Kastijding – Over een geval van morele opwinding

door Jan Dirk Snel

.:.

Eerst wilde ik het aan me voorbij laten gaan.

Gistermorgen keek ik op Twitter en al snel zag ik dat er weer eens een gezellig gevalletje morele opwinding gaande was. Iets met een predikant en slaan. Wijzer wezen, dacht ik bij mezelf, het sop is de kool niet waard, geen aandacht aan besteden. Maar gaandeweg ontdekte ik dat ook mensen die ik normaliter serieus neem, vreemde dingen begonnen te schrijven. En dan kan ik soms de simpele neiging om te vragen of ze nu echt kennis hebben genomen van de tekst waar alles om draait, toch niet bedwingen. Gaandeweg kon ik de zaak zo tegen al mijn voornemens in niet meer helemaal op afstand houden. Daarom dit stukje, een beetje tegen heug en meug.

Jan Luyken, De Roede. Ets uit Des menschen begin, midden en einde (1712). (Afbeelding: Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren)

Het bericht
De zaak, wat is de zaak? Het begon kennelijk met een ‘ontdekking’ door het Leidsch Dagblad. Dat plaatste zondagavond net voor acht uur een bericht op de site onder de kop ‘Katwijkse hervormden: Kinderen slaan is goed’. Het bericht is gisteravond net voor half elf nog bijgewerkt en daarom valt nu niet goed meer na te gaan hoe het oorspronkelijk luidde, maar ik neem aan dat het niet ver afweek van wat er nu staat. (Ik heb het wel eerder gezien, maar een fotografisch geheugen heb ik nu ook weer niet.) Het bericht opent met de zin:

‘Ouders moeten een tegendraads kind slaan en wie dat niet doet, gaat in tegen de wil van God.’

Het bericht gaat dus helemaal niet over de Katwijkse hervormden, die gelijk bekend tot de Protestantse Kerk in Nederland behoren, maar over één man, de hersteld hervormde predikant A. Vlietstra uit Katwijk, van wie lezers van het recente In Katwijk is alles anders van A.Th. van Deursen zullen weten dat hij in 2004 de hervormde gemeente verlaten heeft en overgegaan is tot de Hersteld Hervormde Kerk, om het maar eens te formuleren op een wijze die ik juridisch correct acht, maar hij inhoudelijk mogelijk niet. (Hij zal vast en zeker denken dat hij gebleven is en de anderen tot een nieuw kerkgenootschap, de PKN, zijn overgegaan.) Het Leidsch Dagblad schrijft verder onder meer nog over Vlietstra:

‘Hij haalt teksten aan uit de zeventiende eeuw die ’beslist nog niet uit de tijd zijn’. Als een kind zondigt is ’kastijding’ (lichamelijke bestraffing of slaag) een noodzakelijk antwoord, houdt Vlietstra de gelovigen voor. Een ouder kind mag zwaarder worden gekastijd omdat dat meer kan verdragen. Kinderen die ’obstinaat’ zijn moeten zelfs ’scherp gekastijd’ worden. „Een zware misdaad en gruwel moet niet zacht worden bestraft.”’

En dat bericht werd maandagmorgen kennelijk via andere kanalen, ook via minder fraaie waar we beter maar geen aandacht aan kunnen schenken, verspreid, zodat hardwerkend Nederland vanaf het begin van de werkdag mooi iets had om zich druk over te maken.

Jacobus Koelman
Het is altijd nuttig om in zo’n geval even de originele bron te raadplegen. De krant meldde al dat het om de Hervormde Nieuwsbrief van de Katwijkse herstelde gemeente ging en die bleek – het ging om de uitgave van 11 november –, alweer dankzij Twitter en met name Freek Houweling, niet moeilijk te vinden. Omdat ik al wel rekening hield met het feit dat de pdf na de ophef weer snel verdwijnen zou, wat ook gebeurd is, heb ik die direct maar even opgeslagen. Inmiddels blijkt de kerkbode elders weer toegankelijk zijn gemaakt (met dank aan Lucia Hardonk voor de tip). Wat was het geval? Vlietstra kondigde de geboorte aan van de zesde dochter – niet de vijfde, bij het Leidsch Dagblad kunnen ze ook al niet tellen en andere media nemen zo’n fout klakkeloos over – van een echtpaar met een karakteristiek Katwijkse achternaam en in verband met de opvoeding van ‘een kind met een ziel voor de eeuwigheid geschapen’ gaf hij een aantal citaten door uit het werkje De pligten der ouders, in kinderen voor Godt op te voeden (en nog een hele reeks die ik u besparen zal) van Jacobus Koelman (1631-1695), dat in 1679 voor het eerst bij J. Wasteliers in Amsterdam verscheen en elke nakomende eeuw wel herdrukt is. Koelman, die onder meer ambassadepredikant in Kopenhagen en Brussel was geweest, was toen al een aantal jaren eerder wegens weerspannigheid tegen de overheid door de Staten-Generaal afgezet als predikant van het Noord-Vlaamse, onder algemeen gezag staande Sluis. Iedereen die wel eens wat historisch-pedagogische literatuur heeft doorgenomen, zal van de man en het boek gehoord hebben. Sommige pedagogen zien in Koelman een van de eersten die het kind als een individu met een eigen aard begon te zien; ik denk dat mensen in voorgaande eeuwen ook wel uit hun doppen konden kijken.

Vlietstra citeert een heruitgave uit 1978, die bij Kool in destijds Veenendaal is verschenen – en op een wat verwarrende wijze verwijst hij ook nog naar de uitgave die voor het eerst in 1982 bij Den Hertog in Houten verscheen en waarvan trouwens in 2003 nog een vijfde druk uitkwam – en citeert wat passages uit het boek, waarvan hij inderdaad zegt dat het ‘beslist nog niet uit de tijd’ is, ‘het is zelfs zeer lezenswaardig.’ Het gaat dan vervolgens over een onderdeel uit de opvoeding van zes- tot twaalfjarigen en wel het onderdeel kastijding.

‘Laat uw kastijdingen het rebelse tegenstreven overwinnen zodat u dadelijk verkrijgt wat u gebiedt, namelijk vergeving te vragen of te bewijzen hetgeen zij gemakkelijk kunnen doen. Anders ware het beter de kastijding niet te beginnen. Laat uw kastijdingen godsdienstig geschieden. Gebruik ze als Gods instelling.’

Koelman voegt toe dat ouders veel moeten vergeven en zeker niet te snel boos moeten worden om kleinigheden:

‘Laat in het kastijden altijd de teerheid van uw liefde zien en hoe onwillig u bent om hen te kastijden indien zij langs een lichtere weg verbeterd konden worden..’

Kastijden
Er ontstond wat discussie over wat Koelman met dat kastijden bedoelde – zie ook het verder uitstekende stukje van Kees Vreeken -, maar het lijkt me helder dat hij wel degelijk op lichamelijke tuchtiging doelde. Dat blijkt alleen al uit deze woorden:

‘Als u bestraft of kastijdt, gebruikt dan geen smaad- of scheldwoorden, bijnamen of uitdrukkingen. Werpt hun niets na dat hun leven, hun leden of gezondheid in gevaar zou brengen. Dit verwekt de kinderen tot oneerbiedigheid en kleinachting van hun ouders.’

Daar staat mijns inziens helder dat je kinderen geen geestelijke schade mag toebrengen, maar ook dat je hun lichamelijke gezondheid niet in gevaar mag brengen door met dingen te smijten en dat impliceert volgens mij, dat hij wel degelijk – ook, niet uitsluitend – op lijfstraffen doelde: waarom zou hij het anders zo fysiek formuleren? Maar zelfs als men dat er niet in leest, dan nog: iets anders is in zijn tijd ook nauwelijks denkbaar. Ik kijk nu alleen even na wat Rudolf Dekker in Uit de schaduw in ’t grote licht. Kinderen in egodocumenten van de Gouden Eeuw tot de Romantiek (1995) in het hoofdstuk over ‘Boemannen en lijfstraffen’ schreef. Tegen kinderen schrik aanjagen, keerden velen zich, ook de bekende staatsman Jacob Cats (1577-1660) al, die gelijk bekend naast zijn politieke carrière zich ook een naam als dichter verwierf, maar lijfstraffen werden als een normaal onderdeel van de opvoeding gezien. ‘Die wel bemint, kastijt sijn kint’, scheef Cats. En de etser en schrijver Jan Luyken (1649-1712), die – ik vertel het er maar bij voor wie dat niet weet (tegenwoordig is van alles mogelijk) – trouwens doopsgezind was, gaat er in zijn Des menschen begin, midden en einde (1712) vanzelfsprekend vanuit dat het gebruik van de roede – het plaatje waarin een moeder haar dochter met dat voorwerp benadert, gaat hierbij – bij een goede opvoeding behoort:

‘t Is beter dat de Vriendschap slaat,
Als dat de Vyand vriend’lyk praat.
Als ’t Kindje stout is, moet het lyden,
Dat hem zyn Ouderen kastyden,
Doch dat geschied hem niet uit haat;
Gelyk het oude kind moet draagen,
Des Heeren hand van liefde slagen,
Op dat het niet verderft in ’t quaad.’

Men ziet, de boodschap is dezelfde als bij Koelman: bestraffing is een uiting van liefde, voor bestwil van het kind. Wel merkt Dekker op dat slaan in bijvoorbeeld Engeland een veel belangrijkere plaats in de opvoeding innam dan in Nederland. De filosoof John Locke (1732-1704) vond het bijvoorbeeld beter om het slaan aan een knecht over te laten. Dat was ook in toenmalige Nederlandse ogen wel erg hardvochtig. We weten allemaal dat pas recent – tussen 1987 en 2003, zag ik – na het rietje (cane) ook andere lijfstraffen op alle scholen in alle delen van het Verenigde Koninkrijk definitief zijn afgeschaft. Dezer dagen herinneren we ons allen hoe Jan Schenkman (1806-1863) in zijn bekende Sint Nikolaas en zijn knecht uit 1850 – ik citeer een latere versie omdat van de eerste druk alleen een incompleet exemplaar is overgeleverd – de knecht van de goedheiligman vanaf de naderende stoomboot de kinderen alvast lachend toe liet roepen:

‘Wie zoet was, krijgt lekkers;
Wie stout was, een roê.’

Die woorden begreep men toen nog wel. Ook in het strafrecht was de lijfstraf in de vroegmoderne tijd een bekend onderdeel. In de loop van de achttiende eeuw kwam De nieuwe menslievendheid op, zoals Sjoerd Faber het in de ondertitel van zijn proefschrift uit 1983 typeerde. Als je aan de nieuwe fijngevoeligheid, die door historici trouwens even vaak aan de gevoelens bij de uitvoerders – het is zo onprettig om je tere handjes aan vuil te maken – als een medelijden met de veroordeelden of verdachten wordt toegeschreven, per se een etiketje mee wilt geven, kun je trouwens net zo goed op de Romantiek als op de Verlichting, die een tijdlang gelijk opgingen, wijzen. We moeten nooit vergeten dat de gevangenisstraf – een straf, die veel voorzieningen vergt en hoge kosten met zich meebrengt – pas een eeuw of twee in zwang is. Het was trouwens een straf die vaak veel ernstiger geestelijke mishandeling inhield, met name door de eenzame opsluiting, waar pas na de laatste oorlog werkelijk een eind aankwam, zoals lezers van het criminologisch oeuvre van Herman Franke zich zullen herinneren.

Vlietstra
Hoe het ook zij, Koelman kan niet anders dan op lichamelijke tuchtinging gedoeld hebben. De vraag is alleen of Vlietstra daar ook aan dacht. In een reactie in het Reformatorisch Dagblad zegt hij dat hij ‘al enkele jaren met regelmaat’ uit het werkje van Jacobus Koelman citeert. Het lijkt mij een weinig persoonlijke wijze om ouders geluk te wensen met de komst van een boreling, maar enfin.

‘Van enigerlei suggestie tot het aanzetten tot lijfstraffen of tot kindermishandeling in welke vorm ook distantieer ik mij ten enenmale.’

Ik denk dat we Vlietstra maar op zijn woord moeten geloven. Al zijn lichamelijke straffen vandaag de dag uit en is zelfs de corrigerende tik – volgens mij trouwens iets anders – sinds 2007, onder het bewind van Piet Hein Donner, verboden, nog steeds straffen ouders kun kinderen wel, al is het maar door ze het toetje te onthouden als ze hun bord niet keurig leeg eten of te vaak van tafel weglopen, of door ze, zoals de ethicus Theo Boer twitterde, hun Nintendo DS voor een dag te ontzeggen – ik zou trouwens niet weten waarom. Ik zie trouwens op straat moeders – ja, het zijn altijd moeders – nog wel eens een tik uitdelen, waarvan ik me soms afvraag of die nu wel nodig is, maar ik heb dan misschien ook niet gezien hoelang het kind met zijn gedrens hen al getergd had. Maar het is dus goed mogelijk dat Vlietstra bij kastijden primair aan hedendaagse vormen van bestraffing dacht, als hij al ergens aan dacht en niet vooral en nogal ritueel een oude vrome tekst citeerde.

Het lijkt me tevens helder dat het niet bij voorbaat uitgesloten is dat sommigen zijner lezers wel degelijk kunnen denken dat een flink pak slaag op de broek soms zo gek nog niet is. Het is iets waar kennelijk veel Nederlanders nog zo over denken. Het lijkt me overigens ook helder dat zoiets uit de hand kan lopen en dat citaten als die van Vliestra wel degelijk het gevaar in zich herbergen ouders een legitimatie voor te verregaand lichamelijk geweld te verschaffen, ook al wordt dat ook door Koelman met zijn nadruk op de liefde nadrukkelijk afgekeurd, en kan werkelijk niemand met droge ogen beweren dat zijn teksten tot mishandeling oproepen.

Hedendaagse morele opwinding
Tot zover Koelman, de historische context en Vlietstra, nu de reacties. Het is duidelijk dat het berichtje uit het Leidsch Dagblad kwaadaardig broddelwerk is. Enkele fouten heb ik al laten zien en het is ook helder dat de conclusie dat het hier om een ‘vrijbrief voor het gebruik van geweld’ gaat, op zijn minst voorbarig is. Ook is het merkwaardig dat men minstens drie instanties – het Nederland Jeugdinstituut, het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en de stichting Defence for Children – benaderd heeft, maar kennelijk heeft nagelaten om Vlietstra even te vragen wat hij nu bedoelde (tenzij het grotere artikel in de krant, dat ik niet kan zien, daar wel iets over zegt). Het Openbaar Ministerie heeft overigens al laten weten niet dol te zijn op zulke teksten, maar er geen aanleiding in te zien om tot vervolging over te gaan.

Wie op Twitter ‘Vlietstra’ invult, kan onmiddellijk zien, al moet hij nu misschien iets verder naar beneden scrollen, hoe moreel Nederland op de man losging. Jan en alleman ging er maar voetstoots vanuit dat hij had opgeroepen tot slaan. Sommigen meenden zelfs zonder blikken of blozen te mogen schrijven dat de man tot kindermishandeling had opgeroepen. Alsof zelfs een fysieke opvatting van kastijding al hetzelfde als mishandelen zou zijn. En de scheldwoorden waren uiteraard niet van de lucht. Ik ga niet al te veel citeren, maar ‘reli-idioot’, ‘flapdrol’, ‘onbenul’ en ‘mesjokke’ kwam ik zo al tegen en ik heb in de loop van de dag gisteren van alles gezien. En natuurlijk kwamen ook de taliban en de sharia weer op de proppen. En dan heb je ook nog de voorlijke tiepjes die op komen merken dat we al in 2011 – ja echt, 2011! – leven en die deze diepe wijsheid gratis en voor niks met de wereld delen. Wat me vooral opviel, was dat allerlei theologen, niet immer het dapperste slag volk als je het mij vraagt, zich onmiddellijk weer begon te distantiëren. In dat opzicht was het optreden van de protestantse hoogleraar Jan Hoek, die zelf in Katwijk is opgegroeid – ook hij komt even in het boek Van Deursen voor – in het NOS-journaal tenminste een ware verfrissing. Hij merkte trouwens op dat men in Katwijk de kinderen eerder nogal veel ruimte laat. Wie het boek van Van Deursen heeft gelezen, zal die indruk al gehad hebben. Het is een op het natuurlijke en lichamelijke gerichte samenleving – voetbal, voetbal, voetbal en ontelbare andere sporten -, waar een beetje uit de band springen er nu eenmaal bij hoort. (Bij de doopsgezinde en dus oneindig veel strengere Amish is dat zelfs een institutie: het rumspringa.) In een dergelijke samenleving bestaat altijd een zekere spanning tussen de vrome woorden en het natuurlijke handelen en beide horen op een vreemde, dialectische wijze waar moeilijk de vinger achter te krijgen valt, bij elkaar.

De meest dwaze reactie kwam wel van het PvdA-Kamerlid Khadija Arib, die onmiddellijk aankondigde hier Kamervragen over te gaan stellen. Op het moment dat ik dit stukje schreef en plaatste, kon ik die vragen nog niet volledig vinden. Ze stonden nog niet op de officiële daartoe ingerichte sites, maar al wel op Nieuwsbank waar ik alleen de eerste twee vragen kon lezen. Ik citeer.

‘1. Hebt u kennisgenomen van het bericht “Nieuwsbrief Katwijkse dominee: Tegendraads kind slaan is goed” (Leidsch Dagblad, 14-11-2011)?
2. Bent u ervan op de hoogte dat deze dominee zelfs oproept tot mishandeling van kinderen? Zo ja, wat vindt u ervan? Hoe classificeert u deze uitlatingen?’

Hoewel ze nog steeds niet op Aribs eigen site staan, zijn ze dinsdagmiddag 15 november tegen één uur wel volledig verschenen op Officiële bekendmakingen en op Ikregeer. Wie wie wil, kan daar de volledige set nalezen. De indruk die de eerste twee vragen nalaten, is voorlopig ook wel genoeg. Het eerste dat we kunnen constateren, is dat mevrouw aartslui is. Ze citeert wel het dubieuze bericht uit het Leidsch Dagblad, maar vond het kennelijk niet nodig even naar de originele bron te verwijzen. Het tweede is dat ze schrijft dat ‘deze dominee zelfs oproept tot mishandeling van kinderen’, alsof dat een vaststaand feit is. En vervolgens hutselt ze alles door elkaar. Zullen we eens heel erg mild zijn? Flauwekul dus. En dat zou ze kunnen weten, maar zou ze het willen weten? Ze eindigt trouwens, dat moet ik werkelijk even citeren, met de fantastische uitsmijter:

‘Wat gaat u concreet ondernemen om deze dominee te stoppen?’

Met andere woorden, mevrouw heeft helemaal geen vragen – waarom zou je ook? -, mevrouw weet het allemaal al.

Vijf opmerkingen
1. Dan nu mijn commentaar. Eerst Vlietstra maar. Moeten we veel medelijden met hem hebben? Nee, dat ook weer niet, denk ik. Je moet iemand recht doen en niet iemand van een oproep tot mishandeling beschuldigen, als je niet zeker weet dat hij die ook gedaan heeft en dat is zelfs niet het geval als hij wel degelijk aan lijfelijke kastijding dacht, maar dat Vlietstra niet de kans wil aangrijpen om bijvoorbeeld voor het NOS-journaal toe te lichten, wat hij echt bedoelde, pleit ook weer niet voor hem. We leven in een nationale communicatiegemeenschap waarin iedereen binnen een mum van tijd van andermans woorden op de hoogte kan raken en daar zul je maar aan moeten wennen. Staat hij ook echt voor wat hij schrijft? Valt een houding waarbij de woorden alleen voor de eigen gemeenschap begrijpelijk zijn, vol te houden? Zou hij er zich ook niet rekenschap van moeten geven hoe mensen dergelijke woorden opvatten en dat er ook het gevaar tot verkeerde toepassing in schuilt? Iets minder citeren en wat meer verklaren, was toch wel het minste geweest. (Maar laat ik maar toegeven dat alles wat ik in de loop der jaren over de man gehoord heb, nou niet bepaald… nou ja, u weet het wel.)

2. Dan de vele reacties van lieden die meenden in hun morele verhevenheid meteen maar allerlei scheldkanonnades op de man los te mogen laten. Ik word daar veel misselijker van dan van zelfs de meest onwelwillende interpretatie van Vliestra’s stukje. Hoe rijmen mensen een beleden afkeer van lichamelijke bestraffing van kinderen met eigen verbaal gedrag dat alle grenzen van goed fatsoen overschrijdt? We leven een haat- en scheldcultuur, maar ik moet zeggen dat ik er nog steeds niet aan gewend ben en er ook niet aan wens te wennen. Schelden kan echt heel wat meer schade toebrengen. Lieden die over sharia of taliban beginnen, zou ik in levende lijve niet graag tegenkomen. Voor hun opvoedingskwaliteiten ben ik nog veel huiveriger.

3. Arib hoort hier ook bij. Haar vragen zijn een duidelijk teken dat Job Cohen, die in zijn Amsterdamse jaren – zie zijn bundel Binden (2009), waar ik nogal van onder de indruk was –, werkelijk fraaie toespraken hield en die als Meester Fatsoen de landelijke politiek (opnieuw) betrad – tactisch trouwens niet handig, maar dat is een andere zaak -, zijn fractie niet in de hand heeft. Arib mist het elementaire fatsoen dat je van een Kamerlid mag verwachten. Ze zal heel wat goede daden moeten verrichten voor ik haar weer serieus neem (ik heb haar vroeger nogal eens geprezen en ik geloof dat ik daar getuigen voor kan vinden). Zoals een zekere populistische partij de moslims heeft om eens lekker op los te gaan, zo hebben lieden die zichzelf – joost mag weten waarom – progressief wanen, de bevindelijk gereformeerden en trouwens ook de roomsen en de paus om even lekker naar uit te halen. Merk overigens op dat Aribs dwaze vragen een teken zijn voor het lage niveau dat in de hedendaagse Tweede Kamer helaas schering en inslag is geworden. Wie even rondkijkt in de overzichten met Kamervragen ziet het immense geneuzel.

4. Een vierde opmerking betreft dan de pers. Je zou kunnen zeggen dat een ongelukje bij zo’n Leidsch Dagblad een keer kan voorkomen. Maar dat de volgende dag dan zo ongeveer de ganse pers dat ene berichtje kritiekloos nakwekt, dat is een verontrustende zaak. Telkens weer zie je de laatste jaren van dit soort op verdraaiingen gebaseerde hypes. Er zal echt eens aan kritisch zelfonderzoek gedaan moeten worden. Zo kan het echt niet langer. Terwijl ik dit zit te tikken, hoor ik Pieter Jan Hagens in een herhaling van EénVandaag zaken over de dominee beweren – iets met mishandeling weer -, waarvan hij op het moment van eerste uitzending al lang en breed kon weten dat die ze ontkende. Op Kattuk.nl staat zelfs een overzicht van op dit moment een stuk of zeven tv-items over het belangwekkende onderwerp. Het dagblad Trouw – de enige krant waar ik nog op geabonneerd ben, sinds ik de NRC opgezegd heb, maar hoe lang nog? – bestond het zelfs om iemand een stukje met allerlei associatieve flauwekul in elkaar te laten flansen. Ik zou bijna zeggen dat iemand daar een flinke draai om de oren verdient, maar ik besef dat zoiets dezer dagen slecht valt. Een halve dag in de hoek dan maar en vijf dagen naar huis om zich flink op de zonden te bezinnen.

5. Een laatste opmerking is dan nog dat historisch en antropologisch inzicht maatschappelijk soms wel erg afwezig is. Als je echt nog nooit van Koelman hebt gehoord – dergelijke wereldvreemdheid bestaat -, als je niks afweet van de menselijke omgang met kinderen, van zo niet universele dan toch wel wijdverbreide opvoedingsidealen, hoe kun je dan je eigen tijd nog begrijpen? Hoe kun je dan de huidige opvattingen nog begrijpen en binnen een wijdere context plaatsen? Ik vraag me wel eens af hoe een mensenleven eruit ziet waarin men zelden tot voor 1900 terugdenkt, maar op een dag als gisteren vroeg ik me af of sommige mensen nog wel in staat zijn om zelfs maar tien of veertig jaar terug te kijken. Of een eindje over de grens, een paar grenzen misschien, te kijken. Het is alsof sommigen alleen bij de waan van de dag en de waan van hun kleine plekje op aarde leven. Ik moet even aan een boektitel van W.F. Hermans denken, die ik maar niet noemen zal.

Iets goeds?
Zit er dan ook niet wat goeds in de discussie? Toch wel denk ik, al breng ik dat met een zekere behoedzaamheid naar voren. Deze discussie is opnieuw een teken dat de hele nationale gemeenschap met elkaar in gesprek is. Ondanks de ruwheid en onbeschoftheid is het ook een teken dat mensen een oprechte afkeer van lichamelijk geweld hebben. Het verbod op de corrigerende tik is er niet gekomen omdat mensen tegen elke draai om de oren zijn, dat zijn ze namelijk niet, maar omdat gebleken is dat het al gauw uit de hand loopt. Al te veel kinderen zijn mishandeld. En daarom is de norm ook zo streng geworden. Ook al is de wijze waarop veel mensen menen aan de handhaving daarvan verbaal menen te moeten bijdragen dragen, ongelooflijk hypocriet, ondertussen wordt de strenge norm toch maar weer naar voren gebracht.

Maar daarmee houdt mijn begrip ook wel op. De afkeer van lichamelijk geweld tegen kinderen mag dan mooi zijn, ik ben er niet gerust op. Ik ben er niet zeker van in hoeverre mensen er echt van overtuigd zijn. Als ze echt meenden over een stevig verankerde norm te beschikken, zouden ze niet zo hard hoeven te schreeuwen om te tonen hoe verschrikkelijk goed zij wel niet zijn en hoe vreselijk slecht en achterlijk die dominee wel niet is. Ik vermoed veel modieus meehuilen met de wolven in het bos. Kuddegedrag, dat is het. Iets te graag wil men laten zien dat men bij de verlichte – ook al zo’n modieuze zelfaanduiding van lieden die zelfs nooit een middag op een zaal met oude drukken hebben doorgebracht en geen flauw benul hebben van wat mensen in de achttiende eeuw echt schreven – voorhoede behoort. Ik vrees dat een dergelijke oppervlakkige stemming maar zo kan omslaan. Als over twintig jaar de communio opinis nu eens is dat we in onze dagen veel te soft waren en dat het maar goed is dat we weer op wat steviger methoden zijn overgegaan, kunnen we er dan zeker van dat diezelfde lieden niet even hard meeschreeuwen met de dan nieuwe mode? Bovendien, kunnen we er gerust op zijn dat al die schreeuwlelijkerds hun kinderen dan misschien wel niet slaan, maar ze niet geestelijk mishandelen? De verbale middelen, zo laten ze de hele wereld gretig weten, hebben ze immers al hoorbaar en leesbaar in hun huis.

Misschien ben ik te wantrouwig. Ik wil best proberen om het goede achter de morele opwinding te zien, maar wil een werkelijk stevige moraal zich vestigen, dan zal er mentaal toch nog heel wat moeten gebeuren. De huidige massale hufterigheid is in ieder geval geen solide fundament, dat weet ik wel zeker. En zelfs bij de meer welwillenden is de zelfgenoegzaamheid me vaak nog net iets te groot om vertrouwen te kunnen inboezemen. Wie een beetje op de hoogte is van de omslag in het strafrechtelijke en morele denken in de achttiende en negentiende eeuw, zal weten hoe velen zich ook toen vanwege hun vooruitstrevende inzichten enorm op de borst klopten en hoever hun daadwerkelijke handelen daar vaak vanaf stond. En dan deden die lui dat nog in heel wat verhevener bewoordingen dan die vandaag de dag en vogue zijn.

Ik vrees dat het nog wel wat tijd zal vergen voor een eenvoudig beroep op de rede zal terugkeren.

Aanrader
En overigens zou ik iedereen willen aanraden om het prachtige boek van A.Th. van Deursen, In Katwijk is alles anders. Een christelijke dorp ontmoet de wereld, 1840-2004 (2011) te lezen. Het geeft ook een inzicht in de wonderlijke paradoxen die deze gemeenschap kenmerken. En het is trouwens een boek vol prachtige ironische terzijdes en subtiele citaten. Het is, meer zeg ik niet, een boek met een ziel.

Opmerking: Bovenstaand stukje is op 15 november op enkele kleine onderdelen gewijzigd: met name door enkele kleine toevoegingen aan te brengen. Rond 14.15 is als laatste de passage over de Kamervragen, die ongeveer een uur eerder beschikbaar waren gekomen. gewijzigd en aangevuld.

(25)

4 reacties to “Kastijding – Over een geval van morele opwinding”

  1. Hoi Jan Dirk,

    Als iemand met Katwijkse- maar niet hervormde wortels, vind ik dat je een zeer uitgebalanceerd stukje hebt geschreven met het mes dat vlijmscherp aan vele kanten snijdt. En zelfs niet zonder humor. =) Dank je!

    Dit laat ook maar weer zien dat Leiden op een niet geografische manier erg ver van Katwijk is verwijderd. Ik woonde tussen beide grote plaatsen in =)

    Dat Vlietstra onhandig is door niet te reageren voor het NOS-journaal mag zo zijn, maar het kan heel goed mogelijk zijn dat ds. Vlietstra hierin belemmerd wordt door zijn religieuze opvattingen. Katwijkse denominaties zijn over het algemeen iets “bevindelijker” of “stringenter” in de leer dan gelijke denominaties elders in het land. Het lijkt me voor de hand liggen dat de televisie daar nog steeds het kastje van de duivel is en dat daar niet naar gekeken, noch aan meegewerkt mag worden. Dat zal misschien ook in het prachtige boek van Van Deursen te lezen zijn (zover ben ik nog niet gekomen, want ik heb mijn exemplaar aan mn Katwijkse pa gegeven). Onhandig dus, maar met enig begrip voor de mogelijk religieuze overtuigingen van ds. Vlietstra. Dit had hij natuurlijk ook zelf kunnen toelichten, maar misschien wilde hij zelfs met deze toelichting niet op televisie of in andere media. Dus het blijft onhandig.

    Ook weer mooi hoe je het boek aanprijst. Ik wordt er bijna trots op dat ik voor een groot gedeelte (school en familie) deel van de Katwijkse gemeenschap “met wonderlijke paradoxen” ben geweest en op afstand misschien nog steeds een beetje ben.

    Met vriendelijke groet,

    Ronald

  2. Beste Jan Dirk,
    Mooi genuanceerd verhaal over de kwestie Vlietstra. Ook ik heb last van de scheldcultuur. Maar aan de andere kant moet Vlietstra ( en dat schrijf jij ook) zich wel bewust zijn van de impact van zijn woorden. Het feit dat hij citeert doet daar niet veel aan af. Hij citeert met kennelijke instemming, en richt zich rechtstreeks tot de ouders bij de geboorte van een kind.Dat lijkt mij zeer relevant.Dat er zeer vele ouders zijn, die niet veel aandacht hebben voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid van hun kinderen mag duidelijk zijn: wie bewijs wil, gaat op een zaterdag winkelen in de binnenstad van Utrecht. En ook ik maak als ouder van 4 kinderen de nodige fouten. Maar in plaats van dat te accepteren moeten we naar mijn smaak juist zelfkritisch blijven en steeds weer het beste proberen te doen.
    Hartelijke groet,
    Ghislaine

  3. Beste Jan-Dirk,

    Mijn complimenten voor je gedegen analyse. Wat mij in deze casus het meest is opgevallen is het totale gebrek aan kennis over religies. Niet alleen bij die kwaadaardige pvda mevrouw maar ook bij journalisten. Dat men geen kennis heeft van Jacob Koelman kan ik mij voorstellen, maar wees dan wel een beetje terughoudend met je oordeel. Een triest dieptepunt , dat mij letter en figuurlijk in het verkeerde keelgat schoot, was de mening van Wouke van Scherrenburg die het voor elkaar kreeg om Ds Vlietstra en de HHK te vergelijken met Amerikaaanse TV dominees. In een sfeer van onwetendheid gebeuren inderdaad hele domme dingen.

  4. Goed stuk, wat een verademing!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: