Van rood naar rots – Over een achternaam

door Jan Dirk Snel

Afgelopen zaterdag was ik in Leeuwarden. En het is dan schier onvermijdelijk dat je op weg van station naar binnenstad in de Prins Hendrikstraat – dat moest ik opzoeken: hoe straten heten, weet je meestal weer niet, als je de weg toch al kent – langs het advocatenkantoor Rotshuizen Geense komt en die naam ook op de gevel ziet staan. En het is welhaast even onvermijdelijk dat ik bij de eerste van die twee namen aan rotte huizen denk. Terwijl ik verder dus echt nooit aan rotte huizen denk.

Rothuizen
Ook niet als ik de naam Rothuizen tegenkom. En die naam kwam ik nogal eens tegen. In de krant bijvoorbeeld. In NRC Handelsblad en in weekbladen als Vrij Nederland en de Haagse Post en ook elders waarschijnlijk wel kon je nog wel eens artikelen zien staan van de journalist William Rothuizen (1937-2009). Maar dat die naam me opviel, kwam mogelijk vooral door die andere Rothuizen, Gerard Rothuizen (1926-1988), die theoloog en ethicus was, hoogleraar te Kampen. G.Th. Rothuizen was, om het maar zo te zeggen, een beetje een ex-gereformeerde die het nog was, gereformeerd bedoel ik. Hij had in ieder geval veel belangstelling voor ex-gereformeerden.

Exif_JPEG_PICTURE

Nederlandse huizen – hier aan de Weesperzijde te Amsterdam – zijn vanouds meestal van rode baksteen. De tas is feller rood.

Als ik nu een paar van zijn boeken, De oude man van Hoy uit 1970 bijvoorbeeld – het jaartal staat er niet in en Picarta spreekt zichzelf tegen, maar dankzij Google Books weet je zoiets nu binnen een paar seconden – of Over Nietzsche gesproken en een knie uit 1985 – ja, ik vond dat toen al een vreemde titel en dat was ongetwijfeld ook des auteurs bedoeling – doorblader, kom ik zo stukken over Jan Wolkers, J.B. Charles (Willem Nagel) en Maarten ’t Hart tegen. Dat Rothuizen met de laatste als studentenpredikant om was gegaan, wist ik trouwens, maar ik zie nu pas dat hij een tijdlang een zwager van Wolkers (zie ook de genealogie waarin de twee zussen figureren) is geweest. Overigens schreef hij, dit om u gerust te stellen, ook over T.S. Eliot, Franz Kafka, Dylan Thomas, Leszek Kołakowski en uiteraard nog veel meer dichters, denkers en andere op woorden beluste stervelingen. En over meer trouwens: die oude man van Hoy is geen mens van vlees en bloed.

Al bladerend kwam ik nu in het naar deze figuur genoemde boek de ‘Herinnering aan Achterberg’ weer tegen, waarin Gerard Rothuizen verhaalt hoe hij, na zich in de trein van Parijs naar Amsterdam genesteld te hebben, een bundeltje van Rimbaud, dat hij voor een spotprijs had gekocht, uit de tas haalde en tegen zijn vrouw zei, ‘dat je voor zo’n prijs in Nederland “maar” ’n bundeltje van Achterberg kon bemachtigen.’

‘De enige dame, die met ons het compartiment deelde, zei, wijzend op de enige heer, die met ons was: “Mijn man is Achterberg”. Dat was op zijn zachtst gezegd vrij pijnlijk.’

De acht uren die gezamenlijk in één ruimte moesten worden doorgebracht, werden overigens alleszins genoeglijk.

 ‘Het (…) vrij burgerlijk gebeuren van het eendrachtig verorberen van elkanders boterhammen bleek gelukkig representatief voor de hele aard van de reis. Gelukkig, omdat wij, eerlijk gezegd, eerst bang waren ons almaar artistiek te moeten uitdrukken, maar daar was geen sprake van. ’n Mooi torentje werd door de dichter een mooi torentje genoemd en lekker groen gras lekker groen gras.’

Maar dit alles terzijde. Ik wilde maar zeggen dat ik Gerard Rothuizen soms met enig genoegen las, misschien juist wel omdat hij geen ex-gereformeerde was geworden. Hij had iets artistieks en voornaams, hoorde ik ook van mensen die hem kenden – niet voor niets schreef hij in 1969 een boek over Aristocratisch christendom bij Dietrich Bonhoeffer met een trouwens wat zeitgemässe sjofele omslag – iets speels ook wel en het was volstrekt duidelijk dat zijn hart niet uitsluitend bij de klassieke leerstukken van de orthodoxie verwijlde, maar tegelijk zette hij, die meer een licht ironische observator was, zich nooit erg tegen dingen af en ging zijn inaugurele rede wel over Calvijn. Zijn belangstelling was positief en breed gericht, als ik het goed zie.

Eén keer heb ik hem horen spreken, in een lezingenserie van het Studium Generale aan de VU en het ging over ethiek en dood en hij deed dat met een snelheid alsof de dood hem letterlijk op de hielen zat. Op papier bleek het achteraf een van de langste verhalen uit de reeks te zijn, waarin Cornelis Verhoeven en Arie de Froe, ook al een ex-gereformeerde trouwens en, als me niet vergis, nader bepaald zelfs een ex-hersteldverbander uit de gemeente van J.C. Geelkerken, hem voor waren gegaan, maar hij was wel verreweg het snelst klaar met zijn verhaal. En die rappe spreektrant was uitgesproken fraai: een uitstekende cadans. Misschien had hij inderdaad wel een goede reden voor die haast: hij werd slechts 62 jaar.

 –

Rot
Maar dit alleen maar ter illustratie dat ik bij het horen van de naam Rothuizen aan van alles en nog wat denk en nog bladzijden lang door zou kunnen gaan, maar dat ik echt nooit aan rotte huizen denk. Huizen in Nederland zijn trouwens meestal van steen en die verrotten niet zo snel. Er zal wel eens iemand zijn die een aversie tegen een bepaalde woning heeft opgebouwd, die dat een rot huis noemt, maar erg alledaags is het nu ook weer niet.

Rothuizen

Evert Jan Rotshuizen (1888-1979), architect (Bron:NAI)

En daarmee komt de heer Evert Jan Rotshuizen (1888-1979) te Arnhem in het zicht. Die dacht daar kennelijk anders over. Deze gereformeerde architect liet namelijk zijn achternaam veranderen. Zijn levensbeschrijving op de site van het Nederlands Archhitectuurinstituut (NAI) zegt daar onder verwijzing een boekje dat een kennelijke nazaat over hem schreef:

‘Op 7 september 1939 vond de naamswijziging van Rothuizen naar Rotshuizen plaats. E.J. Rotshuizen probeerde ook de familie elders in het land, onder wie verschillende architecten, tot deze verandering over te halen, maar dat lukte hem niet.’

Een van die familieleden die niet met de naamswijziging meededen, moet zijn broer Frans Gerardus Cornelis Rothuizen (1881-1954), de vader van theoloog Gerard, geweest zijn, want die was, net als trouwens hun vader, nog een broer en een zijner zonen, ook architect. Evert Jan was 51, maar anders dan zijn neef Gerard bereikte hij wel een aanzienlijke leeftijd, 91, zodat hij nog veertig jaar van zijn nieuwe achternaam heeft kunnen genieten.

Maar nu de paradox. Het verhaal over de naamswijziging is nogal bekend. Ik herinner me dat op school een leraar er al een keer over vertelde en nu kun je het zo opzoeken. Bovendien prijkt de naamswijzing op een lijstje met ‘onwelvoeglijke‘ namen op de site vernoeming.nl. En elke keer als je de naam ziet, bedenk je, zoals mij nu in de Friese hoofdstad overkwam, dat je met een nakomeling te maken moet hebben. In 1947 waren er precies drie Nederlanders die Rotshuizen heetten: de architect en zijn twee zonen. Veertig jaar later waren er dat inmiddels achttien. En elke keer denk ik dus aan dat verhaal. Een aan die rotte huizen.

Rood
Terwijl dat natuurlijk nergens voor nodig is. Want het lijkt wel duidelijk dat dat ‘rot’ niets met verrotting te maken heeft, maar alles met het Duitse woord voor rood. De Nederlandse Familienamenbank van het Meertens Instituut denkt dat de naam van Rothausen komt. Dat kan, maar dan zal het vast en zeker niet gaan om het Beierse plaatsje met die naam. De genealogie van het geslacht Rothuizen meldt immers dat stamvader Willem Rothuijs, die zich in Wageningen vestigde, uit Stadtlohn in het vroegere prinsbisdom Münster, tegenwoordig Nordrhein-Westfalen, niet ver over de grens, kwam. E.J. Rotshuizen woonde nog steeds in de buurt waar deze betovergrootvader naartoe was getrokken: zijn overgrootvader was in Wageningen geboren, zijn grootvader in Renkum, zijn vader en hijzelf in de gemeente Doorwerth en hijzelf daarbinnen in  Heelsum.

Misschien dat een gereformeerde architect graag refereerde aan de man die zijn huis op een rots bouwde – ik ken de precieze achtergrond zijner overwegingen niet – maar het had, dunkt mij, toch meer voor de hand gelegen, om desnoods voor de naam Roodhuizen – al mocht die naam mogelijk niet, omdat die al bestond – of iets dergelijks – Roothuizen bestaat niet – te kiezen.

Hoe het ook zij, juist de nieuwe naam, die een wat typische indruk maakt, verwijst ongewild steeds naar de naamswijziging en naar het kennelijk ongewenste van de oorspronkelijke naam, terwijl je daar anders eigenlijk helemaal niet aan zou denken, zoals je bij achternamen heel vaak verder nergens aan denkt. Wie ergens niet aan mag denken – het overbekende roze olifantje – denkt daar immers automatisch voortdurend aan.

Maar ach, juist omdat er met de oorspronkelijke naam niets mis is, heeft het verhaal ook wel weer zijn eigen charme. Want je denkt er ook steeds aan dat de man architect was. En diverse van zijn scheppingen lijken nog steeds rotsvast overeind te staan.

Zeeuws
Geense, de andere naam op de Leeuwardense gevel, is trouwens een typisch Zeeuws patroniem, van het type waar ook Janse, Flipse, Philipse, Dingemanse en nog veel andere namen op -se toe behoren. Je vraagt je of hoe dat in Leeuwarden terechtkomt.

(90)

2 Trackbacks to “Van rood naar rots – Over een achternaam”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: