Religieuze uitzonderingen? Niet over de man zonder ID-kaart …

door Jan Dirk Snel

.:.

Er is tegenwoordig in Nederland bijna niets ergers, zo lijkt het soms, dan het maken van uitzonderingen. Dat kan echt niet, vinden veel mensen, ook mensen die ik van tijd tot tijd spreek. Zaterdag bracht De Telegraaf groot het nieuws dat de kantonrechter in Den Haag vrijdag een orthodox-joodse man van rechtsvervolging had ontslagen:

‘De man kon zich op zaterdag 8 oktober in Rijswijk niet identificeren, omdat hij op sabbat buiten de deur niets bij zich mag dragen. Dus ook geen ID-kaart. De man kreeg een boete van 150 euro opgelegd.’

Justitia (Foto: L30Nde)

De uitspraak is nog niet gepubliceerd, dus over de overwegingen valt nog helemaal niets te zeggen. De VVD heeft Kamervragen gesteld, kondigde het Kamerlid Ard van der Steur zaterdag aan. Het Kamerlid Tofik Dibi van GroenLinks heeft dat, anders dan Joop.nl nog steeds meldtniet – en hij herhaalde: niet – gedaan. Hij heeft slechts informatie opgevraagd, al dacht ik dat Kamervragen daar oorspronkelijk ook voor bedoeld waren.

Of persrechter Elkerbout correct formuleerde toen hij uitlegde dat de religieuze plicht zwaarder weegt ‘dan de plicht om te voldoen aan de wettelijke voorschriften in Nederland’, valt nog maar te bezien. (Raar woord trouwens: persrechter. Alsof er speciale rechters zijn die rechtspreken over de pers. Een bizarre term, de uiting van een ongelukkige praktijk: laat rechters zelf spreken of laat ze niet spreken.) Omdat het vonnis nog niet bekend is, ben ik ook niet van plan om daar iets over te zeggen. We zullen wel zien. Ik merk alleen nog op dat er volgens de wet geen draagplicht bestaat, in bepaalde gevallen is er wel een toonplicht.

Maar er zijn wel twee dingen die me opvallen: de huidige afkeer van uitzonderingen en het merkwaardige idee dat religieuze opvattingen anders behandeld zouden worden dan zogenaamde seculiere, en dat hier de grote scheidslijn zou liggen.

God?
Het meest absurde aan het bericht is de kop: ‘Wet wijkt voor God’. Grotere flauwekul is nauwelijks denkbaar. Ik ken het vonnis dus niet, maar als dat zou kloppen, dan zou de rechter dus zijn eigen opvattingen voorrang hebben gegeven boven de wet. Hij zou dan van mening geweest zijn dat God het niet goed zou vinden dat hij de boete voor deze man zou handhaven. Als dat zo was, had het wel in het krantenbericht gestaan.

Maar wat de rechter zelf over Gods wil denkt en welke levensovertuiging hij heeft, is hier totaal irrelevant. Het gaat om de levensovertuiging van de man die moest voorkomen. En we weten helemaal niet of die in God gelooft, althans niet zolang hem daar niet naar gevraagd is. Ja, in het bericht staat dat hij orthodox-joods is. Hij heeft dus een bepaalde overtuiging en het is niet ongewoon om die religieus te noemen. Het zit er natuurlijk dik in dat de man in God gelooft, maar zeker is dat niet en het is ook totaal irrelevant.

Ik herinner me een documentaire waarin een bekende joodse mevrouw bezig is met de voorbereidingen voor erev sjabbat. De dis wordt in orde gebracht. Ik noem haar naam nu alleen niet, omdat ik dit uit het hoofd opschrijf en het altijd mogelijk is dat het in werkelijkheid net iets anders ging dan ik me herinner, maar ook als ik me iets zou vergissen, blijft de strekking overeind. Op een gegeven moment vraagt de interviewer – die misschien zelf ook de camera bedient, weet ik niet zeker meer – of ze in God gelooft. Ze veert op, wacht even, kijkt hem indringend aan en zegt dan iets als: dit vind ik een onbehoorlijke vraag. Ze heeft groot gelijk. Waar het om gaat, is dat ze een bepaalde levenspraktijk volgt. Wat ze persoonlijk gelooft, is haar zaak. Ze weigert de vraag dan ook te beantwoorden. Natuurlijk was de vraag niet heel vreemd, maar ze had het volste recht er geen antwoord op te willen geven.

Morele praktijk
Dat geeft precies aan waar het om gaat en waarom, maar dit terloops, ook een huidige modieusheid als de Divine Command Theory, de goddelijkbevelstheorie dus (sommigen schrijven het zelfs met een spatie, zodat ze de theorie zelf per ongeluk tot goddelijk niveau verheffen) er zover naast zit. Het geeft vooral ook aan waarom Boris van der Ham de plank zo ongelooflijk missloeg toen hij twitterde:

“God boven de wet? Nee. Godsdienst is niets meer dan een van de vele meningen, en is begrensd door zelfde overheidswetten.”

Het spijt me, maar dan heb je er dus helemaal niets van begrepen. Het gaat niet om meninkjes en het gaat er ook niet om wat iemand van God vindt. Het gaat er om wat iemands diepgewortelde overtuigingen zijn, en dan is het totaal irrelevant of die godsdienstig genoemd kunnen worden of niet. Of iemand nu nooit vlees eet of op zaterdag nooit werkt, de vraag is niet waar die praktijk zich op beroept, maar of de drager geloofwaardig is. Deze man draagt op zaterdag geen voorwerpen. Als hij bijvoorbeeld de volgende week zaterdag gezien wordt, terwijl hij een boek terugbrengt naar de bibliotheek, is zijn beroep op zijn overtuiging ongeloofwaardig. De simplisten die de Divine Command Theory verzonnen hebben en die denken dat een ethiek volgens de aanhangers rechtstreeks op een goddelijk bevel terug gaat, zitten er dan ook totaal naast. Morele praktijken worden in gemeenschappen gevormd en in de levenspraktijk tot uitvoering gebracht. Uit de daadwerkelijke morele praxis leidden we de overtuiging af, niet omgekeerd. Met ‘meningen’ heeft dat niets, maar dan ook totaal niets te maken.

Seculiere overtuigingen
Op Twitter kom je tegenwoordig ook regelmatig havoklantjes tegen die kennelijk nog nooit een fatsoenlijk boek over filosofie, godsdienstwijsbegeerte of ethiek gelezen hebben en die steevast beginnen over het Vliegend Spaghettimonster. Die zou hun dit of dat vertellen. De zwakte van hun ‘denken’, of beter, het ontbreken van dat vermogen, is daarmee gewoonlijk meteen onthuld, want meestal voeren ze dan iets aan dat ze ter plekke verzinnen. Als die meneer in Rijswijk ter plaatse bedacht had dat hij geen identificatiekaart mocht dragen, omdat zijn God hem dat net de vorige dag had meegedeeld of ‘bevolen’ zoals de genoemde theoretici naïevelijk geloven, zou hij ook geen schijn van kans hebben gehad. Niet de bron van zijn overtuiging telt, maar de serieusheid, de geworteldheid ervan.

De Oostenrijker Niko Alm heeft het als zogenaamde pastafari gedaan gekregen dat hij met een vergiet op zijn hoofd op de pasfoto op zijn rijbewijs staat. Hij vond dat dat bij zijn lidmaatschap van de kerk van het Vliegende Spaghettimonster hoort. Op zich lijkt het me niet zo moeilijk: als de man altijd met een vergiet op zijn hoofd rondloopt, moeten we uit zijn gedrag opmaken dat het een serieuze zaak voor hem is. Wel kunnen we ons afvragen of ook anderen zo’n ding dragen. Moraal is net als taal – zie Wittgenstein – nooit een privézaak, maar altijd iets van gemeenschappen.

Kortom, wie denkt dat er een tegenstelling tussen religieuze en seculiere overtuigingen bestaat, zit er naast. Er bestaan heel veel verschillende overtuigingen en ook religieuze overtuigingen zijn niet met elkaar compatibel. Er bestaat ook niet één ‘seculiere’ ethiek. De enige vraag die telt, is in hoeverre en wanneer of een bepaalde morele praktijk serieus genomen moet worden, als daar een beroep gedaan wordt. Of ze transcendent of immanent gefundeerd wordt, is irrelevant. Het grondrecht van vrijheid van levensovertuiging gaat daar niet over.

Gelijkheidsdenken
Maar dan komt dus vaak de tegenwerping op tafel dat we geen uitzonderingen mogen maken. Veel mensen begrijpen op zich best wel dat bepaalde mensen koosjer, vegetarisch of hallal willen eten, maar kun je maar zo een uitzondering voor hen maken? Het kan best zijn dat die man in Rijswijk op zaterdag niets wilde dragen, zelfs geen simpel plastic kaartje, maar kun je daar rekening mee houden?

Het gelijkheidsdenken is vandaag de dag diepgeworteld. Wet is wet en de wet geldt voor iedereen. Het is een legalistische wijze van denken waar de protestgeneratie van ’68 nooit van had kunnen denken dat die tegenwoordig ook onder zogenaamde ‘linkse’ of ‘progressieve’ mensen zo wijdverbreid zou zijn. Het is erger dan het ouderwetse law and order (als is dat op zich trouwens een mooi begrip). Nee, de wet is gelukkig niet altijd de wet. We leven in een rechtsstaat. En recht is altijd meer dan de toepassing van één enkel wetje. Als dat zo was, zouden de Staten-Generaal op elk moment door een willekeurige wet aan te nemen alle fundamentele vrijheden overboord kunnen zetten. Ook al mogen wetten niet getoetst worden aan de Grondwet, natuurlijk geldt nog steeds de totaliteit van de wet en zal de rechter alle wetten, ook een verdrag als het EVRM, in zijn overwegingen moeten betrekken. Ook algemene rechtsbeginselen gelden. De rechter spreekt recht, zoals de uitdrukking terecht zegt, hij spreekt geen wet.

Tegenwoordig zit het beginsel uit onze Grondwet dat iedereen in gelijke gevallen gelijk behandeld wordt, er diep in. Het gaat hier vooral om een richtlijn voor het beleidsmatig overheidshandelen. (Tussen haakjes: de Grondwet gaat over het handelen van de staat, niet over dat van de burgers. Er staat niet dat burgers geen onderscheid mogen maken, al mogen ze dat op grond van andere wetten soms ook niet. En mogen ze dat in heel veel andere gevallen gelukkig wel.) Dat de rechter onpartijdig recht hoort te spreken, spreekt vanzelf. Maar de rechter zal dus ook met alle persoonlijke omstandigheden rekening moeten houden. Over dat speeltje van de jaren negentig, computerrechtspraak, hoor je terecht niet zoveel meer. Pas als je rekening houdt met het verschil tussen mensen, behandel je iedereen gelijk. Hoe dat in dit geval zit, weten we nog niet.

Wetgeving
Dit gaat over rechtspraak, over toepassing van de wet binnen het kader van het recht dus. Maar bij bijvoorbeeld de discussie over het verbod op onverdoofd slachten, gaat het om wetgeving. En het valt me op dat de meest redelijke personen dan maar zo roepen dat je echt geen uitzonderingen in de wet kunt toestaan. Je zou iedereen gelijk moeten behandelen. Ik geloof dat hun redenering op een ernstige denkfout berust.

Ja, de wet geldt voor iedereen, maar dat wil niet zeggen dat je in de wet geen uitzonderingen op een algemene regel kunt toestaan, want die uitzondering geldt ook voor iedereen. Het is mogelijk om voor bepaalde milieuvriendelijke auto’s gunstiger fiscale voorwaarden te scheppen. Als ik niet zo’n auto koop, heb ik niets aan die uitzondering, maar ik zou er gebruik van kunnen maken. Welnu, als de wet het toestaat om binnen bepaalde voorwaarden onverdoofd te slachten volgens de joodse of islamitische rite, kan iedereen dat vlees kopen. De wet kan bepaalde handelingen verbieden en bepaalde handelingen toestaan, de wet kan bepaalde voorwaarden stellen aan concrete producten die in de supermarkt liggen, en het is aan mij of ik die al dan niet aanschaf.

Het opnemen van uitzonderingen in de wet is juist een uiting van werkelijke gelijkheid. Als mensen werkelijk verschillen in hun diepgewortelde levensovertuigingen en hun praktijken, is het niet anders dan billijk om binnen de grenzen van het mogelijke en redelijke daar als wetgever rekening mee te houden. Dat is namelijk pas echte gelijkheid: dat je iedereen een gelijke kans geeft om het leven te leiden dat het zijne is.

Mensen rechtdoen
Ik vat samen. Het is gewoon niet waar dat religieuze opvattingen anders behandeld worden dan seculiere. Er bestaat namelijk niet één set godsdienstige overtuigingen en één verzameling seculiere opvattingen. Er zijn heel veel verschillende overtuigingen en morele praktijken en als we de overheid of de rechter vragen die te respecteren, is de enige vraag hoe serieus die overtuigingen zijn, niet hoe ze metafysisch gefundeerd zijn. En als je mensen werkelijk gelijk behandelt, houd je dus ook rekening met de verschillen tussen hen.

En verder is het altijd maatwerk. Tegenwoordig wint de overtuiging steeds meer veld dat recht om rechten gaat. Ja, rechten zijn belangrijk. Maar waar recht over gaat, is redelijkheid en billijkheid. Het is een middel om het samenleven van mensen vlotjes te doen verlopen en conflicten op te lossen. Dat geldt voor de rechter en de wetgever zou er verstandig aan doen daar ook voortdurend over na te denken: hoe je mensen ook in hun eigenheid recht kunt doen.

Als dat goed gebeurt, hoeven ze zich niet steeds op hun rechten te beroepen. Het is een betreurenswaardig effect van huidige antiliberale tendensen, waar werkelijk alle partijen van links tot rechts zich op hun beurt aan bezondigen, dat dat dezer dagen wel nodig is.

(57)

7 reacties to “Religieuze uitzonderingen? Niet over de man zonder ID-kaart …”

  1. Uw maxime: ‘En als je mensen werkelijk gelijk behandelt, houd je dus ook rekening met de verschillen tussen hen’ is fraai. Zoals veel diepzinnige en fundamentele inzichten, betreft het een paradox. En dat is een teken dat simpele gevolgtrekkingen en dito oplossingen op het betreffende terrein niet mogelijk zijn – en dat is hier zeker het geval. ‘Wijsheid’ is dan nogal eens belangrijker dan ‘waarheid’. Maar het eerste dreigt niet minder dan het eerste soms iets schimmigs of (te) abstracts te krijgen – en dat ontwaar ik ook een beetje in uw beschouwing hierboven.

    U stelt dat het niet uitmaakt of een morele praktijk transcendent of immanent gefundeerd wordt. Dat lijkt me een problematisch uitgangpunt. Ondergronds speelt hier natuurlijk de aloude discussie over ‘rechtspositivisme’ versus ‘natuurrecht’: https://nl.wikipedia.org/wiki/Rechtsfilosofie

    Zoals iedereen weet, zijn geen van beide posities onproblematisch. Op het juridische vlak verschijnt hier de algemene filosofische vraag wat waarheid is, met als zienswijzen onder meer rationalisme, pragmatisme en scepticisme (van gematigd tot radicaal, mogelijk een soort nihilisme).

    Om nu te voorkomen dat de discussie te abstract blijft, probeer ik een paar tastbare punten aan u voor te leggen:

    1. Klopt het dat sterkt neigt tot het verwerpen van de natuurrecht-benadering? Concreter: gelooft u niet dat er universele ethische beginselen bestaan die moeten worden gehandhaafd ongeacht of er ‘draagvlak’ voor is of niet? Denk aan een of meer zaken uit de volgende provisorische opsomming: niet-schenden van lichamelijke integriteit, gelijke kansen, bescherming van mensen in een zwakke positie, recht op privacy, ongecensureerd onderwijs, vrije pers, vrijheid van vergadering, democratie en vrije verkiezingen, tolerantie (maar geen tolerantie voor extreme intolerantie, want dat is innerlijk tegenstrijdig) en scheiding van religieuze, politieke en rechterlijke macht?

    2. Hoe voorkomt u dat uw benadering, zoals nu in Engeland al het geval is, overal in Europa zal leiden tot bijvoorbeeld sharia-rechtbanken, mits deze maar door voldoende grote groepen burgers (moslims in dit voorbeeld) als een onvervreemdbaar, diepgeworteld, duurzaam en wezenlijk bestanddeel van hun ‘morele praktijk’ worden beschouwd? Sterker nog: houdt uw positie niet logischerwijze in, dat u onder die laatste voorwaarde een dergelijke ontwikkeling voor ethisch en staatsrechtelijk juist houdt?

    Andere invalshoek: bent u het eens of oneens met de verwerping van enige vorm van sharia-rechtspraak door een meerderheid van de volksvertegenwoordiging tot dusver, zoals – in mijn ogen zeer terecht en gelukkig, omdat de sharia op wezenlijke punten in strijd is met universele morele beginselen (zie 1. hierboven) – is gebeurd door een politieke meerderheid in een belangrijk overleg van de parlementaire commissie voor Justitie in 2009, waarbij – zeer verheugend dus in mijn optiek – Khadija Arib van de PvdA, in tegenstelling tot Tofik Dibi van Groenlinks, klip en klaar stelde: ‘Voor mijn fractie is elke vorm van sharia onacceptabel’: http://www.europa-nu.nl/id/vi8y8gcr41zd/verslag_algemeen_overleg_op_3_september
    Kortom: zit u op de lijn Arib (PvdA destijds) of op de lijn Dibi (Groenlinks destijds)?

    3. Globaal gesteld: hoe onderscheidt zich uw standpunt van wat de afgelopen decennia de ‘multiculti’-benadering is genoemd, een volgens velen doorgeschoten tolerantie voor afwijkende culturele gebruiken en eisen, die we – helaas opnieuw doorschietend in de vorm van de PVV, maar in mijn optiek niettemin terecht – achter ons hebben gelaten?

  2. [noot voor Jan Dirk Snel: plaatst u deze correctie gerust niet als het eerder overbodig en rommelig wordt, dan dat het goed is deze foutjes recht te zetten]

    Er had moeten hierboven natuurlijk moeten staan:

    … Maar het eerste dreigt niet minder dan het laatste soms iets schimmigs of (te) abstracts te krijgen…

    …Klopt het dat u sterkt neigt tot het verwerpen van de natuurrecht-benadering…

  3. Reblogged this on sanderverheul and commented:
    Een artikel dat de diepe geworteldheid van een overtuiging centraal stelt als overweging om rekening te houden met religieuze overtuigingen bij juridische oordelen.

  4. Geachte heer Snel,

    Allereest hulde voor uw stuk. Met betrekking tot de godsdienstvrijheid neem ik altijd graag kennis van uw inzichten.

    Ook ik ben daarom erg benieuwd naar uw antwoord op de vragen van Veenstra…

  5. Mooi stuk Jan Dirk. Als ik je goed begrijp is niet zozeer ‘de’ religieuze houding of ‘de’ seculiere houding het probleem maar de manier waarop we hiermee omgaan. Het denken vanuit de gelijkheid zonder uit te gaan van de onderlinge verschillen, was volgens mij ook al hetgeen waartegen Levinas zich keerde. En ik zal de Tweede Wereldoorlog er nu maar even buiten houden…(don’t mention the war😉 De ander als oneindige ander zien/respecteren – ook in de verworteling van de individuele moraal, zeg maar. Zoals al is gezegd – vraagt dit om recht doen en wijsheid maar misschien ook om een sociale ethiek die we met elkaar afspreken en het afgewogen gesprek hierover. Maar het lijkt me een dunne lijn waarbij we makkelijk aan de linkerzijde of aan de rechterzijde kunnen afwijken, zodat onrecht en geweld op de loer liggen. Maar dat is misschien te pessimistisch. Dank je voor deze reflectie.

  6. Beste Sander Verheul (20 februari 2012 om 11:09). Terecht vestigt uw ‘ankeiler’ kernachtig de aandacht op wat het fundament is of lijkt te zijn van het artikel van Jan Dirk Snel. Ik tenminste heb het bij eerste bestudering ook zo begrepen, dat hij de diepgeworteldheid van een overtuiging centraal stelt als overweging om rekening te houden met – religieuze of andere – levensbeschouwingen.

    Ik grijp uw reactie aan om aan de punten die ik hierboven opvoer, een minstens zo belangrijk punt toe te voegen, alsook een poging tot analyse. Het is namelijk opvallend, dat Jan Dirk Snel de speelruimte voor uitzonderingen die een rechter wellicht behoort te hebben opdat hij ‘geen wet spreekt, maar recht’ – in wijsheid – niet op de aller-allereerste koppelt aan ‘redelijkheid’. In plaats daarvan doet hij het omgekeerde: hij breekt uitvoerig een forse lans voor het rekening houden met ‘diepgewortelde’ overtuigingen, een ‘morele praktijk’ die ‘serieus’ is; en voert de redelijkheid slechts terloops op. Hij schrijft zelfs: ‘Er zijn heel veel verschillende overtuigingen en morele praktijken en als we de overheid of de rechter vragen die te respecteren, is de enige vraag hoe serieus die overtuigingen zijn […]’. Ik haal het citaat hier bewust even uit zijn context, zoals dat heet, om te laten zien hoezeer de tekst het makkelijk maakt om de essentie ervan samen te vatten in ongeveer de bewoordingen van uw reactie van 11:09 hierboven.

    Toch stelt Snel ook, gelukkig: ‘Als mensen werkelijk verschillen in hun diepgewortelde levensovertuigingen en hun praktijken, is het niet anders dan billijk om binnen de grenzen van het mogelijke en redelijke daar als wetgever rekening mee te houden.’ Kijk! Het is volgens hem kennelijk toch de redelijkheid, niet de levensovertuiging – hoe diepgeworteld die ook mag zijn! – die in laatste instantie grenzen behoort te stellen aan wat binnen de rechtspraak een acceptabele mate van afwijking is van, of soms zelfs uitzondering op, de letter van de wet.

    Dit houdt logischerwijze in, dat wanneer een persoon de rechter verzoekt af te wijken van de letter van de wet met een beroep zijn ‘serieuze morele praxis’, de rechter het serieus of diep verankerd zijn van die praxis hooguit als een noodzakelijke voorwaarde behoort te zien om überhaupt te overwegen of er mogelijk een zekere mate van afwijking of uitzondering kan worden getolereerd, nooit en te nimmer als een voldoende voorwaarde. Want een absoluut vereiste andere noodzakelijke voorwaarde behoort te zijn dat een eventuele afwijking of uitzondering redelijk is; waarbij de rechter, dunk mij en zal ook Snel bedoelen, tevens tenminste moet blijven oordelen in de geest van de betreffende wet.

    Er zijn dus tenminste de volgende posities:

    1. De rigide positie: de rechter moet in elk geval oordelen volgen de letter van de wet;
    1a. gewoon omdat ‘wet is wet’ (de positie van de ietwat bekrompen burger, die ook vaak zwaardere straffen wil, ook al wijst onderzoek uit dat dit contraproductief is, maar dit terzijde).
    2b. omdat een diep gewortelde levensovertuiging ‘ook maar een mening’ is en het einde zoek is als men binnen de rechtsspraak individuele meningen serieus gaat nemen bij het vellen van vonnissen (zeg maar de positie van Boris van der Ham en vele anderen).

    2. De positie van Snel: een levensovertuiging, mits diepgeworteld, behoort aanleiding te zijn om te overwegen of van de letter van de wet kan worden afgeweken, mits – en dat op de eerste plaats, zou ik eraan toe willen voegen – binnen de grenzen van de redelijkheid; en mits in de geest van de wet.

    3. De ‘multiculti-positie’: als iemands levensovertuiging botst met het wettelijk vereiste, behoort die persoon de ruimte te krijgen (hetzij door gedoogbeleid, hetzij door aparte algemene wetgeving die een expliciete vorm van eigen rechtspraak toestaat en eventueel als vereiste stelt, denk aan de sharia-rechtbanken in Engeland) toch te handelen volgens zijn/haar levensovertuiging;
    3a. sowieso (extreem multiculturalisme, in feite – individualistisch – anarchisme);
    3b. mits die persoon deel uitmaakt van een subcultuur waarin diens levensovertuiging diep is geworteld ( extreem multiculturalisme, au fond – groepsgewijs – anarchisme);
    3c. mits die persoon deel uitmaakt van een subcultuur die zich historisch in enige regio op aarde aantoonbaar heeft gemanifesteerd als een duurzame, veelomvattende cultuur, vaak aangeduid als ‘een beschaving’ (‘doorsnee’ multiculturalisme).

    Waarbij duidelijk moge zijn, dat het verschil tussen de posities 2. en 3. is, dat de ‘multiculti’s’ ‘mits redelijk en in de geest van de wet’ niet als noodzakelijke voorwaarde(n) zien voor afwijkingen, omdat zij a. niet geloven in een universele, algemeen menselijke rede en b. (mede als uitvloeisel van a.) niet geloven in het superieur zijn van het ene stelsel van normen, waarden en wetten boven het andere.

    In het artikel van Snel komt dit laatste m.i. veel te weinig uit de verf. Men ziet hoe nauw formuleringen luisteren. Zijn tekst geeft eerder aanleiding tot het misverstand, dat in zijn ogen elke subcultuur door de rechter in zijn waarde moet worden gelaten en de ruimte moet krijgen haar praktijken (tot op zekere hoogte) uit te oefenen, mits het maar gaat om een serieuze, diepgewortelde morele praxis die ook nog een beetje redelijk is. Terwijl hij hoogstwaarschijnlijk geen van de varianten van positie 3. heeft willen verdedigen. Of vergis ik me?

    Met andere woorden:

    Uw samenvatting weerspiegelt precies de dubbelzinnigheid van het artikel van Snel, in uw woorden: ‘een artikel dat de diepgeworteldheid van een overtuiging centraal stelt als overweging om rekening te houden met religieuze overtuigingen bij juridische oordelen.’ Want uw frase ‘als overweging om rekening te houden met’ kan zowel – wat ik hierboven stel en bij nader inzien ook Snels bedoeling moet zijn – zowel ‘formeel’ worden opgevat, als – wat onterecht en onwenselijk zou zijn – ‘materieel’.
    – Materieel (en onwenselijk): de rechter dient de diepgewortelde levensbeschouwelijke normen en waarden zelve, inhoudelijk, als valide ‘tegenwicht’ te overwegen tegenover de wettelijke vereisten. Daar zit de gedachte achter dat geen enkele morele praxis in wezen beter is dan een andere (cultuurelativisme).
    – Formeel (en misschien wenselijk): de met de wet op gespannen voet staande normen en waarden behoren niet krachtens hun eigen (veronderstelde) morele aanspraken aanleiding te kunnen geven tot een zekere coulance, maar de rechter mag of zelfs behoort soms soepel (te) zijn, mits de normen en waarden in kwestie diepgeworteld zijn in een morele praxis (noodzakelijke voorwaarde) en mits het redelijk is (eminente noodzakelijke voorwaarde) om meer of minder af te wijken van de letter van de wet, echter blijvend binnen de geest van de wet (tweede belangrijke noodzakelijke voorwaarde).

    Ik kan mijn concrete bovenstaande vragen aan Jan Dirk Snel, waarop ik trouwens een antwoord alsnog erg op prijs zou stellen, nu herformuleren op een meer algemeen analytisch niveau:

    – Vindt u A. ‘redelijkheid’ en B. ‘binnen de geest van de wet’ absoluut noodzakelijke voorwaarden voor flexibel vonnissen, naast de noodzakelijke voorwaarde die nu in de schijnwerper zet: C. ‘diep geworteld in een morele praxis’?

    – Gaat u er bij A. en B. vanuit (wat ik en vele anderen doen) dat er ‘redelijkheid’ (algemeen: waarheid) is alsook ‘morele juistheid’ (algemeen: goedheid) die de beperking van het niveau van taalspelen ontstijgt (of dieper ligt, zo u wilt), met andere woorden universeel is? Kortom: neemt u ten aanzien van de juistheid van de geest van de wet in kwestie en van wat in sommige gevallen een redelijke afwijking kan zijn, géén cultuurrelativistisch standpunt in?

    – Staat uw keuze voor een collectieve morele praxis als noodzakelijke voorwaarde voor flexibiliteit niet op gespannen voet met het standpunt dat de waarde en rechten van het individu net zo belangrijk zijn als de waardevolheid en rechten van de groep? Waarom moet er eigenlijk bij het maken van uitzonderingen op het toepassen van de letter van de wet, meer rekening worden gehouden met mensen die zich daarbij baseren op een groepsnorm, dan met individuen die met een eigen beargumenteerde verantwoording?
    Sterker nog: waarom zijn ‘redelijkheid’ en ‘in de geest van de wet’ tesamen geen voldoende voorwaarde voor het maken van (enige mate van een) uitzondering op de letter van de wet? Is ‘diep geworteld in een morele praxis’ bij nader inzien niet gewoon overbodig en zelfs een onwenselijk, ‘ouderwets’, anti-emancipatoir restant van het stellen van de groep boven het individu?

  7. “[…] als je mensen werkelijk gelijk behandelt, houd je dus ook rekening met de verschillen tussen hen.”

    Ik ben het er van harte mee eens. Des te schrijnend is het, dat wij pastafari worden gediscrimineerd, zoals bij het weigeren van pasfoto’s met onze traditionele hoofddeksel. Gelukkig is de Nederlandse Kerk van het Vliegend Spaghettimonster nu officieel erkend en geregistreerd, en komen wij samen op voor onze gelijke behandeling.

    Ramen!

    https://www.kerkvanhetvliegendspaghettimonster.nl/uncategorized/we-zijn-officieel-ingeschreven-bij-de-kvk/

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: