Vergankelijkheden en scheppingen

door Jan Dirk Snel

.:.

Zijn en zijnden
Je hebt het zijn en de zijnden. Althans zo zeggen sommige filosofen dat.

Het zijn – of het Zijn – is dan de meest omvattende term voor alles wat er is. Er zijn andere termen voor wat alles omvat. Het woord wereld wordt wel losjes zo gebruikt en dan gaat het niet om de aarde, maar om een aanduiding voor ons gehele bestaan, op zich ook al een mogelijke kandidaat. Sommigen menen dat het begrip natuur ook als zodanig kan functioneren en gebruiken het ook zo. Anderen letten liever meer op het tijdsaspect en opteren voor geschiedenis. En overigens, alles is in omschrijving al twee keer voorbij gekomen.

De geest mag dan meer zijn dan het lichaam, tegelijk valt er veel te zeggen voor de stelling dat het lichaam werkelijker is dan de geest.

Als het Zijn het meest omvattende is, worden de dingen die er zijn, vaak de zijnden genoemd. En entiteit fungeert dan soms als synoniem: iets dat er is. In de omschrijving gebruikte ik net al, bijna onbewust, de term dingen en dat woord wordt dus ook wel gebruikt. Het geeft meteen al aan waar een kleine moeilijkheid zit. Bij een ding denken we in de eerste plaats aan een fysiek object dat in ruimte en tijd bestaat. Sommige mensen houden er erg van om allerlei ‘dingetjes’ om zich heen te hebben. Maar in de meer algemene zin van de dingen die er zijn, wordt het woord breder gebruikt. Je kunt ook zeggen dat je vandaag nog veel dingen moet doen: nog naar de bibliotheek, de winkel, met je dochter naar het verjaardagsfeest van een vriendinnetje van haar, en zo verder, en ondanks de drukte kunnen dat toch hele leuke dingen zijn.

Ook bij zijnden of entiteiten hebben we waarschijnlijk de neiging om het eerst aan concrete objecten en mensen te denken. Dat is niet toevallig, omdat ons eigen bestaan in de wereld een fysiek gegeven is. Wij mensen hebben een lichaam en ons bestaan is lichamelijk. Ik snap best wat er wordt bedoeld met de uitspraak dat de geest meer dan het lichaam is, maar in zekere zin is ons lichaam toch werkelijk echter en werkelijker dan onze geest (en dat ik twee keer hetzelfde woord gebruik is opzettelijk). Abstracte taal is doordesemd van ruimtelijke en lichamelijke metaforen. De dag ligt voor ons, de moeilijkheden van gisteren liggen achter ons. Een term omvat iets. Je problemen kunnen groot zijn, de rapportcijfers van je kinderen kunnen hoog zijn, maar ook zwaar tegenvallen. De wereld van de geest is in de wereld van de ruimte, van de dingen – letterlijk – en de lichamen geworteld (ook al zo’n metafoor, zij het misschien niet de beste).

*

Natuurlijk kun je zeggen dat een zijnde ‘iets dat bestaat’ is. Maar wat je daarbij nooit over het hoofd moeten zien, zijn twee dingen (hè, dat woord duikt ook overal op en ook hier is het vanzelfsprekend in meer metaforische zin bedoeld). Ten eerste dat veel dingen, en nu weer in de zo algemene zin dat ook mensen eronder vallen in onze wereld, slechts tijdelijk bestaan. En ten tweede dat wat bestaat, een voortdurende schepping van ons menselijke geest is.

Vergankelijkheden
De dingen ontstaan, bestaan en verdwijnen weer: πάντα ῥεῖ, zoals dat op allerlei huizen staat. De bewoners beseffen dat hun aanwezigheid daar tijdelijk en onzeker is, zoiets zullen ze wel willen zeggen. Alles verandert voortdurend. Mensen worden geboren, leven en sterven. Dat geldt voor dieren ook. Onze spullen, van onze woningen tot onze kleren, hebben een beperkt bestaan. Mijn horloge draag ik al 43 jaar, maar dat vind ik dan ook bijzonder. En als men het tegenwoordig over duurzaamheid heeft, dan gaat het er, geloof ik, meer om dat we verstandig met natuurlijke hulpmiddelen en energie en met de leefomgeving omgaan, dan dat we zolang met onze spullen moeten doen. (Volgens mij komt het er in de praktijk meestal op neer dat je je oude dingen snel weg moet gooien en moet vervangen door nieuwe duurzame goederen.) Het gaat ook over hergebruik. Ik meen me te herinneren dat op twee van de schilderijen van Rembrandt dezelfde persoon voorkomt en dat deskundigen vaststelden dat hij na vele decennia, vier meen ik, nog steeds – of opnieuw: voor de speciale gelegenheid – dezelfde jas droeg. Dat vinden wij nu opmerkelijk: veertig jaar met dezelfde jas doen!

De termen zijnde en entiteit zeggen slechts dat iets er is. En als je van iets kunt zeggen dat het er is, kun je het een zijnde of een entiteit noemen. Maar toch denk je dan niet zo snel aan een gebeurtenis, een handeling of een proces. Of niet eerst. Je begint bij de fysieke objecten en bij planten, dieren en mensen. Waren of zijn de middeleeuwen een zijnde? Was het in de rij staan voor de disco van je dochter vorige week vrijdagavond een entiteit en was het feit dat ze na twintig minuten ongeduldig werd weer een andere entiteit? Was de oversteek van Julius Caesar over de Rubicon een zijnde? Het taalgebruik wringt hier wat. Tuurlijk kun je alles wat je kunt benoemen als bestaand, per definitie, stipulatief, een zijnde of entiteit noemen, maar vanuit die begrippen stel je je het een eerder voor dan het ander.

In feite zou je niet over zijnden maar over vergankelijkheden moeten spreken. Want een groot deel van de zogenaamde entiteiten bestaat maar kort. Wij leven in de tijd. Wij zijn zelf aan de tijd onderworpen – ook al weer zo’n ruimtelijke metafoor overigens – en ons eigen bestaan is tijdelijk: wij zijn sterfelijke wezens. Ik bedoel dit meer als aandachtspunt. Het zou nog heel wat werk kosten om van alle zijnden uit te maken of ze al dan niet vergankelijk zijn. Alles wat tot de wereld van de menselijke arbeid valt, behoort er in ieder geval toe en ook onze aarde is vergankelijk. Ook onze abstracta zijn in die zin vergankelijk. Als er geen mensen meer zijn, zal er geen wiskunde meer zijn, want het gaat om een uitvinding van de menselijke geest, die uiteraard geworteld is in de ruimtelijke, natuurlijke wereld die we aantreffen.

Zijnden zijn in het algemeen vergankelijke zijnden, met een kort bestaan. Natuurlijk kun je dan nog steeds zeggen dat het zijn al die vergankelijke zijnden omvat, maar of het veel zin heeft om over de eenheid van alle zijnden of al het zijnde te bespreken, weet ik niet. Wat zeg je dan eigenlijk?

Scheppingen: woorden
Wat er bestaat, is niet alleen aan voortdurende verandering onderhevig, wij weten eigenlijk niet eens wat er allemaal bestaat. De menselijke geest schept voortdurend nieuwe dingen en vergeet vroegere scheppingen of annuleert die.

Je hebt bijvoorbeeld natuurlijke personen en rechtspersonen. De laatsten zijn scheppingen van het recht. Of beter gezegd: dat recht, en ook dat is zelf alweer een vinding – zij het mogelijk in de kern een noodzakelijke (denk aan de idee van het natuurrecht!) – van de menselijke geest, maakt het mogelijk een stichting of een vereniging op te richten. Rechtspersonen kunnen vaak allerlei dingen die natuurlijke personen ook kunnen en ze kunnen allerlei rechtshandelingen verrichten. Ze kunnen bijvoorbeeld bezit of eigendom hebben of onrechtmatige daden plegen. Maar het blijft om een metafoor gaan. Een natuurlijk persoon kan plotseling sterven en dat heeft ook juridische gevolgen. Een rechtspersoon kan dat niet. Die kan wel opgeheven of ontbonden worden. Rechtspersonen kunnen trouwens ook ouder worden dan mensen van vlees en bloed.

Maar het hoeft niet eens om rechtspersonen te gaan. Mensen kunnen elk weekend met elkaar gaan hardlopen of elke woensdagavond met elkaar een biertje gaan drinken en dan vormen ze een renclubje of een vriendenclubje en het kan zijn dat ze daar na een tijdje een al dan niet grappige naam aangeven: de Reeuwijkse Renners bijvoorbeeld of de Vijf Keizers, als bevriende bierdrinkers bijvoorbeeld gewend zijn altijd ergens in een schenkgelegenheid aan de Keizersgracht bijeen te komen. Zoiets kan langzaam groeien, maar na tien jaar zal iemand misschien zeggen: de Vijf Keizers bestaat nu tien jaar, zullen we dat niet eens vieren? En dan kan het best zijn dat de naam pas in de loop van het derde seizoen opkwam en dat niemand dat meer weet te dateren. Toch bestond de nu aldus genaamde vriendenkring daarvoor al, zoals allerlei geleerden in de de zestiende eeuw ook niet wisten dat ze tot de stroming van het humanisme behoorden.

Door woorden en handelingen creëren mensen steeds nieuwe werkelijkheden en je kunt daarom ook nooit exact zeggen wat er bestaat of wat al dan niet een zijnde is. Op Twitter vroeg iemand onlangs of zijn volgers ook een net woord voor ‘afzeiken’ wisten. En ook nadat allerlei suggesties voor alternatieven waren gedaan, bleef hij, terecht denk ik, ontevreden. Er zijn vele uitdrukkingen die ongeveer hetzelfde fenomeen aanduiden, maar de betekenis en vooral de gevoelswaarde zijn net iets anders. Er zal ook wel geen ‘net woord’ voor bestaan, want het fenomeen is dat niet zo erg en het woord geeft ook uitdrukking aan het minder fraaie aspect van het beschreven verschijnsel. Het gaat niet voor niets, ook hier, om een metafoor. ‘Afzeiken’ is een woord dat tamelijk recent algemener is geworden en dat waarschijnlijk uit studentikoze kringen afkomstig is en dan misschien zo’n ruime kwart eeuw, misschien ook wel langer of zelfs veel langer, bestaat. Maar het woord is natuurlijk in omloop gekomen omdat het een eigen realiteit omschrijft, en zo verdwijnen er met het in onbruik raken van woorden ook weer werkelijkheden, al kunnen we die deels met behulp van oude geschriften en woordenboeken weer oproepen. Maar niet alle woorden die ooit gebezigd zijn, zijn vastgelegd.

Scheppingen: ook zonder woorden
Maar je hoeft zelfs geen woord te zeggen om toch een nieuwe geestelijke werkelijkheid in het leven te roepen. Als Anja even drie biertjes aan de bar haalt en, terwijl het gesprek over politiek druk voort gaat, er eentje aan Willem en Rebecca toeschuift, heeft ze daarmee nieuwe bezits- of eigendomsverhoudingen gecreëerd. Als iemand even later aan Rebecca vraagt, ‘is dit glas nu van jou of van mij’, kan Rebbeca zeggen: ‘nee, dit is het mijne, dat daar, dat moet van jou zijn’. Die eigendomsverhouding of die aanspraak bestaat. (Het gaat dan om de inhoud, want het glas als voorwerp blijft ondertussen van de uitbater, dat ook nog.) Maar het is niet de moeite waard het erover te hebben. Als ze het café verlaten, is het glas leeg en de aanspraak verdwenen en nooit zal iemand er nog aan denken. Maar heeft het dan zin om de eenheid van dit ontegenzeggelijke kortstondige zijnde met andere zijnden te gaan zoeken, zoals wijsgeren doen die over de eenheid van al het zijnde of van alle zijnden spreken?

Als er in een buurt een samenscholingsverbod is afgekondigd en dertig mensen op een plein worden aangehouden vanwege overtreding van het verbod, is hun samenscholing dan net zo reëel als hun eigen bestaan? Dat die dertig mensen bestaan, daaraan zal niemand twijfelen. Maar de officier van justitie zal eerst nog maar eens moeten bewijzen dat er een samenscholing bestond. Het is mogelijk dat die mannen beweren dat ze daar allemaal of deels om hun moverende redenen waren, dat ze elkaar niet kenden en ook geen gemeenschappelijk doel hadden en dat het wel leek of ze een zekere eenheid vormden, maar dat het echt een toevallige samenloop van omstandigheden was dat diverse groepjes, die op zich uit zo weinig leden bestonden dat ze niet onder het verbod vielen, daar net op het zelfde moment zich bevonden en dicht bij elkaar in de buurt liepen. Het is maar de vraag of het ooit duidelijk was of er sprake was van een samenscholing.

En deze benoeming is een duidelijke menselijke daad. Dertig mensen op een plein kunnen ook samen een feest vieren. Of een uiting van hangouderenproblematiek vormen. En ook die uiting of die problematiek bestaat dan – en die kun je dus volgens de definitie een zijnde of een entiteit noemen – en kan in de gemeenteraad besproken worden. Bestaat de Hofstadgroep? De leden wisten niet dat ze lid waren van een aldus genaamde organisatie en de ene rechter zegt dat ie wel bestond, terwijl de andere hem niet kan ontdekken of althans de contouren te zwak vindt om eenduidig te kunnen zeggen dat deze club werkelijk bestond. Of iets bestaat, is niet altijd duidelijk.

Van sommige dingen is het kortstondig bestaan onomstreden. Mensen bestaan en allerlei fysieke dingen bestaan ook. Sommige gedachten en ideeën bestaan ook. Je kunt zo even nazoeken wat historisch materialisme ook al weer was en welke verschillende opvattingen erover de ronde deden en doen. Maar elke dag ontstaan er nieuwe dingen en wat er bestaat, is grotendeels een gevolg van de menselijke omgang met de wereld: door hetzelfde anders te benoemen bestaat het ook anders. Iemand kan werken. Hij kan ook een zogenaamd instituut oprichten en zeggen dat het instituut, waarvan hij de enige deelnemer, die dag dat en dat gedaan heeft.

Vergankelijke scheppingen
Bestaan is niet eenduidig. De zijnden zijn vooral vergankelijkheden, zij het mogelijk niet alle. En wat er is, hangt af van hoe mensen de dingen benoemen en van wat ze elke dag weer aan nieuwe scheppingen in de wereld zetten.

We weten niet wat er bestaat. Van sommige dingen weten we het, van andere dingen weten het niet en soms weten we het niet zeker. En steeds scheppen mensen weer nieuwe dingen die vergankelijk zijn.

.:.

Leeuwen van Tawheed (de eenheid Gods) of PolderMujahideen. Was dit het logo van de Hofstadgroep en bestond die nu wel of niet?

Naschrift
Dit is voor mijn doen een tamelijk kort stukje. De polemiek in mijn twee vorige stukjes beviel me achteraf niet erg. Ik was veel te veel woorden kwijt aan het uitleggen van wat er naar mijn idee niet klopte. In het stukje van maandag – Over vliegende roze olifantjes, zijn en niet zijn. En of bestaan univook is – nam ik stelling in betrekking tot een uitgangspunt dat op zich niet helder was, althans niet in mijn ogen, en in het stukje van gisteren – Historische waarheid en tijdelijkheid – ging het over een gedachte die op zich al verward was.

Ik had gewoon even kunnen uitleggen dat zinnen waar zijn, omdat de inhoud waar blijkt te zijn, en dat het begrip waarheidsmaker niets anders is dan de verdubbelde omschrijving voor dat wat de waarheid van een zin bepaalt, en dat zinnen over iets in het heden iets over iets in het heden zeggen en dat uitspraken over iets uit het verleden iets over het verleden zeggen en dat in het laatste geval alleen nog bepaalde bewijzen omtrent het voorbije gebeuren waar je iets over zegt, nodig zijn om de waarheid te bewijzen. Waarbij het bewijs dan uiteraard niet de waarheid is, maar die juist bewijst.

Er moet iets uit het verleden overgeleverd zijn waardoor het überhaupt mogelijk is om iets over een gebeuren uit het verleden te zeggen. Er moet nog iets bestaan. Het kan om herinneringen gaan, om een dikwijls overgeschreven tekst of om beelden, documenten of voorwerpen: het gebouw van het Rijksmuseum staat er al sinds 1885 en de Amsterdamse Oude Kerk al sinds de middeleeuwen. Ik heb regelmatig zand uit de achttiende eeuw, dat uit gerechtsboeken viel, in het niet meer bestaande gebouw van het gemeentearchief aan de Amstel van tafel geveegd.

Het hele idee van een waarheidsmaker is volstrekt overbodig en leidt alleen maar tot verwarring. Je moet gewoon kijken wat er in een zin staat en als die waar is, bepaalt de inhoud van die zin en waar die betrekking op heeft, dat ie waar is en het maakt dan niet uit of de zin al dan niet naar een nu bestaande fysieke realiteit verwijst. Het gaat er maar net om waar de zin over gaat. Dat kan over van alles en nog wat zijn en lang niet alle beweringen gaan, gelukkig maar, over een externe realiteit. Er is nog wel wat meer in het leven. Er bestaat nog wel wat meer.

Maar goed, deze afsluitende polemische opmerkingen om te laten zien waarom ik geen zin meer heb in polemieken. Het heeft geen zin om warrigheden te weerleggen, het is zinvoller om positief na te denken over wat we over onze werkelijkheid kunnen zeggen.

(41)

9 Responses to “Vergankelijkheden en scheppingen”

  1. Goed stuk en stukken “leesbaarder” dan de polemische stukken. Veel zijnden zijn, denk ik, inderdaad menselijke scheppingen, maar waar de grens tussen “waarneming” en “constructie” precies ligt, dat lijkt me best moeilijk uit te maken.

    Wat ik zelf wel interessant vind, is het bestaan van (cultuur)historische begrippen: middeleeuwen, Romantiek, Verlichting. Dit lijken zijnden te zijn “by convention”: we spreken met zijn “allen” af dat we iets zo noemen. Bij een tafel of een stoel (tastbaar, fysiek) is die koppeling tussen begrip en dat wat het representeert relatief eenvoudig en verloopt dat min of meer vanzelfsprekend: de meeste tafels LIJKEN OP ELKAAR (excuseer voor deze ruwe vorm van cursiveren), delen in elk geval een aantal basiseigenschappen (2 tot 6 poten, tafelblad, etc.).

    Bij abstractere begrippen, zonder die directe fysieke pendant in “de werkelijkheid”, bovendien nog vaak een eenmalig verschijnsel, zoals “middeleeuwen”, verloopt die koppeling al iets lastiger en veel explicieter. Historici spreken bijvoorbeeld af: middeleeuwen is de periode van ca. 500 tot ca. 1500, waarbij men nog kan discussiëren óf er concrete gebeurtenissen of jaartallen voor de begrenzing in aanmerking komen en welke dat dan zouden zijn: variërend van 476, afzetting laatste West-Romeinse keizer, tot 1492, ontdekking van “Amerika” door Columbus dan wel de afsluiting van de christelijke Reconquista met de inname van Granada. Die ontdekking door Columbus, die dacht een deel van Azië te hebben gevonden, wat later een geheel nieuw continent bleek te zijn, vormt een interessante illustratie bij het betoog van Jan Dirk over hoe zijnden veranderen gedurende de tijd – maar dit terzijde. Samengevat kunnen we het over “middeleeuwen” wel redelijk eens worden, en beseffen we ook dat het een schepping, een constructie is.

    Dat constructieve karakter neemt nog verder toe als het gaat om “bewegingen” of “geestesstromingen”. Zelf worstel ik nogal eens met “Verlichting” en “Romantiek”. Deze begrippen ontstaan deels door ZELFBENOEMING (programmatisch bedoeld door de direct betrokkenen), deels doordat ANDEREN achteraf een constructie of categorisering aanbrengen. Een bekend voorbeeld uit de neerlandistiek is de discussie rondom het bestaan van de Muider Kring in de 17e eeuw, hetgeen zeer waarschijnlijk een 19e-eeuwse constructie is – de veronderstelde samenhang die de entiteit zou vormen, is mogelijk toch losser dan men wel heeft voorgesteld. De vraag is dan ook óf en in welke zin de Muider Kring bestaat (bestaan heeft). Romantiek is zo mogelijk nog veel complexer als entiteit, want geladen met allerlei positieve en negatieve waardeoordelen. Daarbij komt: zoveel handboeken er zijn, zoveel definities. Desondanks is er GLOBAAL een zekere consensus over wat Romantiek zou zijn; sterker nog, in het dagelijks leven gaan we er doorgaans van uit dat er zoiets als een Romantische literatuur, filosofie en muziek is, bestaat! Op details kun je van mening (!) verschillen, maar dat Schumann, Brahms, Wagner, Keats, Byron en de Tachtigers romantici zijn, wordt door weinigen bestreden, en als zodanig bestaat de Romantiek. Maar het blijft glad ijs, uiteindelijk.

    In mijn dagelijkse leven ben ik IT-architect. Kort gezegd bemoeien IT-architecten zich met de samenhang van processen en systemen binnen een organisatie. Daarbij benoemen zij “componenten”, onderdelen die BESTAAN (of gaan bestaan) in de werkelijkheid van hardware en software. Doorgaans mag je veronderstellen dat tussen beschrijving/definitie en fysieke werkelijkheid een duidelijke relatie (1-op-1) bestaat, maar ook dat blijkt complexer: de waargenomen, zogenaamd “exacte” werkelijkheid kan op verschillende manieren gezien worden, en dus benoemd worden. In het benoemen – terwijl het zo nadrukkelijk leunt op tastbare entiteiten in de werkelijkheid – vindt weer die taaldaad plaats, die een scheppingsdaad is. Ondanks het gebruik van een eenduidige, niet voor meerderlei uitleg vatbare, “taal” (een modelleringstaal, ongelijk aan de dubbelzinnige natuurlijke talen, waarin een concept altijd hetzelfde BETEKENT, waarin een taalteken altijd eenduidig naar een bepaald type entiteit verwijst), zullen 5 architecten met dezelfde kennis van dezelfde systeem- of proceswerkelijkheid met 5 verschillende “plaatjes” en definities komen van dit landschap. Het lijkt alsof we inderdaad opgesloten zitten in de taal. Zodra we gaan “spreken”, gaan we construeren, sturen we ons beeld van wat “waar is” dan wel “bestaat”. Misschien begrijpen we uiteindelijk wel niet goed genoeg wat er ACHTER dat wat de taal representeert ligt. Als er al iets ligt.

    • Veel dank boeiende overwegingen, waar ik eigenlijk weinig of niets tegenin te brengen heb – alsof dat al nodig zou zijn – en die ik vooral met genoegen lees. Nu slechts twee opmerkingen.

      1. Door bepaalde categorieën in te voeren, of doordat anderen dat doen en wij daar weet van hebben, kunnen we vaak ook niet meer buiten die categorieën om kijken. Dat geldt misschien voor de middeleeuwen, verlichting of romantiek – dit keer doe ik maar eens kleine – letters, het geldt bijvoorbeeld ook voor een verschijnsel als verzuiling. Het woord zuil is van 1935, het maakte pas rond 1939/40 enige opgang en het woord verzuiling moet zo van begin jaren vijftig zijn – ik denk dat ik het op de maand af kan dateren, maar zou dat na moeten kijken. Maar nu kunnen we allerlei verschijnselen uit de jaren vanaf 1870 niet meer buiten deze terminologie om zien. Je kunt zeggen: wij zien meer dan de tijdgenoten. Maar ook zij zagen natuurlijk wel hoe het ‘systeem’ zo ongeveer werkte, maar in andere termen. En in zekere zin zijn wij hun manier van kijken ook kwijt geraakt. De kern heb ik nu al gezegd, maar lijkt me een leuk thema voor een blogstukje: dat je ook dingen kwijtraakt.

      2. Ik weet niet of taal alleen representeert. Taal staat niet alleen tegenover de werkelijkheid, maar is er een onderdeel van. In mijn vorige stukje heb ik dat proberen aan te geven: dat de tarskiaanse opvatting dat taal een uiterlijke werkelijkheid beschrijft, in feite niet klopt. Als we zeggen het is waar dat die man daar was zeg je niet iets over een ware uitspraak, maar over die man. Taal en werkelijkheid zijn met elkaar verbonden. De taal bepaalt dus wel hoe we die werkelijkheid zien, maar zonder die werkelijkheid zou die taal nooit zo ontstaan. Het is in feite geen afbeeldingsrelatie, maar een samensmelting. Ook misschien om nog nader uit te werken. Of ik zou dat hele thetische stuk uit mijn vorige blog moeten halen en zelfstandig moeten uitbreiden. Waarheid is niet slechts gelokaliseerd in taal, maar in de verbinding van taal en werkelijkheid, waarbij de taal zelf de werkelijkheid kan zijn.

      – Losse opmerking in zijn Het metafysisch grondpatroon van het romantische literaire denken (1966, een van de twee proefschriften die hij op dezelfde dag verdedigde) heeft Cornelis de Deugd het over wie in Nederland romantici worden genoemd. Protestanten kandideerden, meen ik, Bilderdijk, humanisten Multatuli of de Tachtigers en bij de katholieken ben ik het even vergeten. Zoiets. Boek wel eens deels gelezen, maar helaas niet bij de hand.

      Maar dit slechts als voorlopige opmerkingen.

  2. Nog een kleine toevoeging. Door de nadruk te leggen op het scheppende element in taal kom je al gauw uit bij (sociaal) constructivisme. Er zit een element van constructie in hoe wij over bijvoorbeeld historische periodes of fenomenen spreken, maar die constructie is ook weer niet willekeurig. Er zijn veel mogelijkheden, maar niet alles is mogelijk. Diverse perspectieven kunnen naast elkaar bestaan, maar ook die perspectieven worden wel degelijk getoetst. Er zijn van die postmoderne theorieën in omloop geweest die deden of al die constructies willekeurig waren, maar dat is niet het geval. Ook constructies zijn gebonden. Maar dat is volgens mij ook wat jij impliciet zegt.

  3. Dank voor de aanvullingen. Ja, dat is inderdaad wat ik zeg / bedoel. Ik ben ook zeker geen aanhanger van het idee dat alles “alleen maar in de taal” bestaat. En constructies zijn zeker niet willekeurig.

    Die versmelting van gewaarwording, waarneming, a priori kennis en uitdrukking dan wel schepping in taal blijft boeiend. Wij zullen het niet kunnen laten, ook niet in 2012, om hierover verder te spreken.

    Fijne kerstdagen gewenst en een goede jaarwisseling.

  4. De aanduiding ‘het zijn’ wordt inderdaad vaak begrepen als aanduiding voor alles wat er is. In dat geval komt aan alles wat bestaat het predicaat ‘zijn’ of ‘zijnde’ toe. Volgens deze interpretatie van ‘zijn’ is ‘zijn’ slechts de meest algemene classificatiecategorie ofwel het meest universele begrip. Van alles wat er is kan immers gezegd worden dat ‘het is’. De term ‘zijn’ wordt hier begrepen dus als het meest algemene predicaat. Het is het ene predicaat dat aan alles wat bestaat toekomt. Het is als predicaat op al het bestaande van toepassing en sluit daarom geen enkel zijnde uit. En precies daarom is ‘het zijn’ dus ook het minst inhoudsvolle begrip. Een nadere analyse van het begrip ‘zijn’ is dan ook niet mogelijk. Wie uitgaat van genoemde interpretatie komt uit bij een volstrekt enkelvoudig onanalyseerbaar zijnsbegrip. We kunnen dan helemaal niets meer over ‘het zijn’ zeggen.

    Er kan echter ook een andere interpretatie van ‘het zijn’ gegeven worden. We kunnen ‘het zijn’ namelijk ook beschouwen als datgene van waaruit alles is. ‘Het zijn’ wordt hier begrepen als de instantie die alle zijnden eerst tot zijnden maakt. De zijnden zijn als zijnden aanwezig precies omdat ze zijn voortgekomen uit (ofwel gegrond zijn in) ‘het zijn’. ‘Het zijn’ overstijgt en doorkruist zo alle zijnden. ‘Het zijn’ betreft de ultieme diepte van alle zijnden. ‘Het zijn’ manifesteert zich volgens deze tweede interpretatie in en door alle zijnden. Deze interpretatie laat uiteraard ruimte voor een verdere fenomenologische bezinning op ‘het zijn’. ‘Het zijn’ is hier dan ook alles behalve louter de meest algemene categorie van classificatie van alles wat bestaat. Het is hier juist de instantie die alle zijnden eerst laat ‘zijn’. De meest bekende representant van deze tweede interpretatie van ‘het zijn’ is Martin Heidegger. Overigens is ook volgens deze tweede interpretatie ‘het zijn’ één. Er is immers sprake van hét (ene) zijn van alle zijnden.

    • Let wel, ik noem het zijn wel even als een van de mogelijke aanduidingen voor alles, maar woorden als natuur, geschiedenis, heelal, alles en nog veel andere aanduidingen komen evenzeer in aanmerking. Mijn stukje gaat niet over het zijn in die zin. Het is niet meer dan aan aanduiding voor iets dat we ons niet voor kunnen stellen. Wij kijken als het ware van binnenuit tegen de rand aan. En van buitenaf gezien is dat Zijn niet meer dan de rand, niet wat er zich binnen bevindt. Vanwege het statische karakter roept het woord al gauw misverstanden op. Als we het over alles hebben, bedoelen we uiteraard niet alleen wat er is, maar ook wat er ooit was, wat zich ontwikkelde en wat er mogelijk ook nog zijn zal. We kunnen dat niet echt denken.

      Het lijkt me dan ook een ernstige denkfout om dát zijn – als aanduiding voor alles wat er in ruimte en tijd ooit ook maar is geweest, is of zal zijn of beter, als aanduiding voor wat dat alles omvat – op te vatten als het ‘meest algemene classificatiecategorie’. Het is iets heel anders dan het ‘zijn’ van de zijnden, waar mijn stukje wél over gaat en waarover ik betoog dat ze 1. tijdelijk zijn, 2. vaak vergankelijk, 3, vaak volstrekt nieuw en 4. dat ze (deels) niet buiten onze menselijke, telkens nieuwe benoemingen om bestaan. Het zijn als omvattend begrip is nadrukkelijk niet de optelsom van alle zijnden, want we kunnen niet weten welke zijnden er zijn en de zijnden veranderen vanwege hun tijdelijkheid, nieuwheid en vergankelijkheid ook telkens.

      Over dat zeer algemene zijn heeft het dan inderdaad geen zin om te zeggen dat het eenduidig of univook is (of ook dat het één is). En als je er toch iets over wilt zeggen, kun je van daaruit geen consequenties trekken over de zijnden of het zijn van de zijnden, want dan heb je het nadrukkelijk wel over verschillende bestaanswijzen (die wat mij betreft ook gradueel verschillend zijn). Maar ook de zijnden – die altijd tijdelijkheden zijn en vaak vergankelijkheden of scheppingen – kunnen wij niet omvatten. In het algemeen zullen wij ons slechts in concrete instanties afvragen of iets een entiteit is en in welke zin dan.

      Maar nogmaals, ik noemde het even, maar mijn stukje gaat nadrukkelijk niet over het zijn in die meest omvattende zin. Nu we toch al het onkenbare meest omvattende, dat wij ook wel eens natuur of geschiedenis of heelal noemen, maar soms ook zijn, moeten onderscheiden van het zijn van de dingen of de zijnden, lijkt het me alleen maar verwarrend om het begrip ook nog weer op een andere wijze te gebruiken. Ik weet niet of Heidegger iets verhelderends gezegd heeft, maar het heeft in ieder geval niets met het onderwerp van mijn stukje te maken.

      Het verbaasde me een beetje, Emanuel, dat je reageert op iets waar in thematisch niet over schrijf en dat je niet reageert op de passages – in voorgaande stukjes – waarin ik wel op jouw stellingen inga.

Trackbacks

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: