Tweede van der Helst

door Jan Dirk Snel
.:.

Tweede straten
Toen ik eergisteren na een even verfrissende als mijmerende zondagse nieuwjaarswandeling in het nabije Oosterpark – het Amsterdamse, vertel ik er maar even bij, want de naam roept ook onmiddellijk reminiscenties op aan de aanmerkelijk zuidelijker aandoende stad Groningen – naar aanleiding van een op de korte terugweg van daaruit opgedane en in meerdere opzichten herhaalde observatie mijn stukje over het ietwat detonerende witte, maar juist ook niet meer in alle opzichten volledig eenduidig gekleurde deurtje in de nok van een voormalig, honderdtien jaar geleden opgetrokken schoolgebouw voor lager onderwijs aan het nabije Amsterdamse’s-Gravesandeplein en de daaraan afleesbare eerste tekenen van verval en vergankelijkheid schreef, dat ik hier gistermiddag openbaar maakte en waarin ik naar aanleiding van de door het naar de arts en filantroop Samuel Sarphati (1813-1866) genoemde park in de naburige wijk De Pijp en de daarnaar vernoemde aanpalende straten van elkaar gescheiden Eerste en Tweede Jan Steenstraat, waar ik trouwens regelmatig door fiets zonder gemeenlijk op de straatnaamaanduidingen te letten, bijna terloops, althans tussen haakjes, aan wijlen Jan Blokker (1927-2010) de vraag toeschreef wie toch wel die Tweede van der Helst was, had ik echt wel even gezocht of ik die toeschrijving op die naam op internet kon vinden.

Gerard Andriesz Bicker, heer van Engelenburg (1622-1666), door Bartholomeus van der Helst (1613-1670) (foto: Rijksmuseum)

Maar dat lukte niet. (Waarbij, maar dat tussen haakjes, zoals u ziet, het ook altijd aardig is om een zin van exact tweehonderd woorden, die zonder veel moeite langer gemaakt had kunnen worden, af te wisselen door eentje van welgeteld vier woorden, maar dit terzijde.) Ik dacht: dan maar uit het hoofd. Lang niet al alles wat de befaamde columnist ooit schreef, staat op het wereldomspannende web. En het ging me in mijn aanvullende tussen haakjes opgetekende aanhaling van een vraag meer om de anekdote an sich dan om het al dan niet ondersteunende feit als zodanig en door mijn werkwoordskeuze (‘schijnt’) had ik me niet zonder opzet alvast ingedekt.

Ik moest trouwens eerst ook al nadenken over welke straat het nu alweer ging. Om de een of andere reden had ik aanvankelijk de Tweede Jan van der Heijdenstraat in mijn hoofd, maar dat kon niet kloppen, want er mocht geen voornaam in de naam van de straat voorkomen, zodat dat Tweede als zodanig opgevat kon worden. En zo kwam ik na enige peinzen alsnog uit op de Tweede van der Helststraat. Ook de twee naar Bartholomeus van der Helst genoemde straten, die in elkaars verlengde liggen, maar dan in noord-zuidrichting, worden overigens van elkaar gescheiden door de straatnaam Sarphatipark, die in dat geval de huizen aan de westzijde aanduidt.

Gerard Revestraat
Ik had het fout. Op Twitter meldde F. Zwaan dat hij zich het citaat herinnerde als zijnde afkomstig van Reve en dat Google hem gelijk leek te geven. Reve, dat besef je meteen, is in dit geval Gerard Kornelis (1923-2006), de Tweede van het Reve dus, en niet de Eerste van het Reve, de oudere geleerde broer Karel (1921-1999), die bovendien over een wat subtielere humor beschikte. Zwaan drukte zich erg bescheiden uit, want hij leverde de goede zin erbij. Hij wist het dus in feite wel zeker. Vreemd kwam de toeschrijving mij nu ook niet voor, want de passage is op zich vrij bekend en ik moet die zonder meer eerder en waarschijnlijk meer dan eens onder ogen gehad hebben. Ze komt uit een interview door Tom Rooduijn uit 1982, dat een jaar later gebundeld werd in het boek In gesprek. Interviews (Baarn 1983). Het ging over het voortleven van het literaire werk en Reve zei er dit over:

‘Wat blijft er uiteindelijk van over? Na mijn dood word ik op de scholen tien jaar vrijwillig gelezen en daarna nog eens tien jaar verplicht. Dan noemen ze een straat naar me. En dan ben ik helemaal vergeten. Niemand weet toch meer wie Tweede van der Helst was?’

Reve is nu bijna bijna zes jaar dood. Of zijn werk op de scholen momenteel nog driftig gelezen wordt, zou ik niet weten. Maar die straat, die is er, eerder dan hij zelf destijds verwachtte, al wel. In Haarlem nog wel.

Dat is opvallend, want aan befaamde Haarlemmers als Lodewijk van Deyssel (1864-1952), die wel een straat in Amsterdam en een laan in Driehuis kreeg, Godfried Bomans (1913-1971), naar wie in Almere, Culemborg, Heerhugowaard, Landgraaf en Nijverdal straten en in Heemstede, Kloetinge en Vogelenzang lanen werden vernoemd, en Louis Ferron (1942-2005), die het nog helemaal zonder moet doen, lijkt de Haarlemse straatnamencommissie nog geen resultatieve aandacht te hebben besteed. Harry Mulisch (1927-2010) kreeg trouwens wel weer een eigen straat, in Haarlem-Noord.

Harry en Bartholomeus
En over hem moet ik het nog even hebben. Want als op zijn minst één werk van Tweede van der Helst op ieders netvlies gebrand staat, dan is het wel door zijn toedoen. De goede man heette overigens Bartholomeus, een mooie naam, en het is op zich jammer dat die in 1872, toen het eerste stukje straat in de nieuwe buurt YY naar hem werd vernoemd, niet werd meegenomen, al was dit weblogstukje er dan nooit gekomen. Bartholomeus van der Helst leefde van 1613 tot 1670. Hij werd dus zes jaar na Rembrandt geboren en stierf, jonger dus, op 57-jarige leeftijd een jaar na hem. En net als Rembrandt, die ook trouwens ook wel eens wat anders deed, schilderde hij schutters- en regentenstukken.

Het was Harry Mulisch die Van der Helsts portret van Gerard Andriesz Bicker, heer van Engelenburg, uit ongeveer 1640 tot 1642 liet opnemen op de omslag van zijn Bericht aan de rattenkoning, dat hij in augustus 1966 tijdens een naar eigen zeggen ‘drie weken durende woede- en lachaanval’ schreef over de recente provocaties en omwentelingen in zijn woonplaats Amsterdam. Zo kent dus menigeen zonder dat altijd te beseffen op zijn minst één werk van Tweede van der Helst, dat menig bezoeker van het Rijksmuseum dan ook bekend zal zijn voorgekomen. Maar tevens zal menigeen dan vaag beseft hebben dat er iets niet klopte: de afbeelding op de boekomslag is in spiegelbeeld. Op het schilderij kijkt de jonge, hooguit twintigjarige toekomstige drost van Muiden, die de befaamde Pieter Cornelisz Hooft (1581-1647) in 1649 in die functie opvolgde, naar links, op het boek richt hij de blik naar rechts. Hij werd trouwens niet oud: op zijn 44ste stierf hij in 1666.

Ook wat Bartholomeus van der Helst betreft laat Haarlem het afweten. Judith van Gent, die op 11 februari 2011 op de schilder promoveerde, merkt op dat er in Amsterdam behalve de twee straten ook nog een naar de man vernoemd plein is, dat overigens de Tweede van der Helst met een verbreding onderbreekt, en dat er in Nederland drie steden zijn die een Bartholomeus van der Helststraat kennen, en er verder nog eens tien Van der Helststraten bestaan, maar dat ’s mans geboorteplaats, en ja daar heb je het alweer, Haarlem dus, geen enkele naar de beroemde zoon vernoemde ‘straat, laan, plein of steeg’ telt.

Jan Frederik en Willem Frederik
En over genummerde straten gesproken: Willem Frederik Hermans (1921-1995) groeide op in een straat die naar Jan Frederik Helmers (1767-1813) was genoemd. Die schrijver was zo groot dat hij wel drie evenwijdige straten toegewezen kreeg. Een plaquette markeert de woning waar Hermans zijn eerste verhalen schreef. Het is op nummer 208 in de Eerste Helmersstraat.

Niet de derde of de tweede, de eerste.

Naschrift. Rond 12 .50 uur is de alinea over het ontbreken van een naar Bartholomeus van der Helst genoemde straat in Haarlem toegevoegd. Met opnieuw dank aan Jaap de Vries.

(48)

One Trackback to “Tweede van der Helst”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: