Regels zijn regels – Over schikken en plooien

door Jan Dirk Snel

.:.

Het is nu ruim elf jaar geleden, dat op de dag voor Prinsjesdag, maandag 18 september 2000, een stuk in NRC Handelsblad verscheen, waarbij – die formulering is bewust, zal zo blijken – de tweede zin luidde:

‘Regels zijn regels en die moeten worden nageleefd.’

Ik heb de laatste tijd vaak aan dat stuk moeten denken en voor de gelegenheid heb ik het maar eens opgezocht. Dat regels regels zijn, hebben we het afgelopen decennium nogal eens gehoord. Het is een bekende mantra geworden, die – ik vermoed soms door dezelfde lieden afhankelijk van het onderwerp – op twee wijzen kan worden aangehaald. De ene keer om te vertellen dat regels dus écht regels zijn en nageleefd dienen te worden, zoals het er staat dus. En de andere keer om te vertellen dat de opvatting dat regels regels zijn, tekortschiet en van onbarmhartigheid of anders wel gebrek aan inzicht getuigt.

In 1994 verscheen in Der Spiegel (28 februari, nummer 9) een kritisch artikel van Erich Wiedemann over het einde van het Nederlandse gedogen.

Regels handhaven
Het artikel waar het om gaat, heette ‘Stop met het gedoogbeleid’. Het opiniestuk was ondertekend door voorzitters of vertegenwoordigers van zeven politieke jongerenorganisaties, die gelieerd zijn aan VVD, PvdA, CDA, D66, GL, CU en SGP. Bewust heb ik hier anachronistisch voor een ordening naar de huidige omvang van de fracties in de Tweede Kamer gekozen. Die laat namelijk zien dat het om het aanstormend talent van zeven partijen ging die ook nu nog een grotere of kleinere, maar allen zeker een opvallende, rol spelen. (Als ik het rijtje zo overzie, denk ik eigenlijk dat van al die partijen de PvdA relatief de minst opvallende rol speelt en dat kon wel eens haar probleem zijn, maar dit terzijde.) Twee van de partijen van heden bestonden toen nog niet. Waarom de SP ontbreekt, weet ik niet. De huidige jongerenorganisatie was toen nog niet meer dan een initiatief binnen de partij; misschien is dat de verklaring.

Veel belangrijker is echter de volgorde van de namen onder de brief, want de eerste twee waren de initiatiefnemers en zij hebben het stuk kennelijk ook samen geschreven en besproken en het vervolgens aan de anderen voorgelegd: Boris van der Ham – hé, die kennen we nog – die destijds voorzitter van de Jonge Democraten, gelieerd aan D66 dus, was, en Jelmer Uitentuis, die lid was van de jongerenfractie van Dwars, de jongerenclub van GroenLinks. Het opvallende is dat toen ik zocht naar een openbare versie van het stuk in NRC Handelsblad, dat daar in het archief zit en alleen voor abonnees toegankelijk is, ik het uitgerekend op sites van de jongeren van de SGP en de ChristenUnie volledig aantrof. Hoe je het wendt of keert, het was een knappe prestatie van deze twee voorlieden van gematigd links om jeugdige vertegenwoordigers van het hele politieke spectrum achter zich te krijgen, van links tot, alleen getalsmatig al, vooral rechts.

De zinsnede die ik aanhaalde, was overigens niet uit het stuk zelf afkomstig. Je weet dat als lezer nooit helemaal zeker, maar gelukkig is het artikel ook terug te vinden op de sites van Boris van der Ham, die ons een versie voorschotelt met alleen maar regels en dus zonder witlijnen – die is echt recht in de leer – en Jelmer Uitentuis, die gelukkig de alinea’s wel dwars met wit onderscheidt – en daar blijkt duidelijk dat het stuk pas na de intro echt begon. Maar op de redactionele lead valt weinig aan te merken, denk ik. Kennelijk had de Rotterdamse redactie bij de tweede zin van haar samenvattende introductie deze passage op het oog:

‘Regels zijn er echter niet voor niets. Soms kan een regel legitiem zijn terwijl een (ogenschijnlijke) meerderheid het nut hier niet van inziet. Identificatie met regels is van belang, maar uiteindelijk zal de overheid wel de knoop door moeten hakken. Dat is juist een van de belangrijkste taken van de overheid: het opstellen van regels en het zorgdragen voor de naleving daarvan.’

Volgens mij is ‘de knoop doorhakken’ daar inderdaad een soort eufemisme voor ‘opleggen’. Vereenzelviging is mooi, maar ook als mensen er niet aan willen, zal de overheid de regels moeten vaststellen en handhaven. Dat betekent inderdaad dat regels regels zijn.

Gedogen en geloofwaardigheid
Het is bekend dat mensen nogal eens de neiging hebben om te doen alsof zij altijd al dezelfde verstandige inzichten koesterden die ze ook nu nog naar voren brengen, en dat hoeven we niet altijd te geloven en ik geloof het ook van mezelf niet immer, maar in dit geval herinner ik me tenminste nog wel scherp dat het betoog me destijds al een ongemakkelijk gevoel bezorgde en dat ik het met de strekking regelrecht oneens was, en nu ik het opnieuw bestudeer, is dat nog precies zo.

Wat de zeven jongerenorganisaties – ik denk dat we alle ondertekenaren gelijkelijk aan moeten spreken en het gaat me echt niet specifiek om de eerste ondertekenaar, die thans het meest bekend is, en van wie ik niet zou weten hoe hij nu over dit soort aangelegenheden denkt – destijds wilden, lijkt wel duidelijk: een eind aan gedoogpolitiek en daarvoor in de plaats een politiek die duidelijke keuzes maakt. ‘Willen de regering en het parlement oprechte politiek bedrijven, dan gedoogt zij niets meer.’ Dat is inderdaad: regels zijn regels. Maar waarom eigenlijk? Wat was eigenlijk het probleem waar het betoog een antwoord op probeerde te geven? Daar valt nog niet zo gemakkelijk achter te komen. Misschien is het het beste hier te beginnen:

‘In haar bereidwilligheid om compromissen te sluiten, gaat de Nederlandse polderpolitiek soms een stap te ver. Deze stap heet ‘gedoogbeleid’ en holt systematisch de geloofwaardigheid van de Nederlandse politiek en het democratisch rechtssysteem uit.’

Dat moet de gedachtegang ongeveer zijn: als je regels maakt, moet je ze ook handhaven, en als je dat niet doet, dan ben je niet geloofwaardig. Met name jongeren zouden daardoor ‘hun affiniteit met de politieke besluitvorming’ verliezen. Ze willen, zoals dat aan jeugdigen eigen is, duidelijkheid: wat mag, wat mag niet?

Als erom gaat wat de auteurs onder gedoogbeleid verstonden, komen we uit bij een tamelijk kleine, maar wel bonte verzameling: wetshandhaving door de Amsterdamse politie, vliegbewegingen rond Schiphol, softdrugs, euthanasie en tenslotte ‘Europese besluitvorming’ en samenwerking in de Verenigde Naties, waarbij zelfs het feit dat de Verenigde Staten intern wel eens iets uitspoken dat wij niet goed vinden, onder het Nederlandse gedoogbeleid geschaard werd – dat ging wel een beetje ver. Ik vraag me wel af of ook destijds al die voorbeelden wel onder één noemer geschaard konden worden. Voor een deel ging het om gewone ietwat gebrekkige wetshandhaving, niet per se om een heel doordacht beleid. Dat in Amsterdam sommige regels sinds de jaren negentig weer wat strenger gehandhaafd worden, is soms niet onprettig. Ik herinner me dat ik vroeger wel eens uitgescholden werd als ik gewoon voor een rood verkeerslicht stopte: dat hinderde andere fietsers maar die er doorheen wilden fietsen. Als regels zoals nu het geval is, wat meer gehandhaafd worden, is dat dikwijls ook ontspannener: je hoeft niet telkens allerlei overwegingen te maken, je volgt de regels en klaar is kees.

Norm en praktijk
Maar ik weet niet goed of alle voorbeelden wel goede voorbeelden waren. En wat belangrijker is: of wat we werkelijk gedoogbeleid noemen, wel zo verfoeilijk is als de politieke jongeren in 2000 deden voorkomen:

‘Het gevolg van het gedoogbeleid is een slappe vertoning, die het midden houdt tussen lafheid en laksheid. Het imago van de politiek komt het in ieder geval niet ten goede. Het gedoogbeleid toont dat regels blijkbaar arbitrair zijn. Feitelijk worden burgers opgeroepen om de wet te overtreden. Dat is een slechte zaak.’

Ik geloof daar niks van. Het tegendeel lijkt me namelijk waar. Er zit ook een merkwaardige omkering in de redenering: gedoogbeleid roept burgers niet op om de wet te overtreden, burgers doen dat al en dat wordt door de vingers gezien en hooguit dan kun je zeggen dat ook andere burgers zo hun conclusies trekken. Maar om nou over een oproep te spreken? Gedogen is gewoon een ander woord voor tolereren of verdragen, wat je ook onmiddellijk merkt als je een en ander in een andere taal moet uitleggen, waarbij het begrip wel een specifieke bijklank en toepassing heeft.

En wat gedoogbeleid juist helemaal niet laat zien, is dat regels arbitrair zijn. Het tegendeel, zou ik zeggen. Gedoogbeleid laat juist zien dat je regels laat bestaan ook op het moment dat je ze niet volledig kunt handhaven. Je past ze niet maar zo aan aan de praktijk, nee, als norm blijf je ze hooghouden, en je accepteert dat het geleefde leven daar wel eens wat vanaf kan wijken. Soms verschaft de regel de overheid namelijk wel de mogelijkheid om in te grijpen als het echt uit de hand loopt. Prostitutie was lange tijd een praktijk die gedoogd werd. Eind jaren negentig besloot men de zaak nu eens flink te gaan regelen door een mooie wettelijke regeling. Maar is daardoor vrouwenhandel en vrouwenmishandeling uitgebannen? Nee, het volhardende werk van Lodewijk Asscher in Amsterdam laat zien dat er nog heel wat te verbeteren valt. Ik zeg hiermee niet dat je alles maar via gedogen moet aanpakken en dat een heldere wettelijke regeling soms niet beter kan zijn. Maar het is nu eenmaal niet zo dat de werkelijkheid zich altijd onmiddellijk aan een wettelijke norm aanpast en omgekeerd is het ook niet altijd verstandig je dan in de wet meteen maar bij de praktijk neer te leggen, omdat je je dan meteen de kans op een betere aanpassing aan het ideaal in de toekomst ontzegt.

Zo rond de jaren zeventig en tachtig heerste in het buitenland, met name Duitsland, vaak het beeld dat Nederland zo verschrikkelijk progressief en tolerant was en de Nederlandse en vooral Amsterdamse omgang met drugs en de openbare orde – de lange haren van militairen kunnen er zo bij en er valt waarschijnlijk nog van alles te verzinnen – werden dan gezien als een uiting daarvan. Ik vond dat beeld toen al overtrokken. Het is uiteraard waar dat het in Amsterdam vaak om progressieve bestuurders ging, maar elders in Nederland en op nationaal niveau was dat lang niet altijd of zelfs meestal niet het geval en zoveel verschil in benadering was er niet. (Duitsers vermoedden er overigens vaak calvinisme achter: zij hebben een veel gunstigere opvatting van die stroming dan in Nederland gebruikelijk is.) En er is ook weinig specifiek progressiefs aan gedogen. Je kunt eerder betogen dat het om een oude, bij uitstek regenteske bestuurspraktijk gaat. Soms buig je wat mee en soms haal je de teugels weer wat aan. Dat is juist de ruimte tussen de norm en het leven die gedoogbeleid biedt. En het een kan even verstandig zijn als het ander. De tijdgeest verandert. Soms is het heel verstandig om zaken even op hun beloop te laten en twintig jaar later kan het net zo wijs zijn om de regels even weer wat fermer te handhaven.

Prinzipienreiterei
Er zat een merkwaardige tweeslachtigheid in de oproep uit 2000. Aan de ene kant verklaarden de jongeren dat ze niet terugverlangen naar de oude polarisatie en prezen ze het compromis. Maar aan de andere kant brachten ze het gelaakte gedoogbeleid wel erg nauw in verband met een politiek van het sluiten van compromissen. Alsof het zoeken naar een mogelijkheid om samen ergens uit te komen, meteen maar betekent dat je slap beleid voert. En alsof gedogen dus een uiting van laksheid is. Ik denk dat het vaak juist van een uiting van kracht is: van een overheid die dingen rustig aanziet en niet overal meteen op losgaat. Juist overdreven handhaving kan soms tot vormen van illegaliteit leiden, die veel schadelijker effecten hebben en veel moeilijker aan te pakken zijn.

Ik dacht de laatste tijd niet primair aan het jongerenbetoog omdat zoiets als gedoogbeleid momenteel zo in het middelpunt zou staan, maar wel vanwege de mentaliteit die er uit sprak, inderdaad die van regels zijn regels, de hang naar duidelijkheid, die naar mijn idee een verlangen toonde naar simpele vragen. We hebben gekregen waar de jongeren van vrijwel alle politieke partijen toen in hun mijns inziens jeugdige onbezonnenheid om vroegen, en ik ben er niet blij mee. Ik heb eens even in Picarta gekeken en de titel Regels zijn regels blijkt meer dan eens aan een boek of beschouwing mee te zijn gegeven. Een jaar voor het betoog van de jongeren, in 1999, verscheen een kinderboek onder die titel, dat in 2002 nog eens herdrukt zou worden. Het ging over een jongen, Tarik, die met zijn ouders al een paar jaar in Nederland woont en met de hele familie een uitwijzingsbevel krijgt. Deze context is ons vertrouwd. In 2006 verscheen een klein boekje onder dezelfde titel van het gesprek dat Paul Witteman in Buitenhof met de juriste Dorien Pessers had gevoerd over de daadkracht van de toenmalige minister voor vreemdelingenzaken en integratie. Als juristen de uitdrukking aanhalen, willen ze al snel uitleggen dat regels niet altijd regels zijn, maar dat ook dingen als redelijkheid en billijkheid een belangrijke rol spelen.

Maar asielzaken zijn niet de enige waarbij het adagium klinkt. En, zoals ik in het begin al opmerkte, het opvallende is dat dezelfde mensen die de ene keer betogen dat regels lang niet altijd regels zijn, dat in een ander geval maar al te graag naar voren brengen. Ik verwijs nu alleen even naar een beschouwing van Hans Goslinga, nu bijna twee weken geleden in Trouw, over het verdwijnen van het politieke midden. Ik was het toen niet helemaal met hem eens, omdat in de asielzaak waar toen alles om draaide, de minister naar mijn idee het vooral zichzelf moeilijk maakte en de verwijten aan een Kamerlid, dat in de titel werd genoemd, me niet helemaal terecht leken, maar even afgezien daarvan klopt de strekking van het artikel behoorlijk, zelfs als je niet echt gelooft dat een politiek midden volledig aan het verdwijnen is. Wat Goslinga hekelde, was het zwart-witdenken. Je kiest óf dit óf het tegendeel. Alle politiek is wellicht symboolpolitiek en het woord is misschien wel een pleonasme, maar wat me momenteel vooral verbaast, is dat wel heel veel op zich kleine dingetjes, die zo pragmatisch te regelen zouden zijn of soms al geregeld zijn, tot principiële aangelegenheden worden gebombardeerd. En dan hoor je dus ook politici die zichzelf ruimdenkend of liberaal of progressief wanen, ineens zeggen dat regels nou eenmaal regels zijn. Ik zie dat ook in mijn tijdlijn op Twitter, hoe verbeten mensen waar je gezien hun zelfbeschrijving toch enige ruimdenkendheid van zou verwachten, ineens uit de hoek kunnen komen. Er is veel Prinzipienreiterei.

Schikken en plooien
Naar mijn uiteraard beperkte waarneming gaat de werkelijke tegenstelling in de maatschappij daarbij door alle partijen heen, maar in Den Haag zie je dat minder. Daar zie je dat bepaalde politieke partijen tegenwoordig regelmatig opkomen voor vrijheid, ruimte en liberaliteit, terwijl andere partijen steevast voor de begrenzing en de inperking kiezen, maar het zijn geen scheidslijnen die vanouds altijd al zo lagen. Concreet belang, minderheid, meerderheid spelen daarbij een grote rol, verhoudingen en houdingen zijn soms recent regelrecht omgedraaid en we zien dat huidige meerderheden vaak niet zoveel begrip meer voor minderheden hebben, zoals huidige minderheden dat vroeger niet immer toonden toen zij tot een meerderheid behoorden. Maar als ik op Twitter kijk, het maatschappelijk debat volg, zo eens met mensen praat, dan ligt het in werkelijkheid genuanceerder. Het gaat om twee verschillende mentaliteiten, waarbij de ene groep anderen graag maximale vrijheid gunt, en de andere groep vooral meent dat andere mensen soms maar aan de eigen normen moeten worden onderworpen. Regels zijn immers regels, nietwaar? Waarbij er dan ook nog weer allerlei tussenvormen zijn, want het gaat er juist om dat zaken niet zo digitaal vastgelegd zijn.

Misschien zit er toch iets meer in het verband tussen compromisbereidheid en gedogen dat de jongeren in 2000 zagen, dan ik direct zag. Bij gedogen gaat het om schikken en plooien, om de bereidheid dan eens wat te geven en dan weer wat te nemen. Het gaat om een pragmatische houding die rekening houdt met het gedrag en de wensen van mensen en ze niet alleen maar voorhoudt dat ze zich aan de wet moeten onderwerpen, maar soms ook begrip toont als ze dat net niet doen of als hun dat soms niet lukt. De houding, dat is het punt. En als het om de houding gaat, dan betekent dat soms ook dat je een vraagstuk net iets anders moet formuleren voor je ermee verder gaat. De vraag maakt veel uit. Mag je liegen? Nee. Mag je een vriend verraden? Ook nee. Er zijn situaties denkbaar waarin beide vragen toepasbaar zijn, maar wel tot tegengestelde uitkomsten leiden. Zo is het ook in de huidige politiek. Soms ligt een vraag voor en graven beide zijden zich met een keur aan argumenten in voor een eenduidig ja of nee. Maar bij wat meer bereidheid samen een uitweg te vinden, zou het wel eens zo kunnen zijn dat de vraag anders geformuleerd zou moeten worden en dat men het dan ineens wel eens is of elkaar redelijk kan naderen.

Afstand
In dit stukje ben ik op een aantal punten bewust niet al te concreet geworden. Maar lezers zullen misschien zelf aan een paar thema’s gedacht hebben en ik vermoed dat ze er dan vaak niet zo ver naast zaten. Maar ik wilde nu even wat afstand creëren. Ik merk dat de noodzaak daartoe ook bij mezelf. Er ligt een vraag voor. Ik vind het ene antwoord niet overtuigend, en dat is vaak het meer vrijheidsbeperkende antwoord, maar het gevaar bestaat dan ook al gauw dat ik me te veel met de tegenovergestelde optie vereenzelvig, terwijl als ik een stukje wegloop en het dilemma – als het dat al is – eens van een afstandje overschouw, ik al gauw denk: maar zo moet je het ook helemaal niet aanpakken. In werkelijkheid gaat het om heel andere keuzes. Ik besef daarbij overigens best dat het helemaal niet tegenstrijdig hoeft te zijn om de ene keer tegen het regels zijn regels te protesteren en het de andere keer als norm te hanteren, want als regels nooit regels zouden zijn, zouden het geen regels meer zijn, maar het is vaak wel de vraag om welke regels het gaat. Welke regels zijn de meest verdraaglijke?

Waar het momenteel op aankomt, is of we in dit land pragmatisch met verschillen kunnen omgaan en iedereen zoveel mogelijk recht kunnen doen.

(28)

One Comment to “Regels zijn regels – Over schikken en plooien”

  1. Hoi Jan Dirk,
    Goed stuk.

    Waar het probleem in het artikel van 11 jaar geleden in zit is dat er geen onderscheid gemaakt wordt tussen gedoogbeleid en gedoogcultuur.

    Mijns inziens is gedoogbeleid – het beleid om ons niets aan te trekken van regels – nog altijd een vreemd en niet nastrevenswaardig verschijnsel. Liever dan de regels afschaffen of wijzigen.
    Gedoogcultuur (tolerantie, en in zekere mate compromisbereidheid) is een complexer verschijnsel en creeert ruimte voor mensen om zich vrij te bewegen. Daar heb ik weinig tegen.

    Als je “regels zijn regels” heel nauw interpreteert, ga je er van uit dat regels een statisch gegeven zijn. Dat is niet zo, regels moeten constant een bron van kritische reflectie zijn. Daar gaat het stuk van 11 jaar geleden niet over.

    In de beschouwingen destijds werd vaak over het hoofd gezien dat het artikel zelf een compromis is. Dus tegen compromissen waren de jongeren natuurlijk niet. De jongerenorganisatie van de SP (Rood) deed niet mee omdat ze dat niet wilden.

    Groet
    Jelmer

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: