Coleridge bij de waterval

door Jan Dirk Snel

.:.

Verheven of aardig
Toen ik hier gisteren een stukje over hedendaags subjectivisme en de aanspraak op geldigheid die besloten ligt in waardeoordelen, schreef, had ik aanvankelijk het plan om ook iets aan te halen van wat C.S. Lewis (1898-1963) in zijn boekje The Abolition of Man (1943 of 1944, de opgaven verschillen [zie reacties van Arend Smilde hieronder]) schrijft. Het was dan ook treffend dat Evert te Winkel in een reactie direct op dat boekje wees. Maar ook omdat ik me voorgenomen had te proberen de lengte van mijn stukjes niet nodeloos uit te breiden, had ik besloten om het te houden bij wat ik geschreven had.

Jacob More, The Falls of Clyde (Corra Linn), waarschijnlijk 1771 (National Galleries of Schotland)

Maar het is misschien wel aardig om afzonderlijk terug te komen op wat men het verhaal van Coleridge en de waterval zou kunnen noemen. Lewis begint zijn boek met een verwijzing naar een klein leerboek voor ‘boys and girls in the upper forms of schools’, waar hij inhoudelijk niet veel goede woorden voor over heeft. Lewis schrijft: ‘I do not want to pillory two modest practising schoolmasters who were doing the best they knew: but I cannot be silent about what I think the actual tendency of their work.’

Hij verborg dus de namen van de twee auteurs achter de aanduidingen Gaius and Titius en duidde hun boek aan als The Green Book. Dat was nog voor internet. Nu kun je gewoon op Wikipedia lezen dat het ging om The Control of Language. A Critical Approach to Reading and Writing (1939) van de hand van Alex King and Martin Ketley. Dit is hoe Lewis hun boek als uitgangspunt voor nadere eigen beschouwingen neemt:

‘In their second chapter Gaius and Titius quote the well-known story of Coleridge at the waterfall. You remember that there were two tourists present: that one called it ‘sublime’ and the other ‘pretty’; and that Coleridge mentally endorsed the first judgement and rejected the second with disgust. Gaius and Titius comment as follows: ‘When the man said This is sublime, he appeared to be making a remark about the waterfall … Actually … he was not making a remark about the waterfall, but a remark about his own feelings. What he was saying was really I have feelings associated in my mind with the word “Sublime”, or shortly, I have sublime feelings‘. Here are a good many deep questions settled in a pretty summary fashion. But the authors are not yet finished. They add: ‘This confusion is continually present in language as we use it. We appear to be saying something very important about something: and actually we are only saying something about our own feelings.’

Gevoelens
Deze manier van denken hing in die dagen in de lucht. Denk aan de wijze waarop A.J. Ayer (1910-1989) in zijn spraakmakende Language, Truth and Logic (1936) betoogde dat als hij tegen iemand zei dat die verkeerd handelde door geld te stelen, hij niet meer beweerde dan wanneer hij eenvoudigweg had gezegd ‘jij stal dat geld’. Ayer vervolgde onder meer (p. 110-111 in de gelinkte editie, p. 142-143 in de Penguin-uitgaven na 1946 met een lange, nieuwe inleiding):

‘If now I generalize my previous statement and say, “Stealing money is wrong,” I produce a sentence which has no factual meaning. It is clear that there is nothing said here which can be true or false. Another man may disagree with me about the wrongness of stealing, in the sense that he may not have the same feelings about stealing as I have, and he may quarrel with me on account of my moral sentiments. But he cannot, strictly speaking, contradict me. For in saying that a certain type of action is right or wrong, I am not making any factual statement. I am merely expressing certain moral sentiments. And the man who is ostensibly contradicting me is merely expressing his moral sentiments. So that there is plainly no sense in asking which of us is in the right. For neither of us is asserting a genuine proposition.’

Tja, ik geloof dat hier weinig commentaar bij nodig is. Alsof waar en onwaar de enige oordelen zijn die er toe doen, en goed of slecht niet zeker zo relevant kunnen zijn. Alsof feitelijke mededelingen alleen zo interessant zijn. Ik zou zeggen dat het onze waardering is die feiten boeiend maken, waarbij die waardering dus geen puur subjectieve toevoeging is, maar door die feiten opgeroepen wordt. En het is natuurlijk niet waar dat het bij morele oordelen alleen om individuele gevoelens gaat, juist bij een morele aanspraak verwachten we dat anderen die niet zonder reden (in meer of mindere mate) delen. Het lijkt me overigens dat het werkwoord stelen al genoeg zegt: waarom zouden we dat nodig hebben naast bijvoorbeeld meenemen, als waardeoordelen geen objectieve, gedeelde functie hadden? Of dacht Ayer alleen maar dat dat nu eenmaal de objectief door de wet gegeven definitie was en daarom eerder feitelijk dan evaluatief?

Maar terug naar C.S. Lewis. Die maakt allerlei kanttekeningen die u zelf maar eens moet nalezen. Hij merkt onder meer op dat omzetting van ‘dit is subliem’ in ‘ik heb sublieme gevoelens’ nogal ondoordacht is. Als het over de corresponderende gevoelens gaat, moet het zijn ‘I have humble feelings’. Sommige grote dingen roepen een gevoel kleinheid of misschien verering bij je op. Dan zijn de hedendaagse maardatvindjij-ers nog net iets slimmer. Maar de kern zal iedereen, denk ik zo wel zien. Iemand die bij een niet al te kleine waterval opmerkt dat hij onder de indruk is, lijkt gepaster te reageren dan iemand die langs zijn neus weg opmerkt dat hij het wel een aardig dingetje vindt. Er is een scala aan reacties mogelijk, maar niet alle reacties zijn even geëigend of zelfs redelijk.

Coleridge en Wordsworth
Maar nu dit. Tegenwoordig hebben we Google en niet alleen vind je dan dus direct de werkelijke namen van Gaius en Titius, maar als je Coleridge en waterfall invult, stuit je ook al gauw op een fragment uit Recollections of a Tour Made in Scotland A.D. 1803, pas in 1874 postuum gepubliceerd, waarin Dorothy Wordsworth (1771-1855) in dagboekaantekeningen beschreef hoe zij samen met haar broer William Wordsworth (1870-1850) en zijn al even dichterlijke vriend Samuel Taylor Coleridge (1772-1834) op zondag 21 augustus 1803 de waterval Cora Linn bezocht.

‘A lady and gentleman, more expeditious tourists than ourselves, came to the spot; they left us at the seat, and we found them again at another station above the Falls. Coleridge, who is always good-natured enough to enter into conversation with anybody whom he meets in his way, began to talk with the gentleman, who observed that it was a majestic waterfall. Coleridge was delighted with the accuracy of the epithet, particularly as he had been settling in his own mind the precise meaning of the words grand, majestic, sublime, etc., and had discussed the subject with William at some length the day before. “Yes, sir,” says Coleridge, “it is a majestic waterfall.” “Sublime and beautiful,” replied his friend. Poor Coleridge could make no answer, and, not very desirous to continue the conversation, came to us and related the story, laughing heartily.’

Dit moet het fragment zijn dat Lewis en vooral de beide door hem bekritiseerde leraren in hun hoofd hadden, maar dat hen dan ook niet accuraat voor de geest stond, dacht ik direct. In zo’n geval hoef je alleen maar even op de site Lewisiana van Arend Smilde, die alles van C.S. Lewis weet, te kijken en ja hoor, hij had dit allang gezien. Hij merkt op dat niemand de watervall ‘pretty’ noemt

‘and there does not appear to be any violent disagreement or disgust. If this is the only source for the story – i.e. if this is the story (??) – Lewis clearly failed to check both Gaius & Titius and his own memory.’

Majestueus of subliem
Voor de inhoud van het betoog lijkt me dat niet napluizen van de aanhaling overigens geen ramp. Ik weet alleen niet goed hoe ik de woorden van William Wordsworth [toevoeging: helemaal fout, zie naschrift] nu precies moet interpreteren. Coleridge zegt dat de waterval majestueus is. Als zijn vriend Wordsworth daarop zegt dat die verheven en mooi, is op welke wijze zinspeelt hij dan precies op de opvattingen van Coleridge? Met andere woorden zou die de termen op zich passend vinden of net niet? Het lijkt erop dat Dorothy Wordsworth wil zeggen dat Coleridge de in zijn eigen ogen meest geschikte typering gaf – accuracy en precise meaning zijn de woorden die vallen – en dat zijn vriend William Wordworth een grapje maakt door opzettelijk verwante of naburige, maar hier net iets minder passende termen te noemen.

De ironie zou dan dus willen dat het door Lewis op het schild geheven sublime door Coleridge in deze specifieke situatie juist licht afgekeurd zou zijn, al zal niemand ontkennen dat het tegen pretty altijd nog aangenaam afsteekt. Het komt mij wel voor dat majestic een betere term is, maar dat komt ook omdat ik met subliem of verheven nooit goed raad heb geweten. Ik heb heel wat uren op de afdeling Zeldzame en Kostbare Werken doorgebracht, gebogen over achttiende-eeuwse teksten, en het begrip van het verhevene kom je dan regelmatig tegen, omdat het destijds een modieus intellectueel onderwerp was, maar dat geeft meteen ook aan wat mijn probleem ermee is. Heel vaak lijkt het meer een theoretische constructie dan een werkelijk geleefd begrip.

Herinneringen
En dit zou vast en zeker verder uitgezocht kunnen worden, maar daar ga ik nu niet aan beginnen. Het lijkt mij dat de beide schooldocenten zoiets onthouden moeten hebben: dat de ene uitdrukking volgens Coleridge meer gepast was dan de ander. En dat zij vervolgens niet goed begrepen waarom dat nu zo was. Maar ik laat het hierbij. Meer dan even iets constateren wilde ik eigenlijk niet. Ook dit geval laat opnieuw zien welke fantastische mogelijkheden internet biedt.

Maar om op het idee te komen om iets op te zoeken, moet je natuurlijk ooit wel eens iets gelezen hebben waar je herinneringen aan hebt die je aanleiding geven tot verdere naspeuringen.

Naschrift (zaterdag 7 januari 2012, rond 11.35 uur)
Lezen is een kunst en dankzij de reactie van Sam Schulman hier beneden, waarvoor veel dank, besef ik dat ik één aanduiding verkeerd opvatte. Ik dacht dat met ‘his friend’ William Wordsworth werd bedoeld, maar ik zie nu dat dat niet kan kloppen en dat daarmee de vreemdeling werd aangeduid met wie Coleridge een praatje aanknoopte. Dorothy Wordsworth schrijft dat Coleridge na het gesprek weer bij hen kwam – ‘came to us’ – en aangezien het gezelschap uit slechts drie personen bestond, betekent dat dat William Wordsworth niet deelnam aan de conversatie, maar bij zijn zus bleef en dus ook niet de vriend kan zijn geweest aan wie ik de woorden toeschreef.

Het was dus inderdaad, zoals Sam Schulman schrijft, de gentleman die eerst de volgens Coleridge rake typering majestic gebruikte en de goede indruk die hij daarmee op de dichter maakte, vervolgens verknoeide door daar de niet bij elkaar passende woorden sublime and beautiful aan toe te voegen. Schulmans verwijzing naar het befaamde essay van Edmund Burke uit 1757 is zeer behulpzaam. En de tegenstelling tussen het verhevene of sublieme, dat een combinatie van afstoting en aantrekking, van vrees en bewondering aanduidt, en het schone of mooie, dat slechts het aangename aspect beschrijft, bepaalt dan wat de heren achteraf zo grappig vonden: dat de man dus argeloos begrippen combineerde, die volgens hun verfijnde opvattingen absoluut niet samengingen. Of zoals Sam Schulman hieronder opmerkt: ‘it sounded to their ears like someone saying, yes, the water in the waterfall is indeed extremely hot and icy cold…’

We kunnen ons dan nog wel afvragen hoe in Coleridges opvatting majestic zich dan verhield tot termen als grand, sublime en beautiful. Ik vermoed dat majestic met sublime wel het overweldigende deelt, maar minder het huiveringwekkende aspect benadrukt. In die zin zou het een uitvergroting van beautiful zijn in omstandigheden waar dat woord tekort schiet, maar zou de waterval weer te aangenaam aandoen en te weinig vrees inboezemen om die verheven of subliem te noemen. Waarschijnlijk zou dit wel degelijk uit te zoeken zijn, maar daar ga ik nu niet aan beginnen. En ik zou er best weer naast kunnen zitten.

Maar het moet de tegenstelling tussen het sublieme en het schone zijn geweest die men heeft onthouden, en vervolgens aan twee verschillende toeristen heeft toegeschreven, waarbij beautiful in de herinnering dan het gemeenzamere pretty werd.

Nogmaals veel dank aan Sam Schulman. Als ik beter gelezen had, had ik direct gezien dat de vreemdeling hier als vriend werd aangeduid en had ik ook beseft dat (in de toenmalige opvatting) het verhevene nooit argeloos tegelijk mooi kon worden genoemd.

Naschrift (maandag 9 januari 2012, rond 11.35 uur)
Naar aanleiding van dit stukje en vooral de commentaren heeft Arend Smilde op zijn pagina over Quotations and Allusions in C. S. Lewis, The Abolition of Man de passage over Coleridge en de waterval aangepast en uitgebreid. Het citaat dat ik hierboven aanhaalde, is nu vervangen, maar ik laat het hier staan, omdat het op het moment dat ik dit stukje schreef, wel klopte.

(51)

11 reacties to “Coleridge bij de waterval”

  1. Niks mis met dit stukje, hoor. Je speculatie over de precieze bedoeling van Dorothy gaat verder dan ik tot nu toe had gedacht, maar is heel aannemelijk gezien haar opmerking dat Wordsworth en Coleridge “had discussed the subject at some length the day before.” Als zij deze opmerking ook maar een klein beetje verder had uitgewerkt, dan zou daar hoogstwaarschijnlijk uit gebleken zijn wat jij als vermoeden uitspreekt. Dank voor de denkhulp. Het verschijningsjaar van The Abolition of Man is 1943, in de VS 1947.

    • Beste Arend, veel dank voor je reactie. Bewust heb ik, vanwege de tijd, niet al te veel uitgezocht, maar ik heb nog wel even dat boek van Doroty Wordsworth op de woorden sublime en majestic nagezocht en daaruit blijkt dat ze over de voorgaande conversatie als zodanig niets heeft geschreven.

      Ik vroeg me, hoewel het op zich geen belangrijk punt is, af hoe het zit met de verschijningsdatum van The Abolition of Man. Het stukje op Wikipedia noemt 1943. Maar mijn exemplaar, in 2001 uitgegeven door HarperSanFrancisco, vermeldt als data van het copyright 1944 en 1947 (kennelijk respectievelijk de Britse en de Amerikaanse editie) en vermeldt vernieuwingen door de C.S. Lewis Pte. Ltd. in 1971 en 1974.

      Maar ik zie nu dat de Library of Congress een vermelding op 1943 heeft en dan zal dat jaartal wel kloppen. Maar ook dan vraag ik me nog steeds af waarom de eerste vermelding van de rechten op 1944 staat en waarom ook dat jaartal veelvuldig genoemd wordt als eerste jaar van verschijning. Niet overigens dat het antwoord nu nog belangrijk is. Boeken worden meestal ruim geschreven voor ze verschijnen. En het idee is meestal nog veel ouder. In die zin lopen verschijningsjaren altijd achter op de ontwikkelingen en de denkbeelden.

      • Is inderdaad niet zo belangrijk. Maar vooruit, om precies te zijn: De drie hoofdstukken van The Abolition of Man ontstonden als een serie van drie lezingen (“Riddell-Lectures”, 15e jaargang) aan de universiteit van Durham, 24-26 februari 1943, en het boekje verscheen datzelfde jaar bij de Oxford University Press. De complete Lewis-bibliografie van Walter Hooper uit 1996 noemt 9 januari 1943 als verschijningsdatum. Vreemd, maar het is niet anders. In de Nederlandse editie heb ik juist bij de jongste herdruk, vorig jaar, met succes erop aangedrongen dat er weer een afbeelding van de oorspronkelijke titelpagina werd opgenomen. Ik herinner me niet ooit het verschijningsjaar 1944 voor The Abolition of Man te hebben gelezen. Maar de slordigheid en onkunde van zijn hedendaagse Engelstalige uitgevers is voor mij onderhand legendarisch. In 1946 verscheen er een editie met een extra alinea in hoofdstuk 2 (zie noot bij hoofdstuk 2, par. 18 op http://www.lewisiana.nl/abolquotes). Zover ik weet is dat toen de standaard Amerikaanse editie geworden, voor het eerst verschenen in 1947. Maar in Engeland hebben ze het vervolgens toch weer op de eerste editie gehouden, zonder die extra alinea.
        Latere jaartallen gaan waarschijnlijk alleen over organisatorische veranderingen in de Estate of C.S. Lewis – een verhaal apart, dat ik je echter niet kan vertellen en er is geloof ik niemand die daar het fijne van weet.
        Tussen haakjes, als je nu toch een beetje met The Abolition of Man bezig bent, moet je voor de grap eens lezen hoe Ayn Rand erover dacht: http://www.lewisiana.nl/aynrand.

      • Beste Arend, Veel dank. Overigens hoeft een aanduiding van het copyright niet per se het jaar van uitgave aan te duiden. In die zin kan de aanduiding voor in mijn Amerikaanse uitgave wel deugen: dat men bijvoorbeeld na de uitgave in Engeland een overeenkomst heeft gesloten en daar bij de daadwerkelijke publicatie van het boek in de Verenigde Staten in 1947 nog eens een tweede contract aan heeft toegevoegd.

  2. I think that the poets were having a joke at the layman, who said something was “sublime and beautiful.” For literary types of their generation, they were familiar with the book by Edmund Burke (yes, the great conservative politician) called A Philosophical Enquiry into the Origin of Our Ideas of the Sublime and Beautiful, in which the two terms are completely opposed to one another and exclude one another (I won’t go further into the dualism, because I was once a young professor of English Literature and aesthetic theory bored me even then). So when the 1-percenter made his remark, it sounded to their ears like someone saying, yes, the water in the waterfall is indeed extremely hot and icy cold…..
    An early instance of good-natured intellectual snobbery, of which Coleridge was fond of catching himself in. When he was younger, during a Napoleonic invasion scare in 1799, he was overheard on the beach talking with a fellow-poet about lofty matters. A police informant listened to their conversation, and reported to the Home Office that Coleridge was talking about a foreign agent called “Spy Nosy” (Spinoza).

    • Beste Sam Schulman, veel dank voor je reactie. Bijna zou ik nu in de verleiding komen om in houterig Engels te gaan antwoorden, maar ik geloof dat ik me beter uitdruk in het Nederlands en jij leest dat toch al, zo blijkt. Ik had dat woord ‘friend’ helemaal verkeerd geïnterpreteerd en jouw reactie liet me dat zien. Ik heb daar even een afzonderlijk naschrift van gemaakt. Zie hierboven. Nogmaals veel dank!

  3. Lieve help, wat zijn er veel graden van begrip en onbegrip mogelijk! Wie de “vriend” was had ik wel begrepen, maar des te beter had ik ook kunnen zien, en in zoverre wellicht móeten zien, dat de begrippen “sublime” en “beautiful” voor Coleridge onverenigbaar waren, en dat het “pretty” van Gaius & Titius en Lewis waarschijnlijk op dat “beautiful” teruggaat.
    Want tot nu toe bleef het verband tussen het de passage bij Dorothy W. en die in het Groene Boek c.q. The Abolition of Man toch krakkemikkig. Met vereende krachten inclusief die van Sam Schulman (dank!) zijn we er nu achter, denk ik. “Pretty” is als citaat weliswaar slordig, maar het getuigt intussen wel van begrip voor wat er gaande was. En het maakt dat begrip voor de lezer ook wel zo gemakkelijk – zelfs al beging de “vriend” een iets andere vergissing dan we dachten.
    Intussen is wel duidelijk dat ik mijn Burke niet ken. Uit de verte wist ik iets van een geschrift waarmee hij “het sublieme” op de culturele kaart heeft gezet. De Sdu-Geschiedeniskalender van 2011 bevatte zelfs een vraag “Wie was Edmund Burke?” met als enige antwoord dat hij de auteur was van een beroemd traktaat over het Sublieme – geen woord over zijn conservatieve aartsvaderschap. Het zou me benieuwen wat Burke, al of niet zijdelings, over het woord “romantic” te zeggen had. Bij gelegenheid maar eens nalezen. Met “romantic” was immers net zoiets aan de hand als met “sublime”, zij het misschien op een wat volkser niveau. Tegenwoordig is alles wat romantisch is per definitie aantrekkelijk. Maar oorspronkelijk was dat helemaal niet zo. Ik heb het altijd jammer gevonden dat C. S. Lewis in zijn Studies in Words geen hoofdstuk aan “romantic” heeft gewijd. Daarom heb ik een verdienstelijk alternatief uit 1925 op mijn site gezet, http://lewisiana.nl/romanticwords.

    • Beste Arend, hoe ik mezelf inzake die ‘vriend’ op dwaalwegen had laten brengen, kan ik niet meer goed reconstrueren. Ik vermoed dat ik bij eerste lezing dacht dat het op die vreemdeling sloeg, maar dat ik later dacht: je noemt een willekeurige passant toch geen vriend? En dat ik toen dus aannam dat het wel op William Wordsworth moest slaan. Waarbij ik dan vergat om nog eens goed naar het fragment te kijken, want de schildering van de situatie sluit die lezing duidelijk uit.

      Wat Burke betreft had ik ook beter moeten weten. Jij refereert aan een Geschiedeniskalender, welnu dat bracht mij op het idee om eens te kijken naar de stukjes die ik in de loop der jaren voor de Filosofiescheurkalender heb geschreven. En, ja hoor, voor die van 2005 had ik een stukje over het genoemde boekje van Edmund Burke ingeleverd. Ik moet dat dus begin 2004 geschreven hebben. Ik heb honderden van dat soort stukjes geschreven en ik weet uit het hoofd echt niet meer over welke denkers en welke boeken ik al dan niet geschreven heb. Voor de aardigheid citeer ik het stukje hier even volledig:

      “Verschrikking is in alle mogelijke gevallen, of het nu meer open of verborgen is, het leidende beginsel van het verhevene.”
      Edmund Burke in A Philosophical Enquiry into the Origin of Our Ideas of the Sublime and Beautiful (1757)

      De achttiende eeuw is de grote eeuw van de esthetica. Natuurlijk, altijd al hadden mensen over kunst en schoonheid gepraat, maar pas in de tijd van de Verlichting probeerde men tot een verklarende theorie te komen.
      Het was Edmund Burke (1729-1797), die in een geschrift uit zijn jeugdjaren probeerde te doorgronden wat de kenmerken van het sublieme en het mooie waren. Volgens hem ging het om twee geheel verschillende zaken. Het schone roept onze liefde op, het sublieme of verhevene jaagt ons schrik aan. Schoonheid berust op plezier, het verhevene op pijn. Maar juist de huiver die het sublieme oproept, vinden wij aangenaam. Dat we het sublieme en het mooie samen tegenkomen in kunstwerken, moet ons niet in verwarring brengen, betoogt Burke. Zwart en wit laten zich ook goed combineren, maar bewijst dat dat er geen zwart en wit bestaan?
      Burke’s onderscheiding domineert de kunstbeschouwing tot op heden. Maar veel brave, verlichte tijdgenoten moesten er niets van hebben. Hoe kon je nu het afschrikwekkende met kunst in verband brengen? Zij vonden dat kunst tot zedelijke waarheid moest leiden. Burke daarentegen preludeerde op de Romantiek. Er is meer dan onze rationele deugdzaamheid. Werkelijkheid en kunst kunnen ons ook overweldigen.

      Ik neem aan dat wat ik hier schrijf, verantwoord is, omdat ik de gewoonte heb me tamelijk dicht bij de tekst te houden, maar omdat het hier niet om een wetenschappelijke tekst gaat, zijn er geen voetnoten en is het altijd lastig om gebruikte passages terug te vinden. Ik merk op dat het sublieme en schone twee verschillende zaken zijn volgens Burke, maar ook dat ze in kunstwerken volgens hem wel in combinatie voorkomen.

      Maar volgens mij had ik ook dan nog moeten bedenken dat de gelijktijdige typering voor een en dezelfde waterval als subliem en schoon in de oren van Coleridge ongerijmd klonk. Natuur is geen kunst, waarin men zaken verenigt die zo in de natuur in één verschijnsel niet gecombineerd zijn. Maar de laatste zaken heb ik me helaas weinig met deze materie bezig gehouden.

      Je opmerking over Romantiek lijkt me trouwens volledig juist. Daarin ligt wel de verklaring dat wij even alert moeten zijn als oudere teksten lezen, waarin ons nog steeds vertrouwde begrippen net iets anders gedefinieerd zijn. Maar nogmaals, destijds zat ik veel beter in deze materie dan tegenwoordig.

  4. Let me “plug” Burke here: it’s fairer to say that he was a Liberal in the European sense as well as a conservative. He was anti-tyranny, whether it came from a vanguard speaking in the name of the masses (he hated the French revolution and foresaw the possibility of the Terror and the Vendee from its beginning) or from above (a monarch reaching beyond his established power, as George III did against the Americans). Although he was someone the gutmenschen loved to hate, he also had an immense influence on thoughtful Leftists like Coleridge and Wordsworth (in their youths) and William Hazlitt. If his political writing is read at all, it is his Reflections on the Revolution in France, which suffers from its being written in response to a naive celebration of the Revolution by a silly English clergyman (although it has influenced Francois Furet, etc). I recommend “Letters on a Regicide Peace.”
    I also recommend conservatism. I don’t ask much!

    • Beste Sam, dank! Wees gerust, er staat hier het een en ander van en over Edmund Burke, al kom ik aan dit soort thema’s de laatste jaren weinig toe. En onlangs verscheen er nog een boek Revolutionair verval en conservatieve vooruitgang onder redactie van Thierry Baudet en Michiel Visser, waarin de twee redacteuren het artikel over Burke voor hun rekening nemen. Maar ik moet dat nog lezen, al ligt het boek hier wel (ik was ook aanwezig bij de presentatie).
      Conservatisme kan een verstandige houding zijn, maar wat mij betreft dan wel het liefst op de wijze van Leszek Kolakowski: ‘How to be a Conservative-Liberal-Socialist‘. Het is altijd verstandig om de vaas vooral voorzichtig te verplaatsen, zoals Michael Oakeshott dat omschreef. Maar ik geloof niet dat conservatisme kunstmatig tot leven gewekt kan worden, zoals het laatste decennium in Nederland wel geprobeerd is, en in veel (met name Amerikaans) neoconservatisme kan ik niet anders dan het tegendeel zien: een nogal revolutionaire houding, die zich juist afzet tegen gematigdheid en geleidelijkheid.
      Maar Edmund Burke blijft de moeite waard, dat is zeker.

  5. De notitie over Coleridge en zijn waterval op mijn website (http://www.lewisiana.nl/abolquotes) heb ik veranderd en aanzienlijk uitgebreid, met dank aan jullie beiden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: