Een sterfelijke god – Over het koningslied en ook nog even over Tollens

door Jan Dirk Snel

Ik weet het niet. Of beter gezegd: ik weet het wel. Ik doel op het zogenaamde koningslied en de veelvuldige kritiek daarop, die er voorlopig toe geleid heeft dat de componist het lied terugtrekt, wat dat ook precies moge betekenen. Het Nationaal Comité Inhuldiging, dat op de eigen website op dit moment overigens nog niets meldt, moge dan begrip hebben voor het besluit, het is momenteel niet duidelijk of het op 30 april zal worden uitgevoerd of niet. Het lijkt me niet onwaarschijnlijk dat hier weer allerlei reacties op zullen komen en dat de componist na enige aandrang, waar hij zo te zien op uit is, overstag zal gaan en dat het lied toch uitgevoerd zal worden.

Rembrandt_Christ_in_the_Storm_on_the_Lake_of_Galilee

Rembrandt, Christus in de storm op het meer van Galilea (1633). Het schilderij werd in 1990 gestolen uit het Isabella Stewart Gardner Museum te Boston.

Het ging hier overigens om een onderdeel van de feestelijkheden dat mij anders waarschijnlijk ontgaan zou zijn. De staatsrechteljke elementen, de abdicatie en de verenigde vergadering van de Staten-Generaal in Amsterdam, vind ik interessant, en de balkonscène tussendoor ook nog wel, maar de rest van de feestelijkheden zou ik waarschijnlijk toch al aan me voorbij hebben laten gaan. Het was vanaf het begin duidelijk dat het Nationaal Comité Inhuldiging nu eenmaal op een ander segment van de bevolking inzet en daar heb ik geen enkele moeite mee. Voor elk wat wils.

Maar het lied, dat bestaat natuurlijk en dat blijft bestaan, of het nu wordt op 30 april wel of niet wordt uitgevoerd. En alleen door de veelvuldige kritiek heeft het mijn aandacht weten te trekken. Tot vrijdag heb ik alles erover genegeerd en ik zou dat best vol hebben willen houden. Maar toen kwam de massale veroordeling en die kon me niet ontgaan. En die vormt dus de aanleiding, want die zint me niet, althans voor een deel niet, maar dat wil niet zeggen dat het lied zelf me wel zou aanstaan. Je kunt veel interessantere vragen stellen, bijvoorbeeld wat dat liedje, dat er nu eenmaal is en dat onderwerp van verhitte reacties is geworden, nu eigenlijk zegt. Maar dan luidt de volgende vraag uiteraard onmiddellijk: waarover dan?

Klassenstrijd
Uiteraard barstte er vrijdag na de openbaarmaking – eerst een versie met tekst, daarna s’avonds de clip – van het koningslied onmiddellijk een storm van kritiek los. Dat kon je verwachten. Het zijn de gebruikelijke uitingen van de klassenstrijd, die zoals bekend altijd van boven naar beneden wordt gevoerd. Iemand die van Hazes of Borsato geniet, heeft in het algemeen weinig neiging om af te geven op mensen die Händel of Bach verkiezen, maar omgekeerd is dat wel zo. De Beethovenstraat heeft ook vaker wat aan te merken op de Baarsjes dan andersom. En er is geen twijfel over mogelijk: het koningslied is duidelijk een blijk van populaire cultuur en de makers schamen zich daar ook niet voor. Dit is de wereld van de tv.

Uiteraard zal ik de meeste kritiek niet gezien hebben, maar wat me aan de kritiek die ik wel onder ogen kreeg, wel opviel, was het formele of zelfs formalistische karakter. En dan doel ik eigenlijk nog niet eens op het onderscheid tussen vorm en inhoud dat Eric Corsius eerst maakt om het vervolgens af te kunnen wijzen, want hoezeer hij daarin misschien ook gelijk heeft en hoe begrijpelijk zijn afkeer van het ‘klatergouden deuntje’ in veler oren wellicht ook is, ook hij geeft niet aan wat er dan met de melodie, de muziek en de tekst inhoudelijk mis is. Dat wordt kennelijk bekend verondersteld. Dat hoor je zo wel, moet de gedachte zijn.

Buitenkant
Veel kritiek blijft aan de buitenkant steken. Tuurlijk, de kansen liggen voor het oprapen. ‘De W van wakker, stamppot eten’ werkt onmiskenbaar op de lachspieren. En over ‘de dag die je wist dat zou komen’ valt iedereen direct. Hoewel? Een heuse, anonieme en mij verder onbekende ‘taalprofessor’ heeft over ‘de zin die we vermoeden dat fout is’, een hele verhandeling geschreven waarin hij concludeert dat de constructie zich ‘op de rand van de taal’ bevindt. J.J. Cremer, Albert Verwey, Frederik van Eeden en Betje Wolff en Aagje Denken schreven zoiets ook wel. Je kunt tegen Martinus Nijhoff ook wel inbrengen dat ‘en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren’ toch wel een beetje raar geformuleerd is en dat een gewoon mens ‘en ik hoorde dat wat zij zong psalmen waren’ of, nog praktischer, ‘en ik hoorde dat zij psalmen zong’ zou schrijven. Nu zie ik het verschil wel. Nijhoff schreef werkelijk iets met poëtische zeggingskracht – en op zijn dat was al gepreludeerd – en of dat hier het geval is? We kunnen in ieder geval vaststellen dat grammaticale kritiek maar al te gretig aangegrepen wordt, zodat het vermoeden voorzichtig op zou kunnen komen dat men een gesprek over de inhoud maar liever vermijdt.

Maar hoe laag je de kwaliteit van het lied ook inschat, nog onmetelijk veel bedroevender was de kritiek van ene Wim Daniels in het programma Pauw & Witteman. Volgens hem was alles misgegaan wat er maar mis kon gaan, maar zijn aanmerkingen vormden vervolgens een ratjetoe van schoolmeesterachtigheid in de trant van meester Batavus Dorknoper – ja hoor, ik kan ook contamineren – en onwelwillend krenten op laag water zoeken – toe maar, nog een keer. In de net behandelde zin zag hij wel ‘acht fouten’, maar hij kon er maar twee noemen, en die hadden u en ik ook al gezien. Maar bij de opmerking dat ieder mens ‘een taak in dit leven’ heeft, kwam hij ineens met de wijsneuzigheid aan dat volgens Erik Erikson – heus, meneer heeft wel eens een boek gelezen – een mens veel meer taken in het leven heet, wel een stuk of acht – dat cijfer zat kennelijk toch al in zijn hoofd. Tja, zo kan ik het ook. Pure onwelwillendheid natuurlijk. Uiteraard vallen er meer menselijke opdrachten te noemen, maar iedereen kan begrijpen dat op zijn minst sommige mensen een taak in het leven hebben die boven de andere – zoals afwassen en misschien zelfs je geliefden liefhebben – uitstijgt. Hier zagen we een onredelijkheid en platheid van geest die in ieder geval schril afsteekt bij de serieuze, zij het mogelijk niet zo geslaagde inzet van de makers en uitvoerders van het lied. Dit is echt veel en veel lagere cultuur. Nou ja, cultuur…

Vijfhonderd woorden
Maar het lied, laten we daar eens naar kijken. In feite gaat het om twee verschillende met elkaar verweven teksten. Er is het hoofdlied, dat geacht wordt (of werd) meegezongen te kunnen worden, en dat 293 woorden telt. Dit is de tekst die voorop de site van het Nationaal Comité Inhuldiging staat en die geschreven is door Alain Clark, Daphne Deckers, Guus Meeuwis, Jack Poels en John Ewbank, die ook de muziek componeerde. Daarnaast zijn er twee rapteksten die in het lied zijn ingeweven en die samen 208 woorden tellen en die zijn van de hand van Ali B, Bollebof, Fouradi, Gers Pardoel, Kraantje Pappie en Lange Frans. Ik schrijf het ook maar over, ik zou het merendeel echt niet herkennen.

Bij elkaar gaat het dus om 501 woorden en als men die ene spatiefout, die uiteraard ook door vele scherpzinnige beoordelaars is opgemerkt, op tijd gezien had, had men dus kunnen concluderen dat elf mensen hier met elkaar precies vijfhonderd woorden gewrocht hebben. Voorwaar, zelden zal men een tekst aantreffen waar zo intensief over nagedacht is.

Jij en ik
Eigenlijk telt het eigenlijk meezingkoningslied nog minder dan 293 woorden. Na twee inleidende coupletten volgen drie coupletten – eentje voor de eerste rap, twee erna – die aan het eind na de tweede raptekst nog eens herhaald worden (met het enige verschil dat in één zin ineens het woordeke ‘ik’ ontbreekt). In feite gaat het om niet meer dan 192 woorden, maar de herhaling doet er ook toe.

Het hele lied draait om een ‘ik’ en een ‘jij’, die meestal een ‘je’ blijkt te zien. Marc van Oostendorp heeft daar ook al op gewezen. Als we een woordwolk maken en dan de zogenaamde stopwoorden wél meenemen, dan zien we het ook direct. ‘Je’ komt 35 keer voor, ‘ik’ 19 keer, waarna dan alleen nog ‘de’ 13 gebruikt wordt en ‘als’ 10 keer. Nu wil het geval dat het informele ‘je’ ook wel erg veelzijdig inzetbaar is: als persoonlijk voornaamwoord in alle mogelijke naamvallen en ook nog als bezittelijk voornaamwoord. Als we ‘jij’ en ‘jou’ erbij doen, komen we in totaal op 39 aanduidingen voor de jij-figuur. Als we bij de ik-figuur ook nog ‘me’ optellen, komen we uit op 21 vermeldingen. Dat verandert niet echt iets.

Elckerlyc
In de inleidende twee coupletten draait alles om de jij-figuur.

Daar sta je dan
Je zag dit moment al zo vaak in je dromen
En daar is t dan
De dag die je wist dat zou komen is eindelijk hier
Ben je er klaar voor?
Kun je dat ooit echt zijn?

Daar sta je dan
Ieder mens heeft een taak in dit leven
Alles gedaan om je voor te bereiden
Daar is het dan
Je belooft dat je alles zult geven
Iedere stap die je zette die leidde naar hier
En kijk om je heen
Wij lopen met je mee

Wie is die ‘jij’ die hier aangesproken wordt? Uit de tekst zelf kun je het niet opmaken, maar omdat er nu eenmaal boven staat dat het een koningslied betreft, zou je aan de nieuwe koning kunnen denken. Die wordt gelijk al een beetje hulpeloos neergezet. Daar staat ie dan. Zoiets zeg je meestal als je even niet meer weet hoe het verder moet. Goed, de jij-figuur heeft van dit moment al vaak gedroomd, hij heeft alles gedaan om zich voor te bereiden en beloofd dat hij alles zal geven. Elke stap die hij zette, leidde tot dit moment. Maar de twijfel blijft. Is hij er echt klaar voor? Kan een mens dat ooit werkelijk zijn?

Hier wordt al duidelijk dat de jij-figuur meteen een beeld is voor ons allen, een Elckerlyc. Dat zie je ook aan het filmpje. Opmerkelijk genoeg begint dat met drie mensen die juist zitten: een meisje op de schommel, een bejaarde mevrouw die in haar stoel een kopje thee nuttigt, en een jongeman die onconventioneel op het Rotterdamse Doelenplein op de grond zit, maar wel heel deftig een hoed op zijn hoofd zet. Dit gaat over het hele leven, van begin tot eind, dit gaat over ons allemaal. En de vraag is of we ooit op onze taak in het leven voorbereid zijn. Het hele filmpje door zien we individuele mensen, die trouwens meestal wel staan en die even opkijken. Soms gebeurt dat vanuit hun werk, soms ook bevinden ze zich al een meer beschouwelijke situatie. Maar het zijn steeds individuen. Vaak worden ze alleen gefilmd, maar ze zijn duidelijk niet eenzaam. Ze passen in hun omgeving en daar zie je soms ook iets van.

Transcendentaal subject
Als ze om zich heen kijken, zien ze andere mensen en die lopen, zoals het slot van het tweede inleidende vers zegt en zoals we aan het eind nog een keer aanschouwelijk te zien krijgen als twee jongens of mannen innig gearmd vertrekken, met hen mee, zoals die ook met de nieuwe koning, als het daar dan nog over gaat, meelopen. Het is de enige keer dat dat woord, ‘wij’, valt in de hoofdtekst. In de drie resterende verzen spreekt dat collectieve ‘wij’ kennelijk in de ik-vorm – het omgekeerde van een pluralis majestatis, zou je kunnen zeggen.

Door de regen en de wind
Zal ik naast je blijven staan
Ik bescherm je tegen alles wat komt
Ik zal waken als jij slaapt
Ik behoed je voor de storm
Hou je veilig zo lang als ik leef

Laat me weten wat je droomt
Waar je hart zo naar verlangt
Ik zal niet rusten tot het waar geworden is
En als je ooit je weg verliest
Ben ik je baken in de nacht
Ik wijs je de haven in de duisternis

Ik zal strijden als een leeuw
Tot het jou aan niets ontbreekt
Hou je veilig zo lang als ik leef

De verhoudingen zijn duidelijk. De ‘jij’ die in de eerste twee coupletten nog alleen was, redt het niet in zijn eentje. Daarom verschijnt nu de ‘ik’ ten tonele en dat is de handelende persoon, de ‘jij’ het object van zijn zorgen. De ‘ik’ wordt in de videoclip dan ook vaak vertegenwoordigd door twee of drie zangers. Die ‘ik’ is groter dan een individueel mens en kan ook veel meer. De ik-figuur blijft naast de aangesprokene staan, beschermt hem tegen alles wat komt, waakt terwijl die slaapt, behoedt hem voor de storm en houdt hem ‘veilig’. Hij zal niet rusten tot de dromen en verlangens van de jij-figuur werkelijkheid geworden zijn. Hij is een baken in de nacht, hij wijst de haven in de duisternis. Hij zal strijden als een leeuw.

Wie is die ik-figuur? Of misschien eerder: wat is dit voor een figuur? Is dit nog een mens van vlees en bloed? Of is dit eerder een transcendentaal subject? Je zou even aan een geliefde kunnen denken. Die staat immers naast je (en uiteraard in en niet door de regen en de wind, maar juist daarover maak ik me hier niet druk). Maar die waakt niet terwijl jij slaapt. Je zou wel kunnen denken aan een vader of een moeder. Die waakt immers vaak wel over een kind terwijl dat slaapt. Maar de ik-figuur doet zoveel meer. Die zorgt ook voor de verwerkelijking van de dromen en verlangens van de jij-figuur en daarbij lijkt het toch ook om de dromen en verlangens van een volwassene te gaan.

Sterfelijke god
Er is eigenlijk maar één antwoord mogelijk: de ik-figuur is een godheid. Hij heeft in ieder geval goddelijke vermogens. Laat ik er maar bij zeggen dat ik dat niet helemaal zelf bedacht heb. Al voor ik de tekst van het lied gelezen had of in ieder geval goed gelezen had – dat weet ik niet precies meer – had ik een tweet van Matthijs Schuurman gelezen: ‘Dat #koningslied is een typisch voorbeeld van postmoderne religiositeit. De ‘ik’ neemt de taak/rol van God over.’ Ik kon het lied niet meer onbevangen lezen zonder van die interpretatie weet te hebben. Maar ze lijkt me ook in hoge mate op te gaan. Ik kan alleen maar gokken dat het me anders ook opgevallen zou zijn, omdat het eigenlijk onmogelijk is dit niet te zien.

Dit is taal en dit is beeldspraak die zo aan de psalmen doet denken – en volgens sommigen ook aan opwekkingsliederen van magere kwaliteit, maar dat is dan weer een genre dat ik niet erg ken. Ook God is vaak een vader, die zorgt draagt voor zijn kinderen. ‘Zie, de Bewaarder van Israël zal niet sluimeren of slapen’, zegt het pelgrimslied dat Psalm 121 is. En net ervoor verzekert de tekst dat God de voet van de pelgrim niet zal laten wankelen. Vergelijk dat met het meelopen met of het naast de jij-figuur staan. De ik-figuur in het lied zal strijden als een leeuw, ‘tot het jou aan niets ontbreekt’. Zet daar de bekende woorden uit Psalm 23 eens naast: ‘De HEERE is mijn Herder, mij ontbreekt niets.’ En zo kan men doorgaan en voor elk element – tot aan de storm die Jezus stilt, aan toe – wel een parallel vinden. De teneur is duidelijk. De ik-figuur neemt inderdaad een goddelijke, vaderlijke, beschermende rol op zich. Maar het is en blijft wel een sterfelijke god. Het eerste en derde vers van dit bemoedigende deel eindigt met de woorden ‘zo lang als ik leef’. Het houdt een keer op.

Volgens de durkheimiaanse opvatting komt religie voort uit de gemeenschap. De waarden die de gemeenschap celebreert, overstijgen het individu en krijgen in het sociale proces een hogere status dan elk lid van de gemeenschap. Menselijk samenleven, dat een talig met elkaar leven is, schept vanzelf sociale feiten en zo moraal en transcendentaliteit. In die lijn zou men de ik-figuur hier als zo’n bovenpersoonlijk individu kunnen zien, als de natie misschien. Die overleeft individuele mensen immers wel, maar zal toch ooit sterven, zoals dat met volkeren pleegt te gaan. Opgaan, blinken en verzinken.

Kind
En de jij-figuur? Kan dat nog steeds de nieuwe koning zijn? Veel heeft hij in ieder geval niet meer in de melk te brokkelen. Had hij in de inleiding nog stappen gezet en zich voorbereid, het enige wat hij vanaf dit ogenblik nog kan, is dromen en verlangen. Én de weg kwijtraken (hier verliezen geheten). Verder is hij vooral een object van zorg. Zelfs zijn eigen dromen kan hij niet verwezenlijken. De ik-figuur zal die voor hem waar maken. En die zal hem de weg wijzen en voor hem strijden.

Als dit nog over de koning gaat, dan rijst hier zo ongeveer het omgekeerde beeld op van de historische koning zoals die nog in de inhuldigingseed, waar ik het in mijn vorige stukje al over had, opgeroepen wordt. Die vervult immers eerder de rol van de goddelijk aandoende ik-figuur en regeert daarom vanouds ook bij de gratie Gods. Die koning zal de onafhankelijkheid en het grondgebied van het koninkrijk met al zijn vermogen verdedigen en bewaren, de vrijheid en de rechten beschermen en de welvaart in standhouden en bevorderen. Maar dat de koning in dit koningslied ineens de ‘ik’ zou zijn, lijkt toch geen waarschijnlijke interpretatie.

Maar als het de jij-figuur is, dan is het wel een zeer zwakke koning geworden, een beetje een kind, in ieder geval in verhouding tot de ik-figuur, of die nu wel of niet voor de natie staat. En dat is ook wel een beeld dat we vandaag de dag herkennen. Als de koningin iets opvallends zei, waren er al snel lieden die zich afvroegen of ze dat wel ‘mocht’ zeggen. Hoewel dat nooit de bedoeling van de grondwettelijke onschendbaarheid kan zijn, heerst tegenwoordig toch enigszins het beeld van de koning als iemand die onder curatele staat, een soms wat meelijwekkende figuur. Zeker is in ieder geval dat leiderschap hier wel echt dienen is geworden. De historische rol is sterk omgedraaid. En daarmee ook iets nieuws en ongekends geworden. Dat leent zich trouwens ook wel weer voor meer inhoudelijke beschouwing, zoals Dorien Pessers liet zien toen ze de hedendaagse koning in een bijzondere beschouwing als het symbool voor beroepsethiek tekende.

Relationaliteit
Maar misschien gaat het hier niet meer over de koning, maar gaat dit over ons allen. En wellicht herkennen we ons in beide rollen. Soms zijn we de jij-figuur die bescherming nodig heeft. En soms voegen we ons onder de transcendentale ik-figuur die samen met een ander meeloopt. Dit is een lied dat over relaties en relationaliteit gaat: ik en jij, jij en ik. Dit is een wereld die uit zuivere menselijkheid bestaat. De beelden tonen vooral uit mensen in een stedelijke omgeving – Rotterdam en Amsterdam in ieder geval. Dit gaat over een wereld die primair door mensen bevolkt wordt. Weidse landschappen, Nederland, zien we niet. Mensen, mensen en nog eens mensen.

Substantieven, bakens van vastigheid, spelen in het lied een ondergeschikte rol. Alleen het moment, de dag, de stappen, de taak, het leven, het hart en de dromen moet je vrij letterlijk nemen, al zijn dat juist niet de meest concrete aanduidingen. De rest, de regen, de wind en de storm, de weg, de haven en het baken, de nacht en de duisternis en niet te vergeten de leeuw, behoort, hoewel merendeels omschrijvingen van concretere zaken, allemaal tot de beeldspraak. Juist daarom.

Dit gaat over een wereld van mensen en van mensen die gelijk zijn en die elkaar net als in het liedje dus tutoyeren. Het aardige is dat de ‘maar liefst’ vijftig artiesten ook op voornaam geordend zijn, zodat Willeke Albert nu eens op de een na laatste plaats eindigt, de drumband KalentuRa onder de D staat en Frans de achternaam wordt van iemand die van voren Lange blijkt te heten. Wij zijn allemaal gelijk en als de koning al anders is, dan vooral omdat hij in bescherming genomen dient te worden. Maar misschien gaat dit al lang niet meer over hem en blijkt hij gewoon een van ons te zijn die zich in de gevoelens van je beschermd te weten en bescherming te bieden kan herkennen. Dit gaat over ons allen.

Rap
In vergelijking hiermee lijken de twee rapteksten, hoewel die dan de jongerencultuur heten te vertegenwoordigen, veel traditioneler. Om maar wat te noemen: je komt zelfs pogingen tot rijm tegen, iets dat in het meezinglied volkomen afwezig is. Of geluid en vooruit en staan, bestaan en vandaan in het eerste couplet als rijm bedoeld zijn, weet ik niet zeker. Maar in het tweede vers is toch een duidelijke poging gedaan: wij, zij, wijken, dijken, midden, bidden, eten, weten, winnen, beginnen en elkaar dat precies bij elkaar blijkt te passen.

Een strijd, twee levens
We staan voor elkaar, niet te breken
Een vlag, twee leeuwen
Met elkaar in de zon en de regen
Zij aan zij, borst vooruit
Trots als een pauw, dit is ons geluid
En hoe klein we ook zijn
Onze daden zijn groot
Gaan niet onderuit
Voor jou, mijn kind
Voor m’n pa, voor m’n ma
Loop voor jou door de wind en regen
En zal achter je blijven staan
Ik draag een vaandel met jouw naam
Geloof in jou zolang we bestaan
Ik bouw een dijk met m’n blote handen
En hou het water bij jou vandaan

De W van Willem
Drie vingers in de lucht, kom op, kom op
De W van Willem is de W van wij
Heel Oranje staat zij aan zij
De W van water waar we niet voor wijken
We leggen het droog en we bouwen dijken
De W van welkom in ons midden
Tot welke God je ook moge bidden
De W van Willem
De W van wakker, stamppot eten
Miljoenen coaches die beter weten
De W van altijd willen winnen
Wat het ook is waar wij aan beginnen
De W van wij zijn een met elkaar
Met de schouders naast elkaar
En dus roepen we vandaag van

Niet dat hier alles duidelijk is. Van wie zijn die twee levens? Van de jij en de ik? Of van de koning en zijn echtgenote? Wie zijn de twee leeuwen? Beoogt de tekst bij het voorgaande aan te sluiten, zoals ie aan het eind ook naar de hoofdtekst terugverwijst, of niet? Maar een verschil is er wel: hier wordt veel onbekommerder over een ‘wij’ gesproken. Dit gaat meer over het Nederlandse volk in traditionele termen, inclusief de verwijzing naar Piet Heijn, wiens daden gelijk bekend groot benne. En hier wordt de nieuwe koning ook bij zijn naam genoemd. Hier wordt God ook rechtstreeks genoemd en op een wijze die er tegelijk wel toe doet – bidden is kennelijk de norm – en ook weer niet – want het maakt niet uit tot wie je bidt.

Het is 2013
Er mag dan veel af te dingen zijn op het lied, het is wel degelijk een teken van deze tijd. En het is ook veel bijdetijdser dan velen waarschijnlijk beseffen en het schurkt ook veel dichter tegen de normatieve hogere cultuur aan dan menigeen kennelijk wil weten. Misschien juist daarom de ietwat overtrokken reacties. Komt het in alle kitscherigheid niet te dichtbij?

Denk eens even terug. Was een dergelijke tekst denkbaar geweest in 1898 (Wilhelmina) of 1948 (Juliana)? Nou nee. Alleen al niet omdat ie niet rijmde. Tuurlijk, rijmloze gedichten in de volkstaal waren misschien niet volkomen onbekend, nooit niet, maar een lied, dat hoorde toch echt fatsoenlijk op rijm gezet te zijn. Had het in 1980 (Beatrix) gekund? Wie weet. Rijmloos dichtwerk was inmiddels vrijwel de norm, maar was die norm al doorgedrongen tot de Top 40? En dan vooral de onbepaaldheid en de meerduidigheid. Amusement was in 1980 zeker niet verhevener en mogelijk zelfs platter, maar zou een populair bedoelde tekst niet eenduidiger geweest zijn?

Kortom, deze tekst vertoont, juist ook in al zijn minimalistische soberheid en afwezigheid van traditionele retoriek, alle trekken van hedendaags hoger cultuurgoed, al zou dat, zoals dat gaat, wel eens flink gedaald kunnen zijn. En wat me wel helder lijkt, de artiesten die meedoen, doen dat vanuit een oprecht gevoel. Ze doen in ieder geval hun best zo goed mogelijk te zingen. De melodie mag dan geen echte meezinger zijn, het klinkt toch ook weer niet veel slechter dan we anders op de radio plegen te horen. En natuurlijk, onmiddellijk mee eens, oprechtheid of je best doen is geen enkele borg voor kwaliteit. Maar het is wel iets anders dan veel van het gemakkelijke dedain waarmee het lied bejegend werd.

Tollens
En ja hoor, ik heb ook meegedaan met de vrolijkheid. Ik tweette vrijdag bijvoorbeeld: ‘Hadden we Hendrik Tollens nog maar. #koningslied’. Ik had toen eigenlijk niets specifieks op het oog. Hendrik Tollens (1780-1856), verffabrikant te Rotterdam, was de dichter van ‘Wien Neerlands bloed in de aders vloeit’ – ja, er staat in en aders en op de tweede E in in de landsnaam ontbreekt de accent circonflexe, goed dat ze toen geen P&W hadden – het lied dat in 1816 een van de winnende inzendingen werd van de prijsvraag die admiraal Jan Hendrik van Kinsbergen – in Elburg vindt men zijn woning nog – in 1816 uitschreef voor een volkslied en dat ook lange tijd enigszins zo gefungeerd lijkt te hebben.

Tollens

Hendrik Tollens (1780-1856) Caroluszoon door Hendrik Willem Caspari (tekening) en
Philippus Velijn (gravure) (1820)

Tollens, een verlicht man, die van katholiek remonstrant werd en die zoals veel overtuigende republikeinen destijds de nieuwe monarchie van harte zou dienen, maakte de eerste drie Willems mee. En hij schreef verschillende liederen bij koninklijke gelegen­heden, of het nu ging om de geboorte van de jonge prins, de latere Willem III, in 1817, de negenenvijftigste verjaardag van Willem I in 1831 of om het plotse overlijden van Willem II in 1849, toen diens zoon hem vroeg een speciaal gedicht op ‘’s Konings begrafenis’ te schrijven, wat hem ook in een dag lukte.

Maar ik keek nu nog eens even naar zijn Bij de verheffing van Zijne Koninklijke Hoogheid Willem Frederik, Prins van Oranje en Nassau, op den troon der Nederlanden. Lierzang uit 1815. Dat gaat immers ook over een nieuwe koning. En jazeker, het is een heel ander soort werk, 939 woorden, dus bijna een keer zo lang, maar ook heel anders van toon. Dat natuurlijk ook omdat het om een andere gebeurtenis ging. Het lied gaat dan ook allereerst over Nederland en dan pas over de nieuwe vorst.

‘Rijs op, te lang in smaad bedolven,
ô Neêrland, rijs uit slijk en puin!
Verhef, van uit het graf der golven,
De laag- de langvertrapte kruin.
Stijg op, verwonder nogmaals de aarde!
Blink uit in nooitbereikte waarde:
De louterproef is doorgestaan.
Hoe heerlijk eens in glans gezeten,
Hoe smaadlijk uit uw’ rang versmeten,
Een nooitgeziene dag breek aan!’

De verrassing, althans voor ons, komt pas aan het begin van de tweede strofe. Daar blijkt het ineens de Godheid te zijn die aldus sprak. ‘De aarde knielde. En boog voor ’t wonder raadsbesluit’. De dichter wist wel erg veel. God heeft Nederland doen verrijzen. En dan pas komt dus de nieuwe koning, wiens koningschap in die vorm pas na Napoléon en het einde dat die aan het al dan niet heilige Romeinse Rijk met zijn vaste ordeningen maakte, denkbaar was.

Kort in uw schepters en uw kroonen,
Schuift op, ô Vorsten, met uw troonen:
Want NASSAU zet zich naast u neêr.

Toch vinden we de thematiek van hulpeloosheid en bescherming, dat zo sterk uit het nieuwe koningslied spreekt, ook hier wel degelijk, Nederland was er destijds, althans tot voor kort, immers slecht aan toe:

Helaas, gelijk door barre streken
Een kudde zonder herder graast,
En afdoolt, uit elkaar geweken,
Waar wolf en roofgier huilt en aast:
Helaas, zoo blind van een gescheiden,
Verstrooiden we ons, onnooslen, beiden,
Voor roepstem en vermanen doof,
Tot wolven, op ons afgezonden,
Ons herderloos en weerloos vonden
En grepen tot hunn’ martelroof.

Maar toen kwam de verlossing:

God lof! dat leed is doorgestreden!
De Algoedheid zag genadig neêr:
De herder, haar zoo luid gebeden,
Verzamelt wat verdoold is weêr.
Hij komt, hij komt, van God gegeven!
Zijn bijstand heeft de plaag verdreven,
Zijn deernis droogt de tranen af:
Het vorstenbloed doorstroom’ zijn aren,
De koningskroon bedekk’ zijn haren,
Zijn schepter is een herdersstaf.

o Koning! Herder! Vorst en Vader,
Geliefd door uw vereend gezin!
Het treedt uw’ troon vrijmoedig nader:
Uw aanblik stort vertrouwen in.
Het zwaait niet, in het stof gezegen,
Een’ afgepersten lof u tegen,
Maar kinderlijke eerbiedenis;
Het brengt geen walglijke offeranden,
Maar d’eendragtseed in ’s vaders handen,
Als offer, dat hem waardig is.

Hier zijn de verhoudingen nog helder. Hier is de koning nog de herder, die bescherming biedt. Maar vooral hij is de vader over een huisgezin. Hij is geen despoot en van ‘walgelijke offeranden’ moet de dichter niets hebben.

Verbond
Er is de laatste weken op gewezen dat de inhuldigingsplechtigheid terugverwijst naar de middeleeuwse blijde inkomste en naar de daarbij aansluitende formuleringen uit het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581: dat een vorst of prins er ter wille van zijn ‘ondersaten’ is, ‘sonder dewelcke hy egeen Prince en is, om deselve met recht ende redene te regeeren ende voor te staen ende lief te hebben als een vader zijne kinderen ende een herder zijne schapen, die zijn lijf ende leven set om deslve te bewaren’. Geen denkbeeldige, niet ongedaan te maken maatschappelijke verbintenis, een sociaal contract dus, tussen alle burgers die het rijk van de natuur definitief achter zich laten, een vroegmodern idee uit de tijd van het absolutisme, dat vervolgens op allerlei, vaak tegenstrijdige wijzen werd uitgewerkt en waar de grondwet van 1798 met zijn ‘maatschappelijke vereeniging‘ nog vanuit ging, maar een concreet verbond tussen de vorst en zijn volk, dat door dat volk ook opgezegd kon worden.

Bijna twee eeuwen later zijn de verhoudingen niet meer zo helder. We hebben een koningslied of hadden dat althans heel even, ook dat is nu even onhelder, dat qua taalgebruik simpeler is dan ooit en tegelijk is het niet helemaal duidelijk waar de tekst precies over gaat. We hebben alleen elkaar nog, lijkt de tekst te zeggen. De koning is zwak. Hij is geen herder of vader meer. En ook wij zijn zwak, want wij lijken op hem, en zonder andere mensen, een collectief ‘ik’ redden we het niet. Maar dat lied zegt, wat men verder ook op de kwaliteit van tekst of muziek aan te merken moge hebben, dus wel degelijk iets. Over ons. Wij hebben een verbond, niet met een vader boven ons, maar met elkaar. Geen voorwaardelijk verbond met een vorst, maar een onherroepelijk sociaal contract. En de koning, die nemen we in al zijn zwakheid in ons midden op.

Het gaat hier inderdaad om een durkheimiaanse vorm van religie: dat wat de gemeenschap bindt, levert een ‘burgerlijke godsdienst’ op, een term die J.-J. Rousseau in zijn werk over, uiteraard, het maatschappelijk verdrag, Du contrat social (1762), muntte, maar daar nogal activistisch – en overigens ook niet overmatig tolerant: meedoen of wegwezen – omschreef en die later door sociologen, met Robert N. Bellah als bekendste, is omgezet in het veel feitelijkere en analytisch bruikbaardere begrip civil religion. Het koningslied is daar een uiting van, van de hedendaagse vorm waarin die bestaat: jij en ik, we hebben alleen elkaar.

En alleen een sterfelijke god kan bescherming bieden. Zolang hij leeft.

Naschrift (maandag 22 april 2013, 18.55 en 20.45 uur)
Zoals ik in de eerste alinea al min of meer verwachtte, wordt het koningslied toch gewoon uitgevoerd. De componist had het dan wel ‘teruggetrokken’, maar het Nationaal Comité Inhuldiging had officieel, op de eigen website, nog niets van zich laten horen, zoals ik al schreef. Vanmiddag liet het, onder meer via Twitter, weten dat het lied gewoon uitgevoerd wordt. Als ik het bovenstaande stuk of iets eerder of iets later geplaatst had, had ik me nogal wat zinnen kunnen besparen, maar ik ga nu niet herschrijven.

Mijn stuk trok ook de aandacht van Robin de Wever, die er voor de website van Trouw een aardig artikel over maakte onder de titel ‘Het koningslied zegt meer over hoge cultuur dan we willen toegeven‘. Het gaat hier overigens over een aspect, de verhouding tussen hogere en lagere cultuur en dan vooral de vraag hoe het lied in dat verband geplaatst moet worden, waar ik nog niet helemaal uit ben.

Men kan zich uiteraard afvragen of ik niet te veel maak van een toch vrij beperkte tekst. Maar het feit blijft nu eenmaal dat tientallen mensen met inzet aan het lied gewerkt hebben en dat heel veel andere mensen uitvoerig en soms heftig reageerden op het lied. Dan gaat het in feite vanzelf ergens over. Zelf valt me op dat ik in het bovenstaande de nadruk wel erg op de zwakheid van de toegesproken koning gelegd heb, als hij tenminste de aangesproken jij-figuur is en tot het eind toe blijft. Ik had natuurlijk ook meer nadruk kunnen leggen op een mogelijke vereenzelviging met de toch wel erg krachtige ik-figuur. Het punt blijft, zoals ik ook schrijf, dat de beelden in de clip vooral individuen tonen, zelfbewuste mensen. Die hebben anderen nodig, maar die stralen ook kracht uit. Dat aspect komt hierboven minder uit de verf.

Daarbij aansluitend is er nog een andere interpretatie mogelijk die bijvoorbeeld uitgesproken wordt in deze tweet van Caspar: ‘Wat mensen vroeger van God verwachtten, lijkt in het beruchte #koningslied op sentimentele wijze op de koning te worden geprojecteerd’. In de kern wordt daarin hetzelfde gezegd als in de hierboven aangehaalde tweet van Matthijs Schuurman: dat de ‘ik’ voor de rol van God staat. Maar er is een verschil. In deze interpretatie wordt die rol nu door de koning ingenomen. Daar zou je inderdaad aan kunnen denken, maar het probleem blijft dan wel dat het perspectief ondertussen wijzigt. De koning zou dan van aangesprokene in het begin tot actor iets verderop – de laatste drie, herhaalde strofes – worden. Onmogelijk is dat trouwens niet per se.

Kortom, mijn ‘analyse’ had nog veel uitvoeriger kunnen zijn. Dat vloeit ook voort uit de meerduidigheid van de tekst, hoezeer die ook uit o zo simpele zinnen is opgebouwd.  Je weet als hoorder niet goed wie wie is. Daarin zit het hedendaagse aspect en ook de situering tussen lagere en hogere cultuur.

(86)

2 reacties to “Een sterfelijke god – Over het koningslied en ook nog even over Tollens”

  1. Heel lezenswaardig artikel. Het bevestigt mijn vermoeden dat de overtrokken kritiek een verhulde aanval is op de inhoud. Verlicht Nederland dacht klaar te zijn met hoop, onvoorwaardelijkheid en grote beelden, ontleend aan de religie. En nu blijkt het springlevend te zijn. Meer levend in ieder geval dan het zure azijnpissen dat we hebben mogen aanschouwen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: