De scheiding van kerk en staat mag nog wel wat verder doorgevoerd worden – over het huwelijk

door Jan Dirk Snel

In Nederland mag van alles, maar een kerkelijk of religieus geregeld concubinaat mag niet. Dat is vreemd. Er valt nog wel wat te doen aan de scheiding van staat en kerk, vermoed ik zo.

Scheiding van kerk en staat
Het beginsel van de scheiding van kerk en staat, dat trouwens nergens in de Grondwet staat en er sinds 1815 ook nooit in heeft gestaan, maar dat in onderscheiden interpretaties wel een zekere achtergrond vormt, wordt vaak slecht begrepen. Maar laat ik positief beginnen. Wat is het wel?

Het betekent allereerst dat de overheid een bepaalde kerk, die dan de hare is – en dat kan op verschillende wijzen geregeld zijn – niet langer koeioneert. Geen commissarissen-politiek meer bij kerkenraadsvergaderingen, zoals ten tijde van de Republiek niet ongebruikelijk was, om maar eens wat te noemen. Tegelijk betekent het dat de overheid niet één kerk – of kerkgenootschap, zoals men in de op sociabiliteit gerichte eeuw van de Verlichting begon te zeggen – meer exclusief bevoordeelt. De overheid bemoeit zich niet langer met de interne aangelegenheden van de kerk, dat is het centrale punt. En verder kan het van alles en nog wat betekenen: dat de overheid allerlei religieuze en levensbeschouwelijke organisaties op gelijke wijze of althans gelijke voorwaarden ondersteunt bijvoorbeeld, maar zich daarbij wel tot uiterlijke aangelegenheden beperkt, maar ook dat ze zich zoveel mogelijk van elke betrokkenheid onthoudt.

Napoleon Amsterdam

Op 9 oktober 1811 kreeg Napoleon op de Oetewalerweg in de Overamstelse polder de stadssleutels van Amsterdam overhandigd. De plek is die van de huidige Linnaeusstraat, ongeveer ter hoogte van de Vrolikstraat. (Schilderij door Mattheus Ignatius van Bree. Amsterdam Museum, voorheen Amsterdams Historisch Museum)

Er is ook iets dat het niet betekent: godsdienstvrijheid. Die kan ermee samenhangen, maar het hoeft niet per se. Toen in de Bataafse Republiek de scheiding van kerk en staat in 1796 werd geregeld, verkregen alle godsdienstige gezindheden, inclusief de joodse – daar was nog even discussie over – gelijke rechten. Dat ligt ook enigszins voor de hand als je niet langer één staatskerk of erkende publieke religie handhaaft, al is het niet per se noodzakelijk. Het gaat om twee verschillende dingen. Er zijn nog genoeg landen waar een staatskerk bestaat, maar waar met de vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing weinig mis is. In Engeland heeft de staat nog steeds zijn eigen kerk, die dan ook de Church of England genoemd wordt en die zozeer een eigen karakter heeft – iets op het scala van het rooms-katholicisme, maar dan zonder Rome, tot het gereformeerd protestantisme of tegenwoordig evangelicalisme – dat het als anglicanisme omschreven wordt. En ook Schotland heeft zijn eigen kerk, de Church of Scotland, of in het Schots de Kirk o Scotland, die dan ook simpelweg de Kirk genoemd pleegt te worden, maar die onderdeel vormt van de internationale stroming van het gereformeerd protestantisme, in de presbyteriaanse variant. In Engeland en Schotland heerst gewoon religievrijheid en als voormalige koloniale macht gaat het Verenigd Koninkrijk daar vaak ontspannener mee om dan in Nederland het geval is, waar men ook de positieve, pragmatische lessen van het koloniale tijdperk vaak vergeten lijkt te zijn.

Burgerlijk Wetboek
Tegenwoordig nu is de opvatting van de relatie tussen staat en kerk minimaler dan ze lange tijd was. De staat dient zich zo weinig mogelijk met de aangelegenheden van kerken en van religieuze en levensbeschouwelijke organisaties te bemoeien, is de heden ten dage gangbare opvatting. Daar nu bestaat altijd nog een merkwaardige inbreuk op en die staat in het Burgerlijk Wetboek. In artikel 68 van boek 1 lezen we altijd nog dit:

‘Geen godsdienstige plechtigheden zullen mogen plaats hebben, voordat de partijen aan de bedienaar van de eredienst zullen hebben doen blijken, dat het huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken.’

En daar hoort zelfs een artikel, 449, uit het Wetboek van Strafrecht bij:

1. De bedienaar van de godsdienst die, voordat partijen hem hebben doen blijken dat hun huwelijk ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand is voltrokken, enige godsdienstige plechtigheid daartoe betrekkelijk verricht, wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.
2. Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie worden opgelegd.

Zoals men aan de formulering al wel kan zien, is de bepaling in het Burgerlijk Wetboek tamelijk oud. Ze dateert van donderdag 8 april 1802. Napoleon was toen eerste consul en de jaren werden anders geteld, althans in Frankrijk en over dat land hebben we het hier. Het gaat om artikel LIV van de ‘Loi relative à l’organisation des cultus. Du 18 Germinal, an X de la République une et indivisible’:

‘Ils ne donneront la bénédiction nuptiale qu’à ceux qui justifieront, en bonne et due forme, avoir contracté mariage devant l’officier civil.’

‘Ils’, dat zijn ‘curés’, pastoors dus, en dat zijn in Nederland ‘bedienaren van de eredienst’ geworden. Via de Franse inmenging in gebieden en staatsvormen die in 1815 het Koninkrijk der Nederlanden gingen vormen, kwam de bepaling ook in het Nederlandse recht terecht. Vanaf 10 januari 1817 was ze ononderbroken in Nederland van kracht en dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven.

Primaat van de staat
Men kan goed begrijpen dat deze bepaling, die het voltrekken van een kerkelijk huwelijk vóór het burgerlijk huwelijk verbood, in de negentiende eeuw werd ingevoerd. Daarvoor werden huwelijken vaak door ‘geestelijken’ voltrokken, al is dat een wat oneigenlijke term voor predikanten van de gereformeerde religie die in Nederland tijdens de Republiek de officiële eredienst verzorgden. In de Republiek werden huwelijken óf door predikanten, die zich daarbij geenszins tot lidmaten of geloofsgenoten beperkten, óf, althans op sommige plaatsen, zoals de stad Amsterdam, op het stadhuis voltrokken. Er is was maar één huwelijk, kerkelijk of burgerlijk, en dat had dezelfde rechtskracht. De staat nu wilde in het omwentelingstijdvak op dit punt de regie naar zich toe trekken. Een alleen door haar dienaren voltrokken huwelijk was rechtsgeldig en dat moest in de volgorde tot uiting komen.

De godsdienstige situatie was bovendien tamelijk overzichtelijk, zelfs in een land als Nederland, waar naar toenmalige begrippen toch aardig wat godsdienstige groeperingen bestonden. Meestal was er een formele organisatie en de overheid wist wie bedienaren der eredienst waren. De overheid liet kerkgenootschappen ook registreren en van 1853 tot 1988 bestond er zelfs een Wet op de Kerkgenootschappen. Zelfs toen C.N. Impeta zijn Kaart van kerkelijk Nederland in 1961 publiceerde, was de situatie nog redelijk overzichtelijk, al dienden de eerste wijzigingen zich toen reeds aan. Er kwamen steeds meer groepjes die geen onderdeel van grotere verbanden meer waren. Binnen het christendom heeft de evangelische beweging voor een vloed aan nieuwe, vaak plaatselijke en kortstondige initiatieven gezorgd en religieuze ondernemers begonnen hun eigen clubjes. En er kwamen meer aanhangers van andere godsdiensten binnen, vaak letterlijk via immigratie. Het is tegenwoordig niet zo gemakkelijk meer om te zeggen wie een bedienaar der eredienst is. Iedereen kan voor zichzelf beginnen.

De islam bracht bovendien het verschijnsel van het zogenaamde islamitische huwelijk met zich mee, dat snel gesloten kan worden en ook snel ontbonden. Bij jongeren lijkt het soms te gaan om een vorm van godsdienstig gelegitimeerd kortstondig samenwonen – als het al zover komt. In dit verband is het trouwens nuttig om het boek van Christiaan Snouck Hurgronje over Mekka, oorspronkelijk uit 1888-1889 – een deel is in 2007 vertaald – door te nemen. Het westerse beeld van de islam is in eeuw tijd honderdtachtig graden omgedraaid: terwijl men het toen vaak een losgeslagen boel vond – in allerlei vormen van oriëntalisme verbeeld – en daar stiekem ook wel een beetje van genoot – wat moslims elders uitspookten, durfde men hier immers niet – overheerst nu juist het puriteinse beeld van de islam. Over paradoxen gesproken.

Te grote bemoeienis
Het komt me voor dat een discussie over het verbod uit het Burgerlijk Wetboek en de behorende bepaling uit het Wetboek van Strafrecht op zijn plaats is. Ik formuleer het bewust wat voorzichtig, omdat ik mogelijk niet alle consequenties overzie. Maar naar hedendaagse tamelijk algemeen aanvaarde opvattingen over de verhouding tussen en de scheiding van kerk en staat bemoeit de overheid zich hier veel te veel met interne religieuze aangelegenheden, zou ik zo zeggen. Het burgerlijk huwelijk is een juridische aangelegenheid en daar zou de overheid zich toe moeten beperken.

Men kan ook grote vraagtekens zetten bij het ruime aanbod aan bijkomende ceremonies dat de overheid verschaft. Men kan tegenwoordig op allerlei merkwaardige locaties in het huwelijk treden en buitengewone ambtenaren van de burgerlijke stand, die vaak zeer kortstondig aantreden, maken er hele vertoningen van, met allerlei gewaden, toespraken en andere ceremoniële toestanden. (Het verhaal over de plaatsvervangende schaamte die toehoorders of toeschouwers kan overvallen, zal ik hier maar niet doen.) Overschrijdt de overheid met het aanbod van semireligieuze ceremonies niet de grens tussen staat en kerk, althans naar de normen die we tegenwoordig aan plegen te leggen? Ik begrijp dat nu de overheid eenmaal zover is gegaan, ze daarmee zaken tegen betaling aanbiedt waar mensen aan zijn gaan hechten, en daarom is het misschien lastig om de grens juridisch weer wat zakelijker te trekken, maar enige voorzichtige inbinding zou voorlopig misschien niet zo gek zijn.

In ieder geval zou het verbod op het sluiten of inzegenen van een kerkelijk of religieus huwelijk voorafgaand aan het burgerlijk huwelijk opgeheven kunnen worden. Het valt ook moeilijk in te zien hoe het te handhaven valt, als niet eens goed duidelijk meer is wie een ‘bedienaar van de eredienst’ is. En de overheid is tegenwoordig echt wel in staat om duidelijk te maken dat alleen haar bepalingen burgerlijke rechtskracht hebben. Bovendien heeft ze op dat punt toch al diverse regelingen getroffen door ook rekening te houden met samenwonen of althans de samenstelling van huishoudens en naast het huwelijk het geregistreerd partnerschap in te voeren.

Wetsovertreding
Overigens moet ik mijn beginzin mitigeren. Degenen die een kerkelijk of religieus huwelijk sluiten – huwelijken sluiten twee mensen zelf, ook voor de wet – zonder eerst een burgerlijk huwelijk aangegaan te zijn, zijn op zich niet strafbaar. In die zin mag het wel – de resulterende ‘toestand’, bedoel ik, want die heeft geen eigen rechtskracht. Maar degene die er religieus-ceremonieel medewerking aan verleent, is wel strafbaar. De strafwet moet er dus wel voor overtreden worden. En dat zal toch niemand willen? Afschaffen dus, die bepaling.

(100)

3 reacties to “De scheiding van kerk en staat mag nog wel wat verder doorgevoerd worden – over het huwelijk”

  1. Volgens mij heeft de protestantse kerk juist in de 16e en 17e eeuw geprobeerd het huwelijk terug te leggen (in afwijking van de rk) bij de overheid die daar echter weinig voor voelde. Men moest daarvoor kosten makem, registers bijhouden e.d. In de prot. traditie is noch wordt een huwelijk gesloten maar wordt een verbintenis ingezegend. Het huwelijk is anders dan bij de RK geen sacrament. De protestanten kennen slechts twee sacramenten, nl. de door Jezus zelf ingestelde (Heilig Avondmaal en doop).

  2. Dat is (weer) een verfrissende dwarskijk van je, JD. Dwars in die zin, dat je de zaak vanuit een andere gezichtshoek bekijkt. Ik neem aan dat je timing bewust is: afgelopen week was er weer van alles te doen rond het openstellen van het huwelijk voor andere samenlevingsvormen dan die van man en vrouw. Misschien dat we uit de steeds onverkwikkelijker wordende ‘discussie’ rond de ‘weigerambtenaar’ en het ‘homohuwelijk’ komen, als we de ritualisering voortaan overlaten aan de vrij gekozen verbanden waarin mensen leven (kerken of andere levensbeschouwelijke genootschappen) of aan het privé-initiatief van mensen. Laat het huwelijk en de huwelijkssluiting dan gewoon een zakelijke regeling zijn (wat het historisch en formeel ook is, al is het fenomenologisch aangedikt tot een met betekenis geladen/overladen levensgebeurtenis). Dan zijn ‘rechts’ en ‘links’ in deze discussie beide geholpen.

  3. Een gepaste oplossing zou zijn: verzelfstandiging van de huwelijkssluiting door de overheid. De afgelopen decennia zijn immers (te) veel taken die niet tot de “core business” van de staat zouden behoren verzelfstandigd of zelfs geprivatiseerd. De huwelijkssluiting in de vorm waarin dat nu in de meeste gevallen gaat, zou daar zonder meer ook voor in aanmerking komen, want, zoals je beschreef, feitelijk treden gemeentes hierbij meer op als een evenementenbureau, dan als een ambtelijke dienst. Dus net als Postkantoren BV, gewoon een Huwelijken NV oprichten en die alle huwelijkssluitingen laten organiseren. De aandelen kunnen dan in handen van de staat blijven zodat de winst de schatkist kan spekken.

    Zo voor de hand liggend als deze constructie lijkt, zo klein lijkt me echter ook de kans dat het uitgevoerd zal worden. De opnieuw ingezette aanpak van de “weigerambtenaar” heeft weer eens laten zien dat er een overdreven grote waarde wordt gehecht aan de huwelijkssluiting door de overheid. In plaats van nuancering en relativering, kiest men voor een starre ideologische lijn, kennelijk om te voorkomen dat er ook maar het geringste smetje op de feestvreugde van al dan niet gelijkgeslachtelijke aanstaande bruidsparen komt. Vanuit de homobeweging wil men liefst ook al elke mogelijke kans daarop volledig uitsluiten.

    Niet alleen past dit in de moderne neiging om alle risico’s op tegenslagen van welke aard dan ook zoveel mogelijk uit te sluiten en te voorkomen, ook lijkt het me een uiting van een pseudo-religieuze levensbeschouwing, die voornamelijk romantisch bepaald lijkt te zijn. Het is ook nogal ironisch dat hoe sterker het huwelijk een romantische invulling kreeg, hoe meer de duurzaamheid en het maatschappelijk belang ervan afnamen. Maar net als de romantiek van het koningshuis, is ook de romantiek van het huwelijk nog wel een van de zeer weinige dingen die een moment van gevoelsmatige betrokkenheid tussen de burger en de staat creeeren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: