche maatschappelijke bestel de magistraat aangeduid werd, die belast was met het toezicht op de openbare zedelijkheid en op den correcten gang van zaken bij diverse officieele activiteiten en procedures.’ De tweede betekenis is die van een ‘persoon belast met iemands onderricht en opvoeding in de zeden’ en die zou verouderd zijn. Dat klopt, het is een typische verlichtingsterm. Men denke aan een titel als De misantrope, of de gestrenge zedenmeester (1742-1745) van Justus van Effen, die met zijn Hollandsche Spectator overigens ook zelf vaak als zedenmeester werd omschreven. De derde betekenis heeft daar overigens ook betrekking op en ligt dicht bij de tweede: ‘Persoon die waakt over de goede zeden, of die de goede zeden leert; moralist, zedenleeraar. Ook wel met eenigszins negatieve connotatie en dan bep. zooveel als: hij die (bij voortduring) zedenlessen geeft.’ Alleen zouden we daaraan toe kunnen voegen dat het tegenwoordig niet zozeer om een persoon als wel om een instantie, de overheid, gaat.

Exif_JPEG_PICTURE

Borden in Den Bosch. De morele grondslag ligt kennelijk in de behoefte dingen een beetje ordelijk te regelen.

Zedenmeesterij hoort typisch bij de moderne staat. Een blik op de eerste als zodanig bedoelde grondwet in Nederland, de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk uit 1798, maakt dat direct duidelijk. In de ‘Algemeene Beginselen‘ die aan de eigenlijke ‘Acte van Staatsregeling’ vooraf gaan, wordt in artikel 6 de morele grondslag van het onderlinge menselijk verkeer expliciet geformuleerd:

‘Alle de pligten van den Mensch in Maatschappij hebben hunnen grondslag in deze heilige wet: Doe eenen ander niet, hetgeen gij niet wenscht dat aan u geschiede. Doe aan anderen, ten allen tijde, zoo veel goeds, als gij in gelijke omstandigheden, van hun zoudt wenschen te ontvangen.’

En even typisch verlicht en moraliserend zijn de volgende twee artikelen:

‘Niemand is een goed Burger, dan die de huislijke pligten, in den onderscheiden stand, waarin hij moge gesteld zijn, zorgvuldiglijk uitöefent, en voords in alle opzigten, aan zijne maatschappelijke betrekkingen voldoet.’
‘De eerbiedige erkentenis van een Albestuurend Opperwezen versterkt de banden der maatschappij, en blijft iederen Burger ten duursten aanbevolen.’

Het laatste, achtste, artikel maakt duidelijk hoever de hedendaagse cultuur zich van de Verlichting verwijderd heeft. Maar verder komt ons toch ook veel bekend voor en kan men misschien zeggen dat we tegenwoordig weer dichtbij het toenmalige moralisme staan. Over goed burgerschap, het zevende artikel, wordt vandaag de dag weer veel gesproken en soms gaat men zelfs zover als vicepremier Lodewijk Asscher dat men inburgeraars zelfs een contract over waarden wil laten tekenen. Zover ging men destijds niet. Men liet het bij een omschrijving van het fundament van de moraal.

Sociaal contract
Maar men ging er dan ook al vanuit dat de staat op een onderling contract – een ‘Maatschappelijk verdrag’ heet dat in het tweede artikel – was gebaseerd. Dat was natuurlijk een fictie, maar het is wel een constructie die tot op de dag van heden effectief doorwerkt. Hoe vaak zeggen mensen over regulier – ‘democratisch’ wordt dat tegenwoordig genoemd – tot stand gekomen wetten niet ‘dat we het nu eenmaal zo met elkaar hebben afgesproken’? Zakelijk is dat natuurlijk niet juist, want we hebben niets met elkaar afgesproken en de staat bestond al voor we geboren werden of binnen zijn rechtsgebied gingen wonen en wetten komen nog steeds van de bevoegde instanties boven ons, de gedachte is toch dat deze staat ónze staat is en die komt op diverse wijzen tot uiting, bijvoorbeeld in de mogelijkheid leden van de Staten-Generaal en enkele andere instanties – Provinciale Staten, Gemeenteraden, waterschapsbesturen – te kiezen.

De zedenmeesterij van de moderne staat is in zekere zin een logisch uitvloeisel van de gedachte van mensenrechten. De eerste Bataafse grondwet stelde nadrukkelijk dat het sociaal contract de ‘natuurlijke regten van den Mensçh’ niet wijzigt of beperkt, behalve dan voor zover dat voor het bereiken van het oogmerk der ‘maatschappelijke vereeniging’, gelegen in ‘beveiliging van persoon, leven, eer en goederen, en beschaaving van verstand en zeden’, nodig is. De wet, zegt het vijfde artikel, strekt zich ‘alleen uit tot daaden, nimmer tot gevoelens’:

‘Alles, wat overeenkomt met de onvervreemdbare regten van den Mensch in Maatschappij, kan door geene Wet verboden worden. Zij beveelt, noch laat toe, hetgeen daarmede strijdig is.’

Hier wordt een zekere scheiding gemaakt tussen recht en moraal, niet absoluut, want dat kan niet, maar wel tot op zekere hoogte. Beide overlappen misschien deels, deels beslaan ze ook afzonderlijke terreinen. Maar een overheid die een bepaald gebied vrijlaat, gaat er wel vanuit dat mensen zich dan ook uit vrije wil gedragen. Het is trouwens de grondslag van alle gezag: je gaat er vanuit dat mensen zich zo wel een gedragen en alleen bepaalde punten moet je nader via het recht regelen. Alleen werd dat ten tijde van de Verlichting ook expliciet geformuleerd.

Andere moraal
Toch heeft dat spreken over de staat als zedenmeester vaak een negatieve bijklank en de derde betekenis die het WNT geeft, refereert daar ook al aan. Wie het over de staat als zedenmeester heeft, doet dat vaak in afwijzende zin: de staat zou géén zedenmeester moeten zijn. Toch kan men dat nooit echt menen. De staat doet op zijn minst op twee wijzen aan moraal. Ten eerste liggen aan veel wetten morele overwegingen ten grondslag. Zonder gaat het helemaal niet. Dat kan tamelijk duidelijk uit wetten als zodanig blijken, in het strafrecht bijvoorbeeld, ook al staat het er meestal niet expliciet bij, het kan ook de achtergrond vormen, bij sociale wetgeving bijvoorbeeld, maar ook bij wetten die technische regelingen bevatten: de ethische achtergrond is dan vaak dat een zekere ordening heilzamer is dan niets regelen. Maar, tweede punt, ook daarnaast zedenmeestert de staat wel. Ze voert bijvoorbeeld een emancipatiebeleid, voor diverse groepen, en als de minister dan iets zegt – we zagen het onlangs nog – dan roept dat meteen allerlei discussies op.

Wie zegt dat de staat niet moet zedenmeesteren, bedoelt dan ook meestal niet dat de overheid helemaal geen morele overwegingen moet laten spreken, maar dat de zedelijkheid die de overheid op dat moment toepast of propageert, hem niet zo bevalt. Het gaat om een andere moraal.

Het ligt ook voor de hand dat de expliciete zedenmeesterij – de tweede vorm dus – zal toenemen. Confessionelen, die zich op het eerste punt uiteraard niet onbetuigd lieten – een bekend voorbeeld vormen de zedelijkheidswetten van het ministerie-Heemskerk uit 1911, waar het voorgaande ministerie-De Meester overigens al het initiatief toe had genomen (en waarbij de grens tussen het publieke en het private overigens gehandhaafd werd, maar anders gelegd werd dan nu het geval is) – waren op dat punt meestal nogal terughoudend, juist omdat ze zelf niet één groep met één moraal vormden. Ze vormden zelf minderheden en moesten alleen al op praktische gronden het maatschappelijk pluralisme wel aanvaarden.

Dat zag je zelfs nog bij Jan Peter Balkenende, die als minister-president het begrip waarden en normen – ook vaak in omgekeerde volgorde – onder de aandacht van het publiek bracht, maar daar gemeenlijk geen erg welomschreven inhoud aan gaf. De concretisering kwam meestal niet veel verder dan iets met fatsoen. Zonder moraal gaat het niet, was de gedachte en daar bleef het ook bij. Dat hoorde ook bij dat begrip, dat oorspronkelijk meer een beschrijvend sociologisch begrip was – mensen houden er nu altijd bepaalde waarden en bepaalde normen op na, maar die kunnen verschillen – en later vooral in de onderwijskundige literatuur opgang maakte en daar al een even neutrale functie vervulde: het ging erom dat kinderen bepaalde waarden en bepaalde normen meekregen, maar die konden uiteraard verschillend ingevuld worden. Sterk gezegd was het een nihilistisch begrip en het is dan ook niet toevallig dat we bij waarden direct aan Friedrich Nietzsche denken, die ze wilde umwerten. (Als ik het goed zie, komt het waardenbegrip pas eind negentiende eeuw goed op in de ethiek, met name bij iemand als Hermann Lotze.)

Homogener
Nu onze maatschappij steeds homogener wordt – tot uiting komend in het tegenwoordige afgeven op multiculturaliteit, vanouds lange tijd de gebruikelijke toestand in een uit subculturen bestaande samenleving (wat alleen echte conservatieven zich vaak nog realiseren) – ligt het voor de hand dat de overheid zich minder belemmerd voelt om de meerderheidsmoraal vrijelijk meer materieel uit te dragen. Juist liberalen – en wie beschouwt zich tegenwoordig niet in algemene zin als liberaal? – hebben de laatste twee eeuwen de naam opgebouwd sterk te moraliseren. Het was het logische tegenstuk van de neiging het optreden van de staat via wetgeving enigszins te beperken.

Het nieuwe van de negentiende eeuw was dat het onderscheid tussen maatschappij en staat veel scherper getrokken werd dan bijvoorbeeld de staatsregeling van 1798 nog deed. Denk bijvoorbeeld aan de rechtsfilosofie van Hegel. Tegenwoordig echter doet het verlangen naar één maatschappelijk contract, dat we met zijn allen zouden delen, weer meer opgeld. Als staat en samenleving nauwer met elkaar in verband gebracht worden, zal de overheid meer gaan zedemeesteren. Ik vermoed dat die tendens zich nog wel even voortzet.

(97)