De overheid als zedenmeester

door Jan Dirk Snel

Wie tegenwoordig het woord zedenmeester in de mond neemt, zal het gemeenlijk over de overheid hebben. De paar boektitels die de laatste decennia verschenen zijn met dit woord in de titel, bevestigen dat ook: het gaat over de staat, de overheid, het politieke systeem of over de kinderbescherming, maar die is nauw met de overheid verbonden.

Zedenmeester
Het past bij de oorsprong van het begrip. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal leert ons dat het allereerst om een vertaling van het Latijnse censor gaat. En dat was de term waarmee eertijds ‘in het Romeinsche maatschappelijke bestel de magistraat aangeduid werd, die belast was met het toezicht op de openbare zedelijkheid en op den correcten gang van zaken bij diverse officieele activiteiten en procedures.’ De tweede betekenis is die van een ‘persoon belast met iemands onderricht en opvoeding in de zeden’ en die zou verouderd zijn. Dat klopt, het is een typische verlichtingsterm. Men denke aan een titel als De misantrope, of de gestrenge zedenmeester (1742-1745) van Justus van Effen, die met zijn Hollandsche Spectator overigens ook zelf vaak als zedenmeester werd omschreven. De derde betekenis heeft daar overigens ook betrekking op en ligt dicht bij de tweede: ‘Persoon die waakt over de goede zeden, of die de goede zeden leert; moralist, zedenleeraar. Ook wel met eenigszins negatieve connotatie en dan bep. zooveel als: hij die (bij voortduring) zedenlessen geeft.’ Alleen zouden we daaraan toe kunnen voegen dat het tegenwoordig niet zozeer om een persoon als wel om een instantie, de overheid, gaat.

Exif_JPEG_PICTURE

Borden in Den Bosch. De morele grondslag ligt kennelijk in de behoefte dingen een beetje ordelijk te regelen.

Zedenmeesterij hoort typisch bij de moderne staat. Een blik op de eerste als zodanig bedoelde grondwet in Nederland, de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk uit 1798, maakt dat direct duidelijk. In de ‘Algemeene Beginselen‘ die aan de eigenlijke ‘Acte van Staatsregeling’ vooraf gaan, wordt in artikel 6 de morele grondslag van het onderlinge menselijk verkeer expliciet geformuleerd:

‘Alle de pligten van den Mensch in Maatschappij hebben hunnen grondslag in deze heilige wet: Doe eenen ander niet, hetgeen gij niet wenscht dat aan u geschiede. Doe aan anderen, ten allen tijde, zoo veel goeds, als gij in gelijke omstandigheden, van hun zoudt wenschen te ontvangen.’

En even typisch verlicht en moraliserend zijn de volgende twee artikelen:

‘Niemand is een goed Burger, dan die de huislijke pligten, in den onderscheiden stand, waarin hij moge gesteld zijn, zorgvuldiglijk uitöefent, en voords in alle opzigten, aan zijne maatschappelijke betrekkingen voldoet.’
‘De eerbiedige erkentenis van een Albestuurend Opperwezen versterkt de banden der maatschappij, en blijft iederen Burger ten duursten aanbevolen.’

Het laatste, achtste, artikel maakt duidelijk hoever de hedendaagse cultuur zich van de Verlichting verwijderd heeft. Maar verder komt ons toch ook veel bekend voor en kan men misschien zeggen dat we tegenwoordig weer dichtbij het toenmalige moralisme staan. Over goed burgerschap, het zevende artikel, wordt vandaag de dag weer veel gesproken en soms gaat men zelfs zover als vicepremier Lodewijk Asscher dat men inburgeraars zelfs een contract over waarden wil laten tekenen. Zover ging men destijds niet. Men liet het bij een omschrijving van het fundament van de moraal.

Sociaal contract
Maar men ging er dan ook al vanuit dat de staat op een onderling contract – een ‘Maatschappelijk verdrag’ heet dat in het tweede artikel – was gebaseerd. Dat was natuurlijk een fictie, maar het is wel een constructie die tot op de dag van heden effectief doorwerkt. Hoe vaak zeggen mensen over regulier – ‘democratisch’ wordt dat tegenwoordig genoemd – tot stand gekomen wetten niet ‘dat we het nu eenmaal zo met elkaar hebben afgesproken’? Zakelijk is dat natuurlijk niet juist, want we hebben niets met elkaar afgesproken en de staat bestond al voor we geboren werden of binnen zijn rechtsgebied gingen wonen en wetten komen nog steeds van de bevoegde instanties boven ons, de gedachte is toch dat deze staat ónze staat is en die komt op diverse wijzen tot uiting, bijvoorbeeld in de mogelijkheid leden van de Staten-Generaal en enkele andere instanties – Provinciale Staten, Gemeenteraden, waterschapsbesturen – te kiezen.

De zedenmeesterij van de moderne staat is in zekere zin een logisch uitvloeisel van de gedachte van mensenrechten. De eerste Bataafse grondwet stelde nadrukkelijk dat het sociaal contract de ‘natuurlijke regten van den Mensçh’ niet wijzigt of beperkt, behalve dan voor zover dat voor het bereiken van het oogmerk der ‘maatschappelijke vereeniging’, gelegen in ‘beveiliging van persoon, leven, eer en goederen, en beschaaving van verstand en zeden’, nodig is. De wet, zegt het vijfde artikel, strekt zich ‘alleen uit tot daaden, nimmer tot gevoelens’:

‘Alles, wat overeenkomt met de onvervreemdbare regten van den Mensch in Maatschappij, kan door geene Wet verboden worden. Zij beveelt, noch laat toe, hetgeen daarmede strijdig is.’

Hier wordt een zekere scheiding gemaakt tussen recht en moraal, niet absoluut, want dat kan niet, maar wel tot op zekere hoogte. Beide overlappen misschien deels, deels beslaan ze ook afzonderlijke terreinen. Maar een overheid die een bepaald gebied vrijlaat, gaat er wel vanuit dat mensen zich dan ook uit vrije wil gedragen. Het is trouwens de grondslag van alle gezag: je gaat er vanuit dat mensen zich zo wel een gedragen en alleen bepaalde punten moet je nader via het recht regelen. Alleen werd dat ten tijde van de Verlichting ook expliciet geformuleerd.

Andere moraal
Toch heeft dat spreken over de staat als zedenmeester vaak een negatieve bijklank en de derde betekenis die het WNT geeft, refereert daar ook al aan. Wie het over de staat als zedenmeester heeft, doet dat vaak in afwijzende zin: de staat zou géén zedenmeester moeten zijn. Toch kan men dat nooit echt menen. De staat doet op zijn minst op twee wijzen aan moraal. Ten eerste liggen aan veel wetten morele overwegingen ten grondslag. Zonder gaat het helemaal niet. Dat kan tamelijk duidelijk uit wetten als zodanig blijken, in het strafrecht bijvoorbeeld, ook al staat het er meestal niet expliciet bij, het kan ook de achtergrond vormen, bij sociale wetgeving bijvoorbeeld, maar ook bij wetten die technische regelingen bevatten: de ethische achtergrond is dan vaak dat een zekere ordening heilzamer is dan niets regelen. Maar, tweede punt, ook daarnaast zedenmeestert de staat wel. Ze voert bijvoorbeeld een emancipatiebeleid, voor diverse groepen, en als de minister dan iets zegt – we zagen het onlangs nog – dan roept dat meteen allerlei discussies op.

Wie zegt dat de staat niet moet zedenmeesteren, bedoelt dan ook meestal niet dat de overheid helemaal geen morele overwegingen moet laten spreken, maar dat de zedelijkheid die de overheid op dat moment toepast of propageert, hem niet zo bevalt. Het gaat om een andere moraal.

Het ligt ook voor de hand dat de expliciete zedenmeesterij – de tweede vorm dus – zal toenemen. Confessionelen, die zich op het eerste punt uiteraard niet onbetuigd lieten – een bekend voorbeeld vormen de zedelijkheidswetten van het ministerie-Heemskerk uit 1911, waar het voorgaande ministerie-De Meester overigens al het initiatief toe had genomen (en waarbij de grens tussen het publieke en het private overigens gehandhaafd werd, maar anders gelegd werd dan nu het geval is) – waren op dat punt meestal nogal terughoudend, juist omdat ze zelf niet één groep met één moraal vormden. Ze vormden zelf minderheden en moesten alleen al op praktische gronden het maatschappelijk pluralisme wel aanvaarden.

Dat zag je zelfs nog bij Jan Peter Balkenende, die als minister-president het begrip waarden en normen – ook vaak in omgekeerde volgorde – onder de aandacht van het publiek bracht, maar daar gemeenlijk geen erg welomschreven inhoud aan gaf. De concretisering kwam meestal niet veel verder dan iets met fatsoen. Zonder moraal gaat het niet, was de gedachte en daar bleef het ook bij. Dat hoorde ook bij dat begrip, dat oorspronkelijk meer een beschrijvend sociologisch begrip was – mensen houden er nu altijd bepaalde waarden en bepaalde normen op na, maar die kunnen verschillen – en later vooral in de onderwijskundige literatuur opgang maakte en daar al een even neutrale functie vervulde: het ging erom dat kinderen bepaalde waarden en bepaalde normen meekregen, maar die konden uiteraard verschillend ingevuld worden. Sterk gezegd was het een nihilistisch begrip en het is dan ook niet toevallig dat we bij waarden direct aan Friedrich Nietzsche denken, die ze wilde umwerten. (Als ik het goed zie, komt het waardenbegrip pas eind negentiende eeuw goed op in de ethiek, met name bij iemand als Hermann Lotze.)

Homogener
Nu onze maatschappij steeds homogener wordt – tot uiting komend in het tegenwoordige afgeven op multiculturaliteit, vanouds lange tijd de gebruikelijke toestand in een uit subculturen bestaande samenleving (wat alleen echte conservatieven zich vaak nog realiseren) – ligt het voor de hand dat de overheid zich minder belemmerd voelt om de meerderheidsmoraal vrijelijk meer materieel uit te dragen. Juist liberalen – en wie beschouwt zich tegenwoordig niet in algemene zin als liberaal? – hebben de laatste twee eeuwen de naam opgebouwd sterk te moraliseren. Het was het logische tegenstuk van de neiging het optreden van de staat via wetgeving enigszins te beperken.

Het nieuwe van de negentiende eeuw was dat het onderscheid tussen maatschappij en staat veel scherper getrokken werd dan bijvoorbeeld de staatsregeling van 1798 nog deed. Denk bijvoorbeeld aan de rechtsfilosofie van Hegel. Tegenwoordig echter doet het verlangen naar één maatschappelijk contract, dat we met zijn allen zouden delen, weer meer opgeld. Als staat en samenleving nauwer met elkaar in verband gebracht worden, zal de overheid meer gaan zedemeesteren. Ik vermoed dat die tendens zich nog wel even voortzet.

(97)

2 reacties to “De overheid als zedenmeester”

  1. De trend dat hoe homogener de samenleving, hoe meer de overheid kan gaan zedemeesteren lijkt waarschijnlijk.

    Maar hebben we nu juist ook niet van de multi-culturele samenleving, de economie en de natuur geleerd dat
    1) diversiteit een sterkte kan zijn, zeker in een veranderende en globaliserende wereld, indien we er in de samenleving, op school en op werk, op een inclusieve manier mee om kunnen gaan.
    2) er in elke markt / samenleving ook een marktmeester nodig is, en dat alleen de overheid die rol (regels stellen, handhaven, straffen, sanctioneren) kan en moet spelen.
    3) er altijd deelbelangen (oa van minderheden) afgewogen en beschermd moeten worden. bijv via rechtstaat, democratische vertegenwoordiging, etc.
    Op alle 3 terreinen speelt m.i. de overheid een essentiele rol.

  2. Het lijkt erop dat de overheid als zedenmeester zich op een steeds grotere schaal afspeelt. Waar eerst diversiteit was, lijkt telkens een behoefte aan homogenisering. Ik denk dat dit zich voor het eerst in de laat-middeleeuwse steden voordeed, waar het stedelijk bestuur soms zeer vergaande leefregels voorschreef.

    In het begin van de 16e eeuw kwamen deze bekend te staan als politieverorderingen en Karel V probeerde die ook voor de Nederlanden als geheel in te voeren, wat zoals bekend stukliep op het particularisme van de Opstand tegen zijn zoon.

    Nu zien we dat de zedenmeesterij zich ook op nationaal niveau voordoet, en we zien ook al tendensen tot homogenisering op mondiaal niveau – niet vanuit een overheid, maar wel vanuit de Amerikaanse populaire cultuur. Hoe dat zich zal ontwikkelen is natuurlijk nog ongewis.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: