Iets postmoderns – Over een eigenaardig trekje van de vroegere gereformeerde wereld

door Jan Dirk Snel

Woensdag werd er op de VU, of eigenlijk binnen de daar gevestigde ruimten van de PThU, een door het Historisch Documentatiecentrum (HDC) belegd symposium gehouden over het onlangs verschenen boek van Maarten Aalders, Heeft de slang gesproken? Het strijdbare leven van dr. J.G. Geelkerken (Bert Bakker 2013). Herman Langeveld, Koert van Bekkum en George Harinck hielden inspirerende inleidingen. En de auteur sprak ook mooie woorden. En er waren korte, maar waardevolle uitwisselingen tussen publiek en sprekers. Een mooie middag.

Rechte rug
Zelf heb ik mijn recensie enkele weken geleden bij het Historisch Nieuwsblad ingeleverd en dat zal een dezer dagen wel verschijnen. Wat ik daar schreef – het moest wel kort: zeshonderd woorden telt zo’n stukje – ga ik hier niet herhalen. Maar ik kan wel verklappen dat ik het een mooi en meeslepend boek vond, juist ook in de passages die over procedures gaan. De uiteindelijke afloop ken je – de man werd in 1926 door de Synode van Assen afgezet als gereformeerd predikant van Amsterdam-Zuid – maar hoe het proces precies verliep, dat blijft spannend. Hoe reageren mensen op elkaar? Hoe is hun opstelling? Wat hun tactiek? En Aalders heeft het verhaal, ook gezien de 2205 noten die 114 bladzijden beslaan – Willem Bouwman telde ze op en de auteur zelf, meende ik woensdag te horen, ook – concies gehouden. Hij is zeer precies en feitelijk, maar voegt er vooral in de terugblikken op de hoofdstukken ook een evaluerend element aan toe en dat maakt het een mooi, persoonlijk boek.

Aalders GeelkerkenHier wil ik nog enkele andere dingen aanstippen, ook naar aanleiding van de gesprekken woensdag. Ik vrees namelijk dat het gevaar dreigt dat de ‘schuld’ wel erg eenzijdig bij Jan Geelkerken gelegd wordt. Men kent het conflict. Ds. J.G. Geelkerken zei in 1924 in een preek in de Schinkelkerk aan de Amstelveenseweg – toen ik aan die straat woonde, was het een winkel voor duikbenodigdheden – dat het verhaal in Genesis 3, waarin onder meer de sprekende slang figureert, ons voor enige ‘eigenaardige moeilijkheden’ stelt. Dat was eigenlijk alles. Maar hij vertikte om te ondertekenen dat de slang ‘zintuiglijk waarneembaar’ gesproken had, al betoogde hij geenszins het tegendeel. En hij had er zich al eerder uit kunnen redden door te verklaren dat hij wat hem voor werd geworpen, ‘bedoeld noch gezegd’ had. Dat was natuurlijk ook zijn zwakke stee. Hij had nauwelijks een afwijkende mening, maar dat ene kleine stukje dat hij moest overbruggen, weigerde hij af te leggen. Jan Geelkerken hield zijn rug recht. In eigen ogen dan.

Het ging natuurlijk niet alleen om dat ene puntje. Geelkerken lag sinds zijn studentendagen al niet goed in de Gereformeerde Kerken in Nederland. Vanaf zijn promotiestudie was hij al in conflicten verwikkeld geweest en dat lag vaak bepaaldelijk aan hem. En hij daagde uit, treiterde misschien zelfs wel. De gereformeerde wereld was hem duidelijk te benauwd, vooral cultureel denk ik, want theologisch was hij bepaald geen revolutionair. Maar hij, die de discipline van het leger dan wel weer goed verdroeg – hij ging vrijwillig in dienst, terwijl dat niet hoefde, en kluste bij als leger- en vlootpredikant – kon niet tegen de al te nauwe culturele kaders, bijvoorbeeld als het om toneel ging.

Vreemde wereld
Maar we moeten het toch ook eens over de andere kant van de zaak hebben. Want het was natuurlijk ook een vreemde wereld, die nu volledig verdwenen is, trouwens niet alleen de zin dat er van het gereformeerde leven in Amsterdam niet veel overgebleven is, maar ook in de zin dat ze getransformeerd is. De (‘gewone’) Gereformeerde Kerken zijn opgegaan in de PKN en voor zover gereformeerden daar herkenbaar zijn, is dat vooral in de zin dat ze het meest ‘protestants’ zijn en niet meer de oude eigen identiteit hebben, die veel hervormden nog wel koesteren. En de vrijgemaakte kerken, die de oude traditie nog het langst voorzetten, zijn weliswaar nog veel levenskrachtiger, maar ook nogal onvermoed in allerlei woeste – lees onder meer: evangelicale – richtingen veranderd. (Zie je een heel erg ‘blije’, evangelische kerkdienst op tv, leert de aftiteling je dat het om een vrijgemaakte kerk ging.)

Het was ook de onuitgesproken achtergrond van het symposium woensdag, dat die oude gereformeerde wereld niet meer bestaat, bedoel ik. Niemand, nu ja bijna niemand, neemt de vraag die in 1926 voorlag, nog serieus, maar toch waren veel aanwezigen op allerlei wijzen wel weer verbonden met dat verleden. Dat is trouwens het kenmerkende van veel bijeenkomsten van het HDC. Ze gaan over een wereld die voorbij is, maar die ook nog steeds aan het voorbijgaan is en waar veel mensen toch ook nog mee verbonden zijn. Ik heb een wat decadente belangstelling, bedenk ik wel eens.

Maar de wereld van Jan Geelkerken was ook in 1926 al een subcultuur, vooral in Amsterdam. Zijn gemeente in alleen Amsterdam-Zuid kende duizenden mensen. Enerzijds was er nog genoeg massa om helemaal in de eigen cultuur – we noemen dat tegenwoordig verzuiling en dat was geen verschijnsel dat de gehele samenleving omvatte, zoals abusievelijk nog wel eens gedacht wordt, maar dat twee deelculturen daarbinnen een eigen plaats gaf: de katholieken en de gereformeerden (en de socialistische elite misschien een beetje als derde subcultuur) – op te gaan. Anderzijds moeten die gereformeerden toch ook al geweten hebben dat waar zij zich zo druk over maakten, voor de hen omringende stadscultuur volstrekt vreemd was. Ik meen wel eens gelezen te hebben dat zijn uitgever Wouter ten Have een groot portret van Geelkerken in een vitrine in de Kalverstraat had opgehangen – de zaak zat er trouwens tot niet zo lang geleden nog – maar wat dachten de meeste voorbijgangers daar nou bij? Als ze tenminste al iets dachten. Nou ja, misschien toch wel, want Geelkerken gaf gretig interviews aan De Telegraaf en het Algemeen Handelsblad. Wat mij betreft zou Maarten Aalders daar nog wel eens een volgend boek over mogen schrijven: hoe we die gereformeerde wereld nu binnen de ruimere Amsterdamse cultuur moeten plaatsen.

Postmodern
Wat mij telkens weer treft, is hoe er in die gereformeerde subcultuur iets postmoderns avant la lettre zat. Ik moet in dat verband vaak denken aan de frase die van Jacques Derrida afkomstig is: il n’y a pas de hors-texte. En ja, ik weet dat dit op zich tamelijk onopvallende zinnetje uit De la grammatologie uit 1967 – iets met Rousseau, meen ik, ik heb het boek eens weer niet gelezen, maar nu wel even wat gebladerd – kennelijk volstrekt verkeerd begrepen wordt. Er staat niet zozeer dat er niets buiten de tekst is, maar eerder dat er niet zoiets is als ‘buiten-de-tekst’ is, en daarbij schijnt men dan aan de context, die oneindig is, te moeten denken. Hoe het ook zij, de frase is de wereld ingegaan als uitdrukking dat eigenlijk alles tekst is. En zo gek is die gedeconstrueerde interpretatie, zo los van de oorspronkelijke tekst, nu ook weer niet. Een andere postmodernist, Richard Rorty, heeft het idee van de Linguistic Turn (verder) de wereld in geholpen en hij was, om het maar voorzichtig te zeggen, niet erg in waarheid geïnteresseerd. Hij kende boeiender thema’s, al werd hem daardoor juist vaak wel weer vaak naar zijn desinteresse in waarheid gevraagd.

Waar ik in ieder geval aan moet denken, is dat je een wereld kunt scheppen die geheel uit woorden bestaat en die eigenlijk ook geen correctie vanuit een ‘echte wereld’ daarbuiten verdraagt. Dat nu was naar mijn idee in de gereformeerde kerken in hoge mate het geval. Het levenswerk van Abraham Kuyper heb ik in een artikel in het Tijdschrift voor Nederlandse Kerkgeschiedenis wel eens omschreven als een ‘voluntaristisch project’, geen erg fraaie term, maar wel duidelijk, hoop ik. Hij wilde dat de dingen zo waren. Zoals hij ze formuleerde. De werkelijkheid had zich maar aan zijn woorden en ideeën aan te passen. En wie bijvoorbeeld de briefwisseling van de andere founding father van de gereformeerde theologie (in de nieuwere, kerkse zin dus) Herman Bavinck met zijn studievriend Christiaan Snouck Hurgronje doorleest, stuit op hetzelfde probleem. Telkens weer vraagt Snouck Bavinck of hij zich wel aan de feiten – en dus de waarheid – houdt. Als hij in 1895 het eerste deel van Bavincks dogmatiek gelezen heeft, vraag hij bijvoorbeeld naar aanleiding van diens schriftbeschouwing en de weerlegging van bezwaren ertegen:

‘Mij wil het voorkomen, dat ge u daar voor een ogenblik van de wetenschap losmaakt, door van een algemeen, slechts door sommigen aanvaard beginsel uit, tallooze voor een ieder, die onderzoeken kan, blootliggende feiten althans voorloopig te ignoreeren. (…) Zoo mag m.i. de leek redeneeren, en de godgeleerde mag het doen in eene preek, maar niet in een wetenschappelijk betoog. Het zijn immers geen kleine of weinige bijzonderheden, die zich tegen die openbaringsleer verzetten, en zij worden toch waarachtig niet alleen in die kringen van Schriftvijanden gevoeld.’

Het blijft altijd wat raadselachtig hoe Kuyper en Bavinck, die het filologische, historische en exegetische handwerk in Leiden goed geleerd hadden, daar zo afstand van konden nemen. En daar zat vervolgens een heel kerkgenootschap en een hele theologische school mee.

Tekst
Op zich is het natuurlijk waar dat je met woorden een heel eigen wereld kunt scheppen. Mensen doen niet anders en intellectuelen al helemaal niet. We leven in woorden. Het is het idee van de logos dat in de christelijke traditie vanaf het Johannes-evangelie zo’n grote rol speelt en terecht. Maar het wordt wel problematisch als je vanuit het woord en de tekst ook een werkelijkheid daarbuiten gaat construeren. En dat gebeurde door de verbinding met het begrip historiciteit. Het was eigenlijk nog sterker. Terwijl het gezag van de Schrift in de christelijke traditie gewoonweg de erkenning of vaststelling was dat bepaalde teksten een hoger gezag hadden, werd het nu in feite een geheel eigen leerstuk dat los stond van de teksten die dat gezag dan zouden hebben, een soort verdubbeling. Je moest de Bijbel geloven en ook nog een soort afzonderlijke leer daarover ernaast.

Exif_JPEG_PICTURE

De affaire-Geelkerken veroorzaakte een stroom aan brochures. Hier een drietal dat ik in mijn eigen boekenkast aantrof.

En dat moest op den duur een keer spaak lopen. Dat is het proces waar het geval-Geelkerken deel van uitmaakt. Het boek van Maarten Aalders maakte dat goed duidelijk. De hele discussie gaat in feite over teksten. Wie zou denken dat dit bijvoorbeeld over de natuurwetenschappen, de geologie, de evolutietheorie binnen de biologie, zou gaan, komt bedrogen uit. Heel vaag speelt dat op de achtergrond ongetwijfeld mee, maar ook Geelkerken beroept zich daar niet op. Tekst, tekst, tekst, en de omgang daarmee, daar draait alles om. Maar wie dan vanuit die teksten historiciteit meent te kunnen bepalen, grijpt te ver. Op de achtergrond zie je bijvoorbeeld dat enkele theologen aansluiting bij het Amerikaanse creationisme beginnen te zoeken.

Dat jezelf opsluiten in een eigen woordenwereld zie je in die tijd in de gereformeerde wereld meer. Denk aan een wijsgeer als Herman Dooyeweerd, op zich een boeiend figuur wiens geheel eigen verwerking van het neokantianisme en andere destijds moderne stromingen in zijn modaliteitenleer uiterst fascinerend is, maar die tegelijk iedereen indeelt naar grondmotieven en daarmee in hokjes plaatst. En dan blijkt vrijwel de gehele westerse wijsbegeerte niet te deugen: men is in de ban van het vorm-materiemotief (de klassieke oudheid), of dat van natuur én genade (de katholieke middeleeuwen) of van beheersing én vrijheid (de humanistische moderne tijd, met Kant als hoogtepunt) en pas hij en zijn medestanders komen eindelijk met een eigen reformatorisch of christelijk grondmotief, waar zo ongeveer de hele traditie mee terzijde kan worden geschoven. Het is een denken in tegenstellingen en hokjes, dat een meer zakelijk, op de feiten of afzonderlijke overwegingen gericht gesprek onmogelijk gemaakt. ‘O, maar u gaat van andere vooronderstellingen uit, ja dan komt u tot andere resultaten’. In feite leidt dat werken met vooronderstellingen tot een volkomen subjectivisme, althans naar buiten toe, terwijl intern dan een tamelijk nauwkeurig omschreven ‘waarheid’ geldt. Dat nu maakt toch een uitgesproken postmoderne indruk, zou ik zo zeggen, al moet ik toegeven nog steeds niet helemaal te weten wat postmodernisme nu eigenlijk is of was – maar dat hoort ook een beetje bij het onbepaalde van de beweging.

Andere kant
Dat lijkt me de ander kant van het conflict waarin Jan Geelkerken belandde. Het was een wereld van geestelijke dwang. Je moest zus of zo denken, het stond vast. Er zit iets geestelijke gewelddadigs in deze omgang met woorden en de bepaling van historiciteit vanuit teksten. Dat moest misgaan.

Het valt ook op hoe normaal men het kennelijk vond om allerlei procedures te voeren. In 1924 kreeg Geelkerken vier bezwaarschriften tegen zich te verwerken. Maar wat veel lezers nu ruziemaken zouden vinden, vonden de betrokken zelf helemaal niet slecht. Ze kwamen op voor de waarheid, maar wel een absolute waarheid, die tegelijk alleen binnen de eigen groep gold. Ik vond daarom de recensie van Willem Bouwman in het Nederlands Dagblad, waar ik het op zich wel mee eens ben, wel iets te eenzijdig. Ja, Geelkerken wat een moeilijk man, maar hij leefde ook in een geestelijke wereld die dit soort reacties aan zichzelf te danken had.

Woensdag verwees Koert van Bekkum naar wat de semiticus Cornelis van Gelderen, hoogleraar aan de VU, aan Geelkerken scheef: ‘Reeds lang heb ik den indruk, dat Uwe fout veel meer op ethisch dan op dogmatisch terrein ligt.’ Ja, dat was in zekere zin zo, omdat Geelkerken koppig was en dwars lag. Hij was niet wijs. Maar je kunt er ook een oproep tot schikken en plooien in zien. Geef nu maar een beetje toe en het probleem is voorbij. We hoeven er niet aan te twijfelen dat ook Van Gelderen wel enige eigenaardige moeilijkheden zag in het verhaal uit Genesis 3. In zijn eerdere boek over 125 jaar Faculteit der Godgeleerdheid aan de Vrije Universiteit (Meinema 2005) beschrijft Maarten Aalders hoe Van Gelderen met zijn aanvankelijke strikte afwijzing van ‘Schriftkritiek’ was vastgelopen:

‘Lange tijd zweeg hij over zijn gewijzigde standpunten. Toen hij er uiteindelijk mee naar buiten kwam, leidde dit tot een ernstige botsing met de deputaten voor het verband. Daarna zweeg hij opnieuw.’

Dat was wat hij Geelkerken in feite ook aanraadde. Zwijg nu maar. En misschien was het wijs. Maar je kunt het ook als schikken en plooien, toegevendheid, opvatten. Overigens blijkt verderop het grote verschil. Van Gelderen was een vakman en lieden die iets tegen hem inbrachten, konden qua kennis niet tegen hem op. En, dat hoorde ik woensdag ook zeggen, hij was in het werkelijke leven een dappper man. In hetzelfde boek beschrijft Aalders dat ook:

‘Gedurende de oorlogsdagen heeft opperrabbijn J. Tal vier jaar lang met zijn vrouw een gastvrij onderdak gevonden ten huize van Van Gelderen.’

Kortom, Van Gelderen wist wat makkelijker te onderscheiden wanneer het er werkelijk op aankwam dan Geelkerken, die bovendien eigenlijk helemaal niet vanuit een eigen beredeneerd standpunt te werk ging.

En toch, wie alleen opmerkt dat Geelkerken een onhandelbare man was, op zich helemaal waar, gaat te gemakkelijk aan de structurele kant van het conflict voorbij. Het valt bijvoorbeeld op dat Geelkerken in de jaren na Assen in zijn persoonlijk leven en misschien ook wel in de omgang met collega’s – denk aan Jan Buskes – soms lastig was, maar dat hij nooit meer in grote ‘principiële’ conflicten belandde. Het is, als ik afga op de biografie, alsof hij een bevrijd man was. In dat opzicht reageerde hij anders dan Klaas Schilder, die na zijn afzetting achttien jaar later zijn laatste levensjaren veel meer in rancune doorbracht. In zijn eigen nieuwe kerkgenootschapje, het Hersteld Verband, werd Geelkerken zowel theologisch als politiek trouwens ook al gauw links ingehaald, maar hij schijnt daarover niet moeilijk gedaan te hebben, al zou dat misschien ook wat vreemd geweest zijn voor iemand die zelf met uitsluiting was geconfronteerd. En het herenigingsproces met de hervormde kerk lijkt hij met veel wijsheid en inzicht geleid te hebben.

Perspectieven
Dat Geelkerken overigens maar een paar duizend mensen met zich meekreeg, lijkt me verklaarbaar. Hij had geen grote aanhang, maar hij had ook geen eigen theologisch punt. Dat was bij Klaas Schilder in 1944 anders. Het is ongetwijfeld waar dat het bij dit soort conflicten en kerkscheuringen in hoge mate om sociologische en persoonlijke factoren gaat – wat doet de plaatselijke dominee?, wie vertrouw je? – maar er moet wel een verhaal zijn waar je naar kunt verwijzen. Zonder theologie, een theologische kernboodschap, gaat het nu ook weer niet. Die had Jan Geelkerken niet, hem kleefde hooguit de verdenking van (lichte) onrechtzinnigheid aan en daar kun je geen mensen mee mobiliseren.

Het fascinerende van het boek van Maarten Aalders is trouwen wel dat je alle nuances meekrijgt. Er mocht dan iets grondig structureel mis zijn met de gereformeerde wereld, die enkele decennia eerder op een geforceerde wijze, vooral ook intellectueel, geschapen was, het was nu ook weer niet zo dat Geelkerken uitsluitend met een stel ketterjagers geconfronteerd werd, al had hij in zijn gemeente met georganiseerde oppositie van een tamelijk kleine minderheid te maken. Velen probeerden een uitweg te vinden. Je zou je wel af kunnen vragen of er nu werkelijk ook maar één theoloog was die werkelijk geloofde dat dat verhaal uit Genesis 3 historisch was, maar ik denk dat het boek wel laat zien dat men zozeer in een eigen woordenwereld leefde, dat men de werkelijke vragen niet eens stelde. Woorden bepaalden wat historisch was. De werkelijkheid was een constructie, ook al noemde men dat niet zo. Het blijft een merkwaardig soort postmodernisme avant la lettre. En het hield geen stand, zoals ook veel postmoderne overdrijvingen geen stand houden.

Maar wat het boek van Maarten Aalders naar mijn idee wel laat zien, is dat je de zaak vanuit diverse perspectieven kunt bekijken. Wie de ‘schuld’ alleen bij Geelkerken legt, maakt er zich te gemakkelijk vanaf. Je moet het conflict vanuit verschillende perspectieven benaderen. Maarten Aalders doet Jan Geelkerken meer recht dan sommige van de commentatoren nu doen.

Iets postmoderns
Maar klopt mijn verwijzing naar het postmodernisme nu wel? Ja en nee. Wat het postmodernisme ook precies moge zijn, het uitgangspunt lijkt in hoge mate relativistisch te zijn. De wereld is chaotisch en we hebben geen vast uitgangspunt. Daartegenover zou je de gereformeerde benadering eerder cartesiaans kunnen noemen. Sinds Descartes zijn we vertrouwd met het idee dat kennis een bouwwerk is, dat op vaste principia opgebouwd wordt en Descartes pakte het radicaal aan door alles te betwijfelen en zo onwrikbare fundamenten te ontdekken, waarop de rest van het epistemologische bouwwerk dan kon rusten. De gereformeerden dachten ook vanuit beginselen, gereformeerde beginselen, al slaagden ze er vervolgens nooit werkelijk in die dan te formuleren. Ze hadden een waarheid waar ze emotioneel aan gehecht waren. Daar ging het bij Kuyper en Bavinck ook om. Kuyper ontdekte in Beesd een oude vroomheid die hem die raakte – wat je verder van zijn verhaal over Pietje Baltus ook moge denken – en Bavinck had een vrome erfenis van huisuit meegekregen waar hij zich niet los van wilde maken.

En toch, de associatie met het postmodernisme komt nu ook weer niet voor niets telkenmale bij me op. Want in de onvastheid van de uitgangspunten zit wel degelijk een gelijkenis. Bij postmodernen is dat vaak toch een wat slordige houding tegenover waarheid en propositionaliteit – we kunnen echt heel veel uitspraken doen die vooralsnog onaangevochten zijn en dat wenst men niet te erkennen – en bij gereformeerden ging het om het negeren van wetenschappelijke resultaten, waar je maar niet zo aan voorbij kunt gaan – het gelijk van Christiaan Snouck Hurgronje. Wil en emotie bepaalde voor Kuyper en Bavinck de waarheid. Het is niet voor niets dat latere volgelingen van de kuyperiaanse traditie – bepaalde uiteraard, niet alle – enkele decennia geleden wel degelijk nogal verheugd op het postmodernisme reageerden, want binnen dat algemene relativistische kader konden ze met hun beroep op rationeel niet fundeerbare vooronderstellingen ineens goed uit de voeten. Een gelokaliseerd cartesianisme, dat zich vanaf onwrikbare principia had moeten terugtrekken op al dan niet te aanvaarden vooronderstellingen, paste zo vanzelf binnen een postmodern kader, zou je kunnen zeggen.

Postmodern was ze dus niet, die gereformeerde woordenwereld, maar iets postmoderns zat er al vanaf het begin in.

Naschrift (maandag 27 mei 2013, 10 uur)
De drie toespraken van Herman Langeveld, Koert van Bekkum en George Harinck op van het Geelkerkensymposium zijn nu beschikbaar op de site van het Historisch Documentatiecentrum.

 

(94)

4 Responses to “Iets postmoderns – Over een eigenaardig trekje van de vroegere gereformeerde wereld”

  1. Compact en helder overzicht van een decaden lang schisma dat op oneigenlijk grond ontstond.

    Het blog nodigt uit tot lezen van historisch materiaal, wat gelijk dezelfde valkuil is. Teksten in retroperspectief duiden is per definitie een hachelijke zaak, omdat elk tijdsgewricht zijn eigen context en betekenis voor woorden kent en daarmee zijn interpretaties de facto gemankeerd. Het is dan ook een les die we kunnen leren uit dit fenomeen: de absolute, objectieve waarheid is niet te bevatten, laat staat dat we deze kunnen samenvatten. We doorgronden maar een deel van het zichtbare en onzichtbare. Het is dan ook niet verstandig om in absolute termen te spreken.

    Dit gezegd hebbende, mogen mijn opmerkingen in datzelfde licht worden bezien.

  2. Erg interessante beschouwing! De verbinding met het postmodernisme en de legitimiteit van verschillende niet-fundeerbare vooronderstellingen in de wetenschap deden me denken aan het werk van Nick Wolterstorff uit eind jaren 70 en begin jaren 80. (Zie bijv. de vertaalde boekjes Rede binnen de grenzen van de religie en Van zekerheid naar trouw). Ook Alvin Plantinga neemt het op voor het idee dat wetenschap uit moet gaan van niet-wetenschappelijk gefundeerde vooronderstellingen en pleit daarmee voor de legitimiteit van wat hij ‘Augustinian science’ noemt.

    Ik vermoed dat zij niet zo gelukkig zouden zijn met de suggestie dat ze daarmee wetenschappelijke resultaten waar je niet zomaar aan voorbij kunt gaan zouden negeren. Waarschijnlijk zouden ze betogen dat die wetenschappelijke resultaten niet zo hard zijn als ze soms gepresenteerd worden omdat ze ten diepste evenzeer uitgaan van vooronderstellingen, maar wel andere dan die waar de gereformeerden van uit willen gaan.

  3. Tja, Jan Dirk, je haalt hier wel erg veel overhoop. Allereerst is het een misverstand dat gereformeerde theologen serieuze exegese in de prullenbak gooiden. Verder lijkt het me prima geschiedschrijving te behandelen als een tekstuele narratief. Als een soort zelfverwijzende fictie. Maar dan wel een die naar de werkelijkheid verwijst en zich daardoor laat beperken. Dat gegeven middel je voor het gemak even weg. Alsof alleen gereformeerde theologie iets heeft met historiciteit. Quod non. Ken uw klassieken, van de Bijbel tot aan nu. De kwestie is de aard van de verwijzing, niet de verwijzing zelf. Ten slotte moet je om intellectueel dapper te zijn wel iets hebben om dat voor te zijn. Geelkerken had dat niet. Voornamelijk zichzelf. En dat is wat dun, zo zag Van Gelderen terecht. Dat de sociale controle na 1926 werd opgevoerd, klopt. Maar dat wil niet zeggen dat men zijn mond hield. Dat is een urban myth. Noordtzij was tamelijk vrijmoedig. Van Gelderen kraakt in zijn commentaar op Koningen in de Korte Verklaring menige noot. Hopelijk vind ik komende zomer tijd om.zijn archief te bezien.

Trackbacks

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: