Van niets iets maken. Over een frivoliteit van Alvin Plantinga

door Jan Dirk Snel

.:.

Laat ik u direct maar even waarschuwen: in dit stukje gaat het flink regenen en sneeuwen, want ik ga het over proposities hebben en als logici proberen uit te leggen wat dat zijn – ik ga daar zo op in – dan weten ze meestal weinig anders dan sneeuw en regen te verzinnen. Het is dus niet het sombere januariweer, maar de logica die tot een overmaat aan neerslag leidt.

Alvin Plantinga
Ik wilde het maar eens hebben over Alvin Plantinga (1932), een bekend Amerikaans filosoof, jarenlang de John A. ‘O Brien Professor of Philosophy aan de University of Notre Dame, die de laatste tijd steeds weer overal opduikt, althans op sommige pagina’s die ik op internet pleeg te bezoeken, en wiens opvattingen met name via de facebookgroep Geloof en wetenschap, waar iemand mij om raadselachtige maar wat mij betreft niet onwelkome redenen aan toegevoegd heeft, nogal eens besproken worden. Ik heb dat lang niet allemaal gevolgd. Maar onlangs las ik een uitgebreid en op zich heel aardig interview met hem in of op Philosophy News, naar aanleiding de publicatie van zijn recente boek Where the Conflict Really Lies. Science, Religion, and Naturalism (New York, Oxford University Press, 2011). Jan Riemersma schreef er een mooie beschouwing over en ik geloof dat lezing daarvan genoeg is om te besluiten het boek niet te gaan lezen.

Sneeuw op bergtoppen in Californië (foto: Mindful One – Kathryn Harper)

Ik moet trouwens bekennen, maar dat is een bekentenis die me niet zwaar valt, dat ik maar heel weinig van Plantinga gelezen heb. Wat Jan Riemersma fraai typeert als een boekendrietal dat ‘in de smalle gangen van de academie bekend staat als de ‘warrant’-triologie’ – Warrant and Proper Function (1993), Warrant: The Current Debate (1993), Warranted Christian Belief (2000), allemaal ook uitgegeven door Oxford University Press in New York – heb ik ook al niet gelezen en ook dat was ik voorlopig niet van plan. Ooit heb wel een boek over zijn wijsbegeerte en die van Nicholas Wolterstorff, die ik wel graag lees – hij wil het nog wel eens over zoiets als Justice: Rights and Wrongs hebben en George Mavrodes, beroemd van de vraag of God een steen kan scheppen die hij niet kan optillen, onder redactie van Linda Zagbzebski, een filosofe die door Jan-Jaap van Peperstraten in zijn dissertatie Literary Intelligence naar verluidt uitvoerig en met waardering wordt aangehaald, Rational Faith. Catholic Responses to Reformed Epistemology (Notre Dame, University of Notre Dame Press, 1993) opgepikt en dat lijkt me vooralsnog wel voldoende. Ik heb namelijk wel één boek van Alvin Plantinga, Essays in the Methaphysics of Modality, verzameld door Matthew Davidson (New York, Oxford University Press, 2003), en daar heb ik me al voldoende aan geërgerd.

Nu wil ik me beperken tot enkele zinsneden uit het laatste, gelukkig erg korte stuk daarin, dat ‘Why Propositions Cannot Be Concrete’ heet en dat, ik ontdekte dat nu pas, afkomstig is uit het eerste Warrant-boek uit 1993. De tekst is op diverse plaatsen op internet beschikbaar, zodat u me kunt controleren. Allereerst is er de oorspronkelijke tekst in de vorm van de Gifford Lectures van 1987-88. Het gaat dan om de laatste twee paragrafen, ‘V. Why Propositions Cannot Be Concrete’ en ‘VI Back to the Causal Requirement’, van de zesde lezing over ‘A Priori Knowledge‘. Het boek uit 1993 is deels raadpleegbaar via Google Books en de essaybundel waar ik het over had, is op Scribd.com beschikbaar in twee uitgaven van 2003, eentje die ik hier fysiek bij de hand heb, en eentje met een andere, fraaiere omslag. Ik geloof dat er tussen al de teksten niet veel verschil is. In de versie van 2003 ontdekte ik alleen nog een voetnoot, de eerste, die in de Gifford Lectures nog ontbrak.

Proposities
Ik beperk me als aangekondigd nu tot het uit het boekbetoog gelichte afzonderlijke essay. Dat begint met een stelling over proposities:

‘I should next like to offer an argument for the conclusion that propositions (the things, whatever their nature, that can be believed or disbelieved, are true or false, and stand in logical relations) cannot be concrete objects of any sort—at any rate, they can’t be concrete objects that do not exist necessarily.

En het verhaal loopt uit op deze slotwoorden:

‘And in my event, the view in question—that propositions, sets, properties, and their like are outside space and time and cannot stand in causal relations—is only one view among others. Theists, for example, may find attractive a view popular among medieval philosophers from Augustine on: the view that abstract objects are really divine thoughts. More exactly, propositions are divine thoughts, properties divine concepts, and sets divine collections. But then these objects can enter into the sort of causal relation that holds between a thought and a thinker, and we can enter into causal relation with them by virtue of our causal relation to God. It is therefore quite possible to think of abstract objects as capable of standing in causal relations, and in causal relations with us; hence the causal objection to a priori knowledge can be easily sidestepped.’

Als ik het goed begrijp, neemt Plantinga de aan Augustinus toegeschreven opvatting dat proposities goddelijke gedachten zijn, dat eigenschappen goddelijke begrippen zijn en dat wiskundige verzamelingen goddelijke verzamelingen zijn, daar over.

Aan de bespreking van Jan Riemersma ontleen ik dit citaat uit het nieuwste boek:

‘The sense in which the laws of nature are necessary, therefore, is that they are propositions that God has established or decreed, and no creature (…) has the power to act against these propositions, that is, to bring about that they are false.’

Dat lijkt me in dezelfde lijn te liggen. Maar laat ik het eenvoudig houden: wat verstaat Plantinga nu eigenlijk onder proposities? Hij omschrijft ze als ‘the things, whatever their nature, that can be believed or disbelieved, are true or false, and stand in logical relations’. Maar is dat een bevredigende omschrijving? En wat doet hij er vervolgens mee?

Woordenboeken
Ik sla er maar eens een paar hedendaagse filosofische woordenboeken op na. The Penguin Dictionary of Philosophy (1996, in Penguin vanaf 1997, mijn herziene editie is van 2000) van Thomas Mautner zegt dit:

‘Different sentences are said to express the same proposition: for instance, the French “il pleut” and the German “as regnet” express the same proposition as the English “it is raining”. Propositions are commonly said to be bearers of truth and falsity. Sentences used to express commands, questions, etc. do not express propositions. When we say that a person knows that p, denies that p, etc. the letter p stands for a proposition.’

Dat is het bekende werk en ik had u al voorspeld dat het zou gaan regenen. Volgens mij staat hier niet veel meer dan dat proposities de inhoud, misschien de zakelijke inhoud, van beweringen vormen en dat die waar of onwaar kunnen zijn. Het is de gangbare omschrijving.

The Oxford Companion to Philosophy (Second Edition, 2005) onder redactie van Ted Honderich begint zo:

‘The precise formulation varies, but a proposition, or propositional content, is customarily defined in modern logic as ‘what is asserted’ when a sentence (an indicative, or declarative, sentence) is used to say something true of false, or as ‘what is expressed by’ such a sentence.’

Het stuk gaat nog verder, maar de kern lijkt me hetzelfde: het gaat om de inhoud van zinnen, afgezien van de exacte, variërende formulering.

The Shorter Routledge Encyclopedia of Philosophy (2005 en ondanks de titel toch altijd nog 1077 bladzijden) onder redactie van Edward Craig kent alleen een lemma over ‘propositional attitudes’ en zet zo in:

‘Examples of propositional attitudes include the belief that snow is white, the hope that Mt Rosea is twelve miles high, the desire that there should be snow at Christmas, the intention to go to the snow tomorrow, and the fear that one shall be killed in an avalanche.’

Ook dat voorspelde ik al: hele bergen sneeuw. Logica is bij uitstek geschikt voor de wintersportvakantie. En vervolgens wordt nog uitgelegd dat men houdingen – overtuiging, verlangen, intentie, vrees en zo meer – kan onderscheiden van de inhoud ervan – dat sneeuw wit is en zo verder, ik ga dat niet herhalen. De term propositional attitude, wordt nog toegevoegd, is van Betrand Russell en ook dat is bekend. Opnieuw gaat het om de inhoud.

The Stanford Encyclopaedia of Philosophy tenslotte zegt bondig en helder:

‘Propositions, we shall say, are the sharable objects of the attitudes and the primary bearers of truth and falsity.’

Alledaagse waarheid
Kortom, hetzelfde verhaal. Een enkele opmerking nog. Proposities staan dus voor de harde inhoud van beweringen, die qua formulering iets kunnen verschillen, en ze kunnen waar of onwaar zijn. Zoals ik eerder in mijn stukje over Historische waarheid en tijdelijkheid (zie met name het stuk onder het kopje ‘Waarheid’) al opmerkte, wijkt de concentratie op proposities als dingen die waar of onwaar kunnen zijn, enigszins af van onze alledaagse omgang met waarheid en vooral het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord waar als een van de vele adjectieven die we als typering kunnen gebruiken.

In het dagelijks leven gaat het bij waarheid primair om de overeenkomst of verbinding tussen taal en werkelijkheid (van welke aard die ook is). Het gaat dan niet alleen om de vraag of de inhoud van beweringen waar is, maar ook om de vraag of iets het geval is of was. Die twee staan dan niet los van elkaar. Als je wilt weten of iemand werkelijk ergens was, gaat het niet alleen om de vraag of de opmerking daarover waar was, maar of die persoon daar ook echt aanwezig was. Dat is wat je wilt weten: het gaat niet om de taal, maar wat er met behulp van zinnen en woorden of soms gebaren (een knikje) gezegd wordt over de wereld. Dat verstaan we in het dagelijks leven onder waarheid. De eenzijdige concentratie op de bewering en derzelver inhoud is dan meer een grensgeval of een variant. En er zijn in het dagelijks leven geen twee waarheidwaarden, maar vele op een gevarieerde schaal. Iets kan een halve waarheid zijn of net niet waar zijn of grotendeels waar en nog veel meer.

Deze logische opvatting is een puur theoretische exercitie. Voor hetzelfde geld zou je een tabel kunnen maken van zogenaamde klappels die flip of flop kunnen zijn. Heeft evenveel met onze dagelijkse omgang te maken: niets namelijk. Het gaat om een puur formeel systeem en dat benadrukte Alfred Tarski (1901-1983), de belangrijkste bedenker, ook zelf. Het is nogal verwarrend en misleidend dat dit filosofisch-logische systeem tegenwoordig zomaar onkritisch op ons gewone doen en laten en vooral ons dagelijkse en ook wel eens wat minder alledaagse spreken wordt toegepast. Alleen in bepaalde gevallen kan het enig nut hebben, verder niet.

Geen mensen
Maar nu Plantinga’s vervolg. Hij gaat een zelfverzonnen concretist, nog een vrouw ook, een uiting van Amerikaanse ‘correctheid’, waarbij mannen en vrouwen in teksten zorgvuldig afgewisseld worden, maar in dit geval een beetje onsympathiek, weerleggen omdat ze volgens hem ongelijk heeft. Die mevrouw denkt dit:

‘For definiteness, suppose propositions are human mental acts or perhaps brain inscriptions. ‘’

Dit is ineens een heel andere definitie. De beginomschrijving sloot nog wel bij de gangbare omschrijvingen aan, maar hier zijn proposities ineens ‘human mental acts or perhaps brain inscriptions’. Dat is flauw, natuurlijk zijn er mensen die denken wat ze zeggen en dat zal ook wel in hun hersenen opgeslagen liggen of eruit voortkomen, maar waar we het over kunnen hebben, is wat ze zeggen: de inhoud van hun beweringen of houdingen, die we eerst maar eens moeten vernemen voor we er iets over kunnen zeggen. Bij propositional attitudes, we zagen het net nog, is het juist de gewoonte om een onderscheid te maken tussen de houdingen – en dus wat mij betreft ook tussen de human mental acts en wat er zich in hun hersenpan afspeelt – en hun mededeelbare inhoud. Plantinga laat zijn zelfverzonnen tegenstandster alles direct door elkaar halen. En hij gaat verder:

‘It follows that if there had been no human beings, then there would have been no propositions. But doesn’t that seem wrong? If there had been no human beings, one thinks, then it would have been true that there are no human beings—that is, that there are no human beings would have been true—in which case there would have been at least one truth (and thus one proposition): that there are no human beings.’

Het spijt me, maar ik kan hier niet anders dan sofisterij in zien. Als er geen mensen geweest waren, was dus de bewering dat er geen mensen zijn, nog wel waar geweest en dan zou er dus op zijn minst één waarheid, een ware propositie dus, bestaan hebben. Het is flauwekul. Over wat er niet is, kun je niets zeggen, omdat het er niet is. Je kunt dan ook wel zeggen dat er dan geen auto’s of huizen geweest waren geweest en nog veel meer: nog veel meer ware proposities in een mensenloze wereld dus. Maar proposities bestaan niet los van mensen en menselijke uitingen (die ook op kleitabletten of USB-sticks vastgelegd kunnen zijn, die dan wel ooit weer door mensen ontcijferd moeten worden). Het eenvoudige punt is dat we over die situatie helemaal niets kunnen zeggen. Wat er niet is, kennen we niet. En als we wel zeggen dat iets niet bestaat, dan hebben we al een voorstelling geschapen, die als zodanig, als voorstelling bestaat. Maar over datgene waar we ons geen voorstelling van kunnen maken, kunnen we niets zeggen.

Van niets iets maken
Als er geen mensen geweest waren, waren er geen zinnen en waren er geen beweringen, die een inhoud hebben. Het is gewoon onzin om te zeggen dat dan de inhoud van de bewering dat er geen mensen zijn, nog waar is, want er is niemand om die bewering in te brengen. Beweringen en proposities zijn ‘dingen’ – dat nogal massieve woord, dat op zich best bruikbaar is als losse aanduiding, kan ons al misleiden, als we het te serieus als werkelijk op zichzelf staande dingen gaan opvatten -, die door mensen in hun omgang met de wereld geschapen worden en alleen daar kunnen we nu als mensen iets over zeggen.

Het niets is ondenkbaar. We kunnen ons wel een wereld voorstellen waarin er geen mensen meer zijn. Denk aan een boek als The Fate of the Earth (1982) van Jonathan Schell. Maar daar kunnen we ons nu iets over voorstellen. Als het eenmaal zover zou komen, is er niemand meer die nog iets zou kunnen opmerken. En het is volkomen nonsens om dan toch nog over proposities die waar of onwaar zouden kunnen zijn, te gaan fantaseren. Zonder mensen en taal is het onzin. Proposities worden nu telkens geschapen en ze zijn in het verleden gecreëerd en soms aan ons overgeleverd op schrift of in de herinnering en alleen over wat zich concreet aandient, kunnen we discussiëren.

En natuurlijk kunnen we wel iets zeggen over dingen uit het verleden die er ooit waren, maar die er nu niet meer zijn. Dinosaurussen bijvoorbeeld bestaan nu niet, maar bestonden ooit en dat weten we omdat ze sporen hebben nagelaten en we kunnen ze reconstrueren. En van de dodo kennen we afbeeldingen. Dat zijn dieren die niet bestaan, niet meer bestaan, maar ooit bestonden. En omdat we daar weet van hebben, kunnen we over die ooit bestaande, maar niet nu meer bestaande wezens iets zeggen.

Maar als er geen mensen meer zijn, kunnen mensen daar ook niets meer over zeggen en is de bewering dat de propositie er dan geen mensen meer zijn, dan waar zou zijn, dan zinloos. Niemand zal het erover hebben. Alleen nu kunnen we er met het oog over de toekomst over praten. Wat Plantinga doet, is van niets via een trucje toch weer iets maken. Ik kan ook wel zeggen dat er geen kalumanikels bestaan, maar zolang ik niet weet wat dat zijn, zegt dat niets. En zodra ik ze omschrijf, praten we over een verzinsel dat ik nu bedenk. Maar over het niets, het echte niets zal ik maar eens enigszins paradoxaal zeggen, kunnen we helemaal niets zeggen. Dat ligt buiten onze voorstellingswereld, zoals we ook niet buiten de grenzen van de tijd – wat was er, oude kantiaanse vraag, vóór de tijd en de Big Bang of de schepping? – kunnen treden. Het is filosofische hubris toch te doen alsof dat wel kan. Plantinga verliest zich in onzinnigheden.

Verzinsels
Binnen zijn onzinnige, grensoverschrijdende kader laat Plantinga de concretist nog een tijdje verder redeneren en zich verstrikken in tegenspraken. En zijn redenering loopt hier opuit:

‘The conclusion, I think, is that propositions can’t be concrete, contingently existing objects such as human mental acts, or brain inscriptions or other arrays of neural material, or sentence tokens, or anything else of that sort.’

Tja, als je eenmaal een valse start maakt, is de rest ook onzin. Het is geredeneer in het luchtledige, waar je je hersens wel op kunt pijnigen, maar dat nergens toe leidt. Al het volgende geredeneer over contingentie en noodzakelijkheid slaat gezien het absurde uitgangspunt nergens op. Wat ook onsympathiek is, Plantinga gaat niet in op voorliggende, controleerbare beweringen van andere filosofen, maar verzint zelf een tegenstandster die hij vervolgens vloert. Zo kan ik het ook. Maar met werkelijk debat of de uitwisseling van argumenten heeft het opzetten van absurde stropopredeneringen niets te maken. Maar je ziet dat vaker bij zogenaamde analytische filosofen: ze boksen in de lucht. Dan kun je nog beter luchtgitaar gaan spelen.

Plantinga maakt in zijn eigen alternatieve gedachtengang waar het essay op uitloopt, proposities helemaal los van de concrete, tijdelijke, eindige menselijke ervaring, dat is de makke. Ik denk niet dat we zo’n filosoof, hoe spitsvondig en humoristisch misschien ook, verder nog serieus hoeven te nemen. Natuurlijk kan het wel zinvol zijn om over God of eeuwigheid, begrippen die boven of buiten onze menselijke ervaring staan, verder te denken. Maar dan niet op zijn manier die de alledaagse redelijkheid tart. Ik kan in die hele redenering die van niets toch weer iets maakt, namelijk één ware propositie, zonder dat er mensen zijn die die ter discussie stellen, niets anders dan een frivoliteit zien.

Bergen
In het interview dat ik al noemde, vertelt de op dat moment nog 78-jarige Plantinga overigens, het is algemeen bekend, dat hij erg van bergbeklimmen houdt. Hij ging de afgelopen zomer in Californië klimmen met zijn vrienden Ric Otte – ken ik niet, maar ik weet veel niet – en Bas van Fraassen. Tijdens het interview was dat nog toekomst, maar ik neem maar aan dat de plannen gerealiseerd zijn.

De laatstgenoemde, Bas van Frassen, is toevallig in een bepaalde kringen wereldberoemde filosoof, die ik ooit op een feestje ontmoette. We waren al een kwartier of misschien wel een half uur aan de praat, over van alles en nog wat en met name over de merkwaardige Nederlandse uitvinding van de ‘allochtoon’, herinner ik me, toen we besloten ons maar eens voor te stellen. Ik was aangenaam verrast, al moet ik bekennen dat het heel lang geleden is dat ik me een ietsiepietsie in zijn werk verdiept heb. Ook daar weet ik dus niets (meer) van. Maar het was een leuke vent, zoals Alvin Plantinga dat kennelijk ook is. Juist daarom verbijstert zijn frivole wijze van filosoferen me zo.

Ik hoop dat de heren in de ijle hoogten van bergen vooral genoten en genieten van het fraais dat onze wereld, die we ook wel schepping noemen – we hebben de wereld immers niet zelf bedacht, maar treffen die aan, zoals we onszelf in die wereld aantreffen – te bieden heeft.

Ik denk dat je vanuit die concrete ervaringen een stuk verder komt dan met wat logische spitsvondigheden, die in strijd met wat we in het leven van alledag onder logica verstaan, verre van redelijk zijn.

(49)

31 Responses to “Van niets iets maken. Over een frivoliteit van Alvin Plantinga”

  1. Beste Jan Dirk, ik kwam hier terecht via de geloof & wetenschap Facebook groep. Ik vroeg me af in hoeverre je je realiseert dat wat je hier schrijft niet specifiek tegen Plantinga gericht is, maar tegen een enorme traditie in de westerse wijsbegeerte die een scherp onderscheid wil maken tussen ontologie en epistemologie, tussen wat feitelijk het geval is in de werkelijkheid en wat wij daarover kunnen weten en zeggen. Waarheid heeft te maken met hoe de dingen feitelijk zijn. Of wij die waarheid kunnen kennen en er dingen over kunnen zeggen, is een andere vraag. Wie dit beeld aannemelijk vindt, heeft iets als abstracte proposities nodig als dragers van waarheidswaarde. Of wij die proposities ooit kennen of tot uitdrukking brengen doet er niet toe.

    Je schrijft ook alsof de ‘common sense’ volledig aan jouw zijde staat. Dat lijkt me nog maar zeer de vraag. Is het niet ‘commonsensical’ om te zeggen dat het lang geleden waar was dat er dinosauriërs rondliepen, ook al was er destijds niemand die dat dacht of zei? (Om misverstanden te voorkomen: Niet dat het nu waar is dat er ooit dinosauriërs rondliepen, maar dat het in het het verleden waar was dat er op dat moment dinosauriërs rondliepen.)

    Er zijn uiteraard ook filosofen die deze ideeën niet accepteren en alternatieve concepties van waarheid ontwikkelen of argumenteren dat proposities wel degelijk concrete objecten zijn. M’n punt is eigenlijk vooral dat je Plantinga en de rest van deze traditie niet zomaar kunt afserveren door zonder argumenten te stellen dat ze frivole onzin verkondigen.

    • Beste Jeroen de Ridder, ik geloof niet dat ik tegen een lange traditie inga, want het huidige begrip van proposities, in de tarskiaanse zin, is pakweg driekwart eeuw oud (al kun je uiteraard met enig speuren daarvoor best wel eens iets vergelijkbaars vinden).

      Proposities – overigens resultaat van een theoretische constructie en ze horen alleen binnen het spel van de logica echt thuis – vormen de inhoud van menselijke beweringen of eigenlijk zijn ze gewoon beweringen, want als we zeggen dat iemand iets beweert, doelen we niet op de letterlijke woorden, maar op wat hij zegt, de inhoud dus. En proposities zijn dus, per definitie, niets anders anders dan menselijke uitingen (of de abstracties van die uitingen).

      Het onderscheid tussen epistemologie en ontologie veronderstel ik volkomen. Natuurlijk is er een werkelijkheid buiten ons en ook toen er nog geen mensen waren, was er van alles in het heelal, en als er ooit geen mensen meer zullen zijn, zal er nog van alles zijn. Die werkelijkheid bestaat op zich, maar is dan geen onderwerp van menselijke beweringen meer, en het is dan echt sofistiek om via een trucje te doen alsof er dan toch nog een propositie is. Zonder dragers zijn er geen proposities, dat is alles.

      Het is waar dat er lang geleden dinosauriërs rondliepen, maar het lijkt me kunstmatig om te zeggen dat dat in het verleden waar was. Het is gewoon waar. Nu, want nu spreken we over de werkelijkheid van toen. Waarheid veronderstelt mensen die ergens over praten. Dat hoeft er niets steeds bij gezegd te worden, maar is juist het gegeven waar we vanuit gaan. Waarheid kan gaan over wat er buiten mensen is en die werkelijkheid bestaat als zodanig, maar waarheid heeft alleen zin tussen mensen. Waarheid is niet uitsluitend in taal gelokaliseerd, al kun je als grensgeval zo over ware en onware proposities spreken, maar gaat juist over de verbinding tussen taal en werkelijkheid. In die context fungeert het begrip.

      Ik kan in de benadering van Plantinga niet anders dan diep nihilisme zien. Ook filosofie behoeft een ethiek: het moet wel redelijk blijven wat je zegt. Wat Plantinga doet, is loze Spielerei. Ook in moreel opzicht acht ik zijn benadering een overschrijding van grenzen. Ik kan dat alleen maar verklaren uit een oppervlakkige levenshouding, waarin niet werkelijk verantwoording voor standpunten wordt afgelegd.

  2. Beste Jan Dirk, bedankt voor je snelle reactie. Misschien is de precieze technische notie van propositie waar de analytische wijsbegeerte veelal mee werkt inderdaad vrij recent (Frege, Russell m.n.), maar ook in de M.E. was een dergelijke notie bekend, zie bijv. http://plato.stanford.edu/entries/propositions/.

    Ik weet niet goed hoe ik het beste kan reageren. Ook nu poneer je vooral jouw overtuigingen zonder er argumenten voor te geven en je zet andere opvattingen weg als sofistiek en trucs. (Erger nog: mensen die andere opvattingen huldigen zijn nihilist, oppervlakkig, enz. — schiet dat niet een beetje door? Als je beweert dat een filosoof als Plantinga niet werkelijk verantwoording aflegt voor zijn standpunten komt dat op mij kolderiek over.)

    Zelf heb ik niet de indruk dat het kunstmatig is om te zeggen dat het in het verleden waar was dat er toen dinosauriërs rondliepen, maar wie weet is dat beroepsdeformatie van mijn kant. Het ontkennen lijkt me evenzeer kunstmatig en een andere manier om ons natuurlijke taalgebruik op te schonen. Dat kan natuurlijk, maar ik zie niet direct dat jouw opschoning veel beter of voor de hand liggender is dan de mijne. Dat behoeft argumentatie.

    Iets soortgelijks geldt wat mij betreft als je schrijft: ‘Waarheid veronderstelt mensen die ergens over praten.’ Dat hangt er maar vanaf wat voor conceptie van waarheid je bezigt. Je kunt ook denken dat waarheid alleen iets als correspondentie tussen een propositie en de werkelijkheid veronderstelt, zonder mensen. Jij lijkt uit te gaan van een soort epistemische conceptie, ik denk zelf dat een realistische conceptie beter is. Ook hier zijn argumenten nodig om de zaak vooruit te helpen.

    Volgens mij is er meer vooruitgang te boeken is als we proberen de argumenten voor en tegen het bestaan van proposities te evalueren. De gegeven link zou daarvoor een startpunt kunnen zijn.

    • Beste Jeroen,

      Je reactie stelt me in de gelegenheid een verzuim in de vorige goed te maken. Ook in je eerste reactie poneerde je al dat ik ‘zonder argumenten’ zou stellen dat Plantinga – je haalde ‘de rest’ van een traditie erbij, maar ik daar had ik het niet over – frivole onzin zou verkondigen. En ook nu schrijf je weer dat ik mijn overtuigingen poneer ‘zonder er argumenten voor te geven’.

      Maar dat is toch niet zo? Ik heb me in mijn stuk uitvoerig uitgesloofd om te laten zien wat voor een onzin Plantinga schrijft? Doen alsof er toch nog een propositie kan zijn als er geen mens meer is om de propositie dat er geen mensen zijn, op te werpen is toch lege onzin? Dat ziet elk kind toch? Je kunt toch niet serieus menen dat ook maar iemand, inclusief de auteur, zoiets serieus zou nemen? Maar over evidente nonsens kun je alleen maar vaststellen dat het nonsens is. En ik heb veel meer gedaan. Ik heb dat uitvoerig inzichtelijk gemaakt en meer kun je niet doen. Op die manier kan iemand wel van alles beweren en als een ander dan laat zien dat het flauwekul is, ook nog eens roepen dat dat geen argument is. Zo is het eind van de redelijkheid zoek.

      Als iets in het verleden waar was, is het nu ook nog waar. Als je waarheid op proposities betrekt, doet de tijd er niet toe, maar is iets altijd waar, maar dat altijd is ook niets anders dan de tijd van spreken, nu dus. Ik kan bijvoorbeeld wel een zin uit een artikel uit de jaren tachtig aanhalen waarin beschreven wordt dat de Wibautstraat vol met files ‘staat’ – tegenwoordige tijd – en dan ik kan ik opmerken dat toen waar was, maar nu niet meer, maar dan impliceer ik de tijdsaanduiding aan te geven: dat een tegenwoordige tijd inmiddels een verleden tijd is geworden en dat er iets veranderd is. Ik kan ook opmerken dat het (nu) waar is (en dus ook toen waar was) dat de Wibautstraat toen vol files stond.

      Het is niet zo dat het ooit waar was dat er dinosauriërs leefden, maar dat dat nu niet meer waar is. Dat is nu ook nog waar. Je moet soms alleen op de tijdsaanduiding letten. Voor mensen dat die toen leefden en die trouwens die dinosauriërs hebben uitgeroeid, was het uiteraard waar dat er dinosauriërs leefden – voor hen toen: leven –, maar hun opvattingen zijn ons niet overgeleverd. Dus kunnen we daar niets over zeggen. We kunnen het aannemen, maar veel zin heeft dat niet en extra informatie levert het al helemaal niet.

      Je schrijft dat je ook kunt denken ‘dat waarheid alleen iets als correspondentie tussen een propositie en de werkelijkheid veronderstelt, zonder mensen.’ Maar hoe dan? De definitie van proposities is toch dat het om de inhoud van menselijke uitspraken gaat? Dan is het toch absurd om ze los van mensen te maken? Je hanteert dan een heel andere definitie en doet alsof proposities dingen zijn die los van mensen kunnen voorkomen. Maar dan definieer je ze dus niet, maar ontdek je ze. Maar dan zul je eerst wel empirisch moeten laten zien hoe je ze ontdekt hebt. Kennen wij abstracties zonder mensen? Dat is net zo absurd als beweren dat er zonder mensen wiskunde zou bestaan. Maar dan nog: je hebt het dan over iets heel anders dan wanneer we het volgens afspraak over proposities hebben. Proposities zijn dingen die elke dag in miljardenvoud door mensen nieuw geschapen worden en die meestal ook slechts heel tijdelijk bestaan. De meeste, vermoed ik, zijn eenmalig.

      Ik geloof niet dat het zinvol is om hier een epistemische conceptie tegenover een zogenaamde realistische conceptie van waarheid te zetten. Ik geef juist aan dat ik op zich het spreken over de waarheid van proposities een grensgeval acht van het normale spreken over waarheid waarin het juist over de overeenkomst of de verbinding van taal en werkelijkheid gaat. Waarheid gaat dus wel degelijk over werkelijkheid. Maar we kunnen er toch niet buiten onze menselijke conditie, inclusief taal en communicatie (gebaren) over spreken? We spreken als mensen. En als mensen spreken wij ook over de werkelijkheid buiten ons.

      En is het zo kolderiek om te stellen dat Plantinga niet werkelijk verantwoording aflegt? Dat is wat ook weer naar voren komt in de recensie van Jan Riemersma. Ik geloof niet dat mijn typeringen zo overtrokken zijn. Stel je eens iemand voor die naar huis gaat en ’s avonds in de kring van zijn gezin of in de kroeg vertelt dat hij vandaag verzonnen heeft dat als er geen mensen waren de bewering dat er geen mensen zijn, toch nog waar zou zijn en dat er dus op zijn minst één waarheid zou zijn, en dat hij dat ook nog serieus opgeschreven heeft. Je kunt de grap ook uithalen met: als er niets zou zijn, zou de bewering dat er niets was, nog waar zijn en zou er dus toch nog iets zijn. Denk je dat ook maar iemand aan de avondlijke dis of in het café dat serieus zou nemen? Nee, natuurlijk niet. Ze zouden hem hartelijk uitlachen. En terecht. Maar Plantinga schrijft zoiets niet alleen één keer op, maar handhaaft het ook nog eens en publiceert het telkens weer. Volgens mij ben je dan ver heen.

      En als verzachtende verklaring kan ik dan alleen speelsheid en oppervlakkigheid bedenken en dat is ook de indruk die je uit interviews met de man krijgt. Filosofie is een spelletje, een lolletje, meer niet. En ja, ik vind het echt een huiveringwekkende ervaring om zo’n tekst van Plantinga of nogal wat van Quine te lezen, omdat het besef dat je in de muil van het nihilisme, de absolute leegte, kijkt, zich onontkoombaar opdringt. Maar ik ben misschien soms een beetje te ernstig.

      Naar dat stuk over proposities had ik zelf al gelinkt. Ik zie de relevantie ervan nu niet. En argumenten voor of tegen het bestaan van proposities hebben we niet nodig, want als je proposities eenmaal definieert en zo dus als begrip schept, bestaan ze natuurlijk. Daar is dan geen enkele twijfel over. Het zijn de inhouden van menselijke beweringen of die beweringen zelf en ik heb nog niemand horen betogen dat mensen nooit iets beweren. (En je kunt dan overigens heel goed betogen dat de werkelijkheid die door middel van het begrip propositie aangeduid werd, ook bestaat zonder dat je dat specifieke woord gebruikt.)

  3. Beste Jan Dirk,

    Is Plantinga een oppervlakkige nihilistische sofist omdat hij meent dat proposities abstracte objecten zijn? Zoals je weet dacht Plato dat ‘concepten’ (zoals ‘boom’ en ‘stoel’) abstracte entiteiten zijn die onafhankelijk van de mens bestaan. Is Plato daarom volgens jou eveneens een oppervlakkige nihilistische sofist? Nee toch, dat kun je niet menen.

    Groet,
    Emanuel

    • Beste Emanuel,

      Even lezen. Dat schrijf ik dan ook niet. Ik acht het verderfelijk dat Plantinga zijn lezers lastig valt met flauwekulredeneringen. Ook van een filosoof mag je verwachten dat hij in waarheid – ja, waarheid – leeft en niet maar van alles de wereld inslingert.

      De vergelijking met Plato, die ik trouwens ook niet bij voorbaat onschendbaar acht, is niet relevant. (Dat je abstracte entiteiten ervaart als onafhankelijk van jou bestaande, zegt nog niet dat ze ook ergens ‘objectief’ bestaan. Alleen mensen hebben het over zulke entiteiten en bomen en stoelen bestaan trouwens echt op zichzelf.)

      Ik zou trouwens niet weten wat er tegen is om proposities als abstracte objecten te zien. Je kunt je afvragen of het de meest adequate omschrijving is, maar ik maak er op zich geen groot bezwaar tegen als iemand opmerkt dat de inhoud van een zin een abstract object is. Daar heb ik me niet tegen gekeerd en dus klopt je opmerking ook niet. Je kunt allerlei aspecten aan menselijke uitingen herkennen, ook abstracte. Maar je neemt ze nooit waar als er geen mensen of concrete menselijke uitingen (bijvoorbeeld ook vastgelegd op schrift) in de buurt zijn.

      Maar misschien voel je aangesproken? Herinner jij je nog hoe je bij een uitspraak over 1974 de ‘waarheidsmaker’ hardnekkig in het heden ging zoeken in plaats van in 1974, waar het over ging? Filosoferen vraagt om een zeker verantwoordelijkheidsbesef. Je kunt mensen enorm hun hersens laten kraken op flauwekulredeneringen, zoals Plantinga in dit fragment doet, maar daarmee is het nog geen zinvolle bijdrage. De man had zijn onzin ook voor zich kunnen houden.

      En ja, Emanuel, dat is iets wat jij je ook aan mag trekken. Jij poneerde ook van alles, maar ging niet op tegenwerpingen in. Dwaasheid is er meer dan genoeg in de wereld en van filosofen mag verwacht worden dat ze bijdragen aan verheldering en, ja opnieuw, waarheid, en niet allerlei loze spelletjes spelen.

      Lees die tekst gewoon is en het nihilisme staart je aan. Dit is een mens die niet meer voor redelijkheid buigt. Ook van filosofen mag een besef van morele grenzen verlangd worden. Plantinga heeft dat niet, maar ik interpreteer het zo gunstig mogelijk als frivoliteit. En ik heb me in mijn stukje bewust een beetje ingehouden en het van de vrolijke kant bekeken. En dat vond ik wel erg aardig van mezelf.

  4. Beste Jan Dirk,

    Ik voel mij in het geheel niet aangesproken. Het is eerder zo dat ik mij oprecht verbaas over jouw ongemeen felle en onredelijke uithaal naar Plantinga op grond van slechts een wijsgerig verschil van inzicht. Hiermee plaats je je echt buiten het discours.

    De vergelijking met Plato is bovendien wel degelijk relevant. Plato meende, zoals ik hierboven al aangaf, dat ‘concepten’ (verwant aan ‘proposities’) abstracte entiteiten zijn die onafhankelijk van de mens bestaan. Plato meent dus dat een abstracte Idee als ‘Boom’ of ‘Stoel’ objectief bestaat, ook als er helemaal geen mensen (meer) zouden zijn. Dit komt structureel overeen met de door jou zo enorm verfoeide positie van Plantinga, die immers meent dat proposities abstracte objecten zijn die onafhankelijk van de mens bestaan (dus ook bestaan als er geen mens (meer) is).

    Groet,
    Emanuel

  5. Beste Jan Dirk, wat een enorm verhaal! Ik probeer het korter te houden en zal niet op alles ingaan.

    Mijn allereerste punt was dat jouw verwerping van het idee dat er proposities (in de zin van abstracte entiteiten die los van mensen en hun gedachten en uitspraken bestaan) bestaan niet alleen Plantinga raakt, maar een hele verzameling filosofen uit heden en verleden. Wat je zegt heeft niet uitsluitend of specifiek betrekking op wat Plantinga schrijft (al geeft hij natuurlijk één mogelijk argument tegen het idee dat proposities concrete mentale entiteiten zijn). In die zin was mijn opmerking over de traditie wel relevant, in elk geval om de context te verhelderen.

    Je zegt dat je je hebt uitgesloofd om te laten zien dat wat Plantinga schrijft onzin is. Dat zie ik niet. Je hebt een lang stuk tekst geschreven met veel retorisch geweld, maar qua inhoud kom je op het cruciale punt (nl. dat er proposities zijn als abstracte objecten, ook als niemand die proposities denkt of tot uitdrukking brengt) niet verder dan rapporteren dat je dat onzin vindt. Ook in je laatste reactie op mij hierboven zeg je dingen als: ‘een kind ziet dat dat onzin is’ en ‘als iets nonsens is, kun je dat alleen maar vaststellen’.

    Mijn punt was en blijft dat je daarmee zomaar een filosofische stellingname afschrijft die door veel serieuze filosofen op grond van inhoudelijke argumenten aanvaard wordt. Het lijkt steeds alsof je je dat helemaal niet realiseert. Misschien heb je tegen al die argumenten uitstekende bezwaren. Dat zou interessant zijn. Maar je hebt ze hier niet gegeven. (En dat de mensen in het café of aan de tafel thuis je zouden uitlachen, legt wat mij betreft geen gewicht in de schaal. Dat deden ze waarschijnlijk ook toen Newton aankwam met de zwaartekracht of Darwin met de evolutietheorie. Ik denk dat dat alleen maar laat zien dat die mensen (nog) geen gevoel hebben voor filosofische vragen.)

    Je zegt nu zelfs dat we argumenten voor of tegen het bestaan van proposities niet nodig hebben! Dan raak je me kwijt. Natuurlijk heb je die argumenten nodig: hoe wil je anders vaststellen of Plantinga’s stellingname correct of verdedigbaar is of niet? (Overigens: als je een begrip definieert, bestaat de zaak waar dat begrip naar verwijst natuurlijk niet automatisch, maar dat zul je ongetwijfeld niet bedoeld hebben.)

    Ik veroorloof me nog een terzijde: ik vond de recensie van Jan Riemersma van Plantinga’s nieuwe boek een aanfluiting. Daar zou je je niet door moeten laten weerhouden. Misschien heb je ook gezien dat Taede Smedes het juist één van de beste boeken op het terrein van geloof en wetenschap van de afgelopen jaren vond?

  6. Waarde Emanuel Rutten en Jeroen de Ridder, jullie reacties verbaasden me vanaf het begin en ze verbazen me nu nog meer. Ik heb mijn reacties geschreven, maar ik plaats ze niet voor vrijdag, zodat ik ze nog kan herzien. Ik denk dat ik met een voor mijn doen nogal welwillend stukje over de flauwekul van Alvin Plantinga, die, de flauwekul dus en niet de man, ik al jaren kende en die me altijd een doorn in het oog is geweest, maar waar ik me nu zo vrolijk en aardig mogelijk over wist te uiten, echt een snaar heb geraakt. Ik denk dat dat dit niet alleen over een ietwat frivole of ontspoorde filosoof gaat – kies maar – maar over de ethiek van de wijsbegeerte. Zijn filosofen nog bereid zich te laten normeren of menen ze dat werkelijk alles door de beugel kan? Dat lijkt me een principiële vraag, die nog wel eens een nadere beschouwing verdient. Maar ik zal tot vrijdag wachten met een nader principieel antwoord op jullie reacties. Ik vermoed dat ik de al geschreven reacties dan zal aanscherpen, maar we zullen zien.

  7. Jan Dirk, wat precies de ethiek van de filosoof dient te zijn is een lastig onderwerp. De meeste filosofen zijn al blij dat ze niet, net als de theologen, onder vuur worden genomen omdat hun activiteiten niets toevoegen aan de wetenschap😦.

    Maar als filosofen een bepaalde functie hebben, dan is die (wellicht) tweeledig: stel dat een bepaalde vraag niet empirisch kan worden beantwoord (bijvoorbeeld de vraag: wat zijn proposities), dan kan de filosoof zich verdienstelijk maken door (1) eerst alle mogelijke posities te beschrijven, en (2) de verdediging van deze posities op zich te nemen. Dit levert uiteindelijk een soort uitstalling op van alle *mogelijke* antwoorden -ook die op het oog zeer onzinnig zijn- en een mogelijke ‘waarde’.

    Het is op zich, denk ik, te billijken dat Plantinga verdedigt dat proposities entiteiten zijn die slechts bestaan in de geest van God. Laten we zeggen dat dit hoort bij de taak van de filosoof, namelijk het beschrijven van alle mogelijke posities. En zo origineel of nieuw is deze opvatting toch ook niet: Berkely reduceerde immers de bestaande wereld al tot Gods kijkdoos? De vraag of het een geloofwaardige positie is doet in dit stadium nog niet ter zake. Overigens is Emanuel zelf ook een Berkelyaan: in zijn godsbewijs wordt de alwetendheid van God opgevoerd als voldoende voorwaarde om proposities waar te maken.

    De volgende vraag is dan wat de waarde (geloofwaardigheid) van Plantinga’s positie is. Wel, Plantinga heeft het zichzelf niet gemakkelijk gemaakt: hij verdedigt dat de mens een immateriële geest heeft, dat we over een zintuig beschikken waarmee we de (christelijke!) God kunnen ervaren/waarnemen, enz. Ik geloof niet dat er veel filosofen zijn die dit pakket van opvattingen kunnen verdedigen. Het knappe is dat Plantinga er wel wat van maakt, dat moet worden toegegeven. Maar over het geheel genomen, dat ben ik met je eens -zoals ik het ook met de strekking van je opstel eens ben-, is zijn positie eenvoudigweg niet geloofwaardig.

    In de discussie lopen deze twee zaken overigens door elkaar: het is voor de neutrale lezer wellicht handiger als iedereen zich beperkt tot de vraag wat de geloofwaardigheid is van Plantinga’s opvatting over de propositie.

    Dan wat andere zaken: jouw opvatting over waarheid [meerwaardig] wordt door van Woudenberg (ook VU en naar ik vermoed supervisor van Plantinga’s advocatenkantoor Ridder & Rutten [grapje, oef!]) gebruikt om de evolutietheorie niet ten volle te hoeven accepteren (vWoudenberg, R, Houdingen inzake evolutie en schepping, in: God Beschikte een Worm, p.180). Kortom, helemaal onbekend zal het idee van ‘geschakeerde’ waarheid in die kringen niet zijn. Ik weet overigens niet of vWoudenberg nu nog achter dat artikel staat.

    Tenslotte lees ik dat Jeroen de Ridder je waarschuwt voor mijn bespreking van Plantinga: zeg dus niet dat je het niet wist, je bent gewaarschuwd !🙂.

  8. Beste Jan Dirk,

    Ik denk dat de reacties van Jeroen en Emanuel komen door je toch wel wat verwarde gebruik van de term “proposities”. Je cruciale argument om Plantinga tot sofist te verklaren staat hier:

    Het spijt me, maar ik kan hier niet anders dan sofisterij in zien. Als er geen mensen geweest waren, was dus de bewering dat er geen mensen zijn, nog wel waar geweest en dan zou er dus op zijn minst één waarheid, een ware propositie dus, bestaan hebben. Het is flauwekul. Over wat er niet is, kun je niets zeggen, omdat het er niet is. Je kunt dan ook wel zeggen dat er dan geen auto’s of huizen geweest waren geweest en nog veel meer: nog veel meer ware proposities in een mensenloze wereld dus. Maar proposities bestaan niet los van mensen en menselijke uitingen (die ook op kleitabletten of USB-sticks vastgelegd kunnen zijn, die dan wel ooit weer door mensen ontcijferd moeten worden). Het eenvoudige punt is dat we over die situatie helemaal niets kunnen zeggen. Wat er niet is, kennen we niet.

    Het probleem voor filosofen is dat je hier “uitspraken” (of “beweringen”) en “proposities” door elkaar haalt. Een propositie is geen uitspraak, maar kan wel in termen van een uitspraak vertaald worden. Een propositie is dus een abstracte entiteit – zo Plato en Plantinga – die in termen van een menselijke uitspraak omgezet kan worden. Een propositie kan dus heel wel los bestaan van mensen en menselijke uitingen, maar een uitspraak of bewering niet.

    Bovendien loopt je redenering in zichzelf vast. Stel dat dolfijnen nu eens net zo intelligent zijn als sommige mensen denken dat ze zijn, dat ze hun eigen taal hebben, dat ze al langer dan mensen bestaan, en eigenlijk lachen om de inferioriteit van mensen ten opzichte van hun intelligentie. Dolfijnen hebben het raadsel van het bestaan van het universum al lang opgelost. Maar: wij weten dat niet. Wij horen geen taal, alleen piepjes en kraakjes, wij zien geen intelligent gedrag, maar allerlei aangeleerde kunstjes. Voor ons bestaat die intelligentie niet. Bestáát daarmee die intelligentie tout court niet, inclusief de verklaring voor het raadsel van het bestaan van het universum? Of moeten we misschien zeggen: misschien bestaat het wel, maar we kunnen er niets over zeggen. Dát is het verschil tussen proposities en (menselijke) uitspraken of beweringen.

    @Jeroen,

    Dat ik beweerd heb dat Plantinga’s boek een van de beste boeken is over geloof en wetenschap van de afgelopen jaren, wil niet zeggen dat ik Plantinga’s positie accepteer. Integendeel, terwijl jij Riemersma’s bespreking tot een “aanfluiting” reduceert, denk ik dat hij wel de vinger op de zere plek legt, met name wat betreft Plantinga’s (apologetische) gebruik van God als beste verklaring voor de betrouwbaarheid van het menselijk cognitieve systeem. Waarom ik het een goed boek vind, is dat het de middelmatige prut die de afgelopen jaren uit het science & religion veld is voortgekomen overstijgt en werkelijk een bijdrage levert aan het veld die tot nadenken stemt, die je niet zomaar kunt wegzetten als gelovig geleuter. Ook als je het niet eens bent met Plantinga’s argument tegen evolutionaire epistemologie en naturalisme, kun je dat niet zomaar wegzetten, maar moet je heel wat huiswerk verrichten om met tegenargumenten te komen, en dáárom is het een goed boek – en niet omdat ik denk dat het klopt wat Plantinga allemaal zegt.

    • Beste Taede, Een korte opmerking nu, verder heb ik me voorgenomen pas morgen nader te reageren. Ik haal proposities en beweringen niet door elkaar. Proposities worden gedefinieerd als de inhouden van zinnen. Je kunt ook zeggen dat proposities dan de inhouden van beweringen zijn, maar eigenlijk verstaan we onder een bewering al de inhoud van een zin. Als we zeggen dat iemand iets beweert, herhalen we wat hij inhoudelijk zei en niet zijn letterlijke woorden. In die zin is, zodra we de term propositie weghalen uit het formele systeem waarin het eigenlijk alleen past, en naar de alledaagse taal overbrengen, de term bewering een goed alternatief. Maar nogmaals, voor de zorgvuldigheid of the sake of the matter ben ik best bereid om proposities als de inhouden van beweringen te definiëren.
      Ja, in die zin kun je een propositie zien als een abstracte entiteit – al lijkt me dat niet nodig, omdat we in het dagelijks verkeer juist in die inhouden denken en niet in letterlijke zinnen en ze dus helemaal niet als abstract bechouwen – maar als je dat doet, is het de abstractie van een concrete zin of bewering die voorligt. Zonder die menselijke uiting kun je niet over de (abstracte) proposities praten en het is absurd om te doen alsof ze in een mensenloze wereld wel zouden kunnen bestaan.
      Elke dag spreken mensen miljarden en miljarden zinnen uit en een deel daarvan is zodanig dat je er een propositie in kunt ontdekken. In die zin worden er ook elke dag miljarden proposities geschapen. Maar zonder menselijke voortbrenging of creatie bestaan er echt geen proposities. Het is volkomen absurd om je in een mensenloze wereld proposities voor te stellen. Toen er nog geen mensen op aarde waren, waren er nog geen proposities. En nu vervliegen er elke dag miljarden en worden er miljarden nieuwe gecreëerd.
      Natuurlijk kun je abstracta als in zekere zin ‘zelfstandig’ voorstellen, zoals we ook ideeën als dingen met een zeker eigen bestaan die mensen aan elkaar doorgeven, voorstellen. Maar dat speelt zich allemaal alleen maar binnen de menselijke wereld af. Wie fantaseert over daarbuiten, overschrijdt een grens. Dat was Plantinga in het voorliggende fragment deed.

      De dolfijnenvergelijking gaat niet op omdat proposities nu eenmaal de abstracties van menselijke taaluitingen zijn en ook binnen ons spreken over waarheid slechts een onhandig en vaak misleidend grensgeval vormen.

    • Beste Taede, zo kort was mijn reactie ook weer niet. Ik voeg nog iets toe, waarbij ik overigens meen te beseffen dat je vooral probeert iets uit te leggen en niet zozeer een eigen standpunt beoogt te verdedigen.

      Je schrijft als exegeet, zal ik maar zeggen:

      ‘Een propositie is geen uitspraak, maar kan wel in termen van een uitspraak vertaald worden.’

      Ik begrijp die gedachte, maar ze lijkt me de boel om te draaien. Dit is een gedachtegang waarin er eerst proposities bestaan (en in de boekjes zijn het altijd van die simpele flauwiteiten als dat het regent of dat de Eiffeltoren in Parijs staat en worden nooit eens de gecompliceerdere zinnen (en derzelver inhouden) aangehaald die we in werkelijkheid spreken en schrijven) en er daarna pas een formulering voor wordt gevonden.

      Het is een gedachtegang die de alledaagse gang van zaken omkeert. Mensen zeggen binnen de wereld die ze aantreffen, steeds van alles. Elke keer weer scheppen ze volstrekt nieuwe zinnen en zoals ik al diverse keren betoogd heb, zijn de meeste zinnen die we schrijven en zeggen volstrekt nieuwe scheppingen, op de clichés van de dagelijkse, persoonlijke omgang (‘geef het zout even door’, ‘wat een rotweer’) na. Mensen creëren beweringen en scheppen daarmee elke dag miljarden en miljarden volstrekt nieuwe en meestal eenmalige proposities. Maar slechts zelden heb je het over de waarheid van de inhoud van zinnen, omdat waarheid nu eenmaal verondersteld wordt en slechts ter sprake komt als die omstreden is.

      De makke is dat in veel filosofie een absurd statische benadering van onze werkelijkheid heerst. Alsof het Zijn bijvoorbeeld de optelsom van alle zijnden zou zijn, terwijl die entiteiten niet anders dan een fluïde en onbepaalbare massa tijdelijkheden zijn. Proposities zijn slechts de inhouden – en sommigen noemen dat dan abstracties – van de ontelbare beweringen en meestal nieuwe die mensen elke dag weer doen.

      Wat Plantinga doet, is ze losmaken van ons eindig, sterfelijk bestaan. In zijn absurde gedachtewereld zou je trouwens ook het aantal proposities oneindig kunnen maken, want alle miljarden proposities die vandaag waar zijn en alle van alle voorgaande dagen, zou je daar voorzien van een ontkenningsteken ook op kunnen voeren. Maar het blijft even absurd.

  9. Beste Jan,

    Even een korte reactie om (verdere) misverstanden te voorkomen. Ik doe niet aan godsbewijzen. Ik geef slechts wijsgerige argumenten voor het bestaan van God, en dat is iets anders. Een redelijk argument voor een stelling is immers nog géén bewijs! Bewijzen doen we in de wiskunde. Verder accepteer ik de evolutietheorie, en ben ik géén Berkelyaan (zie bijvoorbeeld http://bit.ly/ebYueY). Ook is het niet zo dat mijn meest recente argument voor het bestaan van God afhankelijk is van de claim dat God alwetend is (zie bijvoorbeeld http://bit.ly/rc7lp5 en http://bit.ly/wynNFZ en vooral de discussies daaronder).

    Verder ging het mij hierboven niet om een inhoudelijke verdediging van Plantinga’s positie ten aanzien van proposities. Zelf heb ik namelijk een andere opvatting over de aard van proposities (zie wederom http://bit.ly/ebYueY). Waar het mij slechts om ging was dat het feit dat Jan Dirk een andere opvatting heeft over de aard van proposities geen reden voor hem is om Plantinga vervolgens ongenuanceerd weg te zetten als een “nihilistische oppervlakkige sofist”. That’s all.

    Groet,
    Emanuel

  10. @Emanuel, in orde: ik zie wat je bedoelt. Het is niet de bedoeling om je verkeerde standpunten in de schoenen te schuiven!

  11. @Taede: Akkoord over Plantinga’s boek natuurlijk. Ik wilde niet suggereren dat jij het met hem eens zou zijn; dat schreef ik ook niet. Ik wilde alleen maar zeggen dat niet iedereen Jan Riemersma’s oordeel over de kwaliteit van het boek deelt.

    @Jan Riemersma: Sorry, het was niet zo netjes van me om hier in een reactie te zeuren op jouw recensie zonder dat uit te leggen. Mijn grootste probleem met je bespreking was dat je het boek volgens mij afrekent op oneigenlijke gronden. Je komt met kritiek op zijn kentheorie uit andere boeken en verwijt hem dan dat hij die kritiek in dit boek niet adresseert. Maar dat is het doel van dit boek helemaal niet. Het gaat om de vraag of er een conflict is tussen religieus geloof (eigenlijk meer christelijk geloof) en wetenschap. Dan staat het hem toch vrij om zo hier en daar een beroep te doen op zijn eigen kentheorie? Dat is nu eenmaal wat hij zelf gelooft.
    Mijn indruk was verder ook dat je veel van de preciezere argumenten erg slordig en deel onjuist weergeeft, maar dat wordt te gedetailleerd voor hier.

  12. Een heldere persoonlijke reflectie op Plantinga, Jan Dirk, waarbij ik veel herkenning tegenkom. Bij Plantinga heb ik altijd hetzelfde als met een ingewikkeld spel wat ik met vrienden speel, waarbij ik de gebruiksaanwijzing niet heb gelezen. Ik zie allelei slimmigheden en handige manoeuvres, maar “diepere” noodzakelijke doel en zin ontgaan mij dan. Dan wil ik best de gebruiksaanwijzing lezen, maar dat betekent dat er ook erg veel context nodig is om de gang van zaken voor mij relevant te maken.

    Deze context mis ik ook als ik Plantinga lees. Dat is voor mij geen aantrekkelijke filosofie die dicht bij het ervaarbare leven staat. Niet bij die van mij tenminste… Ik krijg de indruk dat hij in zijn filosofie reageert op mensen of een beweging die al geruime tijd aan relevantie heeft ingeboet. En niet alleen vanwege de historische bepaaldheid, is mijn indruk. Maar gezien de positieve reacties van andere weldenkende mensen, ga ik er dan maar uit dat zijn benadering blijkbaar een functie heeft. Meer voor anderen dan voor mezelf dan. Dit heb ik minder bij zijn collega Nicholas Wolterstorff. Die heeft voor mijn denkontwikkeling zeker veel betekend. Dit heeft met zijn thematiek te maken, maar ook met zijn maatschappelijke verbondenheid die ik mee kan maken.

    En ook de discussie hier vind ik wat langs elkaar heen schieten. Ook daar komt het op mij over alsof ik een gebruiksaanwijzing mis. De gebruiksaanwijzing die een context creëert. Deze gebruiksaanwijzing en deze context kun je natuurlijk “discours” noemen en daarbij kun je roepen dat mensen die zich niet aan de regels aanpassen zich buiten het discours plaatsen (beste Emanuel). Zo zijn onze manieren… luidt een oud bekend volksliedje. En dan lijkt mij de sociale ethiek opspelen om in de dialoog het individu tegemoet te komen in plaats van de alomtegenwoordigheid van het discours te veronderstellen. Dan geldt: “Je moet wel je wel aan de regels van het discours houden”. Dit is voor mij een “zwaktebod” in relatie tot de maatschappelijke relevantie van waar je mee bezig bent. Het lijkt mij altijd weer nuttig, zoniet noodzakelijk om de relevantie altijd weer kunnen aantonen in elk afzonderlijk gesprek. Anders zijn we niet ver verwijderd van de arrogantie om gemeenschapsgeld te besteden aan zaken waar de gemeenschap toch “weinig verstand” van heeft. Dan is verantwoordelijkheid voor mij een noodzakelijk ethisch gebeuren binnen de sociale omgangsvormen.

    Hm… abstracte concepten die los van mensen kunnen bestaan? En nog meer van dergelijke uitspraken lijken mij op idealisering en getuigen van een vervreemding van het besef dat wetenschap en filosofie “gewone” menselijke bezigheden zijn. Misschien niet voor iedereen, maar nooit helemaal los van iedereen. Zeker niet in de verantwoording.

    Deze voorstelling van zaken herken ik niet in mijn beleving die we voorbij de gezamenlijkheid “de objectieve werkelijkheid buiten ons” kunnen noemen. De “objectieve werkelijkheid” waar we doorgaans teveel mee verweven zijn om helder te kunnen scheiden, is mijn indruk. Misschien zelfs vaak te verweven om goed te kunnen onderscheiden. Sorry als ik in de argumentatie tekort schiet. Ik hoop dat de gezamenlijke herkenning in de ervaring voldoende is. En dat bedoel ik natuurlijk niet arrogant. Want ik laat me graag corrigeren als dat nodig is.

    Abstracties komen van mensen en worden door mensen gedragen en overgedragen is mijn indruk. Dat Plato ze aan een bestaande wereld buiten ons toeschreef, lijkt me geen overtuiging die ik met overtuiging over kan nemen. Ook niet in gekerstende vorm. Dat lijkt me (antropomorfe) projectie op God in de lijn van Feuerbach en Freud. Misschien dat de abstracte concepten als verwijzing in boeken blijven bestaan of andere culturele uitingen van mensen, maar om deze nu aan de objectieve werkelijkheid toe te dichten los van mensen, komt vreemd op mij over. Ik kan me daar niets bij voor stellen. Ik heb ze immers nooit los van mensen kunnen ervaren. Zelfs zoiets als Goddelijke openbaring valt (voor mij/ons) niet los te zien van menselijke betrokkenheid. Of plaats ik mij nu ook uit het discours? Dan lijkt het voor mij een discours die buiten de sociale beleving van maatschappelijke relevantie is gevallen. Maar ik kan het natuurlijk mis hebben. Dan laat ik mij graag corrigeren. Ik zie veel heil (…) in de afkeer van Heidegger om in een platoonse benadering terecht te komen. Volgens mij “werkt” dit in deze tijd niet meer. Zowel qua waarheid als qua rechtvaardigheid of rechtvaaardiging. Ook niet als deze benadering wordt gekerstend, is mijn indruk. Plato is van grote invloed en verdient gepast repect, maar ik kom toch ook bij grenzen in de toepasbaarheid van zijn concepten. In het sociale leven kom ik tegen dat mensen minder vatbaar zijn voor een deductie vanuit een abtract begrippenkader. Ook niet wanneer dit begrippenkader wordt toegelicht met voorbeelden van regen en sneeuw. Dit lijkt mij te doorzichtig deductief. We zoeken wat voorbeelden bij onze abstracties. Op deze manier kunnen ze maar moeilijk een praktische en/of existentiële snaar raken. Bij mij niet tenminste.

    Voor mij wordt filosofie belangrijk als het vanuit de sociale relevantie wordt opgebouwd. Epistemologie op de vierkante millimeter en dan nog vanuit de abstracte analytische school kan mij veel minder boeien dan de meer hermeneutische benaderingen die vanuit het leven en de beleving ook de subjectiviteit integreren. Waarheid zonder rechtvaardigheid e.d. lijkt me in deze tijd niet meer aan te sluiten op de beleving van veel mensen. Dit ontgaat mij ook bij Plantinga. Daarom heb ik in methodiek meer met mensen in de lijn van Gadammer en iets recenter Gianni Vattimo. Sociale ethiek is daarin voor mij een bijzondere trigger. Daarom heb ik waarschijnlijk ook meer met Nicholas Wolterstorff.

    Goed dit is maar een reactie van een hobbie-filosoof… een zwakke hobbie-filosoof nog wel😉 Maar ik herken mij grotendeels in je verhaal, Jan Dirk. Alleen liggen sommige van je generalisaties over Plantinga buiten mijn “macht”. Als andere weldenkende mensen hem serieus willen en kunnen nemen en ze door hem worden geïnspireerd dan zal ik ze daar niet vanaf willen brengen. Dat is niet de context waar ik iets over kan beweren. Daar ben ik dan weer te zwak voor😉

    Dank en groet!

  13. Beste Ronald,

    Mijn opmerking dat Jan Dirk zich buiten het discours lijkt te plaatsen had natuurlijk helemaal niets te maken met de inhoud van Jan Dirk’s opvattingen over proposities. Uiteraard niet! Het ging mij er alléén maar om dat iemand die een andersdenkende filosoof ongenuanceerd wegzet als “oppervlakkige nihilist” zich buiten het redelijke wijsgerige gesprek plaatst waarin het respectvol verdedigen, aanvullen of bekritiseren van opvattingen van andersdenkenden op basis van voldoende inhoudelijke argumenten centraal staat.

    Bovendien heb ik met mijn verwijzing naar Plato niet willen beweren dat Plato’s positie ten aanzien van abstracta mijn voorkeur heeft. Het ging mij er ook hier slechts om Jan Dirk te confronteren met het gegeven dat *als* hij Plantinga een “oppervlakkige nihilist” noemt vanwege Plantinga’s denken over proposities hij *dan* ook Plato een “oppervlakkige nihilist” zal moeten noemen vanwege Plato’s (vergelijkbare) denken over concepten. Op deze manier wilde ik laten zien dat Jan Dirk’s kwalificaties van Plantinga nogal buitensporig zijn. Zelf ben ik overigens géén Platonist. Integendeel! Zie bijvoorbeeld pp. 33-36 van http://bit.ly/ebYueY

    Groet,
    Emanuel

    • Ik zou even op willen merken dat hier drie keer een typering in twee woorden tussen aanhalingstekens wordt gezet, die ik nergens gebezigd heb. Met de zoekfunctie kan iedereen dat direct vaststellen. Ook citeren is een kunst. (Inhoudelijke reactie verder niet voor morgen.)

  14. Beste Jan Dirk,

    Klopt. Je schreef onder andere: “Ik kan in de benadering van Plantinga niet anders dan diep nihilisme zien. Ook filosofie behoeft een ethiek: het moet wel redelijk blijven wat je zegt. Wat Plantinga doet, is loze Spielerei. Ook in moreel opzicht acht ik zijn benadering een overschrijding van grenzen. Ik kan dat alleen maar verklaren uit een oppervlakkige levenshouding, waarin niet werkelijk verantwoording voor standpunten wordt afgelegd”. En ook schreef je: “Het spijt me, maar ik kan hier niet anders dan sofisterij in zien”.

    Ik vatte dat hierboven even samen onder het kopje “oppervlakkige nihilist”, en in eerdere reacties betrok ik daar ook nog jouw aanduiding “sofisterij” bij. Je brengt Plantinga overigens ook nog in verband met respectloze aanduidingen als “leeghoofd”, “warhoofd” en “druiloor”. Realiseer je je inmiddels al dat je dit dan ook allemaal van bijvoorbeeld Plato zal moeten zeggen? Plato’s denken over concepten komt immers, zoals gezegd, structureel overeen met Plantinga’s denken over proposities!

    Groet,
    Emanuel

  15. Beste Jan Dirk, wellicht ten overvloede: genoemde overige kwalificaties ontleen ik aan jouw uitlatingen op facebook.

    • Emanuel, Dat was inderdaad ten overvloede, want ik herkende de herkomst echt wel. En ik zie ook hoe je opnieuw dingen verdraait. Dat is dan voor jouw verantwoordelijkheid. Ik hoop dat je die aankunt.

  16. Dank je voor je corrigerende reactie, Emanuel. Ook met de laatste reactie van Jan Dirk is er zo weer het één en ander bijgesteld in de beeldvorming van elkaar. Hoop ik. De neiging om elkaar iets anders of buitensporig te citeren of anders neer te zetten of anders te suggereren is ons blijkbaar niet vreemd. Mooi dat dit in een gesprek kan worden bijgesteld. Over de ander kunnen we niet het laatste woord hebben, zegt Levinas ergens.

    Ik ben een beetje (over)gevoelig voor een vorm van idealisme die vervreemdend werkt op mijn beleving van het alledaagse leven. Plantinga heeft met veel goeie bedoelingen en misschien ook goede uitwerking op anderen, dit effect niet op mij gehad.

    Goed om te horen dat je Plato niet als voorbeeld hebt en jezelf geen platonist noemt. Ik had dit ook niet verwacht en vond het al merkwaardig. Maar met je verdediging van Plantinga en de koppeling tussen Plantinga en Plato gaf je mij even deze indruk. Dat bleek dus niet zo. Betekent dit dan dat je Plantinga hierin ook niet navolgt en dat er ook van jou kant kritiek is die overeenkomt met Jan Dirk? Ook al zal je dit niet zo ferm neerzetten? Of heb ik dit mis?

    Het spijt me dat ik je daarin geen recht heb gedaan en ik hoop dat dit bij deze is rechtgezet. Desalniettemin vind ik het wel belangrijk om onze wijze van filosoferen ook altijd weer ethisch te verantwoorden. Daarom ben ik voor expliciete verantwoording en de samenhang tussen epistemologie en andere disciplines en terreinen (van de filosofie). De ethiek is daarin voor mij niet de minst belangrijke.

    Daarin vind ik de kritiek van Jan Dirk inhoudelijk ook op zijn plaats. De vraag blijft hoe het zit met de ethische verantwoording van Plantinga. Iets wat ik bij Wolterstorff veel meer tegenkom. Maar ik heb misschien iets gemist dus ik sta open voor correctie.

    Groet en het ga je goed!

    Ronald

  17. Beste Ronald,

    De betekenistheorie die mijn voorkeur heeft staat in de literatuur bekend als ‘mentalisme’. Kort gezegd komt het erop neer dat gedachten (die al dan niet adequaat corresponderen met de werkelijkheid) op grond van bepaalde conventies kunnen worden uitgedrukt in (gesproken of geschreven) taaluitingen. Deze conventies maken het bovendien mogelijk dat bepaalde taaluitingen bij anderen gedachten kunnen oproepen (die dan in meer of mindere mate overeenstemmen met de oorspronkelijke gedachte van diegene die de taaluiting produceerde). Lees anders voor de aardigheid ook pp. 33-36 van mijn thesis http://bit.ly/ebYueY

    Groet,
    Emanuel

  18. Veel dank voor de reacties. Op die vanaf woensdagavond 4 januari moet ik nog ingaan, al heb ik me in de tussentijd één belangrijke uitzondering (in twee stappen) veroorloofd (en was het nodig elders twee kleine, onmiddellijke correcties aan te brengen). Ik weet niet of ik vandaag nog aan een goede reactie toekom. Er zijn nogal wat vragen opgeworpen en misschien dat ik twee hoofdthema’s het beste kan splitsen: 1. de tekst van Plantinga en wat hij daarin over proposities zegt, en 2. de ethiek van de filosofie: wat is intellectueel en moreel geoorloofd en wat kunnen we als redelijke bijdragen aan het debat accepteren? En daar komen dan nog wat persoonlijke kwesties bij.

    Laat ik, ook om mijn eigen felheid te verklaren, alvast dit opmerken. Mij lijkt het evident dat in de voorliggende tekst van Plantinga een intellectuele norm is overschreden. En naar mijn idee heb ik dat meer dan voldoende aangetoond en zal elk redelijk mens dat inzien. Als iemand een dergelijk flauwekulverhaal bovendien vele jaren volhoudt en het telkens weer publiceert, lijkt me dat bovendien een morele grensoverschrijding.

    Ik was er werkelijk niet op voorbereid dat er mensen zouden zijn die een dergelijke tekst zouden durven te verdedigen. Ik wil over alles eerst nog eens in alle rust nadenken voor ik nader reageer. Dat kan vanavond worden, maar het kan ook iets langer op zich laten wachten.

  19. Bezint eer je begint, Jan Dirk. Ha ha! Je maakt nogal wat los bij je publiek. Kijken hoe je dit op een respectvolle manier oplost.😉

    Dank voor je reactie Emanuel. Ik zal kennis nemen van je verwijzingen, zodra ik tijd en ruimte heb. Ik ben benieuwd. Daarbij hoop ik altijd dat bij een kennistheorie – zoals die als de betekenistheorie of mentalisme – ook existentiële lijnen kunnen worden verbonden waarin ook ethiek een expliciete rol krijgt toebedeeld. Kennis is voor mij ook verbonden met rechtdoen in relatie tot/met. Anders wordt het voor mij al snel te abstract en te constructief en verliest het zijn betekenis.

    Je omschrijving van het mentalisme bevat veel verzwakkende termen als “al dan niet adequaat” en “in meer of mindere mate overeenstemmen”. Kan ik dit als een kennistheorie met gepaste bescheidenheid opvatten?😉 Dat adequaat corresponderen met de werkelijkheid is voor mij een trigger om te lezen hoe jij dit verstaat. De verbinding van talige gedachten met (hun verwijzing naar) een werkelijkheid buiten hen, intrigeren mij. Maar daarbij ook de verbinding van deze talige of symbolische gedachten met (een verwijzing naar) de innerlijke werkelijkheid. En hoe wordt dit met de ander gedeeld? Ik ben benieuwd.

    Dus ik hoop dat het mentalisme of de betekenistheorie kan aanvullen op de antwoorden die ik in de filosofische hermeneutiek heb kunnen vinden. Ik ben geen “zuivere” filosoof en zeker geen man van de wetenschap, maar in mijn intellectuele en spirituele zoektocht laat ik me graag door de filosofie – of wat dan ook – helpen om beter te kunnen leven in (spirituele) verbondenheid met mijn naaste en de rest van de schepping🙂

    Het ga jullie goed!

    Ronald

    • Beste Ronald, Ik heb al twee (thematische) uitgebreide reacties, over proposities en de ethiek van de filosofie, geschreven (waarbij ik eerdere reacties per persoon vervangen heb), maar ik laat ze nog even staan. Ik wil nog even over de materie nadenken. Volgens mij ben jij de ware filosoof hier. In jouw benadering herken ik me ook het meest.

  20. Al jij dit zegt, dan beschouw ik dit als een groot compliment, Jan Dirk =) Dank je. Mooi dat we elkaar hierin herkennen! Ik kan het voorlopig ook niet anders zien. Wijsheid bij je verdere overdenking!

    • Ik stel plaatsing (en mogelijk herziening) van mijn al geschreven reacties steeds weer uit. Ik peins er steeds meer over om ze niet te openbaren en ze eerder te bewaren als materiaal voor latere op zichzelf staande, niet polemische stukken, voorzover althans nog bruikbaar. Ik zou dan alleen nog kort op enkele noodzakelijke punten reageren. Ik slaap er eerst nog eens een nachtje over. Dank je voor je reactie.

  21. Besten, Ik ga het kort houden en ook de langere reacties die ik al geschreven had, ga ik niet plaatsen. Een paar dingen slechts.

    Als je proposities zoals gewoonlijk definieert als de inhouden van zinnen die al dan niet waar zijn, bestaan ze natuurlijk, want er bestaan zinnen, die hebben vaak inhouden en die kunnen soms waar of onwaar zijn en er zijn mensen die het begrip gebruiken en als zodanig bestaat het dan ook. Of het een zinvol begrip is, is een andere vraag. Ik denk inmiddels van niet (en in die zin heb ik hier toch nog iets van opgestoken). Waarheid is een begrip dat in het dagelijks leven op vele wijzen gebruikt wordt en de waarheid van beweringen is daar een van de opties van, mogelijk of waarschijnlijk als grensgeval, en het gewone spreken voldoet veel beter dan een theoretische constructie die niets aan begrip toevoegt. Zonder concrete zinnen bestaan proposities als vermeende abstracties daarvan in dit geval overigens niet. (We denken in inhouden en in die zin zijn het helemaal geen abstracties, maar onze gewone gedachten, maar omdat we moeten weten waar we het met zijn allen over hebben, koppelt de gewone definitie die inhouden aan geformuleerde zinnen.)

    Ik zag heus wel dat Plantinga sjoemelt door in zijn omschrijving ‘inhouden van zinnen’ (of gewoon ‘zinnen’ of ‘beweringen’) door ‘dingen’ te vervangen. Als hij empirisch consequent was, zou hij alles waarvan wij terecht zeggen dat het waar is (of juist niet) dan proposities noemen, dus ook hele verhalen, boeken, gebeurtenissen (die vooral!), gezegden, sprookjes en wat niet al. Maar dat doet meneer niet en hij neemt zijn toevlucht tot gezochte redeneringen. Als Herman Finkers zou opperen dat als er geen mensen zouden zijn, in ieder geval de bewering dat er geen mensen zijn, nog waar zou zijn, zou dat een aardig grapje zijn dat de grenzen van ons denken op een absurde en amusante wijze zou laten zien. Als Plantinga dan doet alsof een redenering waarin er serieus wordt gedaan alsof er dan toch nog één propositie zou zijn, verder op alle mogelijke consequenties doordenkt en daar dan conclusies uit meent te moeten trekken, is dat pure flauwekul. Dat heb ik helder laten zien en dat is, anders dan Jeroen de Ridder roept, geen retorisch geweld, maar het met veel geduld iemand weerleggen die zich in frivole absurditeiten verliest. Dat hele boek met Essays staat vol met dergelijke uiterst kromme redenaties.

    De vergelijking met Plato slaat helemaal nergens op. Bij Plato is de vraag die naar het vaste en blijvende achter het vlietende. Achter de dingen die vergaan en de woorden die vervliegen, herkennen wij algemene begrippen – ideeën, vormen – die boven het bereik van individuele mensen uitstijgen. Of je ze daarmee ook zinvol buiten tijd en ruimte kunt plaatsen, lijkt me een andere vraag en ik ben nog nooit iemand tegen gekomen die in die zin de ideeën van Plato aanhing, maar de gedachte achter de ideeënleer is begrijpelijk en sluit aan bij onze ervaringen, althans bepaalde. Bij proposities gaat het juist (ook) om de meest alledaagse, tijdelijke waarheidjes van het type ‘Schat, het bier staat in de koelkast’ (en dat bier staat er meestal niet zo lang). Alles wat maar waar of onwaar kan zijn en dat is heel erg ontzettend veel, valt volgens Plantinga onder de omschrijving propositie en als hij consequent was, zou hij moeten toegeven dat niet alleen de inhouden van alledaagse zinnetjes van niks, maar ook veel zinnen zelf er dan onder vallen – naast dus heel veel andere dingen, zoals gebeurtenissen en complete boeken, ook volledige complexen van gedachten (de waarheid over de moord op X, de waarheid omtrent ons bestaan) – en dan is het helder dat er elke dag miljarden en miljarden proposities in die zin geschapen worden, die even snel weer vervliegen. En die zouden dan allemaal als abstracties ook nog eens buiten tijd en ruimte bestaan en in de geest van God, dus ook dat de paprikachips in de AH in de Hoofdstraat te G. in het derde schap vanaf de westelijke muur ligt? Kom nou. Ik maakte geen bezwaar tegen het overwegen van oude gedachten met een rijke traditie, maar tegen een concreet voorliggende, erg kromme redenering.

    (Tussen haakjes: zie hier, de ontwikkeling van nogal wat wijsbegeerte in de achterliggende eeuw: van de doordenking van grote ideeën naar gezanik over triviale zinnetjes.)

    Ik schetste overigens, Jan Riemersma (dank voor de verdere reactie), geen speciale waarheidstheorie, maar duidde aan hoe het begrip de facto in het dagelijks leven fungeert. Het denken in twee waarheidswaarden is daarbinnen een extreem grensgeval dat dikwijls in de vorm van een vraag wordt opgeworpen, waarbij de formulering van die vraag vaak eerst nog ter discussie staat. En waar is een van de honderden of duizenden adjectieven die wij kunnen gebruiken in onze omgang met de werkelijkheid, waarbij dat adjectief bijwoordelijk en anderszins vaak nader ingevuld wordt. Waarheid wordt in het dagelijks leven verondersteld en alleen bij twijfel of verschil van inzicht wordt het gethematiseerd.

    Ik had me veel gedoe kunnen besparen door dit stukje niet te schrijven en mijn oordelen over het verkondigen van zoveel flauwekul meer voor me te houden. Maar ik meen ze wel uit de grond van mijn hart. Ik was soms wat fel, maar het is duidelijk dat mijn typeringen betrekking hebben op de auteur van deze tekst en trouwens van andere even lege teksten in hetzelfde boek, en ik vind het inderdaad niet onschuldig als iemand dit soort sofistiek als serieuze filosofie probeert te slijten en daar een groot deel van zijn leven aan besteedt. Dit is leegte en hier is mijns inziens ook een morele grens overschreden. Maar daarnaast zal het best een aardige vader en grootvader en wat niet al zijn.

    Het vreemde is dat er vaak wel kritiek is op lieden als Slavoj Žižek, Alain Badiou of Judith Butler omdat ze onhelder zouden zijn of maar wat zouden doen, en ik heb even geen idee hoe vaak dergelijke opmerkingen terecht zijn – en dan ga ik nog even voorbij aan de herhaalde verwijzingen naar de Sokal-affaire -, maar dat er heel vaak aan voorbij wordt gegaan dat er in de filosofie, en misschien wel met name de zogenaamde analytische tak daarvan, veel ernstiger ontsporingen zijn. Deze kinderlijke onzin is er een voorbeeld van. En, Jeroen de Ridder, een vergelijking met uitgebreide theorieën van Newton of Darwin is grotesk: onzinnige redenerinkjes kan iedereen met een gezond verstand direct doorzien. Die moet je niet tegen beter weten in gaan verdedigen. Als bepaalde uitkomsten op een serieuze wijze beredeneerd zouden worden, zou ik daar heus wel naar willen kijken. Maar je mag van geen lezer verwachten dat ie bij flauwiteiten met zijn hand over het hart strijkt en doet alsof ie niets ziet en gewoon doorleest.

    Wat Emanuel Rutten betreft heb ik geen behoefte om de dingen nog verder aan te scherpen. Het verbaasde me dat hij reageerde. Ik heb twee keer de moeite genomen een stuk over stellingen van hem te schrijven en daar had ik na afloop behoorlijk spijt van. De eerste keer ontdook hij echte vragen en de tweede keer, toen ik reageerde op een tekst waarin op een met dit geval vergelijkbare wijze absurde redenering werden uitgeprobeerd, reageerde hij helemaal niet en toen bedacht ik dat ik me toch wel erg uitgesloofd had door zo uitvoerig op een simpele denkfout in te gaan, waarna het me verbaasde dat hij bij een volgende stukje wel weer reageerde, maar uitgerekend weer niet door op het onderwerp – dat zijnden vergankelijkheden en scheppingen zijn – in te gaan, maar door over iets te beginnen waar het stuk eigenlijk niet over ging.

    Hij doet nu alsof ik allen maar fel ben ‘op grond van slechts een wijsgerig verschil van inzicht’ met een ‘andersdenkende filosoof’. Dan heeft hij het punt toch even gemist. Het gaat niet om een verschil van inzicht. Het gaat om iemand die onzin verkoopt en dat heb ik heel helder laten zien. En flauwekul benoemen we als zodanig en we doen niet alsof dat ook wel een aanvaardbare mening is. Nee, als we in deze maatschappij een zekere redelijkheid als maatstaf aan willen houden en in waarheid willen leven, en dat is iets anders dan met (on)waarheidjes in de vorm van zogenaamde proposities spelen, zullen we strenger moeten zijn. Iemand die een tekst als de voorliggende presenteert, sluit zichzelf uit van het redelijke discours.

    Rutten zet dingen tussen aanhalingstekens die ik zo niet geschreven heb. Wie wil weten wat ik wel geschreven heb, kan de context bekijken. Ik ga me niet verdedigen tegen iemand die de boel verdraait. Ik hoop alleen dat hij het niet weer doet. Kan iemand die niet kan citeren, wel filosoferen? Ja, dat zou nog steeds best kunnen en ik neem eigenlijk ook aan dat hij heel zinvolle stukken heeft geschreven en die indruk heb ik ook wel. Ik had me voorgenomen een aantal ervan nog eens te bekijken, maar ik zal het niet meer doen. Zo is het beter, vermoed ik.

    En nogmaals wil ik Ronald van den Oever van harte bedanken. Zijn bijdragen waardeer ik zeer en ze zijn filosofisch ook veel sterker. Hij begrijpt waar filosofie om draait, ik heb er eigenlijk niets aan toe te voegen en ik kan alleen maar mijn instemming betuigen.

Trackbacks

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: