Altijd hetzelfde – Over een stukje dat ik niet meer hoef te schrijven

door Jan Dirk Snel

.:.

Vandaag wilde ik het maar eens rustig aan doen.

Ik had me voorgenomen om te kijken of het elke werkdag, van maandag tot vrijdag dus, zou lukken een stukje op deze nog vrije nieuwe weblog te schrijven. Over het waarom van iets dat me in feite niets oplevert, heb ik het dan maar even niet. Dat komt nog wel eens. Of niet. En als ik schrijf dat ik het nog maar eens ergens over moet hebben, weet ik meestal wel wat er gebeurt. Inderdaad.

Dit is geen illustratie (foto: calmansi)

Op zich is elke dag een paar alinea’s schrijven niet zo moeilijk, maar vaak lopen mijn stukjes nogal uit de hand en dat wil me vanwege het tijdverlies – en trouwens ook het besef dat minder mensen ze dan uit zullen lezen – nog wel eens ergeren. Op zich gaat het overigens heel simpel. Ik schrijf een ideetje op, soms zoek ik wat dingetjes uit, ik noteer een paar steekwoorden of enkele losse flarden die niet aan de spellingregels voldoen, min of meer in de volgorde waarin ze naar mijn idee een argumentatie of een ordelijke associatieve reeks vormen, en ik begin te tikken, waarbij ik de aantekeningen beneden de cursor langzaam, stuk voor stuk, verwerk in het betoogje dat zich vrijwel vanzelf ontwikkelt.

En dan wil het nog wel eens gebeuren dat die paar vaagheden die nog maar net in enkele losse, chaotische woorden gevat konden worden en die verder nog vrijwel woordeloos in mijn brein zweven, uitgroeien tot een stuk dat ver boven de duizend of soms zelfs de tweeduizend woorden uitgaat. (Er staat zelfs al anderhalve week een aus einem Guss geschreven stuk van zesduizend woorden, dat ik eerst maar eens ga uitwieden en opknippen. Er bestaan dingen die ik echt niemand aan wil doen.) Al schrijvende verbaas ik me daar – dat uitgroeien – vaak over, omdat ik me voor aanvang bijna standaard afvraag of ik eigenlijk wel genoeg voor pakweg driehonderd woorden heb. Het verband tussen de onruimtelijkheid van het denken en de zichtbare uitbreiding op scherm of papier blijft raadselachtig. Ik zal dat nooit begrijpen. Maar tegelijk heb ik de lijn van het betoog meestal wel in mijn hoofd en dat dwingt me om het verhaal dan toch maar af te maken. Dwang, dat is het goede woord: ik weet wat er nog moet komen, en meestal twijfel ik ook niet erg over de volgorde. Die blijkt er al te zijn, zelfs als ik dat van tevoren niet zo goed kan uitdrukken. Daarvoor schrijf je dingen immers ook op: om te ontdekken wat je al weet, maar toch niet wist. Of omgekeerd: om te ontdekken wat je wel wist, maar toch niet weet – daar kom ik zo snel even niet uit.

Als schrijvende kijk ik soms wel vertwijfeld naar de aantekeningen beneden de cursor. Zonder de zinnen al te kennen die me naar ze toe moeten brengen, besef ik soms dat ik nog wel wat alinea’s nodig heb. Dat stemt vanwege de tijd die het kost, niet altijd vrolijk. Als schrijvende schrap ik trouwens ook hele alineablokjes, die met een beetje geluk aan de kant gezet kunnen worden om daar later nog eens iets afzonderlijks van te maken. En bijna altijd heb ik aan het eind nog woorden en flarden over die ik maar niet behandel. Soms gooi ik het restmateriaal weg, meestal zoek ik uit of er iets tussen zit dat als kern voor een later stukje dienen, en dat zet ik dan weer weg voor de toekomst.

Maar vandaag wist ik dus dat het heel simpel kon. Ik heb weliswaar nog tientallen ideetjes – minstens zestig – in evenzovele documenten klaar staan, ik heb ook enkele stukken staan die alleen nog maar voltooid hoeven te worden, ik vroeg me zelfs af of ik nog niet een korte nabeschouwing moest schrijven over een zaak die deze week nogal wat aandacht trok, vandaag besloot ik dat het wel aardig zou zijn om het bij enkele eenvoudige observaties te houden. Eindelijk eens een kort stukje. Ik bedacht namelijk dat we zulke rustige tijden beleven en daar had ik wel iets, maar niet bar veel over te zeggen.

Vanmorgen kwamen al twitterend de herinneringen aan mijn geboortepolder – dat was het en sociologisch gezien is dat iets heel anders dan een geboortedorp, meer iets met kleine autonome eilandjes, om het bij een korte aanduiding te houden – naar boven en toen bedacht ik ook dat de eerste herinnering, die van landelijke rust, niet helemaal klopt. Ik herinner me ook hoe in de jaren zestig en zeventig, toen er nog veel minder snelwegen en zelfs tweebaanswegen waren dan nu, op vrijdagmiddagen een lange stroom van auto’s en vrachtverkeer over de smalle polderwegen denderde, zozeer zelfs dat we ons het beeld herinneren van een buurman die met zijn tractor er gedurende twintig minuten of zo – dit ga ik niet kapot navragen – maar niet in slaagde vanuit het land de weg op te komen. Meer herinneringen kwamen op: hoe allerlei plaatsen dertig of veertig jaar geleden veel drukker waren dan nu.

Langzaam vormden zich tussen de bedrijven door enkele ideetjes, die ik optikte. Ik kon beginnen bij mijn straat, die nu veel rustiger is dan pakweg een decennium geleden, vervolgens de blik naar de Wibautstraat richten, waar in de jaren tachtig, voor de opening van de Zeeburgertunnel in 1990, vaak lange files stonden, waar je je op de fiets of als voetganger maar doorheen moest zien te wurmen, iets wat je je nu niet meer voor kunt stellen, en dan een handjevol situaties in de Amsterdamse binnenstad beschrijven: de auto’s die vroeger op de grachten schots en scheef op de bruggen stonden, de vrachtauto’s die in de Jordaan bochten niet haalden en panden ramden, het vrachtverkeer op de Nieuwezijds Voorburgwal, waar tot in de jaren zestig kranten voor heel Nederland gemaakt werden, terwijl het me nu kan overkomen dat ik ook op een doordeweekse dag als voetganger daar zo ongeveer de enige op straat ben, tot aan het vertrek van papiergroothandel Proost en Brandt van het Rusland.

En zo nog het een en ander. Meer voorbeelden schoten me te binnen. Maar ook bedacht ik ineens dat een stukje over toegenomen rust alleen aan de hand van het verkeer, van de wegen in mijn geboortepolder en van de straten in het naburige stadje Hasselt, waar in mijn jeugd een vrijwel permanente file van auto’s, grote vrachtwagens en autobussen vol scholieren zich door het hele stadje slingerde, tot aan de heerlijke en vriendelijke oases van rust en orde die je nu overal in de Amsterdamse binnenstad vindt en die er dertig jaar geleden zo niet waren, wat mager zou zijn. Ik zou meer voorbeelden van de rust die ons huidige leven kenmerkt, moeten geven. Ik dacht aan de postkantoren of de bankfilialen waar je je vroeger op vrijdagmiddag nog snel naar toe moest spoeden omdat je anders niet genoeg geld voor het weekend in huis had (en waar je dan vervolgens vijfentwintig minuten in een eindeloze, slingerende rij stond). Ik dacht aan de supermarkten waar je je vanuit je werk komend nog snel voor zes uur naartoe haastte of waar je op zaterdagmiddag wel voor vijf uur geweest moest zijn – lastig als je ook ergens een vergadering of symposium of gewoon een verjaardag had – om op zondag niet zonder eten te zitten (waarbij dan de volgende dag steevast bleek dat je uitgerekend de koffie of de lucifers, die op waren, vergeten had).

Langzaam tekenden de contouren voor een klein stukje zich af. Heerlijk, eindelijk simpel. Dit keer zou het echt in driehonderd, hooguit vijfhonderd woorden lukken. En toen begon me iets te dagen. Had ik hier al niet eens over geschreven? Mijn oude web-log – met dat irritante streepje dus – met alle pakweg 500 stukjes is door de nu al tweeëneenhalve maand aanhoudende problemen bij Sanoma nog steeds voor het grootste deel onvindbaar, maar gelukkig is er nog Google Cache. En ja hoor, even zoeken leverde direct resultaat op. Op 1 februari 2007 had ik al eens een stukje geschreven, Rustiger getiteld. Dat een aantal voorbeelden ongeveer dezelfde waren als waar ik nu op kwam, dat verbaasde me niet zo erg. Maar dat ik ook toen meende aan het eind van de beschouwing der ruimtelijke rust nog even de toenmalige tegenstelling tot de huidige ongehaastheid van bezoeken aan geldautomaat en levensmiddelenwinkel te moeten noemen, dat trof me wel. Ik schrijf dus kennelijk altijd hetzelfde. Of ik bedenk steeds hetzelfde als nieuw, dat kan ook. Het is iets dat me bij het doornemen en verwerken van briefjes met ideetjes trouwens ook regelmatig opvalt: ik noteer in een week tijds rustig zes keer hetzelfde volstrekt nieuwe idee dat me ineens treft.

Wat me vooral opviel, was dat ik het toen eigenlijk veel beter opschreef. Dat stelde me gerust. Daarom krijgt u vandaag geen stukje van me.

Wel zo rustig.

(18)

3 Responses to “Altijd hetzelfde – Over een stukje dat ik niet meer hoef te schrijven”

  1. Geloof me of niet, dit is het eerste stukje van jou dat ik tot het einde gelezen heb!

    • Ik geloof je best. Dat over Luther is trouwens veel leerzamer, omdat ik daar als zodanig kenbare zaken bijeenzet, die ik althans niet zo in één tekst verzameld kon vinden. Dat over William Spark is veel onderhoudender. Dat over seculariteit is niet helemaal rond, maar geeft juist daarom veel meer te denken: aan het eind heb ik wat gerepareerd; het stukje was niet slecht, maar door het schrijven kwam ik op nadere gezichtspunten. En zo zijn er diverse stukjes die volgens mij of leerzamer of onderhoudender zijn of in ieder geval van meer ijver en onderzoek getuigen. Maar een ieder staat vrij te lezen wat hij of zij – voegde men twintig jaar geleden dwangmatig en nu spontaan toe – de moeite waard vindt. Of waar hij per ongeluk de ogen te lang op laat rusten, dat kan ook.

Trackbacks

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: