Archive for oktober, 2012

16 oktober 2012

Duits zelfwantrouwen, de EU en de vrede (IV)

door Jan Dirk Snel

 . 

Deel I van deze vierdelige serie verscheen zaterdag, deel II eergisteren en deel III gisteren.

 .:.

De betrokkenheid bij Europa zal vooral via nationale kaders gezocht moeten worden. Via de nationale politieke arena is de burger namelijk wel degelijk geïnteresseerd. En hoopt hij natuurlijk dat het hoe dan ook goed afloopt. In die zin is veel van het huidige gemopper en geschamper nog steeds een uiting van de vrede die de EU wel degelijk gebracht heeft: de instituties hebben een matigende werking.

Democratie
Ja, het is waar dat veel van de huidige problemen veroorzaakt zijn door al te slordige besluitvorming in de jaren negentig. Ik verwijs nog maar eens naar het stuk van Timothy Garton Ash, die wel het een ander had zien aankomen, maar ook niet alles. Maar tegelijk is het ook waar dat de opgebouwde vreedzame structuren ook de potentie voor oplossingen in zich hebben. En in een land als Nederland, dat nu al ruim tien jaar een losgeslagen indruk maakt en waar gekte en extreme neigingen de publieke discussie al te veel bepalen, mag je maar al te blij zijn dat we ingekaderd zijn in een ruimer internationaal verband waar meer rust en beheerstheid heerst.

Charles de Gaulle en Konrad Adenauer in 1963 (Bron: Bundesarchiv, Wikipedia

Maar er heerst een andere misvatting die ook schadelijk is. Er heerst in Nederland, waarschijnlijk mede ten gevolge van gebrekkig onderwijs in staatsrecht en politieke filosofie, een uiterst overspannen en onrealistische opvatting van democratie. Alsof het daarbij vooral om een wilsuiting zou gaan. Op Twitter zie ik dat vaak, veel te vaak: er zijn mensen die echt denken dat democratie draait om wat zij willen. Hun wil is wet. Hoe zich dat alleen in eigen land, met nog zo’n twaalf miljoen andere stemgerechtigden, laat verklaren, is een vraagstuk waar ze kennelijk liever niet over nadenken, laat staan wat die wil nog betekent in een publieke ruimte van 500 miljoen mensen met evenveel wensen.

Democratie een onderdeel, een klein onderdeel, maar wel een heel essentieel, van een rechtsstatelijke orde. Het gaat om een publieke rechtsorde, waarin recht heerst, en orde – ja, het gesmade law and order – waarin het veilig en goed leven is, waarin instellingen functioneren en vrijheid gewaarborgd wordt. En democratie is een belangrijke bijdrage aan de verwezenlijking van die orde.

Legitimiteit
Veel belangrijker dan miljoenen wilsuitingen is daarom vanouds de legitimiteit van de rechtsorde, die zich uit in passieve aanvaarding en actieve instemming. Het gaat om het vertrouwen dat de bestaande orde goed is. Dat is een belangrijk punt. En daar heeft de EU een probleem, dat we echter niet moeten overschatten. De wezenlijke trekken van de publieke orde in Europa, ook de grensoverschrijdende en bovennationale, worden namelijk wel degelijk aanvaard. Wie goed kijkt naar het huidige geschamper, merkt zelfs dat die als vanzelfsprekend aanvaard worden.

Men vindt wat historisch helemaal niet zo gebruikelijk is, inmiddels zo gewoon dat men er niet eens meer op let. Veel van de kritiek komt voort uit overspannen verwachtingen en onrealistische denkbeelden. Maar ondertussen is ook die houding niet zonder invloed. Men zal er dus rekening mee moeten houden en er op in moeten spelen. Ik ga nu niet gedetailleerd uiteenzetten hoe dat zou moeten, maar het lijkt me dat de traditionele nationale kaders de meest aangewezen weg vormen.

Het is goed dat de Nobelprijs het veronachtzaamde nog eens in het daglicht plaatste. Ja, de EU heeft een vreedzaam kader voor mensen en hun nationale communicatiegemeenschappen gevormd gedurende meer dan zestig jaar. En het is goed daar nog eens bij stil te staan. Maar het is tevens duidelijk dat het verhaal van de vrede, het beroep daarop, niet werkt als het gaat om de vraag wat er nú te doen staat.

Dat viel ook op tijdens het referendum over de zogenaamde Europese Grondwet in 2005. Op het laatste moment gingen toen wat bewindslieden met dit verhaal de straat op, maar ze wisten niet te overtuigen. Ze hadden historisch gelijk, maar de verwijzing naar de vrede maakte niet duidelijk waarom dat specifieke grondwettelijk verdrag nu zo nodig of zo heilzaam was. Dan zal men toch met argumenten moeten komen die daarover gaan. En zo zal men nu ook duidelijk moeten maken waarom een nadere versteviging van de unie in politieke vorm noodzakelijk is om de crisis rond de euro en de banken aan te pakken. Problemen benoemen en concrete oplossingen aandragen is het enige dat dan werkt.

Symbolisch
Het lijkt er nu misschien op dat de Nobelprijs voor de EU de tegenzin alleen maar vergroot. Men laat zich het cynisme en het schamperen niet graag afpakken, want in de welvaart van een land als Nederlands geldt mopperen als de ultieme uiting van vrijheid en autonomie. Ik denk dat het schijn is. Tegenover het verhaal van de vrede en de vrijheid waar de EU mede aan bijdroeg, niet als enige natuurlijk, weet men uiteindelijk weinig te stellen. Eronder zal het besef dat men zijn zegeningen moet tellen, echt wel doordringen, ook al zal men dat niet snel toegeven. Men weet het ondertussen best.

Natuurlijk is de toekenning een Nobelprijs slechts een symbolisch gebaar. Sommigen vinden het geen goed idee die aan een organisatie toe te kennen, een persoon was aansprekender geweest, zeggen ze. Daar zit wat in. Sommigen noemen dan Jacques Delors, de voorzitter die in 1985 vaart achter de voltooiing van de gemeenschappelijke markt zette. Overtuigender was waarschijnlijk Helmut Kohl geweest. Maar die was terecht verguld met deze beslissing. Als François Mitterand nog geleefd had, had de prijs (mede) naar hem en Kohl samen kunnen gaan.

Opgemerkt moet bovendien worden dat dit al de vierentwintigste keer is dat de prijs aan een organisatie toegekend werd. Al vanaf 1904, toen het Institut de droit international in Gent de prijs kreeg, is dit een traditie: de organisatie heeft het keurig op een rijtje gezet.

Dankbaar
De reacties in Nederland, die ik veelal als lichtzinnig ervaar, als een uiting van hedendaagse decadentie, hebben me niet onberoerd gelaten. Vandaar dit lange stuk in vier delen. Ze maken me soms een beetje bang, die schampere reacties, maar uiteindelijk hoop ik dat de nuchtere waardering van het bereikte de overhand zal krijgen. Wat ik vooral ook wilde laten zien, is dat je dankbaar kunt zijn voor wat er bereikt is, zonder in overspannen verwachtingen te vervallen. De grootheid van de EU ligt in haar onbepaaldheid en nieuwheid.

Ik geloof niet in méér bovennationale Europese democratie, in meer bevoegdheden voor het Europees Parlement in de huidige gedaante – misschien wel in andere vorm, maar dat moet ik dan later misschien nog maar eens uitleggen. Ik denk dat de toekomst van de EU ligt in wat ze nu al is: gemeenschap van staten en van naties. Het was Charles de Gaulle, een Frans patriot, die tegelijk een groot Europeaan was, die de pers op een dag verraste met de opmerking dat hij nooit over een Europe des patries, een Europa van de vaderlanden, gesproken had, maar die daarbij wel opmerkte dat Europa werd gebouwd op de staten.

Zo is het  nog steeds. Staten werken in vrede samen. En daarvoor heeft de EU terecht waardering gekregen en het is iets om dankbaar voor te zijn. Laten we dat gegeven erkennen. En laten we het er daarna over hebben over hoe het nu verder moet.

Dit was het laatste deel van een vierdelige serie.

(76)

15 oktober 2012

Duits zelfwantrouwen, de EU en de vrede (III)

door Jan Dirk Snel

.

Deel I van deze vierdelige serie verscheen eergisteren, deel II gisteren.

 .:.

Het is verstandig om functies en werkzaamheden te scheiden en samenwerkingsverbanden pragmatisch in te richten. Daarom is het, denk ik, een gelukkige gang van zaken geweest dat de EU en haar voorlopers en de NAVO verschillende verbanden zijn en dat er geen West-Europese defensieorganisatie tot stand is gekomen. Ik zie bijvoorbeeld ook niet zo goed in waarom de EU, die echt geen staat is en ook niet op een federale staat lijkt, een uitvoerig eensgezind buitenlands beleid zou moeten hebben. Ook dat kan zich beperken tot een aantal zaken die met de werkelijke functie van de unie samenhangen.

 –

Rommelig
Het is misschien ook wel mooi dat er ook binnen de samenwerking in de EU weer allerlei verschillende landencombinaties zijn. Schengen is weer een afzonderlijk verdrag en ook aan de euro doen niet alle landen mee. Juist die rommeligheid is de kracht van de Europese samenwerking. Het is ook wat mensen soms verwart. Ik herinner me een lezing van Abram de Swaan een paar jaar geleden die klaagde over de ‘onafheid’ van de EU. Het is geen staat, de EU past niet in een gangbaar hokje. Maar je zou er ook de grootsheid in kunnen zien. Dat het misschien niet zo duidelijk is wie de prijs straks moet ophalen, zou je ook het unieke van de unie kunnen noemen.

.

Hier ontstaat iets nieuws, zoals uit privaatrechtelijke beheerde staten, waar de vorst de dienst uitmaakte en aan andere koningen of heersers de oorlog verklaarde en niet aan landen en staten, de publiekrechtelijk ingerichte staten ontstonden, die door een eigen algemeen belang, dat van de res publica, beheerst worden. Of zoals er uit heerschappij in de vorm van persoonlijke relaties – de feodaliteit – waarbij de ruimte in feite buiten beschouwing bleef, zolang die niet deels privaat bezit was – middeleeuwse heerlijke bezittingen lagen kriskras door elkaar – de territoriale staat met zelfs afgesloten grenzen ontstond, die uiteindelijk vaak een natiestaat werd – omdat óf de staat een natie schiep óf de natie een staat verwierf.

De EU is geen vergrote natiestaat zoals de VS dat in zekere zin wel is. Het is iets nieuws en we weten niet wat er van wordt. Er is geen einddoel. Er is vaak wel te weinig verbeeldingskracht bij het denken daarover.

Instituties
Je hoeft geen verblind eurofiel te zijn om dankbaar te zijn voor het goede dat de EU en haar voorlopers ons gebracht heeft. En vrede was daarbij wel degelijk een groot goed. Vrede ontstaat niet alleen door de oorlog te beëindigen en een vredesverdrag te ondertekenen. Vrede moet je ook onderhouden en daarvoor zijn instituties nodig. Niets vormt in het menselijk leven een definitieve garantie, maar het is een groot goed dat we ons althans voorlopig niet af hoeven te vragen wanneer de volgende Frans-Duitse oorlog uitbreekt, dat we in Nederland niet bang hoeven te zijn voor een inval vanaf de oostgrens, of dat we bij mogelijk gesteggel met België over de Westerschelde of een polder die al dan niet onder water moet, niet bang hoeven te zijn voor gewapende schermutselingen. Vroeger was dat wel anders.

De EU is een van de factoren, er zijn allerlei vormen van internationale samenwerking – ook de veel gesmade VN heeft trouwens de Nobelprijs gehad, in 2001 – maar het is wel een bestendige factor in het geheel. Beseffen mensen nog wel dat het historisch absoluut niet vanzelfsprekend is dat bij het huidige gedoe de vraag naar onderling geweld helemaal niet aan de orde komt? Veel meer dan een goede beveiliging bij een bezoek van Merkel aan Athene is er niet aan de orde.

Eenheid
Eeuwenlang vormde het Latijnse Europa geestelijk een eenheid. Erasmus reisde van Engeland naar Italië en bewoog zich op en neer tussen Leuven, Freiburg en Bazel. Eeuwenlang bestond de Republiek der Letteren en communiceerden geleerden in het Latijn en later het Frans met elkaar. Eeuwenlang huwden vorstenhuizen met elkaar. Koningin Victoria had haar familie zo ongeveer over het hele continent verspreid.

Maar het voorkwam niet dat de koningen en later de staten elkaar voortdurend in de haren vlogen en grote legermachten van nu onvoorstelbare omvang op elkaar afstuurden: denk alleen al eens aan de meer dan honderdduizend soldaten die namens Nederland en Engeland tijdens de Spaanse Successieoorlog het huidige België jarenlang teisterden en over dorpen, landschappen en steden heenwalsten alsof het niks was. Vrede vergt instituties: raamwerken voor vreedzame samenwerking. En die kun je snel kapotmaken, maar de opbouw kost vele jaren van samenwerking en overleg.

De EU maakt momenteel een crisis door. En het vinden van een oplossing gaat moeizaam. Maar men probeert er door overleg uit te komen. Misschien was ik vorig jaar iets te optimistisch dat er aldus, via een merkwaardige dialectische ontwikkeling – je kunt het ook een paradox noemen – toch een zeker Europees publiek ontstaat. De lotgevallen van Grieken, Spanjaarden en Ieren gaan ons aan. We vinden het interessant, meer nog, van belang om te weten hoe men in Finland, Estland of Oostenrijk tegen de zaken aankijkt. Maar tegelijk kijken we ook allemaal vanuit onze eigen nationale kaders tegen de zaken aan en converseren we vanuit zeventien of zevenentwintig nationale kaders met elkaar.

Natiestaten
Dat is een gegeven. Er is niet één Europese publieke ruimte ontstaan en die komt er voorlopig ook niet. Er is wel een zekere Europese lotsgemeenschap tot stand gekomen en juist door de crisis ontwikkelt die zich verder. En de Europese burger reist graag binnen en buiten zijn continent. Maar hij blijft handelen en denken vanuit zijn eigen nationale gemeenschap. Er zijn oppervlakkige lieden die de natiestaat laatdunkend als een achterhaalde uitvinding van de negentiende eeuw betitelen, maar ze vergissen zich.

De natiestaat is nu levendiger dat ooit en dat niet ondanks, maar juist dankzij de gemeenschappelijke Europese ruimte die inmiddels gecreëerd is. Die heeft namelijk de vrede geschapen, mede geschapen, waarbinnen de natiestaat vrij en onbedreigd kan functioneren. Meer dan ooit, veel meer ook dan in voorgaande eeuwen, leven en denken we binnen nationale communicatiegemeenschappen. Niet vermeende politieke soevereiniteit is daarbij het punt, het gaat om de gedeelde culturele ruimte, die meer is dan die van taal alleen: Nederlanders en Vlamingen discussiëren bijvoorbeeld heel weinig met elkaar, zoals Oostenrijkers en Duitsers dat ook niet voortdurend doen. Van natiestaten zijn staten nu dus natiestaten geworden, zou je kunnen zeggen: van de politiek verschoof het accent naar de cultuur in de brede zin van het woord.

Bindingen
En de EU heeft meer mogelijk gemaakt: dat er binnen staten gemeenschappen ontstaan die geen bedreiging voor andere hoeven te vormen. Schotland en Catalonië worden zelfstandiger en België kan zonder al te veel problemen uiteenvallen in een twee – of drie of zelfs vier misschien – afzonderlijke cultuurgemeenschappen. Europa is een Europa van de naties, vaak tenminste, maar het is ook in toenemende mate een Europa van de regio’s geworden. En die ontwikkeling zal voortgaan. Soms zullen die kleinere eenheden min of meer zelf de trekken van een natie verkrijgen, soms ook zullen ze een extra identiteit naast de nationale, ook grensoverschrijdend, worden. Het leven wordt veelkleuriger en gedifferentieerder. Het is een ontwikkeling die de oude persoonlijke bindingen en territoriale identiteiten aanvult.

Als het gaat om betrokkenheid van de burger zullen we vooralsnog uit moeten gaan van de nationale en eventueel regionale bindingen. Daarom word ik ook zo kregel van een betoog als Voor Europa! (Antwerpen 2012) van Daniel Cohn-Bendit en Guy Verhofstadt. Zonder nader onderzoek en zonder op de werkelijkheid te letten, nemen ze voetstoots aan dat de Europese burger bestaat en dat die van alles wil. Het is een rare mengeling van geloof in onvermijdelijkheid – het moet! – en dat dan vooral vanwege de economische positie in de wereld, en van zendingsdrang – Europa is goed voor u!

Met hun zelotisme doen ze Europa geen goed en miskennen ze wat er al allemaal bereikt is. De heren zijn als Rupsje Nooitgenoeg: het is in hun ogen nooit voldoende. Een zakelijker, rustiger aanpak – dit is het probleem, in deze richting kunnen we oplossingen zoeken – is veel overtuigender.

Dit is het derde deel van een vierdelige serie. Morgen volgt het laatste, vierde deel, opnieuw om acht uur ‘s ochtends.

(75)