Verdwijnt het politieke midden? En wat was dat dan?

door Jan Dirk Snel

.:.

Geschiedenis is als was in onze handen. Zelfs als alle feiten kloppen, kunnen we dezelfde gebeurtenissen en ontwikkelingen toch steeds weer vanuit een ander perspectief ordenen.

Drie stromingen
Zo is er de afgelopen decennia vaak betoogd dat Nederland vanouds drie politieke hoofdrichtingen kent. Ik hoef alleen maar even naar de boekenkast te lopen en er een paar titels uit te wurmen om die stelling te illustreren. Hier, De ideologische driehoek. Nederlandse politiek in historisch perspectief, waarin Jos de Beus, Jacques van Doorn en Piet de Rooy respectievelijk de liberalen (‘oorsprong en wederkeer’), de confessionelen (‘onvermijdelijke presentie’) en de sociaaldemocraten (‘passie voor politiek’) onder handen nemen. Kenners zullen onmiddellijk vastgesteld hebben dat ik de herziene tweede druk uit 1994 op mijn schrijftafel heb liggen. In de eerste druk uit 1989 was het Percy B. Lehning die de socialisten onder de loep nam. En ik ontdek pas nu dat boek teruggaat op de bijdragen van het drietal aan het boek De interventiestaat. Tradities, ervaringen, reacties dat De Beus en Van Doorn in 1984 redigeerden (en dat er in de stapel pal onder bleek te liggen – ik zei toch al dat ik even wrikken moest). Merk trouwens op hoe de socialisten van Lehning uit 1984 en 1989 door De Rooy in 1994 in sociaaldemocraten werden omgetoverd.

Wie brede rivieren traag door oneindig laagland ziet gaan, zal zich waarschijnlijk in Gelderland bevinden. Hier de Waal bij Bemmel, de middelste van de grote rivieren die het driestromenland van het oude Gelderse kwartier van Nijmegen bepalen. (foto: Puntlicht)

En hier nog zo’n titel, Driestromenland, een boekje dat in 1993 werd uitgegeven door Stichting Burgerschapskunde, die later opging in het Instituut voor Publiek en Politiek, dat op zijn beurt inmiddels weer bij ProDemos onder dak is gebracht, en waarin Paul Lucardie, Maarten Brinkman en Dick Kuiper respectievelijk – ik voeg nu de ondertitel toe – Liberalisme, socialisme en christen-democratie in Nederland beschrijven. Het gaat om drie historische overzichten: de heren beginnen hun relaas allemaal in de negentiende eeuw en soms zeggen ze ook nog wat over de voorgaande eeuwen.

Een nieuwe stroming en een nieuwe indeling
De kneedbaarheid van de geschiedenis is voor wie bepaalde traditionele criteria aanlegt – waarheid, werkelijkheidszin bijvoorbeeld – ook weer niet oneindig. Hoe begrijpelijk de driedeling ook is, in feite balanceert ze op het randje van geschiedvervalsing. En als we het woord dat de titel van het laatstgenoemde boekje vormt, in Picarta intikken, zien we ook meteen waarom. De oudste vermelding stamt uit 1977; het gaat om een artikel van Bert Middel, later PvdA-Kamerlid, in het decembernummer van Intermediair, getiteld ‘Driestromenland in de Nederlandse politiek. Vernieuwing, stabilisatie of restauratie in ons partijstelsel?’ en pal daarop – althans in de catalogus – volgt een stuk van september 1978 van Pieter Kooijmans, die toen net vier jaar staatssecretaris van buitenlandse zaken was geweest en later nog eens minister op dat departement zou worden, in het antirevolutionaire tijdschrift Nederlandse gedachten, geheten ‘Mogelijke ontwikkelingen in driestromenland’. Ook zonder de betogen ingezien te hebben lijkt het me niet zo moeilijk om te raden waarom de auteurs juist toen voor deze typering kozen: omdat dat driestromenland zich net begon af te tekenen. In 1977 had het CDA voor het eerst met één lijst aan de verkiezingen deelgenomen en in 1980 werd de partij officieel opgericht. Er waren nooit drie hoofdstromingen in de Nederlandse politiek geweest. Een nieuwe – of in zekere zin misschien hernieuwde – stroming deed voor het eerst haar intrede: de christendemocratie.

Hoe radicaal nieuw die vanuit een iets langer perspectief gezien was, kun je alleen al door een simpel gedachte-experiment vaststellen. Het ontstaan van die ene fractie en van die ene partij is nu 34 en 31 geleden. Tel vanuit beide jaartallen eens even ver terug. Je komt dan uit in 1943 en 1949, in de oorlog, even na de oorlog dus. Laten we daar tussenin gaan zitten: was er in de tijd net na de Tweede Wereldoorlog ook maar iemand die serieus dacht dat de RKSP maar moest fuseren met de ARP en de CHU of die in feite dacht dat die partijen toch al bijna onverbrekelijk bij elkaar hoorden? Ik denk het niet. Alleen over een mogelijk samengaan tussen de twee genoemde protestantse partijen werd door sommigen wel even gesproken. Maar juist in die dagen bleek dat bijvoorbeeld een deel van de CHU-ers veel dichter bij de sociaaldemocraten stond en die leden gingen dan ook over naar de nieuwe PvdA. Voor de oorlog had men kunnen vaststellen hoe goed liberalen het met de antirevolutionaire premier Hendrik Colijn konden vinden.

De late ontdekking van confessionele verwantschap
Hoewel de KVP, die eind 1945 de oude RKSP afloste, zich in principe openstelde voor alle Nederlanders en dus niet vroeg dat men katholiek was, bleef het toch in werkelijkheid de partij van en voor katholieken. De grote, onoverbrugbare scheidslijn was die tussen grote minderheidscultuur van de katholieken en de vanzelfsprekende en daardoor onopvallende meerderheid van protestanten, kerkelijk, onkerks en onkerkelijk, die in allerlei verschillende politieke richtingen uiteen waren gevallen. En lange tijd kon geen van die groepen, wilde ze de macht verkrijgen, om samenwerking met de katholieken heen. In de negentiende eeuw hadden de katholieken eerst even samengewerkt met de liberalen, die de reputatie hebben dat ze kerkelijk vaak vrijzinnig waren, daarna waren ze een monsterverbond met de antirevolutionairen aangegaan, die weliswaar alle sociale lagen bereikten, maar toch een sterke achterban onder de middengroepen hadden, om vervolgens net voor de oorlog een samenwerkingspartner opnieuw een stapje lager op de sociale ladder te zoeken en ook de socialisten, met vooral een aanhang van al dan niet uitgeschreven hervormde arbeiders, bij de uitoefening van de regeringsverantwoordelijkheid te betrekken. Dat verbond met de antirevolutionairen en later ook christelijk-historischen, soms de Coalitie met een hoofdletter geheten, had een praktisch doel gediend – de gelijkstelling van het bijzonder onderwijs – en was na 1925 – de Nacht van Kersten, ik refereerde er onlangs nog aan – in feite wel ten einde, al bleef men nog samen regeren, zij het vooreerst in een extraparlementair kabinet dat naar toenmalige begrippen bestond uit bewindslieden van ‘rechts’ en (een deel van) ‘links’. Maar niemand zou op het idee komen om de drie belangrijkste confessionele partijen als dragers van één ideologische stroming te zien. Daarvoor waren de verschillen, politiek en cultureel, veel te groot. Daarvoor was men ook bij de vorming van kabinetten te weinig hecht: men haalde er of anderen bij of de twee kleinere deden lang niet altijd mee.

Het is geen toeval dat een boekje waarin de confessionele partijen samen werden beschreven, De Confessionelen, met bijdragen van L.W.G. Scholten, J.A. Bornewasser, I. Schöffer, A.F. Manning en J.L.J. Bosmans, juist in 1968 verscheen. Het waren ‘de huidige ontwikkelingen in het partijenstelsel’, vertelt de eerste zin, die de ‘directe aanleiding’ voor het tot stand komen van dat historische overzicht vormden. En als dit al niet de eerste poging was om de confessionelen sowieso in één kleine geschiedenis samen te nemen, dan was het vast en zeker wel het eerste boek waarin de confessionele partijen vanaf 1918 niet in afzonderlijke hoofdstukken per partij, maar telkens in één kader werden beschreven. De inleiding doelde natuurlijk op de electorale verschuivingen in de jaren zestig en impliciet vooral op het feit dat de vijf toentertijd in de Tweede Kamer vertegenwoordigde confessionele partijen – naast de drie waren en ook nog twee kleinere partijen, SGP en GPV – bij de verkiezingen van 1967 voor het eerst samen onder de helft gedoken waren: 73 zetels. Het verlies – in 1963 waren het er nog 80 geweest – kwam trouwens geheel voor rekening van de KVP. De vier protestantse partijen wonnen samen een zetel: de CHU ging er wel eentje achteruit, van 13 naar 12, maar de ARP won er twee en was met 15 zetels weer net zo groot als in 1956.

De paradox is een beetje dat juist door de deconfessionalisering die aanvankelijk slechts de KVP trof, maar een aantal jaren later ook de CHU bereikte, de nadruk juist meer op het gezamenlijke confessionele karakter van KVP, ARP en CHU kwam te liggen. Toen pas ontdekte men dat er iets gemeenschappelijks was dat bond, en begon de KVP, wier teruggang dramatische vormen aan begon te nemen, aan te dringen op nadere samenwerking, die uiteindelijk gestalte zou krijgen in één partij, die onder een vanouds typisch katholieke vlag zou gaan varen: die van de christendemocratie. Dat was oorspronkelijk de benaming van de meer ‘linkse’, sociaalgerichte katholieke stroming binnen de rooms-katholieke politiek geweest, maar na de oorlog was de Duitse CDU in staat gebleken om het bereik van het katholieke Zentrum uit te breiden naar groepen protestanten. (In bepaalde streken van Duitsland heeft de tweedeling trouwens nog lang geleefd. Ik ben dat wel tegengekomen. Er ist evangelisch, also SPD. Sie ist katholisch, also CDU.)

Twee groten en twee kleintjes
Er waren nooit drie hoofdstromingen in de Nederlandse politiek geweest, er waren er altijd minstens vier geweest. Voor de praktische invoering van het representatief en algemeen kiesrecht in 1918 (mannen) en 1922 (ook de vrouwen erbij) kon je nog een zekere tweedeling zien: die tussen links en rechts. Rechts, dat waren dus de confessionele partijen en links de anderen, vooral liberalen en socialisten. Abraham Kuyper had voor die scheidslijn zelfs ooit een naam bedacht, de Antithese, die vooral moest verdoezelen dat hij gemene zaak met de oude aartsvijanden van de calvinisten maakte. In het spraakgebruik zette die levensbeschouwelijke indeling zich zeker tot de oorlog of iets daarna door, maar omdat men nu bij de verkiezingen geen pacten meer hoefde te sluiten, kwam de eigenheid van de verschillende stromingen en vooral van de verschillende partijen – juist groeperingen die dicht bij elkaar staan, hebben nog wel eens de neiging hard naar de nabije geestverwant uit te halen – steeds meer tot uiting.

De vier hoofdrichtingen die men toen kon onderscheiden, bleven tot meer dan een halve eeuw na 1918 bestaan. Maar ze waren niet alle even groot. Je had in feite twee grote partijen: de RKSP/KVP en de SDAP/PvdA. En daarnaast had je de kleinere protestants-christelijke partijen, met ARP en CHU als belangrijkste, en de liberale partijen als LSP, VDB en na de oorlog de VVD. Het kleinere grut laat ik nu even ongenoemd.

Ergens na de oorlog is een nieuwe indeling in links en rechts in zwang geraakt, die vooral uitging van sociaaleconomische criteria. En als je die indeling eens op de indeling van het partijenlandschap sinds 1918 terugprojecteert, dan kom je op een heel aardig schema. Links heb je dan één grote partij, de SDAP en later de PvdA, met kleinere satellieten daarnaast. Ik noem die op de CPN na nu even niet, omdat de meeste eigenlijk pas in het laatste decennium tot volle wasdom zijn gekomen of anders vooral flipfloppend door het leven gingen. Tot rechts kun je dan de antirevolutionairen en christelijk-historischen rekenen, maar ook de liberalen en vrijzinnig-democraten. Met vertegenwoordigers van al deze politieke richtingen regeerde Colijn ook in de jaren dertig en sinds 1918 zaten er vrijwel altijd partijloze liberalen in de kabinetten. En in het midden houd je dan de RKSP en later de KVP over.

(Ik zeg hier meteen maar even bij dat typeringen als links en rechts als materiële zelfaanduiding vaak niet al te veel zeggen en dat ik er in die zin ook een zekere aversie tegen heb. Maar als analytisch instrument kunnen we niet buiten de indeling: ze helpt om partijen ten opzichte van elkaar te situeren en kan in die meer formele zin soms ook uitstekend dienst doen als zelftypering binnen het politieke krachtenveld.)

Het katholieke centrum
In feite alleen door haar electorale omvang en aanhang zat de RKSP/KVP al bijna automatisch in het midden. Het was een partij die een complete deelcultuur, met daarin alle lagen van de bevolking, van een grote massa van arbeiders via middenstanders en boeren tot aan een kleine, vooral zuidelijke elite, vertegenwoordigde. De partij was een soort Nederland in het klein, maar dan alleen het katholieke Nederland. De compromissen moesten al binnen de partij gesloten worden. Maar alleen de aanhang maakte een meer sociale koers al noodzakelijk. Het ging om een halve arbeiderspartij; de aanhang had voor een groot deel maatschappelijk veel weg van die andere grote partij, de SDAP en later de PvdA.

Maar ook omdat de partij zo groot was, kon eigenlijk niemand om haar heen. De protestants-christelijke en liberale partijen op rechts bleven ver af van een meerderheid. Op 1933 na toen ze samen precies de helft van de zetels behaalden, 50 dus, hadden RKSP/KVP en SDAP/PvdA vanaf 1918 tot en met 1967 samen altijd een meerderheid in de Tweede Kamer, een Tweede Kamerverkiezing langer dus dan de confessionelen opgeteld over de majoriteit beschikten. Aangezien niet alle partijen op rechts dol waren op socialisten, geeft alleen dat al aan dat ze niet om de katholieke fractie heen konden. En juist omdat de katholieken de arbeiders onder eigen vleugels konden organiseren, kon socialistisch links in Nederland nooit een meerderheid behalen. Als ze wilde regeren, moest ze dus wel aanklampen bij de RKSP en later vooral de KVP. De centrale positie was juist gegeven met het buitenbeentjeskarakter van de grote katholieke minderheid. De naam van de Duitse geestverwant was in Nederland feitelijk nog raker geweest.

Het is dit katholieke midden geweest dat de Nederlandse politiek zo lang beheerst heeft, maar ook de ontwikkeling van de verzorgingsstaat enorm bevorderd heeft. En het is dit midden dat de laatste decennia aan het afbrokkelen is. Laten we dat nog eens iets nauwkeuriger bekijken. (Ik maak daarbij vooral gebruik van gegevens die men vindt op de sites Verkiezingsuitslagen en het onvolprezen Parlement & Politiek.) Voor de oorlog had de feitelijk onmisbare RKSP op 100 Kamerzetels bijna altijd 30, 31 of 32 zetels; alleen in 1933 werden het maar 28. Het stemmenpercentage lag tussen 27,88% (het genoemde 1933) en 32,26% in 1925. Na de oorlog zien we bij de KVP tot aan de verkiezingen van 1963 in feite een voortzetting van het patroon. Alleen in 1952, toen men hinder ondervond van een kleine katholieke concurrent, zakte het stemmenpercentage even tot 28,97%, dat overigens altijd nog 30 van de honderd zetels opleverde. Verder schommelde het tussen 30,80% in 1946 en 32,69%, de beste uitslag aller tijden, in 1956. De 31,88% van 1963 (50 zetels) was zelfs nog de op twee na beste uitslag sinds 1918.

Maar dan gaat het grondig mis. De kiezers lopen weg. Katholieken kiezen voortaan op grond van instemming met een program of politieke houding, niet meer op grond van loyaliteit aan een bepaalde groep. Althans, dat geldt voor een deel van de katholieke bevolkingsgroep, die bij de volkstelling van 1971 de omvang van 1960, toen de magische veertigprocentsgrens voor het eerst doorbroken werd handhaafde op 40,4% . Ik geef alleen de korte reeks even: 1967 (26,50%, 42 zetels op inmiddels 150 Kamerleden), 1971 (21,84%, 35 zetels) en 1972 (17,65%, 27 zetels). Op grond van recente gebeurtenissen kunnen we ons de dramatiek wel enigszins voorstellen. In negen jaar tijd, van 1963 tot 1972, gaat het bijna om een halvering: de partij heeft nog maar 55% van het oorspronkelijke stabiele electoraat over. Dan wordt dus overgegaan tot een noodgreep. Men haalt twee van origine veel kleinere protestants-christelijke partijen, ARP en CHU, weg bij rechts om het afbrokkelende midden, en dat is meteen ook een machtspositie, te versterken. (Voor wie denkt dat de ARP linkser was: nee, dat was niet zo, alleen op het eind had je een aantal antirevolutionairen die wat op drift waren geraakt en ineens deden alsof zij altijd al radicaler dan die slappe roomsen van het machtscentrum waren geweest. De mythe die toen ontstaan is, vertroebelt het totale beeld tot op heden.) Niet voor niets positioneerde de eerste lijsttrekker van het CDA, Dries van Agt, de eerste Nederlandse katholieke politicus die grote groepen protestanten aan zich wist te binden, zijn partij met zoveel woorden in het midden. In de rede waarmee hij op 22 oktober 1976 het lijsttrekkerschap van het nieuwe CDA aanvaardde, zei hij met zoveel woorden: ‘Wij maken geen buigingen naar links en wij maken geen buigingen naar rechts.’ Het waren woorden die hij in wat andere varianten nog met graagte zou herhalen. In die jaren van sterke polarisatie was het ook een heel slimme strategie, die goed aansloot bij het sentiment van het gematigde deel van de bevolking.

Een christendemocratisch panacee
Het CDA slaagde wonderwel. Het werd de grote partij in het centrum, wat positie betreft de voortzetting van de oude centrale rol van de KVP, maar wel veel nadrukkelijker aanwezig. Men richtte zich immers op een zeer verdeelde kiezersmarkt. Er bestonden vanouds geen christendemocraten in Nederland. Men had de twee (of drie) groepen die maatschappelijk altijd het verst van elkaar stonden, verenigd. Merk op dat nu ARP en CHU in feite aan rechts waren onttrokken, de vanouds liberale VVD daar nu in zijn eentje de grote speler werd. De VVD was altijd de partij geweest van de zindelijke, bedaagde, fatsoenlijke, vrijzinnig-protestantse burgerheren, maar nu kreeg men ineens allerlei ander volk over de vloer, tot nota bene roomsen aan toe. Onder leiding van Hans Wiegel was de partij in de jaren zeventig gegroeid tot een factor van enig belang (22 zetels, meer dan ooit tevoren, in 1972, 28 zelfs in 1977) en onder uitgerekend de katholiek Ed Nijpels haalde de partij in 1982 zelfs het fenomenale aantal van 36 zetels, een prestatie die alleen in 1998 nog door Frits Bolkestein, meer een representant van de oorspronkelijke burgerlijke aanhang, zou worden overtroffen. Vanaf de vorming van het CDA kon men dus inderdaad over drie politieke hoofdstromingen spreken: aan de socialisten en de nieuwe christendemocraten werden de voorheen tamelijk marginale liberalen als derde hoofdrichting toegevoegd.

De rest van het verhaal is bekend. Aanvankelijk leek het goed te gaan met het CDA. Bij de eerste vijf landelijke verkiezingen waar het CDA vanaf 1977 aan meedeed, scoorde de partij tussen 29,39% (45 zetels) in 1982 en de 35,32% van Lubbers in 1989, toen de partij net als drie jaar eerder 54 zetels kon uitzoeken. De uitslagen van Lubbers waren hoger dan de KVP ooit behaald had. Ook in die jaren hadden CDA en PvdA samen ruim de meerderheid van het aantal Kamerzetels. In drie jaren namen de twee partijen samen zelfs tweederde van alle zetels in, met als uitschieter 1986, toen de twee opgeteld 67,78% van de kiezers wisten te overtuigen en 106 plekken in wat toen nog de Kamerbankjes waren, voor de leden van hun fracties gereserveerd werden. Die gegevens geven dus aan dat het CDA weer net zo onmisbaar was als de KVP dat in vroeger dagen was geweest. De socialisten konden voorlopig niets buiten het CDA om beginnen en wie niets met de socialisten wilde, kon ook niet om de partij heen.

En toen bleek dus ook het CDA op zand gebouwd te zijn. Men kon er niet structureel meer op vertrouwen dat er een achterban was die automatisch op de partij zou stemmen. Jacques van Doorn had in 1994 net het verkeerde, maar tot dan maar al te begrijpelijke opschrift aan zijn beschouwing meegegeven. In dat jaar bleek dat de aanwezigheid in het centrum van de macht ineens niet meer onvermijdelijk was. In 1994 dook het percentage naar 22,23% en in 1998 ging het verder omlaag naar 18,37%. Jan Peter Balkende leverde een grootse prestatie door bij drie verkiezingen vanaf 2002 tussen de 26,51% (in 2006) en 28,62% (in 2003) van het electoraat achter zijn partij te krijgen, het was geen aanhang die altijd trouw zou blijven, zoals in 2010 bleek toen dezelfde Balkenende zijn partij niet meer dan 13,61% van de stemmen wist te bezorgen. Het lijkt sterk op het echec van de KVP in 1972. Zelfs de structureel tamelijk kleine ARP waar hij van huis uit uit voortkwam, had wel eens beter gescoord: 16,41% in 1937 bijvoorbeeld.

Alles kan
Het is de vraag hoe het verder gaat. Anders dan in 1972 heeft het institutionele midden nu geen optie meer om nog eens andere partijen erbij te halen en zo als gezamenlijk bondgenootschap weer een centrale machtsfactor te vormen. Het is duidelijk waar de kiezers te halen zijn: bij die ene populistische partij waar men nu mee samenwerkt. Ook met die andere grote partij, de PvdA, gaat het structureel niet goed, maar op links is de differentiatie, de verspreiding over een stuk of wat partijen met een eigen accent, op zich tamelijk succesvol verlopen. Links is in zijn totaliteit al jaren vrij stabiel en vergeleken bij enkele decennia geleden structureel iets gegroeid (waarbij links zelf waarschijnlijk weer minder links is geworden, zo gaat dat). Op rechts is het proces niet goed verlopen. De VVD is momenteel wel de grootste partij, maar zij is er niet in geslaagd om het gat op – gepercipieerd – uiterst rechts, waar Hans Wiegel al sinds jaar en dag voor waarschuwde, niet te laten vallen. Het is juist een dissident uit die gelederen die geradicaliseerd is en een aanzienlijk, zij het structureel zowel in bereik als tijd beperkt deel van het electoraat weet te verleiden. (En het is, denk ik, ook niet toevallig dat hedendaagse extremisten juist uit het huidige liberalisme voortkomen, maar misschien moet ik het daar nog maar eens afzonderlijk over hebben). Voorlopig ziet het er niet naar uit de VVD of CDA dat gat dat de zogenaamde populisten – politiek als koopwaar, snoep, die juist van bovenaf wordt voorgehouden, een vorm van elitisme dus waarin kiezers zelf niets meer in te brengen hebben – gegraven hebben, kunnen vullen.

Alles kan. Het is echt niet ondenkbaar dat een vernieuwd CDA onder een nu nog onbekende lijsttrekker in 2015 of eerder weer meer dan 40 zetels haalt. Een CDA-Kamerlid werd afgelopen weekend enorm uitgelachen toen hij dat opmerkte – en dat hij de wel zeer onkatholiek handelende pathologische drammer Maxime Verhagen als leider ziet, pleit weer niet voor zijn realiteitszin -, maar volgens mij moet elke onpartijdige waarnemer beamen dat hij best gelijk kan hebben. De partij mag dan in de peilingen wel op een dieptepunt staan, ook nog nooit hebben zoveel mensen partijcongressen met spanning gevolgd en dat soms wat meesmuilende meeleven kan ook een keer in zijn tegendeel omslaan. Maar het is net zo goed denkbaar dat de partij bij de volgende verkiezingen nog verder verliest en op 15 of misschien zelfs wel 10 zetels uitkomt. Men doet zijn best, zullen we maar zeggen. Een vaste aanhang heeft het CDA nauwelijks meer. Dat was het grote voordeel van de KVP tot 1963: dat ze van aanhang verzekerd was. Het leek het voordeel van het CDA tot eind jaren tachtig, maar achteraf bleek het gezichtsbedrog. Het was vooral de aansprekende politiek van Van Agt en Lubbers die kiezers bij de partij hield, en het optreden van Balkenende die ze deels weer terugbracht.

De KVP vormde lang wel het midden van de Nederlandse politiek, maar het was ook een midden waar kiezers in feite niet bewust voor kozen. Protestanten hadden deze optie niet. Die kozen gewoon socialistisch, antirevolutionair, christelijk-historisch of liberaal of iets anders. Het was dus ook een midden in de zin van een centrum van de feitelijke macht. Pas bij de vorming van het CDA kon je als kiezer bewust voor een nieuw geformuleerde optie tussen socialisme en liberalisme in kiezen. Een structureel georganiseerd midden is er inmiddels niet meer in de Nederlandse politiek. Maar of daarmee ook het politieke midden verdwijnt, is een andere vraag, waar ik het eigenlijk over wilde hebben en waar het voorgaande alleen maar een inleiding op was. Maar voor vandaag lijkt dit trekken van enkele grote lijnen me wel genoeg.

Misschien dat ik later nog eens aan die vraag toekom: of het politieke midden echt verdwijnt. En of dat erg is.

(23)

Advertisements

3 reacties to “Verdwijnt het politieke midden? En wat was dat dan?”

  1. In Nederland kwam christendemocratische eenheid inderdaad enkele decennia later dan elders in Europa. Als je het Europees bekijkt, lijkt de crisis van het CDA niet zozeer te wijten aan het verdwijnen van het politieke midden, maar speelt het verlies van “wij-christenen” gevoel een veel grotere rol. Zie de afgang van christelijke partijen in Frankrijk, België, Italië en wellicht binnenkort ook in Duitsland. Ik schreef daarover op 5 oktober 2010 in “In Europa Thuis”: http://ineuropathuis.huibs.net/2010/10/crisis-christendemocratie.html (Crisis Christendemocratie destabiliseert Europa:…)

  2. Even als reactie op je opmerking aan het begin, een van de “begincitaten” op het voorblad van mijn doctoraalscriptie uit “Anno dazumal” over Simon Oomius en zijn boek over de islam (Het Geopende en Wederleyde Muhamedisdom of Turckdom):

    “De waarheid laat zich niet zomaar op een bladzij vastpinnen. In de badkuip der geschiedenis is de waarheid nog minder grijpbaar dan de zeep, en veel moeilijker te vinden…”
    (Terry Pratchett, Betoverkind, Spectrum, 1992, p.142)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: