De koning en onze welvaart – Nog eens over de inhuldigingseed

door Jan Dirk Snel

Het zijn er dus twaalf geworden.

Negen leden van de Eerste Kamer – Margreet de BoerAdri Duivesteijn, Ruard Ganzevoort, Niko Koffeman, Ruud Koole, Kees de Lange, Geert Reuten, Tineke Strik en Janny Vlietstra – en drie van de Tweede Kamer – Esther Ouwehand, Marianne Thieme en Linda Voortman – hebben te kennen gegeven dat ze bij de inhuldiging van de nieuwe koning op 30 april wel van plan zijn deel te nemen aan de verenigde vergadering van de Staten-Generaal, maar daarbij de wettelijk voorgeschreven eed of belofte niet wensen af te leggen. De ‘ménagerie du roi’ is de Eerste Kamer in ieder geval niet meer.

Daarnaast zijn er ook nog drie leden van de Tweede Kamer – Farhad Bashir, Sadet Karabulut en Manja Smits – die om principiële redenen wegblijven. Een kop als ‘Zestien leden weigeren eed‘ lijkt me dan ook onjuist. Het zijn er slechts twaalf. Wie niet aan de vergadering deelneemt, wordt niet gevraagd een eed af te leggen en weigert dus ook helemaal niets. Het Eerste Kamerlid André Postema is bovendien om andere redenen verhinderd.

Cornelis Kruseman, Portret van Koning Willem II (1849). Senatoren kijken bij elke vergadering op tegen de koning die in 1848 een belangrijke grondwetswijziging doorvoerde.

De koning
Maar laten we eens naar een andere deelnemer aan de plechtigheid kijken, de nieuwe koning, Willem-Alexander. Volgens dezelfde wet als die voor de Kamerleden geldt, moet hij deze eed (of belofte) afleggen:

‘Ik zweer (beloof) aan de volkeren van het Koninkrijk dat Ik het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.
Ik zweer (beloof) dat Ik de onafhankelijkheid en het grondgebied van het Koninkrijk met al Mijn vermogen zal verdedigen en bewaren; dat Ik de vrijheid en de rechten van alle Nederlanders en alle ingezetenen zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de welvaart alle middelen zal aanwenden welke de wetten Mij ter beschikking stellen, zoals een goed en getrouw Koning schuldig is te doen.
Zo waarlijk helpe Mij God almachtig!’

Dat is nogal wat. Laten we het nog eens op ons in laten werken. De nieuwe koning moet onze onafhankelijkheid en ons grondgebied verdedigen, onze vrijheid en onze rechten beschermen en ook nog eens onze welvaart in stand houden én bevorderen. En dat allemaal in zijn eentje, zij het dat hij gelukkig wetten ter beschikking heeft. Daar sta je dan als nieuwe monarch midden in een economische crisis…

Het is in ieder geval heel wat meer dan de eed die de weiger-Kamerleden niet over hun lippen kunnen krijgen. Die hoeven immers alleen maar de onschendbaarheid en de rechten van de koning te handhaven. Dat eerste staat in de Grondwet en hebben ze bij de aanvaarding van hun ambt dus al eens beloofd en ze weten ook dat het alleen om de rechten onder de huidige wetgeving gaat en dat ze die rustig mogen veranderen. De plechtige verklaring bevat ‘geen beperkingen van hun handelingsvrijheid‘. Er staat niets in de eed dat hun geweten ook maar kan belasten en dat ze logischerwijs niet voor hun rekening kunnen nemen.

Nee, dan Willem-Alexander. Die moet de rechten en vrijheid van bijna zeventien miljoen mensen beschermen en dat zou je dan nog als het tegenstuk van de eed of belofte door de vertegenwoordiging van het volk kunnen zien. Maar verder zou het toch niet verbazen als hij op een dag in EenVandaag of Nieuwsuur zou verschijnen en zou verklaren dat de eisen die de eed aan hem stelt, werkelijk zijn vermogens te boven gaan. Onze welvaart handhaven? Hij zou het best willen, maar of dat met die drieprocentsnorm ook lukt? Kortom, als hij net zo dacht als de Kamerleden, zou hij alle reden hebben om te zeggen: ‘Ik kom graag naar de vergadering en laat me ook graag inhuldigen, maar die eed, die gaat me toch echt te ver, laten we dat nu maar eens niet doen…’

Spel
Het zal natuurlijk niet gebeuren. Natuurlijk is de eed van de koning wat archaïsch. Zo letterlijk kun je dat allemaal niet nemen. Maar dat is ook niet de bedoeling. Het gaat om een plechtigheid met een eigen karakter, waarin verleden en toekomst verbonden worden. Oude woorden fungeren binnen een nieuwe context.

En dat is dus het probleem van de weigeraars. Ze zijn te ernstig. Ze doorzien niet dat het een spel is. En ze zijn te frivool. Want ze spelen het spel niet ernstig genoeg.

Naschrift (woensdag 10 april 2013, 15.30 uur)
Enigszins tegen mijn gewoonte in heb ik bovenstaande stukje nu eens beknopt gehouden en er niet nog van alles bijgesleept, maar graag wijs ik hier nog op het stuk van Frits Korthals Altes in de Volkskrant van vandaag, Afleggen eed bij huldiging Willem-Alexander is een wettelijke ambtsplicht. Hij legt daarin ook goed de historische achtergrond uit van de relatie tussen koning en volk die in de eed door de nieuwe koning en de bevestiging door middel van de plechtige verklaring door de vertegenwoordigers van het volk tot uiting komt en die zelfs teruggaat op opvattingen die in het Plakkaat van Verlatinghe verwoord zijn. De weiger-Kamerleden maken zich tot toeschouwers, waar ze deelnemers met een eigen ambtsplicht zijn. Ze hebben in feite een heel antiquarische opvatting van de monarchie: alsof die slechts van één zijde komt.

Tweede Naschrift (vrijdag 12 april 2013, 12.15 uur)
In zijn hiervoor genoemde Volkskrant-artikel wees Frits Korthals Altes erop dat de Wet beëdiging en inhuldiging van de Koning van 1992 zeker niet vergeten kon zijn. In 2010 was ze immers nog eens gewijzigd. En Joop van den Berg sloot zich daar vanmorgen in Trouw in een stuk dat onder de titel ‘Blijf weg uit de Nieuwe Kerk als je de eed niet wilt afleggen’ werd gepubliceerd, nog eens bij aan:

‘Waarom deze drukte er nu over wordt gemaakt, is eigenlijk onbegrijpelijk. Zoals oud-minister Frits Korthals Altes dezer dagen in de Volkskrant liet zien: amper drie jaar geleden is deze formule van inhuldiging voor de zoveelste keer nog eens parlementair bevestigd in het kader van de vernieuwing van de relaties met de Cariben in het Koninkrijk. Met de instemming van al diegenen, die nu ineens principiële bezwaren hebben tegen de eed tijdens de inhuldiging.’

Hij gaf daarbij wel een nieuwe draai aan de opmerking. Waar Korthals Altes betoogt dat de wet zeker niet vergeten was, voegt Van den Berg daar nu de instemming van de weigeraars aan toe. Nu lijkt het me dat het bij een wet als de Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen vooral gaat om technische zaken. Bestaande wetten moeten aan de nieuwe stand van zaken aangepast worden. Ik kan me niet goed voorstellen dat je je dan ook inhoudelijk steeds gaat afvragen of je het met die wetten als zodanig wel eens bent. Het zou de wetgevingsarbeid wel extra gecompliceerd maken.

Maar wat je wel kunt zeggen, is dat leden van de Staten-Generaal de inhuldigingswet minder dan drie jaar geleden in ieder geval nog eens onder ogen gehad hebben. Het bestaan kan hun niet ontgaan zijn. Het leek me wel eens aardig in hoeverre dat ‘al diegenen’ van Van den Berg nu opging. De wet werd in de Tweede Kamer aangenomen op donderdag 15 april 2010. Van de drie weiger-Kamerleden waren Esther Ouwehand en Marianne Thieme toen lid, aanwezig en zij stemden voor. Linda Voortman was op dat ogenblik nog geen Kamerlid. Ook de drie wegblijvers – Farhad Bashir, Sadet Karabulut en Manja Smits – waren die dag overigens aanwezig en ook zij stemden met de overgrote meerderheid voor.

In de Eerste Kamer – de website verschaft een handig overzicht – werd de wet op dinsdag 6 juli 2010 zonder stemming aangenomen. Dat is dus unaniem. Drie van de weigeraars waren toen lid en die dag aanwezig: Niko Koffeman, Geert Reuten en Tineke Strik. Zes weiger-Kamerleden – Margreet de Boer, Adri Duivesteijn, Ruard Ganzevoort, Ruud Koole, Kees de Lange en Janny Vlietstra – waren nog geen lid van de Staten-Generaal. Van hen is alleen Adri Duivesteijn eerder lid van de Staten-Generaal geweest. Joop van de Berg verbaast er zich over dat er meer weigeraars onder de leden van de Eerste Kamer zijn dan onder die van de Tweede – negen van de twaalf, driekwart dus, voeg ik eraan toe – ‘hoewel de Eerste Kamer er altijd prat op gaat haar staatsrecht zo goed te kennen, beter dan de Tweede Kamer’. Maar misschien ligt in de relatieve onervarenheid ook een verklaring dat men het niet zo nodig vindt een ceremoniële verplichting na te komen?

Hoe het ook zij, vijf van de weigeraars hebben de wet in 2010 nog eens onder ogen gehad en toen ingestemd met een wijziging ervan. Zeven weiger-Kamerleden hadden destijds geen zitting in de Staten-Generaal. Maar men hoeft natuurlijk niet alleen maar wetten na te komen die men zelf aangenomen heeft.

(85)

One Trackback to “De koning en onze welvaart – Nog eens over de inhuldigingseed”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: