Duits zelfwantrouwen, de EU en de vrede (I)

door Jan Dirk Snel

.:.

Toen vrijdag bekend werd dat de Nobelprijs voor de Vrede was toegekend aan de Europese Unie, werd die aankondiging met veel geschamper begroet, althans in Nederland.

Duitse rijken
‘s Avonds heb ik een boekje uit de kast gepakt dat de schrijver A. Alberts (Haarlem 1911-Amsterdam 1995) in september 1990 publiceerde. Dat was een maand voor de Duitse hereniging op woensdag 3 oktober 1990. Alberts was een auteur die ik graag las en die mooi karig kon schrijven, geen woord te veel, maar dit boekje had ik ooit wel gekocht, maar nooit gelezen. Alleen de titel doet al een treurige oudedagsaanval van hysterie vermoeden: Op weg naar het zoveelste Reich – en dan dat laatste woord in van die onheilspellende gotische of althans gotiserende letters. (Hitler hield daar trouwens niet van: die voerde het moderne schrift in, maar dit terzijde.)

.

Maar nu ik het eindelijk las, bleek het pamflet van 81 bladzijden mee te vallen. Het is tot bijna aan het einde een schets van de Duitse geschiedenis in hele grote lijnen, rapsodisch, observerend, onevenwichtig vanzelfsprekend, maar zeker niet onaardig. Er klinkt zelfs een zekere liefde voor Duitsland en de Duitse geschiedenis in door. Als je op grond van de titel zou verwachten dat de auteur die al die rijken – aan het ’zoveelste’ moeten er een aantal vooraf zijn gegaan – als een klassiek gevaar of een eeuwenoude bedreiging zag, kom je bedrogen uit. De teneur is eerder dat Duitsland als totaliteit altijd zwak en verdeeld was en voor de Duitse Bond (1815-1866) – een soort Duitse ‘Europese Unie’, zou je nu zeggen – heeft Alberts zelfs een uitgesproken zwak.

Over het Duitse Keizerrijk dat in 1871 in Versailles werd uitgeroepen, zegt de auteur verrassend weinig, maar wel met Jakob Burckhardt dat het ‘liberaal als het wilde zijn, door zijn nationalisme onontkoombaar, een oorlog in Europa moest ontketenen’. Waarom dat nationalisme zo sterk was en waar het uit voortkwam, legt hij dan weer niet uit. Over het Derde Rijk zegt hij in feite niets. Hij behandelt de uitkomst ervan door Todesfüge van Paul Celan te citeren. Maar Alberts merkt ook op dat er over de Holocaust ‘een heleboel’ is geschreven’. ‘Eerlijk is eerlijk: niet in het minst door de Duitsers en met een soms verbijsterende oprechtheid’. Dat getuigt toch op zijn minst niet van een rabiate anti-Duitse opstelling.

Wantrouwen
En toch blijkt dat Alberts het niet vertrouwt. Het geschriftje loopt raar af. Alberts behandelt uitvoerig de zogenaamde Stalin-Noten van 1952, waarin de Sovjet-Russische heerser een verenigd Duitsland aanbood. Hij neemt dat aanbod serieus, de meeste historici doen dat niet: die zien er vooral een tactische zet om verdeeldheid te zaaien in. Wat hij ermee zeggen wil, is ook niet direct duidelijk. En dan eindigt het boekje met wat je niet anders dan onberedeneerd wantrouwen zou kunnen noemen. De toon was trouwens al gezet in de allereerste zinnen, op zich treffend geformuleerd – Alberts was een literator:

‘In de loop van dit jaar zijn ernstige pogingen ondernomen tot een hereniging van de beide Duitslanden, de BRD en de DDR. Zo ernstig dat het er van is gekomen.’

Ernstig vindt hij dat dus, zorgelijk. Maar meer dan een anekdote over een ‘goed gekleed heer’ die voor de Duitse tv ‘op bijna bevelende toon’ – ‘want zo zijn ze ook tegen elkaar’ – beweerde dat het horecabedrijf meer werk moest maken van de Noordzeekust, heeft hij niet te bieden. Zonder enig bewijs denkt Alberts dat de man ook wel eens ‘dat kleine stukje ten oosten van Delfzijl’ zou kunnen hebben bedoeld, jawohl:

‘Maar dit soort voornemens en uitspraken kan men verwachten uit de mond van een geheel Duitsland in een Verenigd Europa.
Een heel Duitsland in een Verenigd Europa. Het is er te groot voor, ook al hebben ze een mark, die zo hard is als graniet. Dat weten ze daarginds natuurlijk ook wel. Ze hebben die hegemonie al vroeger willen bereiken als militair, als politicus, als terrorist. En nu als econoom, een nieuwe gedaante.’

Je zou zeggen, dat is toch al heel wat: economische hegemonie lijkt een stuk minder bedreigend dan militaire. Maar Alberts schrijft: ‘Ze kunnen daarginds niet zonder dat ideaal.’ Eenheid bedoelt hij en hij denkt er kennelijk bij: nationalisme, gevaarlijk nationalisme. Hij had liever een veel zwakker Duitsland gezien, volgens het idee van de Stalin-Noten: een Duitsland ‘geregeerd door de parlementen en ministeries van de drieënveertig Länder en Bezirke in heel Duitsland, stuk voor stuk’.

‘Maar zo zal het niet gaan. Ze willen hun Rijk in één keer, in één stuk, en ze krijgen het.’

Alberts argumenteert niet en zijn betoog is niet zakelijk. Hij overdrijft ook. Maar zijn gevoelen, zijn onberedeneerde wantrouwen was in die dagen, net na de val van de Muur in 1989, nu ook weer niet zo ongewoon. We vonden het ontroerend, dat mensen tussen oost en west weer vrij met elkaar konden omgaan. Bij de val van de Muur heb ik dagen gefascineerd naar het televisiescherm zitten kijken. Maar tegelijk rees bij velen wel degelijk de bange vraag of dat nu wel een goed idee was, een verenigd Duitsland. Zou het niet te groot zijn? Was het niet te bedreigend? Zelfs Ruud Lubbers, toch niet de meest bangelijke figuur, zou je zeggen, uitte zo zijn bedenkingen. Moest dat allemaal wel zo haastig?

Westbindung
Ruim twintig jaar later weten we hoe het verder is gegaan. Duitsland is inderdaad het grootste en economisch sterkste land van de EU, maar het is niet de overheerser geworden die alles dicteert, maar vooral het land waar we in de huidige crisis de oplossing van verwachten. Alle ogen zijn gericht op Angela Merkel, voormalig inwoonster van de DDR. Helmut Kohl volgde met zijn scherp ontwikkelde politiek instinct in die dagen een koers die uit twee met elkaar verbonden elementen bestond: de Duitse eenheid bewerkstelligen én Duitsland nog verder in de Europese Samenwerking ‘inbinden’. En dat heeft hij voortreffelijk gedaan.

Hij volgde daarmee de koers die Konrad Adenauer – tegenover Kurt Schumacher – al ingezet had: die van de Westbindung, die daarna, zo bleek, ook tot het midden en delen van het oosten van Europa uitgebreid kon worden. Ostbindung zou je zeggen, als dat niet wat ongemakkelijk klonk. Alberts beschrijft het zelf in zijn schotschrift. Waarom wees Adenauer het aanbod van Stalin in 1952 af? Omdat hij niets zag in de voorgestelde Duitse Kleinstaaterei van 43 eenheden die federaal nog losser verbonden zouden moeten zijn dan de BRD al was? Nee, omdat hij de ‘eenwording van het Westen’ belangrijker vond.

Alberts schrijft het zelf: Adenauer gaf de voorkeur ‘aan het primaat van het Westelijk bondgenootschap boven dat van een snelle verwezenlijking der Duitse eenheid.’ Zo is het. En toen Helmut Kohl de kans kreeg om die eenheid wél te verwezenlijken, hield hij daarbij nog steeds vast aan die lijn van verbondenheid met de andere landen van West-Europa – waar daarna andere staten mee verbonden konden worden.

Dit is het eerste deel van een vierdelige serie. Meer dan de inleiding is dit nog niet. De komende dagen volgen de overige drie delen, telkens om acht uur ‘s ochtends.

(73)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: