Het verleden als kritische instantie

door Jan Dirk Snel

Een aantal jaren geleden sprak ik met een psychologiestudent, die mij vertelde tijdens de opleiding geleerd te hebben dat je nooit literatuur die ouder was dan tien jaar, moest lezen. Die zou verouderd zijn.

Tien jaar
Het was voor mij een wat verbijsterende ervaring. Alles wat ik van psychologie wist of misschien meende te weten, was meer dan tien jaar oud, vrees ik. Waarbij ik misschien wat meer weet van de ontwikkeling van het vak en van de omtrekken ervan dan van de precieze inhoud die in allerlei leerboeken te vinden is.

Exif_JPEG_PICTURE

Alsof hij midden in de strijd verwikkeld is, zo staat Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872) er bij in Zwolle. We wachten op zijn daden. Met zijn ‘Historische Schetsen’, gebundeld in 1872, liet hij zien dat hij juist vanwege zijn kennis van het verleden wist wat hem te doen stond.

Nu kan ik me wel voorstellen dat het in bijvoorbeeld de natuurwetenschappen verstandig is vooral de nieuwere literatuur te lezen. Kennis is daar immers accumulatief. Dat wil uiteraard niet zeggen dat alle kennis van recente datum is, maar wel dat die steeds aangevuld wordt en soms ook in nieuwe kaders komt te staan. Al kan ik me toch ook voorstellen dat veel oudere literatuur nog wel degelijk veel waardevolle inzichten bevat, die juist iemand die ook de laatste ontwikkelingen kent, moet kunnen plaatsen. En de psychologie schijnt zich nu eenmaal op de scheidslijn van de empirische, experimentele en de geesteswetenschappen te bevinden. Maar nog steeds vermoed ik dat er heel veel valide kennis uit oudere literatuur op te doen valt.

Ook in de geschiedbeoefening is het natuurlijk verstandig om van de nieuwste literatuur kennis te nemen, tenminste als je je in een specifiek onderwerp gaat verdiepen. Om te weten te komen wat er nog te doen valt, moet je moet immers eerst weten wat er geschreven is. En er worden wel degelijk steeds nieuwe dingen ontdekt. Dat geldt uiteraard sterk voor de economische geschiedenis. Van de economische ontwikkelingen is nu vaak meer bekend dan dertig of tachtig jaar geleden, gewoon omdat er meer gegevens onderzocht zijn en er meer bekend is. Op een gegeven moment staat binnen zekere marges bijvoorbeeld wel zo ongeveer vast hoe groot de omvang van de trans-Atlantische slavenhandel was en wat het Nederlandse aandeel erin was. Dat was ooit anders, maar ook dan valt er nog wel weer genoeg uit te zoeken.

Collectief geheugen
Maar ook voor de politieke geschiedenis, de cultuurgeschiedenis en de ideeëngeschiedenis en allerlei andere takken van geschiedbeoefening is het duidelijk dat kennis en inzicht soms toenemen, bijvoorbeeld omdat er inmiddels archieven doorgespit werden. Op een gegeven moment wordt ontdekt wie de drukker van de Tractatus van Spinoza was. Tot welk netwerk een denker behoorde, door wij beïnvloed werd, wat hij las, dat zijn dingen waar meer over bekend wordt. En in de politieke geschiedenis worden de achtergronden van het handelen van heersers en regenten helder vanuit voorheen niet onderzochte archieven. In veel opzichten weten ‘wij’ meer van de zeventiende of de veertiende eeuw dan de tijdgenoten, ook al weten we niet hoe het voelt om in het veertiende-eeuwse Brugge of het zeventiende-eeuwse Aleppo rond te lopen.

Tegelijk verandert er aan de echte bestudering van Thomas van Aquino of Immanuel Kant nu ook weer niet zoveel. Als je hun denken echt wilt doorgronden, zul je de tijd moeten nemen hun teksten zorgvuldig te lezen en te doordenken. En daarin is het verschil tussen 1913 en 2013 nu ook weer niet zo groot. Dat is ook niet erg. Geesteswetenschappen zijn er niet alleen om nieuwe dingen te ontdekken, ze zijn er ook om het collectieve geheugen van de mensheid een beetje op peil te houden. En juist met de toename van secundaire literatuur is het van belang naar de bronnen zelf terug te gaan. Al dat gedoe eromheen, al die interpretaties kunnen ook afleiden van de kern van de zaak, van wat je echt wilt weten.

Wegen
Nu is het in de geesteswetenschappen ook zakelijk al onmogelijk om je tot de laatste literatuur te beperken. Natuurlijk zul je als je iets over, zeg, Johannes Wtenbogaert wilt schrijven, de nieuwste literatuur over hem en zijn intellectuele en  politieke omgeving op moeten zoeken, maar je kunt toch moeilijk om de grote driedelige biografie door Johannes Rogge uit de jaren 1874 tot 1876 heen, domweg omdat er sindsdien niet meer zo’n uitvoerige levensbeschrijving van de man is verschenen. En die heb ik dan ook braaf op de plank slaan (en ik zou, als ik de tijd, dus het geld, zou hebben, best eens een opvolger willen schrijven, maar dit terzijde.) En als je ingaat op het leven en denken van G.W.F. Hegel is het natuurlijk handig om een tamelijk nieuwe biografie als die van Terry Pinkard – oei, toch al weer ruim tien jaar oud, 2001, zie ik – te lezen, leuk boek trouwens, maar het zou toch best mogelijk zijn dat je in de levensbeschrijving door Karl Rosenkranz uit 1844 iets interessants vindt dat door de nieuwe literatuur niet overgenomen is, al is het maar een bepaalde karakteristiek die bij die tijd kort na ’s mans dood past.

En daarmee ben ik bij het punt waar ik het over wil hebben. Wie zegt dat alle kennis uit het verleden goed is doorgegeven? Natuurlijk de essentie zal vaak in nieuwere werken overgenomen zijn, aangevuld en aangepast. Maar juist in wat ooit voor bijzaak werd gehouden, kan iets voorkomen dat nu ineens weer interessant is. Bovendien, als je alleen op de nieuwere literatuur vertrouwt, hoe kun je die dan wegen? Hoe weet je dan zeker dat die echt beter is en meer te bieden heeft dan de oudere? Hoe weet je dan dat je niet iets gaat onderzoeken dat zeventig en honderdtien jaar geleden ook al niet eens ontdekt is? Bij de affaire rond Diederik Stapel heb ik hier vaak aan moeten denken. Vormde een hijgerige vorm van wetenschapsbeoefening, gericht op veel kleine gegevens, maar zonder zicht op het grote geheel en waar het allemaal goed voor is, ook niet een achtergrond?

Kritische instantie
Kortom, het verleden kan ook als kritische instantie fungeren. Ik merkte dat laatst eens toen ik een eenvoudig werk over staatsrecht van zeker een eeuw oud las. Wat er stond, was niet spectaculair. Maar toch bood het voor mij een nieuw perspectief op de vertrouwensregel en de machtsverhouding tussen monarch en parlement. In hedendaagse beschouwingen wordt dan vaak de nadruk gelegd op de door Thorbecke bij de herziening van 1848 geïntroduceerde frase over de onschendbaarheid van de koning en de verantwoordelijkheid van de ministers. De auteur ontkende het belang daarvan niet expliciet, hij maakt er simpelweg niet zoveel werk van. Hij legde gewoon uit dat met een parlement dat met wetten en begrotingen moet instemmen, die verhouding in principe zo ook al gegeven is en in die zin ook al in de eerste versie van de grondwet uit 1815 besloten lag, al was het ongetwijfeld handig dat de verkiezing van het parlement na 1848 anders geregeld werd. Maar de optie die nu tussen 1866 en 1868 gerealiseerd werd, zou dat anders waarschijnlijk ook wel zijn, al was de botsing tussen Staten-Generaal en koning dan misschien wat harder geweest. Ik zag het ineens, juist omdat iemand op een net iets andere wijze tegen de zaken aankeek dan nu in de literatuur, die uiteraard steeds naar elkaar verwijst, gebruikelijk is.

Zo kan het verleden als kritische instantie fungeren. Nu ging het hier over literatuur, maar het geldt misschien ook voor het verleden als zodanig. De geschiedenis is een vreemd land. We kunnen ons daarover vaak verbazen en vaak concluderen we terecht dat we het zo niet meer doen. Maar soms zou je je ook kunnen afvragen of het verleden, als je dat serieus neemt, niet ook een ander gezichtspunt aanbiedt. De omstandigheden waren wel anders, maar gek waren ze toen nu ook bepaald weer niet. Het is in feite niet anders dan zoals we nu vaak ook naar andere landen kijken: hoe doen ze het daar? Daar kunnen we ook nog wel eens wat van leren.

Zo kan het verleden op diverse wijzen als kritische instantie fungeren, zelfs als je in veel opzichten wel degelijk in vooruitgang gelooft. Om te kunnen weten of daar echt sprake van is en je het wiel niet voor de zoveelste keer aan het uitvinden bent, zul je toch een wat langere blik nodig hebben.

Verloop van tijd
Overigens bedacht ik tot troost dat geen enkele vakwetenschapper het volhoudt niet verder dan tien jaar terug te kijken. Al was het maar omdat mensen ouder worden en op een bepaald moment ook hun kennis twintig of vijftig jaar oud is, althans voor een deel, het fundamentele deel dat de basis vormt. Toen ik net begon te studeren, vond ik boeken van tien of vijftien jaar oud bij De Slegte vaak oeroud. Die kwamen uit een ver, mij onbekend en bijna onvoorstelbaar verleden. Nu heb ik boeken van twintig jaar oud liggen die ik nog steeds moet lezen en die voor mijn besef nog maar net verschenen zijn. Kortom, je ontkomt er niet aan dat je blik op den duur wat langer wordt. En op het moment dat, laten we zeggen, 1983 wat minder ver weg lijkt, is ook 1953 ineens minder ver weg. En vervolgens 1923 en zelfs 1813.

Dit is geen pleidooi voor geschiedenis als discipline, dat ook, maar zeker niet uitsluitend. We kunnen op vele wijzen met het verleden omgaan. Mensen die met de christelijke traditie leven, verdiepen zich wekelijks of dagelijks in teksten die enkele duizenden jaar oud zijn, die uit een andere wereld komen. Het gaat niet alleen om hun gezag, maar ook om hun alteriteit, die ons aan het denken zet. Mensen die oudere literatuur lezen, of het nu om Dante of om Vondel gaat, verwijlen ineens in andere eeuwen. Dat is ook het belang van literatuuronderwijs op school: het gaat om een directe confrontatie met het verleden en die kan ook betrokken en esthetisch zijn. Het geldt voor mensen die oude wijsgerige teksten lezen. Systematisch is het wat omslachtig om voor politieke inzichten Locke of Montesquieu te lezen, maar juist in hun vreemdheid zetten de teksten ons aan het denken, niet alleen om de inzichten die we nog direct kunnen gebruiken. En het geldt ook voor muziek. Bach komt dus echt uit de achttiende eeuw, ook al is de uitvoering misschien anders dan toen.

Historisme als kritiek
Dat is in feite de kern van wat we vanouds historisme noemen en dat bedoel ik dan niet in de popperiaanse zin – het Engelse historicism is hetzelfde woord als Historismus in het Duits, maar Popper keerde de inhoud zo ongeveer om, reden waarom er voor de merkwaardige vertaling historicisme toch iets te zeggen valt – maar in de rankeaanse. Het idee dat jede Epoche unmittelbar zu Gott is en dus op haar eigen merites beoordeeld moet worden, is geen afstandelijke, vrijblijvende ongeëngageerde wijze van kijken, die geen betekenis voor ons nu heeft. Het is juist omgekeerd. Juist door het verleden zelf te laten spreken, kun je het ook kritisch tot ons laten spreken.


(93)

2 Responses to “Het verleden als kritische instantie”

  1. Weinig schrijvers hebben jouw standpunt (dat ongeveer het mijne is) zo fraai en inspirerend verwoord en het ook met hun overige werk op alle mogelijke manieren uitgelegd en aannemelijk gemaakt als, je raadt het al, C. S. Lewis. In 1944 schreef hij de inleiding bij een nieuwe vertaling van een werkje van de kerkvader Athanasius, en die inleiding is later herdrukt als zelfstandig essay onder de titel “On the Reading of Old Books”. Dit essay is een van de dertig stukken in een nieuwe bundel vertaalde essays van Lewis die deze zomer zal verschijnen onder de titel “De zeebries der eeuwen”. De titel is ontleend aan deze passage in dat essay:

    “We kunnen er zeker van zijn dat de karakteristieke verblinding van de twintigste eeuw – de verblinding waarvan het nageslacht zal zeggen: ‘Hoe hebben ze dat ooit kunnen denken?’ – ergens anders zit dan wij ooit denken, en dat het iets is waarover Hitler en Roosevelt of H. G. Wells en Karl Barth het moeiteloos eens kunnen worden. Het is een verblinding waar geen mens geheel aan ontkomt, maar het gevaar wordt ongetwijfeld groter, en onze waakzaamheid hiertegen kleiner, als we alleen maar moderne boeken lezen. De waarheid die in moderne boeken staat is er een die we al zo’n beetje wisten. De onwaarheid in die boeken versterkt de dwaling die toch al gevaarlijk veel vat op ons heeft. Het enige wat hiertegen een beetje helpt, is gedurig je gedachten laten schoonwaaien door de zeebries der eeuwen, en dat lukt alleen maar door het lezen van oude boeken. Het is natuurlijk niet dat het verleden iets magisch zou hebben. Mensen waren vroeger niet slimmer dan nu, ze vergisten zich net zo vaak als wij. Maar ze maakten niet dezelfde vergissingen. Voor de dwalingen die wij begaan geven zij ons geen pluim; en hun eigen dwalingen vormen voor ons geen gevaar, overduidelijk als ze nu zijn. Twee weten meer dan één, niet omdat een van beiden onfeilbaar is, maar omdat ze meestal niet dezelfde verkeerde kant op gaan. Let wel: boeken uit de toekomst zouden precies zo’n goede correctie zijn als boeken uit het verleden, maar ze zijn helaas nog niet voorhanden.”

Trackbacks

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: