Over vliegende roze olifantjes, zijn en niet zijn. En of bestaan univook is.

door Jan Dirk Snel

.:.

Ooit stond mijn bureau ergens boven de twintigste verdieping pal naast het raam. In de verte kon je zien of de vlag op Huis ten Bosch wapperde. Het uitzicht was vooral weids, maar er kwam ook wel eens wat voorbijvliegen. Meeuwen vooral, het was niet ver van zee. Maar op een dag leek het alsof de oorlog was uitgebroken. Gelukkig bleek het Veteranendag te zijn en wat we zagen, was vooral de verwijzing naar vroegere, voorbije oorlogen (al doen we er altijd nog, matigjes, mee aan eentje in Azië, oude traditie). Kortom, er kwamen soms vreemde dingen voorbij dat raam, maar een roze vliegend olifantje was daar nooit bij.

Roze olifant. Deze kan niet vliegen. En hij kan ook niet trompetteren. Hij bestaat wel. (foto: Anne Burgess)

Dingen die niet bestaan
Ik weet niet wat u zoal ziet als u wel eens gedachteloos uit het raam staart, maar ik vermoed dat u zo’n grappig en ongetwijfeld vriendelijk beest ook nog nooit voorbij hebt zien vliegen. Of denkt u dat vliegende roze olifantjes wel degelijk bestaan? En zo zijn er meer van die vragen. Bestaan er deeltjes die sneller dan het licht gaan? Bestaan er eenhoorns? Bestaan zuivere driehoeken? Bestaat het perpetuum mobile? Bestaat het befaamde Monster van Loch Ness eigenlijk wel? Hoe zit het nu werkelijk met Sinterklaas?

Ik zou zeggen dat op de meeste van die vragen het antwoord een eenduidige ontkenning is. Olifanten zijn niet roze en ze kunnen niet vliegen. Dat zit er nu eenmaal niet in bij olifanten. Daar zijn ze te zwaar voor en ontbreekt het hun aan natuurlijke hulpmiddelen om zich ver van de aardbodem te verheffen. Of er neutrino’s of deeltjes bestaan die sneller dan het licht gaan, is nog omstreden. Men heeft ze gemeten, maar ook de fysici die dat gedaan hebben, denken zelf eigenlijk dat hun waarnemingen niet kunnen kloppen. En andere onderzoekers denken dat inmiddels ook. En de eenhoorn is vanouds hét voorbeeld van een dier waar veel over gesproken is, maar dat toch maar niet gevonden kon worden. Met zuivere driehoeken ligt het al weer lastiger, maar de geodriehoeken die u bij de Hema of de Axion kunt kopen, zijn toch net niet helemaal zuiver, vrees ik, althans in de ogen van strenge wiskundigen. Ook het perpetuum mobile is nog steeds niet uit de ontwikkelingsfase. En het Monster van Loch Ness, is dat inmiddels niet onopvallend een stille dood gestorven? Gevangen is het in ieder geval nog steeds niet. En Sinterklaas? Tja, in menig kinderleven breekt het moment van de harde conclusie aan dat de goedheiligman toch werkelijk niet bestaat.

Die dingen, dieren en mensen bestaan dus niet. En toch bestaan ze op een bepaalde manier ook weer wel. Het roze vliegende olifantje is inmiddels een bekende figuur en u las er hierboven vast en zeker niet voor het eerst over. Ik heb het niet verzonnen. De vraag of het toch misschien zo zou kunnen zijn dat neutrino’s onderweg van Genève naar Gran Sasso in Italiaanse bodem de maximumlichtsnelheid hebben overschreden, heeft de afgelopen maanden heel wat pennen en tongen in beweging gezet. En over eenhoorns zijn heel wat boeken volgeschreven. En wiskundigen en scholieren kunnen zich wel degelijk zuivere driehoeken voorstellen. Het plaatje in het leerboek mag dan fysiek, als je er een microscoop boven zet, onvolkomen zijn, je kunt je die figuur wel degelijk voorstellen. En een zoekopdracht naar afbeeldingen van het perpetuum mobile levert meteen resultaten op, al is het wat verdacht dat al die apparaten er nogal verschillend uitzien. Het Monster van Loch Ness is een befaamde casus uit de wetenschap der cryptozoölogie. En Sinterklaas, ja Sinterklaas? Ja, die hebben we toch allemaal de afgelopen weken weer regelmatig gezien? Zelfs de Tweede Kamer heeft de verdwijning van zijn paard nog besproken. En de minister ondernam snel actie.

Univociteit
Er is een beroemd opstel over deze vragen. Het heet ‘On What There Is’ en het is van William Van Orman Quine (25 juni 1908, antikerstmis – 25 december 2000, kerstmis) en hij was de grootste filosoof van de twintigste eeuw, maar daar zijn er, zoals dat onder wijsgeren gaat, gelukkig heel veel van – Ludwig Wittgenstein en Martin Heidegger zijn ook goede (of volgens sommigen dan weer: slechte) kandidaten. Quine was zeker de saaiste van het stel: geen geestlozere autobiografie dan The Time of My Life (1985), waarin hij vertelt wanneer hij welk land bezocht en werkelijk niets, maar dan ook volstrekt niets mee te delen heeft over wat hij daar dan zag. Onleesbaar, terwijl er geen onbegrijpelijke zin in staat, voor zover ik dat tenminste hapsnap gecontroleerd heb. Maar dit terzijde. Dat opstel dus, dat in 1948 in een tijdschrift verscheen en in 1953 in From a Logical Point of View, een titel naar een liedje dat hij Harry Belafonte had horen zingen, werd gebundeld en dat na zijn dood nog eens werd opgenomen in Quintessence (2004), een boek waarin zijn beroemdste artikelen zijn verzameld. Quine komt in dat stuk tot deze schokkende vaststelling:

‘To be assumed as an entity is, purely and simply, to be reckoned as the value of a variable.’

Als ik mezelf flink op de kast wil jagen, herlees ik dat stuk nog wel eens. Ik ga daar nu verder aan voorbij. Dit keer reageer ik op een blogstuk van de filosoof Emanuel Rutten: Bestaan is univook. Het telt slechts 247 woorden en u moet dat eerst maar even lezen. De eerste regels komen direct ter zake:

‘Het lijkt mij redelijk om te zeggen dat iets wel bestaat of niet bestaat. Bestaan is niet iets dat gradaties kent. Het begrip ‘bestaan’ is derhalve niet analoog, maar univook. ‘

Eerst maar even over dat woord, univook. Het is geen term die de meesten van ons dagelijks in de mond nemen. Het staat ook niet in alle woordenboeken, tenminste niet in mijn Dikke Van Dale uit 1976. Rutten vertaalt het als eenzinnig. Mijn Van Dale kent wel univociteit en dat omschrijft dat woordenboek als ‘eenduidigheid, het tegendeel van equivociteit.’ Univook zou dan dus eenduidig zijn. Het verschil met eenzinnig is niet groot. Het aardige is dat een handwoordenboek Frans dat ik hier bij de hand heb, ook al van Van Dale trouwens, maar dan de later bedachte firma, univoque vertaalt als ‘eenduidig → eenzinnig’. Dat zit dus wel goed. En het grappige is dat mijn Van Dale, de echte uit 1976 dus, wel verwijst naar equivociteit, waar univociteit het tegendeel van zou zijn, maar dat woord dan weer niet heeft. Maar op de plek waar men het zoekt, vindt men wel equivoque en dat wordt weer omschreven als dubbelzinnig en als zelfstandig naamwoord betekent het ‘dubbelzinnigheid, dubbelzinnig gezegde, onbetamelijke woordspeling’. Laten we ons hier tot het betamelijke beperken. Wat de juiste spelling is, weet ik niet: univook en equivook of univoque en equivoque. Het Groene Boekje kent beide woorden niet. Ik volg Rutten, maar het gaat natuurlijk niet om het woord, maar om het begrip. En of bestaan dat is, univook, waarbij ik er gemakshalve maar van uitga dat bestaan en zijn hier begripsmatig uitwisselbaar zijn, al kun je beide woorden niet altijd in elke zin door het andere vervangen. Als iets bestaat, is het. Als iets is, bestaat het.

Fysiek en geestelijk
Bestaan kent geen gradaties, betoogt Rutten. Iets bestaat of het bestaat niet. Iets is of het is niet. Is dat zo? Ik zou zeggen dat het net een tikkie ingewikkelder ligt en daarom gaf ik al die voorbeelden van dingen die niet bestaan, maar waarover we toch kunnen spreken en waarbij we ons toch van alles kunnen voorstellen. Al die dingen bestaan niet, stelde ik vast, en toch bestaan ze op een bepaalde manier ook weer wel, namelijk als dingen waarvan we kunnen zeggen dat ze niet bestaan. Van mijn zeven voorbeelden veronderstellen er een stuk of vijf een fysiek, ruimtelijk bestaan. Roze olifantjes hebben een lichaam en dat geldt ook voor eenhoorns, het Monster van Loch Ness en Sinterklaas, tenminste als ze werkelijk zouden bestaan. Dat olifanten zouden kunnen vliegen, is een voorstelling die niet door de praktijk wordt bevestigd. Neutrino’s bestaan wel, tenminste dat neem ik maar even op gezag van geleerde geesten aan, maar het is nog maar de vraag of ze harder dan het licht kunnen. En driehoeken, die zie je op straat in de vorm van verkeersborden en je kunt ze in de winkel kopen, maar zuivere driehoeken bestaan alleen maar als voorstelling.

Maar, en dat is mijn punt, al deze niet bestaande dingen of dieren of mensen bestaan niet in het echt, zoals we dat zeggen, maar wel in onze gedachten of voorstellingen. We weten waar we het over hebben en we kunnen er lange verhalen over houden. Ik zou dus zeggen dat er minstens twee bestaanswijzen zijn: een fysieke, ruimtelijke, en een geestelijke, onruimtelijke. Ja, dat is zo ongeveer het beroemde onderscheid dat Descartes al maakte tussen res extensa en res cogitans. Het enige verschil is dat ik niet denk dat ze op dezelfde wijze naast elkaar, onverbonden of vrijwel onverbonden, bestaan. Gedachten en voorstellingen bestaan, voor zover we weten, niet zonder fysieke of lichamelijke dragers, waarbij ik een mogelijk onderscheid tussen dode dingen en levende organismen, planten, dieren en mensen maar even buiten beschouwing laat.

En gedachten en voorstellingen – en u mag hier zelf nog allerlei termen bij verzinnen – worden op twee wijzen gedragen: door levende mensen bijvoorbeeld, die erover kunnen praten, en door of op dode materie. De Dode Zeerollen of de geschriften van Nag Hammadi lagen lang in grotten of onder het zand verborgen, maar toen men ze eenmaal vond, kon men de betekenis van de letters ontcijferen, zoals u nu de betekenis van deze lettertekens op uw scherm, dat in ieder geval niet leeft, zoveel is wel zeker, ook kunt begrijpen. Je zou een onderscheid kunnen maken tussen objectieve en subjectieve geest, maar voor het vervolg heb ik dat nu niet zo nodig. Het gaat mij om het grote onderscheid tussen fysicaliteit in ruime én ruimtelijke zin enerzijds en geest anderzijds, waarbij geest zonder fysieke drager bij ons weten niet voorkomt. Alleen God stellen we ons als zuivere geest voor, ook al komen er in het Oude Testament en elders ook wel degelijk fysieke, lichamelijke voorstellingen van God voor. Maar ook dat thema laat ik nu maar even buiten beschouwing.

Plaatjes kijken
Ik zou dus zeggen dat bestaan of zijn niet eenduidig is. Dingen bestaan fysiek of ze bestaan geestelijk. Dingen die niet bestaan, bestaan op het moment dat we ze verzinnen of erover praten, wel degelijk in onze geest: als fysiek niet bestaande dingen bijvoorbeeld, terwijl we misschien ook nog wel geestelijk niet bestaande dingen kunnen verzinnen, zoals een vierkante driehoek of de kwadratuur van de cirkel. Er is daarbij mogelijk een zeker verschil tussen olifanten, die begripsmatig al verondersteld worden een nogal log lichaam en een kenmerkende slurf te hebben, en zuivere driehoeken die helemaal niet geacht worden ook fysiek te bestaan, groot is dat niet. Het gaat om wat we ons voor kunnen stellen. En hoewel het ons niet zal lukken een driehoekige rechthoek te tekenen, lukt het ons wel die in woorden te verzinnen – deze zin is het bewijs. En door te combineren kunnen we ons heel veel voorstellen. Ik heb al eens eerder betoogd dat het vrijwel onmogelijk is om geen originele zinnen op te schrijven. De menselijke geest schept steeds nieuwe dingen. De mogelijkheden zijn oneindig, waarbij die voorstellingen, vaak of misschien wel per definitie, dat weet ik even niet, wel weer in onze fysieke ervaringen geworteld zijn. Wij mensen zijn geen geesten, wij hebben een lichaam. En een geest.

Neem eens dit. Kleine kinderen leren we hoe de wereld in elkaar zit door met hen plaatjesboeken door te nemen. Misschien is er geen beter empirisch bewijs voor het idee dat dingen een platonische essentie hebben, want ook tamelijk abstracte plaatjes die weinig op de ‘werkelijkheid’ lijken, herkennen ze feilloos. Met een groene leeuw of een pimpelpaarse giraffe hebben ze geen enkele moeite. Maar ook dat terzijde. De plaatjes. Je laat een bladzijde zien met een kat en je vraag wat dit is. ‘Een poes.’ Volgend plaatje. ‘Een schaap.’ Bladzijde om, nog een afbeelding. ‘Een koe’. ‘Heb je wel eens een koe gezien?’ ‘Ja hoor, gisteren nog, heel veel koeien.’ ‘Waar dan?’ ‘Nou, toen we gingen wandelen, bij de molen’. Elk kind legt de relatie moeiteloos. Het ziet een koe in het boek en het weet wat echte koeien zijn. Zijn die beide koeien dan op dezelfde manier? Nee toch?

Je kunt zeggen: ja, maar als je wijzend op de afbeelding in het boek zegt ‘dit is een koe’, dan bedoel je in werkelijkheid: ‘dit is een plaatje van een koe’. Het zijn is het zelfde, maar het woord koe is hier een afkorting voor afbeelding van een koe. René Magritte met zijn Ceci n’est pas une pipe dus. Ik had die afbeelding hierbij kunnen doen, als ik die niet al eerder gebruikt had. Nee, dat is inderdaad geen pijp, maar een schilderij van een pijp. Ruud Kaulingfreks schreef er ooit een proefschrift over Meneer iedereen. Over het denken van Rene Magritte (1984), maar dat heb ik natuurlijk weer niet gelezen. Maar is het waar? Zien we geen pijp? Nee, zou ik zeggen, we zien wel degelijk een pijp, zoals het kind in zijn plaatjesboek wel degelijk een koe ziet. Dat het om een schilderij of een boek gaat, is namelijk voorondersteld. Het kind beseft echt het verschil wel tussen de wereld van de voorstellingen en de wereld daarbuiten, bij de molen, waar de koeien in het land grazen. Wat hij ziet, is een koe en geen plaatje van een koe. En wat we bij Magritte zien, is een pijp en geen afbeelding van een pijp. We bevinden ons in een andere wereld. Of binnen een andere afdeling van onze ene wereld, zo kun je het ook zeggen. Er is de wereld van de ruimte en het fysieke en er is de wereld van de geest, ook zoals die zich op papier of beschilderd linnen aan ons voordoet. Die koe en de pijp bestaan wel degelijk, maar op een andere wijze als de koe in de wei of de pijp van opa.

Gedifferentieerde ontologie
De kaart is niet het gebied. Maar op de kaart zien we wel degelijk hoe de omtrekken van het IJsselmeer eruit zien of hoe de Rijn zich vertakt in de voorzetting van zichzelf en de Waal. En wat we in de wereld van de geest zien, kan daarbuiten in het echt, fysiek, ook bestaan, de olifanten in de dierentuin, en het kan ook niet bestaan, het roze vliegende olifantje. En ook dat onderscheid leren kinderen al snel. Sinterklaas bestaat niet in het echt, maar als cultureel en historisch fenomeen bestaat Sinterklaas wel degelijk. En later vermommen sommigen van hen zichzelf als Sinterklaas en ze weten hoe dat moet, want ze hebben een heldere voorstelling hoe die niet bestaande Sinterklaas eruit hoort te zien. Sinterklaas bestaat niet, maar er bestaan heel veel Sinterklazen, die elk jaar die rol weer met plezier vervullen.

De wereld van de geest en de wereld van de fysieke ruimtelijkheid horen samen. Abstract taalgebruik heeft een metaforische onderlaag. Je hebt lageropgeleiden en hogeropgeleiden en op een schema zet je de universiteit boven het vwo en daaronder maak je dan weer een hokje voor de basisschool. En zonder een plaatje van een driehoek leren we nooit ons een zuivere driehoek voor te stellen, zoals we ook met blokken of autootjes leren om een, twee en drie te onderscheiden. En in de wereld van de geest of de fantasie en het verlangen maken mensen, vrouwen of modeontwerpers in dit geval, zich een voorstelling van een mooie nieuwe jurk, tekenen een patroon en zetten ze zich achter de naaimachine of, nog vaker, zetten iemand anders erachter. Of ze, mensen dus, stellen zich voor hoe hun nieuwe huis eruit moeten zien en vragen een architect om hun droomwoning te ontwerpen en vertellen hem wat ze voor ogen hebben.

Bestaan is dus meerduidig, zou ik zeggen, al weet ik niet hoe je dat verder moet benoemen. Zonder een gedifferentieerde ontologie komen we er niet. Dingen bestaan op verschillende wijzen, op zijn minst op twee, misschien op meer, maar dat is een aangelegenheid van latere zorg. Ik weet niet of we nader moeten onderscheiden tussen dode dingen en levende dingen, tussen voorstellingen van dingen die ook fysiek bestaan (leeuwen, planeten), die ook geestelijk bestaan (priemgetallen) en die niet bestaan (eenhoorns, natuurlijke getallen tussen acht en negen). Of tussen dingen die geestelijk op actualisering liggen te wachten (manuscripten en oude tijdschriften in een bibliotheek, archiefstukken) en dingen die we ons nu herinneren en waarover we kunnen praten.

Het verleden
Emanuel Rutten eindigt zijn stukje met een passage over het verleden en of dat bestaat. Daar is het hem kennelijk ook om te doen. Later hoop ik nog eens terug te komen op zijn vraag naar wat de ‘waarheidsmakers’ van ware historische uitspraken zijn. Ik geloof dat ik die term, waarheidsmaker, wel begrijp en dat hij mogelijk in een bepaalde, beperkte context ook wel begrijpelijk en bruikbaar is, maar dat ze uitgaat van een niet geheel adequaat waarheidsbegrip en met name van een onjuiste lokalisering van waarheid in taal of in proposities – ik zal meteen maar bekennen dat ik hierover vroeger ook onjuiste dingen geschreven heb – en daarom ga ik daar nu aan voorbij. Ik hoop daar nog eens op terug te komen.

Bestaat het verleden? Nee en ja dus. Eerst het eerste antwoord. Nee, als zodanig bestaat het verleden niet. Het is namelijk voorbij. Daarom is het ook het verleden. Als ik zojuist uit de supermarkt terug kwam, dan bevond ik mij misschien tien minuten geleden op het zebrapad op de Wibautstraat en men had daar een – overigens weinig spectaculaire – foto van kunnen maken. Het kan zijn dat een kennis mij daar heeft zien lopen en kan bevestigen dat ik daar om dat en dat tijdstip was en dat het dus volstrekt onmogelijk is dat ik op dat zelfde tijdstip op het Neude in Utrecht wandelde. Maar het is voorbij. Ik zit nu hier achter mijn laptop te schrijven en op het moment dat u dit leest – als u tenminste zover gekomen bent –, ben ik misschien wel bezig de afwas te doen of even een krant halen bij de sigarenboer. Dat is de tijd: de dingen gaan voorbij. En dingen komen.

De huidige Wibaustraat is een weg met twee banen en vier rijstroken. Men kan even gaan kijken om te controleren of het klopt wat ik zeg. Maar tot 1939 lag er op die plek een spoorweg en iets verderop, op wat nog steeds het Rhijnspoorplein heet, stond tot dat jaar het Weesperpoortstation. Die spoorweg en dat station bestonden ooit, maar ze bestaan niet meer. De rails zijn weggehaald en het stationsgebouw is afgebroken. Ze bestaan echt niet meer. Op de plek waar ik nu woon, stonden ooit andere panden. In de jaren tachtig heb ik gezien hoe ze afgebroken werden en hoe op het eind zelfs een heel sloopblok op een nacht in de fik stond. Ik heb gezien hoe de plek waar ik nu woon, een vlakte was, waar het grondwater tot bijna op straathoogte stond en daarna heb ik gezien hoe hier nieuwe woningen gebouwd werden. Ik heb op de steigers gelopen om uit te zoeken in welk appartement ik het liefst wilde wonen. Ik heb gezien hoe een oud fabrieksgebouw op het binnenterrein een paar meter achter mijn balkon werd afgebroken. Het bestond ooit, het bestaat niet meer. Bijna nooit denk ik eraan, maar in het gemeentearchief is vast en zeker nog documentatie te vinden over de bouw en het gebruik in de loop de jaren. Dodo’s, lievelingsdieren van Boudewijn Büch, die ook al niet meer leeft – ik zie nog voor me hoe we vanaf onze postie op een terras hem niet lang voor zijn dood in 2002 met twee plastic zakjes met boeken eenzaam over de Torensluis op weg naar huis zagen lopen – leefden ooit. Nu bestaan ze niet meer. Ze zijn uitgeroeid. De trekschuit bestond ooit, als vervoersmogelijkheid. Nu bestaat een enkele trekschuit alleen nog in het museum.

In die zin bestaat het verleden dus, als voorstelling, als verhaal en als betrouwbaar verhaal. Dat is dus het tweede antwoord: ja, het verleden bestaat in de vorm van verzamelde, beschikbare en steeds herordende en vernieuwde kennis. Niemand zal in ernst kunnen beweren dat Jezus of Willem van Oranje niet bestonden. Daarvoor is het bewijs dat ze ooit leefden, te sterk. Een geschiedenis van Nederland zonder Oranje is niet eens denkbaar. In de middeleeuwen bestond Nederland nog niet, ten tijde van de Slag bij Nieuwpoort wel zo ongeveer en zeker bestaat het huidige koninkrijk sinds 24 augustus 1815. Eens bestond het niet, nu bestaat het en eens zal het naar alle waarschijnlijkheid niet meer bestaan. Opgaan, blinken en verzinken, zoals Willem Bilderdijk het in 1811 formuleerde, dat is geschiedenis. Het is zelfs het lot van iedere dag, zoals de dichter schreef en declameerde. Sommige dingen bestaan maar kort, andere hebben een lange duur. En het verhaal van die geschiedenis bestaat, als voorstelling, en dat verhaal kan op vele manieren verteld worden, maar er is een harde kern. Het verleden bestaat in die zin dat het ging over mensen, en ook wel dingen, die ooit bestonden en soms niet meer bestaan en soms ook nog wel. Wij hebben er weet van.

Geen predicaat 
Het Rijksmuseum bestaat, al kun je al jarenlang maar in een klein gedeelte terecht als bezoeker. Bestond het in 1886? Ja, want een jaar eerder werd het geopend. Bestond het in 1844? Jazeker, want Potgieter bezocht het toen en schreef er een beroemd opstel over. Maar de kans is dus groot dat je in beide vragen iets anders bedoelt. In het eerste geval gaat het om het huidige gebouw, in het andere om de instelling, die toen in het Trippenhuis, dat trouwens ook nog steeds bestaat, gevestigd was. Maar in 1745 bestond het Rijksmuseum nog niet, omdat het pas in 1800 werd opgericht, als instelling en dan ook nog onder een andere naam, Nationale Kunstgalerij. In hoeverre gaat het bij de instelling en het gebouw om een zelfde wijze van bestaan? Heeft het eigenlijk wel zin om over de univociteit van bestaan of zijn te spreken. Wat zegt bestaan eigenlijk?

Niet veel, denk ik. Bestaan of zijn is geen predicaat, in de zin dat het iets kenmerkends meedeelt, een eigenschap of zo. Je kunt van iemand zeggen dat ze bruin haar heeft, of van Barack Obama dat hij de vierenveertigste president van de Verenigde Staten is, en dan deel je iets wezenlijks of kenmerkends over hen mee. Maar wat deel je mee als je zegt dat mensen bestaan? Niet veel, want dat wisten we al. Het is als met waarheid. De vraag ernaar is alleen interessant als die omstreden is. Waarheid wordt verondersteld. We zeggen niet bij elke mededeling dat die waar is. Daar gaan we vanuit. Pas bij twijfel of ontkenning zeggen we dat iets echt waar is. ‘Heus, ik houd je niet voor de gek.’ En zo is het ook bij zijn of bestaan. Dat mensen of bloemen bestaan, is niet interessant. Dat eenhoorns niet bestaan, was dat ooit wel. Was het niet mogelijk dat de verhalen teruggingen op waarnemingen van mensen die ze ver weg ooit gezien hadden? Sommigen vinden de vraag of Atlantis, waar Plato het al over had, nu echt bestaan heeft, of niet, nog steeds de moeite waard.

Ook de toekomst bestaat op die manier. Niet als iets dat er is, maar als iets waar we ons voorstellingen van maken, vaag vaak, maar toch. Dat Nederland nog bestaat in 2020, lijkt waarschijnlijk, maar is niet zeker. Of de euro eind 2012 nog zal bestaan, is al weer een heel andere vraag. Op veel kaartjes van IJburg zijn de oostelijke eilanden ingetekend. Ooit dachten we dat die er zouden komen. En als we op de Bert Haanstrakade over het water van het Markermeer uitkeken, stelden we ons voor hoe daar verderop nieuwe huizen zouden verrijzen. Nu houden we het mogelijk dat die eilanden en die huizen er niet meer komen, en we kijken dus met een andere verwachting.

We stellen ons voor dat er een dag zal komen dat mensen niet meer in benzineauto’s zullen rijden, op enkele liefhebbers van oldtimers na dan, omdat er andere middelen van aandrijving zijn ingevoerd. We stellen ons dingen voor die er nog niet zijn, maar waar we al wel zekere ideeën over hebben, en we stellen ons voor dat er nog allerlei nu ongedachte uitvindingen gedaan zullen worden. En we stellen ons voor dat van alles dat er nu is, er ooit niet meer zal zijn. Wij – ik laat de kinderen van nu buiten beschouwing – zullen er over een eeuw niet meer zijn, althans niet hier op deze aarde – en van de bespreking van mogelijk andere bestaanswijzen in een hiernamaals, zie ik nu even praktisch af. ‘Elk afscheid betekent de geboorte van een herinnering’, citeerde ik eerder de dankkaart na de begrafenis van Jan Sperna Weiland. Mensen leven na hun dood voort in onze harten, omdat ze daar ook voor hun dood al in present waren. Ze leefden, zij leven nu niet meer. Ze bestonden, ze bestaan niet meer – niet meer als mensen van vlees en bloed, maar wel op die andere wijze in onze gedachtenis.

In het geding
Bestaat de tijd? Ja. Maar op dezelfde manier als waarop mijn ouder wordende laptop bestaat? Lijkt me niet. Als bestaan niets prediceert, heeft het ook weinig zin om te zeggen dat het eenduidig is. De vraag is pas interessant als het gaat om de vraag of iets wel of niet bestaat en dan op de wijze zoals in het begrip gegeven is. Mensen bestaan, maar bestaan er werkelijk mensen die denken dat de maan van kaas is. Echt? Nu nog? August Willemsen beschrijft in zijn Braziliaanse brieven (1985) ergens hoe hij iemand tegenkomt die niet weet dat hij in Brazilië woont. De man heeft nog nooit van een kaart of een atlas gehoord en begrijpt er niets van als Willemsen hem zoiets voorhoudt. Hij heeft werkelijk geen idee hoe de wereld in elkaar zit. Zo’n man bestaat dus en dat is een nieuwe mededeling. Of bestond – want we weten niet of hij nog leeft.

De vraag naar het zijn is alleen van belang als het zijn of niet zijn in het geding is. Of iets nu bestaat of niet. En of iets bestond of niet. En soms ook of iets in de toekomst zal bestaan of niet. Is dit of dat mogelijk of denkbaar of niet?

Verschil in zijnswijze
Misschien had ik dit ook korter af kunnen doen. Emanuel Rutten schrijft namelijk zelf:

‘Ik meen dan ook dat alle ogenschijnlijke analoge duidingen van de term ‘bestaan’ na analyse slechts neerkomen op verschillen in zijnswijze, op verschillen in type zijnde, en dus niet op een verschil in zijn.’

Kortom, hij heeft het hier zelf over over ‘verschillen in zijnswijze’, maar als er een verschil is in de wijze waarop iets is, is dan dat zijn ook hetzelfde? Een verschil in de wijze van bestaan of zijn is méér dan een verschil in type zijnde, zou ik zeggen. Of je definieert zozeer elke betekenis weg uit zijn of bestaan, dat je er helemaal niets meer over kunt zeggen en dat de bewering dat bestaan univook of eenduidig is, een a priori gegeven stipulatieve definitie is, waar geen nadere discussie meer over mogelijk is. Maar dan zegt de bewering ook helemaal niets meer. Zijn is dan altijd hetzelfde en daarbinnen heb je dan verschillende zijnswijzen.

Maar om dat laatste gaat het: dat niet alles op dezelfde wijze bestaat. En dat als je de ene keer zegt dat iets bestaat, je dat op een andere manier bedoelt dan bij een andere gelegenheid. Vliegende roze olifantjes bestaan niet, niet als werkelijke beesten die voorbij je raam kunnen komen, ze bestaan wel als voorstellingen in boeken, tekeningen, films en animaties en stukjes als dit. Wat je in het kinderplaatjesboek ziet, is een koe, en wat daarbuiten loopt, is ook een koe, maar ze bestaan op verschillende wijze en dat hoef je er niet bij te zeggen, omdat de context dat al duidelijk maakt. Je gebruikt vervoegingen van zijn of bestaan wel degelijk op een verschillende wijzen.

En het lijkt me een vrij zinloze semantische kwestie of verschillen in zijnswijze, die Rutten erkent, dan weer iets anders zijn dan verschillen in gradatie, die hij niet erkent. Hoe zouden we dat onderscheid vast kunnen stellen? Het punt lijkt me nu juist dat eenhoorns niet bestaan, en op een andere wijze, als voorstelling, toch weer wel. Ik zou zeggen dat de wijze waarop een eenhoorn dan in zekere zin bestaat, toch gradueel afwijkt van hoe een eekhoorn bestaat. Tenzij je ook dat verschil weer stipulatief wegdefinieert.

De uitspraak dat zijn univook is, lijkt me onjuist. Het alledaagse spraakgebruik weerspreekt dat in ieder geval. Het verleden bestaat op een andere wijze dan mijn koffiemok. Of de uitspraak is zinledig, dat kan ook.

Ons bestaan is ons gegeven en de wereld ook. En wij begrijpen er niet zoveel van.

(39)

32 Responses to “Over vliegende roze olifantjes, zijn en niet zijn. En of bestaan univook is.”

  1. @Jan Dirk
    Het lijkt me niet alleen een semantische kwestie, het lijkt me dat jullie beiden een andere taal spreken. Jij wilt het, volgens mij, hebben over de inhoud van het woord. Heeft het woord geen inhoud, dan hecht je ook geen belang eraan. Vandaar je toevoeging dat ‘bestaan’ pas een kwestie wordt zodra je eraan twijfelt. Voor jou, zoals ik het interpreteer, gaat het met name over de alledaagsheid.
    Emanuel Rutten lijkt mij, gezien zijn blogstukje, in het geheel niet over de alledaagsheid, roze olifantjes of twijfel. Laat staan over de inhoud. De vraag die volgens mij gesteld wordt is niet ‘waar gaan we het over hebben?’, maar eerder: ‘hoe gaan we het erover hebben?’ Volgens mij wordt hier de term ‘metavocabulaire voor gebruikt. De afbakening van het onderwerp en van de termen is het doel. Door te stellen dat ‘bestaan’ univook is (ik begin de betekenis van de term volgens mij enigszins te begrijpen), vereenvoudig je de term en kan je ook eenvoudig zeggen dat het niet-bestaan univook is. De schema’s worden er een stuk eenvoudiger door, wat het gemakkelijker maakt erover te debatteren. Heeft het met de werkelijkheid te maken? Nou, daar kan je over debatteren.
    Dat is mijn kleine toevoeging. Ik durf verder weinig te zeggen over wie van jullie beiden gelijk heeft, op het gebied van de filosofie zijn jullie beiden veel meer zwaargewicht dan een 23-jarige journalistiekstudent😉

    • Emanuel Rutten bezigt de term ‘na analyse’. Dat lijkt me op andere intenties te duiden dan het stipulatief poneren van metavocabulaire. In een reactie op zijn blog heeft hij het wel degelijk over de betekenis van woorden en begrippen.

      En ik heb het niet alleen over de inhoud van het woord, maar juist ook over het verschil in bestaanswijze. Een eekhoorn bestaat, een eenhoorn niet en een dodo bestond. En als je over die eenhoorn en die dodo toch wilt beweren dat ze wel bestaan, dan moet erbij uitleggen in welke zin je dat dan toch het geval is.

      Het woord bestaan of zijn betekent in het gewone taalgebruik ook ‘er is sprake van’, ‘noemen we’, ‘betekent’ of ‘symboliseert’ (om maar eens iets te noemen), maar dat heeft niet alleen met woordbetekenissen te maken, maar ook met hoe dingen bestaan. Het lijkt me niet slechts een kwestie van het spreken van een andere taal.

  2. Beste Jan Drik,

    Goed geschreven stuk! Hierbij zoals beloofd mijn inhoudelijke reactie. Zoals ik in mijn eigen stukje reeds opmerk is het inderdaad zo dat niet alles op dezelfde wijze bestaat. Er zijn uiteraard meerdere zijnswijzen, meerdere manieren van zijn. Maar dit laat onverlet, zoals ik ook stel in genoemd stukje, dat de ene manier van bestaan niet meer of minder werkelijk hoeft te zijn dan een andere manier van bestaan.

    Neem bijvoorbeeld een koe en een gedachte aan een koe. De koe bestaat en de gedachte aan een koe bestaat ook. Zij zijn beide werkelijk. De koe is er immers en de gedachte aan een koe is er ook. Natuurlijk is er wel een verschil in de manier waarop beide, de koe en de gedachte aan een koe, er zijn. De koe is er namelijk als fysisch extra-mentaal object en de gedachte aan een koe is er als geestelijk intra-mentaal object. Dat er sprake is van twee verschillende manieren van bestaan, namelijk ‘fysisch extra-mentaal’- en ‘geestelijk intra-mentaal’-bestaan, doet echter niets af aan de elementaire eenzinnige constatering dat beide, de koe en de gedachte aan de koe, bestaan.

    Het verschil in bestaanswijze van de koe en de gedachte aan een koe verdisconteren we precies daarom door gebruik te maken van verschillende adjectieven, namelijk het adjectief ‘fysisch extra-mentaal’ en het adjectief ‘geestelijk intra-mentaal’. We plaatsen deze adjectieven vóór hetzelfde woord ‘bestaan’ om zo de twee verschillende bestaanswijzen uit te drukken. Verschillen in bestaanswijze worden dus verdisconteert door dat ene woord ‘bestaan’ middels verschillende adjectieven nader te kwalificeren. Er is dan ook geen sprake van verschillende betekenissen van het woord ‘bestaan’ zelf. Dát woord is en blijft eenzinnig (univook).

    En roze olifantjes dan? Welnu, roze olifantjes bestaan niet. Plaatjes van roze olifantjes, boeken met daarin verhalen over roze olifantjes, en gedachten aan roze olifantjes bestaan daarentegen natuurlijk wel. Dit alles is nogal evident en juist een univook begrip van ‘bestaan’ doet recht aan deze evidentie. Het is juist een univook begrip van bestaan dat laat zien dat de uitspraak ‘Roze olifantjes bestaan’ inderdaad onwaar is, terwijl een uitspraak als ‘Plaatjes van roze olifantjes bestaan’ uiteraard waar is.

    Groet,
    Emanuel

  3. Jullie zijn het er beiden over eens dat het verleden niet bestaat.
    Stel nu dat er een mogelijke wereld is waarin tijd niet bestaat.
    Dan bestaat in die wereld het verleden noodzakelijkerwijs ook niet.
    Maar het verleden bestaat in die wereld op een andere manier niet dan in onze wereld.
    Als je zegt dat het verleden niet bestaat tegenover het heden in deze wereld
    kun je tegelijk zeggen dat het verleden wel bestaat tegenover het niet bestaande verleden in die andere wereld.
    Dus het verleden bestaat tegelijk wel en niet.
    De vraag is nu: Is dit een bewijs dat bestaan niet univook is?

    • De uitspraak dat het verleden staat, is een volstrekt begrijpelijke uitspraak. In gebruikelijke zin bestaat het verleden en je kunt uitleggen wat je daarmee bedoelt. En dat is een heel ander gebruik van het woord dan wanneer ik zeg dat er studenten bestaan die Frankrijk niet op de kaart aan kunnen wijzen.

      Het woord bestaan wordt op diverse wijzen gebruikt, zoals dat met woorden gaat. De vraag is dan waarom Emanuel Rutten dat ontkent.

  4. Natuurlijk kunnen we in ons dagelijkse spraakgebruik op verschillende zegswijzen wijzen. Wat dacht je van “Ongehoord, hoe bestaat het in vredesnaam dat hij dat gedaan heeft!” of “Besta ik nog wel voor jou? Of ben je me al vergeten?”, etc.

    Wij begeven ons echter in de specifieke context van een metafysische vraagstelling zodra wij gaan nadenken over de vraag of ‘bestaan’ univook is, dat wil zeggen, of ‘bestaan’ gradaties, meer en minder, toelaat. De metafysische vraag is of er twee zijnden bestaan waarvan we naar waarheid kunnen zeggen dat de ene zijnde méér bestaat, ofwel werkelijker is, dan de andere zijnde. Ik ontken dit inderdaad, op grond van mijn stukje op mijn eigen blog, en op grond van mijn eerdere reactie hierboven.

    • En de tijd en een papieren zakdoekje dat je straks weggooit en weldra niet meer zal bestaan, bestaan op dezelfde manier?

      En je gaat niet in op de tijden. Eekhoorns bestaan nog. Dodo’s bestaan niet meer. Tijgers bestaan ook nog, maar zouden best eens uitgeroeid kunnen worden en dan misschien over een eeuw niet meer bestaan.

      Wat is de waarde van mededeling dat iets bestaat? En dat alle eenduidig bestaan? Wat zeg je daarmee? En waarom noem je niet op dezelfde wijze bestaan, toch eenduidig bestaan?

      Je haalt alles weg uit het empirisch gebruik van zijn en bestaan en zegt dan dat het altijd hetzelfde betekent. Maar dat is toch pure stipulatie?

  5. Er is zeker geen sprake van pure stipulatie. Zo komt bijvoorbeeld Heideggers (ene!) zijn van alle zijnden pas binnen bereik vanuit de daaraan voorafgaande these van de eenzinnigheid van ‘bestaan’. Zonder een univook begrip van bestaan zou er immers helemaal geen sprake kunnen zijn van Heideggers notie van het (ene) zijn van alle zijnden.
    Inderdaad, zoals op twitter gezegd, alléén als ‘bestaan’ eenzinnig is, is het mogelijk te spreken over hét (ene) zijn van alle zijnden, en dit is precies wat Heidegger deed. Nu, zou je Heideggers zijnsbegrip ook stipulatie willen noemen?

    • De relevantie van de verwijzing naar Heidegger ontgaat me. Of bepaalde noties van Heidegger wel of niet kunnen, interesseert me geen lor. Mooi voor hem als het kan, jammer als het niet kan. De man is toch al dood en zal er geen nacht wakker om liggen.

      Ik zou nu wel eens willen weten wat we leren van de uitspraak dat bestaan eenduidig is. Zegt dat meer dan de uitspraak dat in je neus peuteren of aardappelen koken eenduidig is? Als bestaan nu eens meerduidig of althans niet eenduidig zou zijn, wat zou er dan gezegd zijn? Als er diverse wijzen van bestaan zijn, wat betekent het dan dat er toch ook van eenduidigheid sprake zou zijn?

    • Nog even gekeken. Je gaat niet op mijn vragen in. Dat deed je nu niet, maar je ging ook nauwelijks op mijn betoog in. Je gaat niet in op de vraag naar het verschil tussen eekhoorns, eenhoorns en dodo’s. Je gaat niet op andere vragen in. Heeft discussiëren dan nog zin?

  6. De idee is dat Heidegger een rijk fenomenologisch zijnsbegrip heeft waarin hij allerlei uitspraken doet over hét ene zijn van alle zijnden. Maar, hij kan natuurlijk alléén maar spreken over hét ene zijn van alle zijnden, indien ‘zijn’ univook is. Kortom, de these dat ‘zijn’ univook is, is alles behalve een stipulatie of een tautologie. Stipulaties en tautologieën zouden immers nooit de ruimte laten voor genoemde rijke fenomenologische inzet van Heidegger.

    Verder heb ik al aangegeven dat de uitspraak dat ‘bestaan’ univook is neerkomt op de these dat er geen twee verschillende zijnden kunnen zijn waarvoor geldt dat de ene zijnde meer bestaat (werkelijker is) dan de andere zijnde. Verschillende zijnswijzen worden door mij echter niet ontkent. Stel dat ik nu aan een roze vliegende olifant denk. In dat geval bestaat mijn gedachte aan een roze vliegende olifant. Deze gedachte bestaat echter op een hele speciale manier, namelijk als mentaal object. En deze manier van bestaan is natuurlijk heel anders dan de bestaanswijze van, zeg, een auto. Maar, en daar komt het op aan, dit betekent niet dat die gedachte minder bestaat dan een auto. De gedachte is niet minder werkelijk, ‘is’ er niet minder, dan die auto. Ze zijn er allebei. Ze bestaan allebei. Daarin is geen verschil. Het enige verschil betreft hun bestaanswijze. Maar dat kunnen we verdisconteren door adjectieven (zie boven).

    (En vergeet niet, uit het feit dat roze vliegende olifanten niet bestaan volgt natuurlijk niet dat gedachten aan roze vliegende olifanten niet bestaan.)

  7. Beste J.A.J Pater,

    Mijn stelling dat bestaan univook is betreft alles wat bestaat binnen één metafysisch mogelijke wereld, in dit geval de actuele wereld (onze wereld). Ik zou vooralsnog niet willen beweren dat mijn stelling ook opgaat wanneer we het geheel van alle metafysisch mogelijke werelden als domein van discussie nemen! Maar wel iets om eens over na te denken.

  8. Beste J.A.J Pater,

    Laat me nog wat aanvullen. Mijn stelling luidt zoals gezegd dat ‘bestaan’ univook is. Maar we kunnen natuurlijk een metafysische vervolgvraag stellen. Namelijk de vraag of ‘bestaan’ *noodzakelijk* univook is. Anders gezegd, men kan vragen of het ook anders had kunnen zijn. Had de werkelijkheid misschien ook zodanig kunnen zijn dat ‘bestaan’ niet univook is? In analytisch-wijsgerige termen: Bestaat er een metafysisch mogelijke wereld waarin ‘bestaan’ niet univook is? Een mogelijke wereld waarin bijvoorbeeld de (neo-)platoonse leer van de zijnsvermeerdering en zijnsvermindering correct is? Dit lijkt mij een buitengewoon interessante vraagstelling waarover ik graag nog eens ga nadenken. Dank voor jouw reactie die deze vraagstelling bij mij opriep!

    Groet,
    Emanuel

  9. Beste Jan Dirk,

    Je vraagt voortdurend naar antwoorden. Maar die heb ik inmiddels ten overvloede gegeven. In mijn stukje, op twitter en hier. Ik verdedig een stelling. Deze stelling komt erop neer dat ‘bestaan’ niet eenduidig is ofwel dat er géén gradaties zijn van werkelijkheid, dat het niet zo is dat de ene zijnde er “meer” is of er “werkelijker” is dan een ander zijnde. Deze stelling impliceert dat we kunnen spreken over hét (ene) zijn van alle zijnden, ofwel kortweg over ‘het zijn’.

    Nu, of je bent het met deze stelling eens. óf je bent het er mee oneens. In het laatste geval zul je met inhoudelijke tegenwerpingen moeten komen (zoals J.A.J Pater hierboven deed in “19 december 2011 om 20:50″”). Ik ben van mening dat ik op alle inhoudelijke tegenwerpingen van jou heb gereageerd. Laat me één voorbeeld geven.

    Je schreef: “Het woord bestaan wordt op diverse wijzen gebruikt, zoals dat met woorden gaat. De vraag is dan waarom Emanuel Rutten dat ontkent.”. Welnu, mijn reactie luidde: “Natuurlijk kunnen we in ons dagelijkse spraakgebruik op verschillende zegswijzen wijzen. Wat dacht je van “Ongehoord, hoe bestaat het in vredesnaam dat hij dat gedaan heeft!” of “Besta ik nog wel voor jou? Of ben je me al vergeten?”, etc.

    Wij begeven ons echter in de specifieke context van een metafysische vraagstelling zodra wij gaan nadenken over de vraag of ‘bestaan’ univook is, dat wil zeggen, of ‘bestaan’ gradaties, meer en minder, toelaat. De metafysische vraag is of er twee zijnden bestaan waarvan we naar waarheid kunnen zeggen dat de ene zijnde méér bestaat, ofwel werkelijker is, dan de andere zijnde. Ik ontken dit inderdaad, op grond van mijn stukje op mijn eigen blog, en op grond van mijn eerdere reactie hierboven.”

    Groet,
    Emanuel

  10. Vooruit, nog een poging dan. Dit keer met een expliciete verwijzing naar jouw blogbijdrage. Je schrijft: “Vliegende roze olifantjes bestaan niet, niet als werkelijke beesten die voorbij je raam kunnen komen, ze bestaan wel als voorstellingen in boeken, tekeningen, films en animaties en stukjes als dit”.

    Welnu, vliegende olifantjes bestaan niet, daar zijn we het over eens. En VOORSTELLINGEN VAN vliegende olifantjes bestaan wel. Deze voorstellingen bestaan immers als mentale objecten (i.e. gedachten). Verder valt er over deze situatie niets te zeggen. We hebben iemand die aan vliegende olifantjes denkt. Deze gedachte, dit mentale object, bestaat in de geest van diegene die aan vliegende olifantjes denkt. Verder constateren we dat hetgeen waaraan gedacht wordt (namelijk vliegende olifantjes) niet bestaat. Dit laat echter onverlet dat de gedachte eraan wél bestaat.

    Gegeven deze analyse van de situatie is het dus onzinnig om te beweren dat vliegende olifantjes in een bepaald opzicht wel bestaan. Wat bestaat is slechts DE GEDACHTE AAN vliegende olifantjes, en dus niet deze vliegende olifantjes zelf!

  11. Je hebt moderatie nog steeds aanstaan. Dit vind ik nogal vervelend in een interactieve discussie. Ik laat het daarom voorlopig hierbij.

    • Ik heb goede redenen om te modereren.
      Op mijn vorige weblog heb ik vorig jaar wel eens zesduizend kliks op een dag gehad en tientallen, zo niet honderden reacties, waarin ik voor ‘sukkel’ en ‘Pol Potaanhanger’ – ik herkende de term toen Harm Beertema hem onlangs bezigde – en wat niet al werd uitgemaakt, nadat een beruchte website ernaar verwezen had. Ik heb de meeste niet tot het eind toe uitgelezen toen ik ze doornam en verwijderde, maar destijds stonden ze dus al wel direct op de site.
      Ik wens dat nog niet eens mee te maken. Ik heb vaker met dergelijke verwijzingen te doen en ik peins er dan ook niet aan om de moderatie uit te zetten. Ik verander echt niets aan reacties, tenzij het om verbeteringen van fouten op verzoek en in overleg met de auteur gaat. En ik laat alle reacties die aan de voorwaarden – zie de pagina daarover – voldoen, door.
      En gisteravond en vanmorgen heb je echt niet lang hoeven te wachten hoor. Er zijn ook gevallen dat ik niet achter de computer zit en het een keer een dag of een paar dagen kan duren. Dat is nu niet het geval. Ik vind dit ongeduld ietwat merkwaardig.

      Vervelender is het dat je niet op vragen en argumenten ingaat. Maar het is wel goed zo.

  12. Ik wist niet dat je op jouw website met dit soort nare problemen geconfronteerd wordt. Inderdaad erg vervelend! Logisch dat je in dat geval moderatie aan laat staan. Dus, oke, geen punt. Nu omgekeerd een vraag aan jou. Reageer svp op mijn bezwaar van “20 december 2011 om 10:39”. Dit heb ik je namelijk tot dusver nergens zien doen, ook al zeg je dat ik dit punt al vaker gemaakt heb (wat natuurlijk inderdaad zo is, precies omdat je er niet op ingaat!). Alvast bedankt.

  13. Volgens mij komt het hier op neer dat Emanuel de term ‘bestaan’ gebruikt als terminus technicus in het filosofisch discours en Jan Dirk meer kijkt naar het alledaagse gebruik van ‘bestaan’.

    Het zou ook zo kunnen zijn dat jullie een verschil van mening hebben over hoe de betekenis van woorden werkt. In zekere zin is er geen één woord dat univook gebruikt wordt.

    Neem het woord ‘rood’. Voor dit woord zou je een zelfde redenering op kunnen zetten als Emanuel doet voor het woord ‘bestaan’.

    Je kunt stellen: Het woord ‘rood’ wordt univook gebruikt. Natuurlijk zijn er meerdere wijzen van rood zijn. Bijvoorbeeld lichtrood zijn of donkerrood zijn of karmozijn zijn. Maar dit zijn dan allemaal varianten van het begrip ‘rood’ ze hebben op een bepaalde manier het ‘rood zijn’ gemeenschappelijk. En al deze soorten rood vallen dan onder het ene begrip ‘rood’. Deze redenering is geldig.

    Maar je kunt het ook op een andere manier bekijken. Want het woord rood is namelijk in staat in verschillende contexten verschillende soorten rood op te roepen. Neem de volgende zinnen:

    1. De rode eekhoorn wordt met uitsterven bedreigd.
    2. Brandweerauto’s zijn rood.
    3. Hij liep rood aan.
    4. Je mag niet door rood rijden.
    5. De regen viel op de rode dakpannen.
    6. Het proefwerk was gecorrigeerd met een rode pen.
    7. Wie lust er nu geen rode wijn?
    8. Hij kreeg een rode kaart.
    9. Mijn neus was rood van de kou.

    Door onze encyclopedische kennis van de wereld roepen de woorden ‘rood’ en ‘rode’ in deze zinnen verschillende kleuren rood bij ons op. Het is hetzelfde woord ‘rood’ maar door de context verwijst het naar verschillende wijzen van rood zijn.

    Doordat wij al deze dingen rood noemen zijn we wel in staat ze samen in de categorie rode dingen te plaatsen. Maar de vraag is maar of er inderdaad zo iets is als ‘rood zijn’. Zo kun je ook de vraag stellen of er inderdaad zoiets is als ‘bestaan’.

    Het zou zo kunnen zijn dat de context duidelijk maakt welke vorm of wijze van ‘bestaan’ in een bepaalde zin bedoeld is. Bijvoorbeeld:

    1. Mijn schaduw bestaat niet in het donker maar wel in het volle zonlicht.
    2. Een gebeurtenis bestaat niet maar gebeurt.
    3. Bestaat de regenboog eigenlijk wel?
    4. Er is een groot verschil tussen een appeltaart die in mijn gedachten bestaat en de appeltaart die in werkelijkheid bestaat.
    5. Sinterklaas bestaat. Hij zit naast mij.
    6. Het verleden bestaat.
    7. De tijd bestaat.
    8. Dit blog bestaat.
    9. Deze zin bestaat.

    Emanuel zal nu zeggen dat al deze vormen van bestaan onder het ene begrip bestaan vallen en Jan Dirk zal zeggen dat het hier wel degelijk om verschillende vormen van bestaan gaat en dat het woord bestaan dus naar verschillende vormen van bestaan kan verwijzen. (En wellicht zijn die vormen van bestaan niet eens op één noemer te brengen?)
    De discussie gaat dan dus over de vraag hoe wij het woord ‘bestaan’ gebruiken.

    Wat belangrijker is in verband met de vraag naar waarheidsmakers van uitspraken over de geschiedenis, is de vraag of zaken op verschillende manieren kunnen bestaan. En daar lijken we het over eens te zijn.

  14. Later kom ik hier, hoop ik, nog op terug. Ik zal dat in ieder geval proberen. Ik heb diverse aantekeningen staan, maar ik weet nog niet of ik hieronder zal reageren of alles in een nieuw stukje zal samenvoegen. Vooreerst ben ik met een ander stukje bezig.

  15. Beste J.A.J Pater,

    Je schrijft dat ik volgens jou de term bestaan binnen een filosofisch discours hanteer en dat Jan Dirk meer kijkt naar het alledaagse gebruik van bestaan. Dit lijkt mij inderdaad het geval. En dit punt maak ik zelf ook hierboven: http://bit.ly/veZnhO

    En inderdaad heb ik steeds geaffirmeerd dat er meerdere zijnswijzen, meerdere manieren van bestaan zijn. Maar dit, en daar gaat het wat mij betreft om, doet helemaal niets af aan de eenzinnigheid van de term bestaan zelf.

    Wie focust op het bestaan van alle verschillende bestaanswijzen, die stuit iedere keer op dezelfde betekenis van bestaan. En precies daarom kan gesproken worden over het bestaan van alle bestaanswijzen, over het (ene) zijn van alle zijnden, ofwel, over hét zijn.

    Groet,
    Emanuel

  16. Beste Jan-Dirk,

    Je had me om een uitgebreidere reactie op je overdenkingen over bestaan gevraagd; hierbij enkele gedachten.
    Ik ga in op het probleem wat een filosofisch probleem is, bespreek hoe de vraag naar het bestaan in deze opvatting van een filosofisch probleem tot stand komt en duid vervolgens mijn weg uit deze filosofische vliegenvanger kort aan. Ik ga zowel op jouw standpunt als op dat van Emanuel in. Op de werkelijkheid van het verleden kom ik wellicht een andere keer nog eens terug.

    Wat is precies een filosofische vraag? De vraag naar *wat* bestaat is geen filosofische vraag. Moleculen bestaan, het Concertgebouw bestaat — we kunnen ze waarnemen — Anna Karenina bestaat; ze is een romanpersonage. Het grote groene monster met vier horens op een zeshoekige troon bestaat niet. Er zijn ook vragen naar het bestaan van iets die moeilijker te beantwoorden zijn: bestaan getallen, bestaat schoonheid, bestaat het verleden?

    Deze vragen zijn moeilijker omdat we niet precies weten hoe we ze kunnen beantwoorden. Cijfers bestaan bijvoorbeeld zeker (1,2,3…) en aantallen bestaan ook, net als dingen die je met cijfers kunt benoemen. Het laatste woord van de vorige zin heeft acht letters. Maar wat is een getal nu eigenlijk zelf? Benoemt het alle achttallen? Als we dat zeggen is onze definitie circulair aangezien we het begrip ‘8’ immers gebruiken terwijl we nog niet weten wat het is.

    Het punt is dat we niet weten wat het precies betekent om te zeggen dat getallen bestaan of zijn. Het gewone taalgebruik en het wetenschappelijk taalgebruik vinden zich in een knoop die zich niet in die talen laat onwarren. Als we ons geconfronteerd zien met zo’n probleem kunnen we van een filosofisch probleem spreken. Wat is een getal eigenlijk? Maar ook, wat zeggen we als we zowel van koeien, plaatjes van koeien en de wetten van de zoölogie en de fysiologie, de getallen waarmee we op de één of andere manier koeien kunnen tellen, als het personage Cow uit de tekenfilmserie Cow & Chicken http://www.youtube.com/watch?v=BGaH5DsU6Q4 zeggen dat ze *bestaan*? Wat is *bestaan* eigenlijk?

    Als we niet weten wat *bestaan* eigenlijk is (wat het begrip ‘bestaan’, als er al één begrip is, inhoudt), is het niet heel informatief om te zeggen dat we toch gewoon wéten dat x of y bestaat. — Het woord “gewoon” heeft net als de uitdrukking ‘vanzelfsprekend’ eigenlijk geen legitieme plaats in een filosofisch vertoog — we stellen vragen bij gedachten die voor vanzelfsprekendheden doorgaan. — De vraag is niet of moleculen, Anna Karenina of roze olifanten bestaan, natuurlijk bestaan ze (is het in een of andere zin van ‘feit’ een feit *dat* ze bestaan), maar de vraag is *wat* bestaan inhoudt.

    Of je moet zeggen dat “bestaan” een analoge term is weet ik niet, maar het is duidelijk dat we om te zeggen wat het bestaan van iets is een “als” constructie gebruiken. We bespreken zaken onder een bepaald opzicht of aspect. Anna Karenina bestaat als romanpersonage, roze olifantjes bestaan als kleurrijke voorbeelden van wat een visuele illusie is, moleculen bestaan als samenstellingen van atomen, enzovoort.

    Merk op dat we nog de vraag zouden kunnen stellen wat ‘bestaan’ nu eigenlijk zelf inhoudt. Is er iets dat het bestaan zelf is en dat alle verschillende aspecten van bestaan, alle zijnswijzen en alle zijnden voorzover ze zijn onder zich laat subsumeren?

    Omdat er één woord “bestaan” is denken we dat er ook één begrip ‘bestaan’ moet zijn. Maar zijn er niet veel eerder heel veel manieren om over bestaan te spreken die niet per se één betekenis hebben die hen verenigt? Het probleem met deze manier van denken is dat er toch een begrip ‘bestaan’ lijkt te zijn waar we vanuit moeten gaan om te zeggen dat zo’n begrip er niet is.

    Maar laten we ons in de luren leggen door de taal. Dat er één woord is, ‘bestaan’ betekent niet dat er ook één begrip aan beantwoordt. Contra Emanuel denk ik dat hij moet uitleggen wat het hem volgens hem univoke begrip ‘zijn’ dan wel inhoudt. Om te zeggen wat het *zijn* van Supercow en superbenzine verenigt, kan hij alleen maar antwoorden met een tautologie. De gedachte dat er aan een substantief woord ook een substantief begrip moet beantwoorden dwingt hem ook tot dat antwoord.

    Betekent één en ander nu dat er verschillende soorten bestaan zijn? Volgens mij heeft het bestaan van Anna Karenina niets te maken met het bestaan van koeien of moleculen of getallen. Het woord ‘bestaan’ heeft wel meer betekenissen, of meer begrippen die er door benoemd worden.

    Filosofie, zei Wittgenstein, is de bevrijding van de beheksing van het verstand door de taal.

    Met groeten,

    Sjoerd

  17. Beste Sjoerd,

    Een univook bestaansbegrip behoed ons voor het poneren van het bestaan van allerlei fantasieën. En dit is niet onbelangrijk, lijkt mij. Laat me dit hieronder wat toelichten.

    Je schrijft: “Om te zeggen wat het *zijn* van Supercow en superbenzine verenigt, kan [Emanuel] alleen maar antwoorden met een tautologie”. Dit is echter niet het geval. Mijn antwoord op deze vraag is geen tautologie, maar een ontkenning van de claim dat Supercow uit de tekenfilmserie bestaat. En dit lijkt mij echt nogal evident! Wanneer je een kind hebt die maar blijft denken dat Supercow bestaat, dan zul je je als ouder op enig moment toch echt zorgen gaan maken, en hem of haar voorzichtig proberen uit te leggen dat Supercow van de tekenfilm, hoe jammer je kind het ook vind, niet bestaat.

    En natuurlijk, de tekenfilmserie bestaat, en gedachten aan die tekenfilmserie bestaan, en boeken en plaatjes van Supercow bestaan ook, net zoals verhalen over Supercow, etc. Maar dit alles betekent nog niet dat Supercow bestaat. Nee, wat bestaat zijn afbeeldingen, en teksten, en verhalen, en gedachten, die allemaal iets met elkaar gemeen hebben, en die we ‘het complex van Supercow voorstellingen zouden kunnen noemen’. Echter, er bestaat helemaal niets wat aan deze voorstellingen beantwoordt. Hoe jammer genoemd kind dat ook zal vinden.

    Groet,
    Emanuel

  18. Beste Sjoerd,

    Overigens betekent een univook bestaansbegrip niet noodzakelijk ook een schraal leeg tautologisch bestaansbegrip. Natuurlijk niet! Immers, kun je je een rijker voller synthetischer zijnsbegrip voorstellen dan Heideggers fenomenologie van het (ene) zijn van alle zijnden? Toch is Heideggers zijnsbegrip gestoeld op de idee dat bestaan (zijn) univook is. Inderdaad, anders had hij nooit kunnen spreken over het (*ene*) zijn van alle zijnden. Kortom, het is een misvatting te denken dat alleen een analogie duiding van bestaan recht kan doen aan de verscheidenheid van bestaanswijzen. Een univook zijnsbegrip kan dat ook, en kan zich dan ook verre houden van kwalificaties als ‘stipulatie’ of ‘tautologisch’.

    Groet,
    Emanuel

  19. Oops, ik bedoelde natuurlijk “een analoge duiding van bestaan” in plaats van “een analogie duiding van bestaan”😉

  20. Jongens, bedankt voor jullie bijdragen. Misschien verwerk ik de aantekeningen die al gemaakt heb naar aanleiding van de reacties hier, nog wel in een afzonderlijk stuk. Het ligt eraan of ik tijd heb. Indien, dan zal ik waarschijnlijk eerder proberen om dat in thetische, positieve zin te doen, in een tekst die op zichzelf kan staan, dan in polemische, antithetische zin, in een tekst dus die steeds verwijst naar andere opvattingen. Als je alleen maar tegen andere opvattingen ingaat of daarop reageert, wordt je eigen tekst daarvan afhankelijk.

    De bijdragen van Evert te Winkel, Sjoerd van Hoorn en Adriaan Pater heb ik met veel belangstelling en in het algemeen ook veel instemming gelezen. Het komt mij voor dat Emanuel Rutten met zijn stelling dat het bestaan eenduidig (eenzinnig, univook – maar dat laatste woord klinkt wel erg lelijk en afstotend en het oor wil ook wat) – is, niet heeft kunnen duidelijk maken wat een dergelijke mededeling nu aan ons inzicht omtrent de wereld toevoegt.

    Je hebt in feite twee kommen of bakken: die van het zijn (bestaan) en die van het niet zijn (niet bestaan). In de laatste zit niets, want wat niet bestaat, bestaat niet en je kunt het al helemaal niet kennen. In de eerste gooi je alles wat je tegenkomt. Want het zijn (of bestaan) is het omvattendste woord voor alles wat er is, en in die zin zeg je dus van alles wat zich in onze wereld of dit heelal, vanaf het begin tot heden, voordoet, dat het bestaat. En als je iets tegenkomt, dat niet bestaat, zoals een eenhoorn, dan blijkt het als gedachte weer wel te bestaan en deponeer je het ook in de grote bak van het zijn. Maar als alles toch daarin belandt, wat zeg je dan met je uitspraak dat alles eenduidig in de bak van het zijn behoort? Volgens mij helemaal niets. De mededeling van Rutten voegt totaal niets toe aan inzicht, want in zijn opvatting van ‘boven af’, vanuit de totaliteit, staat toch al a priori vast dat alles dat bestaat, eenduidig bestaat.

    Het is gewoon niet interessant. De vragen die Sjoerd van Hoorn en Adriaan Pater opwerpen, zijn veel boeiender. Het feit dat je kunt twisten of Anna Karenina bestaat en op welke manier, of figuren in een film of op een toneel, mensen van vlees en bloed die er niet anders uitzien dan in een documentaire of wanneer je ze op straat ziet lopen, bestaan, namelijk in de rol die ze uitbeelden, bewijst naar mijn idee al dat het helemaal niet eenduidig is wat bestaan is. De figuur Hendrik Höfgen uit de roman Mephisto van Klaus Mann bestaat – of bestond, daar begint het al – niet als mens van vlees en bloed, als werkelijk bestaand figuur, maar wel als romanpersonage. Maar tegelijk verwees hij wel weer naar de acteur Gustav Gründgens en die bestond wel als mens van vlees en bloed.

    Als we zeggen dat iets bestaat, zeggen we nog niets. Er moet blijken hoe iets bestaat en meestal blijkt dat uit de context. Daarom hoef je aan kinderen ook niet te vertellen dat Buurman en Buurman of Tom en Jerry in het echt niet bestaan, want dat zien ze toch wel. Maar we leven wel degelijk mee met verzonnen romanpersonages of gespeelde personen op het witte doek en die hebben hun karakter en we kunnen in spanning zitten om hun lot en huilen als ze sterven.

    En let op, het feit dat we dus zeggen dat tekenfilmkarakters of figuren uit een dramaserie ‘in het echt’ niet bestaan, geeft al aan dat we in het dagelijks leven wel degelijk van dingen in termen van meer en minder werkelijk, zijnsgradaties dus, denken en niet ten onrechte dus. Het is erg kunstmatig als Rutten een dergelijk besef vervolgens theoretisch probeert af te wimpelen. Wie zich emotioneel te veel heeft laten meeslepen door een film of een roman, zegt soms dat het toch maar een verhaal is. Dat zegt dus alles over verschil in werkelijkheid en de verschillende niveau’s waarop of waarin we leven.

    Zijn is gelaagd en complex. De analyse daarvan levert iets op. Eekhoorns bestaan echt, namelijk in het bos en in onze voorstellingen, eenhoorns bestaan niet echt, want ze bestaan wel in onze voorstelling, maar niet in het echt, terwijl ze in de voorstelling wel een lichaam hebben dat de indruk wekt fysiek te kunnen bestaan, maar dat niet doet. Niemand kan serieus beweren dat een toevallige blik in de trein ’s morgens vroeger even werkelijk bestaat als je partner of je liefde voor hem of haar en dat het einde van die blik even reëel is als het sterven van je geliefde. Alleen de gedachte is al pervers.

    Als je zegt dat bestaan eenduidig is, terwijl we niet eens kunnen zeggen wat er bestaat en het bestaan van veel dingen – rechtspersonnen, vriendenclubs – door menselijke taal en door menselijk handen in het leven wordt geroepen, en dat wat er bestaat, ook steeds verandert, is die uitspraak of onzinnig of ze zegt niets. Ik hou het op het laatste. Maar misschien vallen beide antwoorden wel tegelijk te verkiezen. Men moet oppassen om met absurdismen niet de grenzen van het betamelijke te overschrijden. Maar al te veel filosofen staan vooral om hun onzinnigheden en frivoliteiten bekend.

    Van mij mag men hier verder discussiëren. Ik zal later alles nog eens zorgvuldig doorlezen en dan beslissen of een vervolgpost nog nodig is. De vraag naar één adjectief of begrip is niet interessant – niet boeiender dan de vraag of koken eenduidig is en hoe het dan zit met ‘koken van woede’ en wat voor een vorm van koken dat dan is -, maar de vraag hoe we het bestaan indelen, hoe we wel verschillende zijnswijzen onderkennen, wat echter en harder is dan iets anders, die kan wel interessant zijn.

    (Dit verdwijnt nu in de comments. Het is mogelijk dat ik deze tekst later gebruik voor een afzonderlijke blogpost.)

Trackbacks

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: