Vietsen in het Vondelpark. II. Waarom fiets wel degelijk van vélocipède komt

door Jan Dirk Snel

.:.

Als het over de herkomst van het woord fiets gaat, valt steeds het jaartal 1886. Dat gebeurt nu in de journalistieke berichten en dat gaat terug op de wat de etymologische woordenboeken melden. De oudste vindplaats die tot dusverre bekend was, komt namelijk uit dat jaar.

De Wageningse smid E.C. Viets werd reeds in 1886 in verband gebracht met de fiets. Correspondent L. van De Kampioen meende dat het woord niet van deze maker van fietsen afgeleid was.

De discussie van 1886
Op woensdag 28 april 1886 bevatte de Arnhemsche Courant het volgende stukje:

‘De spraakmakende gemeente heeft gedaan wat de taalkundige congressen terecht niet hebben aangedurfd. Voor dat pedante vijfsylbige woord, dat boer noch burgerman begrijpt, vélocipède, heeft zij een ander geschapen. Geen vertaling met omzettingen op grammaticalen grond, zooals rijwiel en wielrijder, dat in de gesproken taal ook nog niet wilde wortelen. Neen, zij, die de taal maken, hebben de vélocipède viets gedoopt en dat woord klinkt en staat. Alle wijsgeerige philologische redeneeringen en beschouwingen zullen en kunnen nooit tot de conclusie viets leiden, maar het volk dat van velox noch pes weet, heeft dat snelrollende wielenstel een naam geschonken, kort en eenvoudig en in verband met zijne beweging. Als het woordenboek tot de v zal zijn gekomen, twijfelen wij niet of het zal aan viets de plaats geven, die het dan toekomt.’

Omdat de Arnhemsche Courant op de historischekrantensite van de KB nog maar tot 1850 is opgenomen, citeer ik dit stukje via het nuttige boekje dat Ewoud Sanders, Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord (Den Haag/Antwerpen 1997, 2e editie). (De eerste druk uit 1996 vindt men overigens hier en hier.) Dat boekje vormt bij alle discussies over de herkomst van het woord een onmisbare Fundgrube, die vaak ook de weg biedt naar oorspronkelijke bronnen en dus veel vaker impliciet aanwezig is dan dat het genoemd wordt.

De volgende dag, donderdag 29 april reageerde het Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage (op de KB-site van 1853 tot 1869, dus opnieuw via Sanders) aldus:

‘Misschien begaan we een groote domheid, of verraden onkunde van het Geldersch taaleigen, wanneer wij bezwaar opperen tegen dezen bastaard van vitesse, – en houden ons in dat geval voor terechtwijzing omtrent de herkomst van viets aanbevolen.’

Die oproep had snel resultaat. Al op maandag 3 mei 1886 kon het Haagsche Dagblad, zoals het in de wandeling wel werd genoemd, een reactie opnemen van zijn correspondent, of ‘berichtgever’ te Groenlo. Die schreef dit:

‘Hoewel ik niet kan voldoen aan de uitnoodiging om u aangaande de herkomst van het woord viets (beter fiets), met welken naam men in Arnhem het rijwiel heeft gedoopt, in te lichten, hoop ik u toch te kunnen overtuigen, dat deze benaming, gebezigd door een inwoner van Gelderlands hoofdstad, het begrip van snelheid volgens het Geldersen taaleigen zeer eigenaardig uitdrukt.
Fiets of viets is nl. geen bastaard van vitesse, hoewel volgens het Geldersch patois geen “fiets” zonder snelheid denkbaar is.
Het is de snelheid zonder groot gedruisch.
Zoo doet de bliksem “fiets”, even als de kogel die ons langs de ooren suist en de slag met de zweep door de lucht, zonder knal te veroorzaken. “Fiets” is een klanknabootsend woord, evenals boem bij het schot en rrrt bij het ratelen van den spoortrein. Evenals aan “fiets” dus onafscheidelijk verbonden is het begrip van een minimum van tijd, zoo wordt het zelfstandig-naamwoord, tot hiertoe slechts gebruikt als verkleinwoord: een “fietsken”, alleen gebezigd om een minimum van stof aan te duiden.
Het kleine is niet per se een “fietsken”; maar het groote is het nooit. Alleen een geringe en kleine rest, wat de Duitschers “einen winzig kleinen Theil” noemen, is een “fietsken”, bijv. een klein staartje in een glas.’

Dat ik deze tekst kan citeren, is omdat het Algemeen Handelsblad hem de volgende dag, dinsdag 4 mei 1886, op de voorpagina in de rubriek ‘Allerlei’ citeerde (hier de pdf). En vervolgens werd het bericht uit deze Amsterdamse krant integraal overgenomen in het meinummer (3,5, pagina 68-69) van De Kampioen, het maandblad van het Algemeen Nederlands Wielrijders-Bond (ANWB). Bondsvoorzitter en hoofdredacteur Edo J. Bergsma was er snel bij, want zijn blad verscheen elke maand tussen de zesde en de tiende. Hij voegde er één zinnetje aan toe:

‘Het woord “fiets” was als verkorting van Vélocipède reeds in 1871 in Leeuwarden in gebruik. (Red)

Dit was allemaal bekend, maar wat naar mijn waarneming tot dusverre over het hoofd gezien lijkt te zijn, is dat er twee nummers later, in het juninummer van De Kampioen (3,7, pagina 120) een kort vervolg verscheen:

‘Een onzer correspondenten schrijft ons:
“In een der vorige Kampioen-nummers zag ik eene verklaring van het woord fiets.
Als merkwaardigheid diene, dat een der eerste houten roode wielers geconstrueerd is door den Wageningsche smid Viets.
Ik houd het er echter voor, dat het woord fiets eene verbastering is van het woord velocipède. Hoe dikwijls hoort men niet vieloziepee, viezepee en dergelijke ongeoorloofde verdraaiingen.” L.
Dit laatste komt ons zeer waarschijnlijk voor. Red.’

Vijf vroege verklaringen
Enkele dingen vallen op. Het eerste is dat in deze weinige regels al minstens vier of vijf verklaringen, die soms later weer zullen opduiken, worden opgeworpen en deels meteen terzijde worden geschoven.
(1) De Haagse redacteur denkt aan een afleiding van het woord vitesse. Ook de Arnhemse redacteur dacht al dat de naam van de fiets ‘in verband met zijne beweging’ staat. Maar de Groenlose berichtgever verwerpt die verklaring: fiets is ‘geen bastaard van vitesse’.
(2) Hij houdt echter wel vast aan een verband met snelheid en dat zelfs op twee onderscheiden wijzen. Fiets zou volgens hem een ‘klanknabootsend woord’ zijn. ‘Het is de snelheid zonder groot gedruisch.’ Het zou het geluid zijn dat hoort bij de bliksem, de kogel en de slag van een zweep.
(3) De Grollenaar heeft nog een andere verklaring. Het verkleinwoord fietsken zou een ‘minimum van stof’ aanduiden, een ‘geringe en kleine rest’, bijvoorbeeld ‘een klein staartje in een glas’. En fiets zou dus zo ‘onafscheidelijk verbonden’ zijn aan ‘het begrip van een minimum van tijd’.
(4) Correspondent L. van De Kampioen noemt reeds de Wageningse smid E.C. Viets, die later nog vaak genoemd zou worden.
(5) Correspondent L. oppert dat fiets een verbastering is van vélocipède en noemt als tussenstadium ‘ongeoorloofde verdraaiingen’ als vieloziepee en viezepee.

Hier kunnen we kort over zijn.
(1) Het abstracte zelfstandig naamwoord vitesse lijkt inderdaad geen waarschijnlijke bron voor de aanduiding van een concreet voorwerp, een ‘machine’, zoals men destijds vaak zei.
(2) Dat het woord fiets een zekere snelheid suggereert, is naar mijn idee nog zo (denk ook aan woorden als flits of foetsie), maar dat wil nog niet zeggen dat het om een klanknabootsing gaat. Het zegt hooguit dat het woord goed in het gehoor ligt.
(3) Aan de verklaring dat fietsken op een laatste restje zou betekenen en dus op een minimum aan tijd bij de verplaatsing per rijwiel zou bieden, is bij mijn weten nooit veel aandacht besteed. In het Woordenboek van de Drentse dialecten komt bijvoorbeeld de betekenis ‘zier’ voor: ‘Ik doe der gien fiets meer of’ zou ‘daar kun je niet veel mee’ betekenen. Het kan dus goed zijn dat het woord in de betekenis van ‘laatste restje’ bestond, maar een verband met een rijwiel valt moeilijk te zien.
(4) Aardig is dat de Wageningse smid E.C. Viets hier door L. al vroeger dan tot dusverre in de literatuur bekend was, met de fiets in verband wordt gebracht, maar dat hij een verband meteen ook afserveert. Men leze het betoog van Ewoud Sanders erop na. Het is niet waarschijnlijk dat het rijwiel de naam aan deze fietsenmaker ontleende. Daarvoor was de man te onbekend. En als het verband duidelijk was, was dat destijds al vaker overtuigend gemeld.
(5) Blijft over de afleiding uit vélocipède. Die blijft naar mijn idee het meest overtuigend. En ik denk dat de hier geopperde tussenvorm viezepee de missing link is. Ik kom daar op terug.

Verspreiding en duur
Laten we eerst nog eens naar de verspreiding en de duur van bestaan letten. Betekenisvol is dat de Arnhemsche Courant er vanuit gaat, dat het woord fiets al behoorlijk verbreid is. De ‘spraakmakende gemeente’, het ‘volk’ gebruikt het. De krant gaat er zelfs vanuit dat het Woordenboek der Nederlandsche Taal het te zijner tijd wel zal opnemen. Dat wil zeggen dat het naar de waarneming van de betreffende redacteur veel breder verspreid moet zijn dan in Arnhem of directe omgeving. Hij ziet het als een nieuw Nederlands woord.

Maar tegelijk blijkt dat de redacteur van een krant uit Den Haag wel denkt dat het woord mogelijk vanuit het ‘Geldersch taaleigen’ verklaard moet worden. Het is niet helemaal duidelijk of hij het al kent, maar hij maakt er wel bezwaar tegen. De twee verklarende reacties komen vervolgens kennelijk ook uit Gelderland. De correspondent van het Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage woont in Groenlo, waarmee hij aangeeft dat het woord niet alleen op de zuidelijke Veluwe, maar ook in De Graafschap kennelijk bekend is. Correspondent L. van De Kampioen noemt de smid Viets te Wageningen en dat maakt het waarschijnlijk dat hij ergens in die omgeving woont.

Maar Kampioen-hoofdredacteur Edo J. Bergsma, die nog maar kort geleden vanuit Leeuwarden naar Grouw was verhuisd, meldde dat hij het woord ook kende. Tweemaal geeft hij aan dat hij denkt dat fiets een verkorting of een verhaspeling van vélocipède is. Bergsma meldt ook dat het woord al in 1871 in Leeuwarden circuleerde. Bergsma, geboren in 1862, werd dat jaar negen. Het is natuurlijk mogelijk dat de 23-jarige Bergsma zich nauwkeurig herinnerde wat hij op acht- of negenjarige leeftijd had gehoord, maar het is natuurlijk net zo goed mogelijk dat hij het woord pas wat later hoorde. Het lijkt me zeer waarschijnlijk dat een tongbrekend woord als vélocipède vanaf het begin tot allerlei verhaspelingen en inkortingen leidde en dat Bergsma zich dat al uit zijn jongen jaren herinnerde. Maar of daarmee gezegd is dat we zijn vroege datering van fiets ook zonder meer dienen te aanvaarden. Tegelijk is echter wel duidelijk dat het woord hem in 1886 bekend is. Hij kent het en hij is het eens met de verklaring vanuit vélocipède. Dat is een belangrijk gegeven. Als er andere voor de hand liggende verklaringen waren, zou Bergsma die vast en zeker ook gekend hebben.

Op de viezepee
In de literatuur is de afleiding van viets of fiets uit vélocipède vaak geopperd en verdedigd – onder meer door K. Heeroma en C.B. van Haeringen – en even vaak verworpen. Wie de verklaringen van fiets en fietsen die op Etymologiebank zijn verzameld, bestudeert, zal dat al zien.

Een bezwaar tegen de afleiding van fiets uit vélocipède is wel dat de verhaspelingen die een tussenvorm zouden moeten vormen, te laat geattesteerd zijn. Zo acht het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (2003-2009) van M. Philippa het minder waarschijnlijk dat fiets is ontstaan uit vormen als fieselepee en fietsepee:

‘Waarschijnlijker is echter het omgekeerde: dat fietsepee een contaminerende vorm is onder invloed van fiets. Gedurende lange tijd, zeker nog tot aan de Tweede Wereldoorlog, zijn namelijk beide woorden vélocipède en fiets, naast elkaar gebruikt (vélocipèdeuiteindelijk nauwelijks nog anders dan schertsend).’

En ook het Van Dale Etymologisch woordenboek (1997) van P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997) stelt:

‘Een verbastering uit frans vélocipède ligt minder voor de hand, omdat de vele verbasteringen hiervan, zoals vielesepee, pas zijn aangetroffen nadat fiets werd gebruikt.’

Het lijkt me dat dit bezwaar nu door de attestatie van vieloziepee en viezepee in juni 1866 enigszins uit de weg is geholpen. We hoeven nu niet alleen af te gaan op de jeugdherinneringen die taalkundigen en anderen pas veel later optekenden, we weten nu dat dergelijke verbasteringen destijds ook al bestonden. Nu kan men natuurlijk veronderstellen dat ook L. in 1886 pas achteraf een verband legde, maar het lijkt me toch tamelijk waarschijnlijk dat hij de beide vormen werkelijk wel eens gehoord heeft en dat ze niet van viets of fiets afstammen. Daar geeft zijn spelling al geen aanleiding toe.

Laten we nog eens naar vélocipède kijken. Dat is echt een onhandig woord en de taalkundige Matthijs de Vries verwachte al in 1869 verbasteringen. De laatste lettergreep kan gemakkelijk verdwijnen. Men houdt dan iets als velocipee over. De klemtoon ligt dan op de laatste lettergreep –pee. Het blijkt vooral dat de opvolging van klanken (ee, oo, ie, ee) niet gemakkelijk bekt. Als er voorafgaand aan het beklemtoonde slot drie lettergrepen worden gehandhaafd, verandert het woord al snel in iets als vielesepee of het nu in juni 1886 geattesteerde vieloziepee. Opvallend is dat een verandering van de eerste lettergreep in een ie kennelijk vrij natuurlijk gaat.

Maar ritmisch ligt het zeker zo voor de hand dat de vier overblijvende lettergrepen tot drie worden teruggebracht. Het accent blijft op de laatste lettergreep liggen en op de eerste past dan de bijklemtoon. De v blijft aan het begin, maar de l en de c moeten of samen worden gevoegd of een van beide moet verdwijnen. In het eerste geval krijg je iets als vielsepee. Allerlei varianten daarop zijn ook daadwerkelijk geopperd. Als de l blijft en de c verdwijnt, krijg je iets als vielepee. Maar dat is geen zeer waarschijnlijke variant. De l klinkt duidelijk zwakker dan de c en zal die niet snel overvleugelen. Het derde geval is veel waarschijnlijker: de l verdwijnt en de scherpe c blijft. Dan krijg je dus iets als vicepee of het nu in juni 1886 geattesteerde viezepee.

Zonder de nodeloze omweg van het Vizeperd (of Viceperd, Vizepferd of Vicepferd), uit de Gentse fietstheorie, zijn we hierbij toch bij hetzelfde begin. Het is zeker niet de enige mogelijkheid, maar ze kwam kennelijk voor en het lijkt me zeker niet ondenkbaar dat als vicepee of viezepee eenmaal bestaat, het in de uitspraak, net als dat in het Duits met vize gebeurt, aangescherpt kan worden tot iets als vietsepee. En dat woord kan op een gegeven moment wel degelijk speels afkort worden tot viets, dat al snel vooral als fiets werd geschreven. Een hard bewijs valt uiteraard niet te leveren, maar de mogelijkheid blijft de meest waarschijnlijke, zou ik zeggen. En het lijkt me daarbij alleszins aannemelijk dat er met de verschillende opties bewust gespeeld is en in een bepaalde kring voor viezepee, vietsepee en viets gekozen is. Daarover een volgende keer meer.

De afleidingen die aan de l een prominente plaats toekennen, leidden naar mijn idee van de hoofdzaak af. Een l verandert niet snel in een t of in ts en uit iets als vielsepee kan fiets dan ook niet ontstaan zijn. Alleen uit de verhaspelingen waarin de l al geloosd werd en waarin de c de hoofdrol kreeg kan fiets zich ontwikkeld hebben.

Nog iets
De meeste andere opties – ik noemde de bekendste hierboven al kort – zijn door Ewoud Sanders en door anderen naar mijn idee voldoende weerlegd. De enige variant die ik nog moet noemen, is de optie waar Ewoud Sanders zonder al te veel uitleg zelf voor kiest en die ook in enkele etymologische woordenboeken wel wordt vermeld, namelijk dat fiets af zou stammen van een Limburgs of Brabants werkwoord vietse(n), dat ongeveer ‘snel bewegen’ zou betekenen.

Het probleem lijkt me dat deze mogelijkheid pas in 1914 naar voren werd gebracht. Alle vroege vindplaatsen komen van boven de grote rivieren: Arnhem, Leeuwarden misschien en, daar kom ik in de volgende blog over te spreken, Amsterdam in 1885. Men kan bij Sanders uitvoerig nalezen hoe de eerste verspreiding van het woord met name met een kostschool in Brummen, net ver van Arnhem, in verband wordt gebracht. Als in die streken vietsen een bekend werkwoord was geweest, waarom noemde niemand dat dan bij de discussie die tussen 1886 en 1901 over de herkomst van het woord woeden? Merk op dat er direct gevraagd werd naar het ‘Geldersch taaleigen’.

Juist degenen die bij de opkomende wielersport betrokken waren, meenden dat fiets van vélocipède kwam. Ik denk dat ik met de attestatie van viezepee in juni 1886 een mogelijke tussenfase aangeduid heb.

En de volgende keer ga ik het dan echt hebben over vietsen in het Vondelpark.

(60)

3 Responses to “Vietsen in het Vondelpark. II. Waarom fiets wel degelijk van vélocipède komt”

  1. Mooie vondst, het werkwoord ‘vietsen’ in 1885! Het lijkt erop dat het werkwoord er dus eerder was dan het zelfstandig naamwoord, dat we – althans op schrift – voor het eerst in 1886 hebben gevonden. Dit pleit voor de theorie van A.P. de Bont, die meende dat ‘fiets’ teruggaat op het Brabantse dialectwerkwoord ‘fietse’ (of ‘vietse’) voor ‘met een lichte en vlugge beweging zich verplaatsen’.
    Ewoud Sanders

Trackbacks

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: