Grondwettelijke orde – Over een uiting van verlangen

door Jan Dirk Snel

.:.

Gisteren was op de televisie in het programma Nieuwsuur (vanaf ongeveer minuut 43) te zien hoe een voetballer, een zekere Douglas, tot Nederlander werd genaturaliseerd. Ik had eerlijk gezegd nog nooit van de jongeman, die bij een in het Overijsselse Enschede gevestigde club schijnt te spelen, gehoord. Ik vond voetbal altijd leuk om te doen, maar ik mis eenvoudigweg de Ausdauer om ernaar te kijken. Ik ben snel afgeleid; bij grote wedstrijden probeer ik, alleen al vanwege de gezelligheid, wel eens met anderen mee te kijken, maar ik betrap me erop dat ik toch binnen een mum van tijd in een boek of krant zit te lezen. Die Douglas was en blijft, denk ik, Braziliaan en zijn afkomst schijnt te verklaren dat men hem, net als dat bij vorsten de gewoonte is, alleen bij zijn voornaam aanduidt. Romário, Ronaldo, Ronaldinho, dat rijtje: ja, zelfs ik vang ongewild wel eens wat op.

De Grolsch Veste – naar een van origine uit Groenlo afkomstig biermerk vernoemd voetbalstadion te Enschede (foto: Angelo Romano)

Maar goed, het aardige – of gezien het volgende ook wel: onaardige – was dat we ineens beeldend met de voltooiing van de inburgering en de verkrijging van het Nederlanderschap geconfronteerd werden. De burgemeester van Enschede las de tekst van de zogenaamde ‘verklaring van verbondenheid’ voor, waarop de jongeling vervolgens moest zeggen dat hij wat daarin stond, verklaarde en beloofde. Ik citeer de tekst uit artikel 23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap:

‘Ik zweer (verklaar) dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer (beloof) de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’

Degene die de verklaring aflegt, kan ter bevestiging kiezen uit ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’, of ‘Dat verklaar en beloof ik’. Bij de heer Texeira – hij heeft wel een achternaam – werd het dus de versie met het verklaren en beloven. Het gaat hier om een harde voorwaarde. Bij het aanvragen van het Nederlanderschap moet men al onderschrijven dat men bereid is de verklaring af te leggen en het besluit tot verlening daarvan wordt ‘niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd’, zoals de wet herhaalde malen stelt.

Wat hiervan te zeggen? Ik denk dat we vanzelfsprekend iets heel kritisch moeten stellen, maar dat in deze vreemde gang van zaken misschien ook wel iets ontroerends zit. Hoe het ook zij, de opname van de verklaring van verbondenheid en dan vooral déze tekst is een uiting van een staat en een natie – op dat verband kom ik nog te spreken – die verregaand in de war zijn, dat lijkt me wel helder.

De kritische noot ligt, dunkt me, voor de hand. Het tv-fragment trof me omdat het enigszins beschamend was. Dat men nieuwkomers dit verplicht laat verklaren, is – laten we het voorzichtig houden – bepaald geen uiting van fijngevoeligheid van overheidswege. Ik heb toch al mijn twijfels bij dat hele verplichte integratiegebeuren en volgens mij hadden we er nooit aan moeten beginnen – aan dat verplichte traject dan, tegen het aanbieden van scholing is helemaal niets en dat valt zelfs zeer toe te juichten -, maar er valt mogelijk nog iets voor te zeggen. Maar de eindfinale slaat alles. Alleen wie bereid is zich te lichtelijk laten beledigen, kan dus nog Nederlander worden. Dat is nooit goed voor het zelfrespect van een natie.

Ik zal dat uitleggen. Dat het Nederlanderschap – het woord verscheen voor het eerst in 1850 in een wet – zekere rechten en plichten met zich meebrengt, dat ligt, dunkt mij, voor de hand. Dat zal ook voor het Belgschap, Nepaleesschap of Chileenschap gelden. Maar waarom zou je iemand expliciet zelf laten verklaren dat ie dat erkent? Wie als Nederlander geboren wordt, heeft die rechten en plichten ook, en die heeft ook nooit hoeven te verklaren dat hij ze respecteert, of hoeven te beloven dat hij ze getrouwelijk zal vervullen. Nu kun je nog zeggen dat het natuurlijk anders is als iemand zélf Nederlander wil worden, maar uit het oogpunt van gelijke behandeling zou het dan nog meer voor de hand liggen om de kandidaat van naturalisatie gewoon de gevolgen van zijn aanvraag voor te houden. Uit het oogpunt van rechtsgelijkheid zou dat consequenter zijn: wat voor Nederlanders geldt, alle dus, kun je ze gewoon vertellen. Degenen die hier geboren zijn, komen er gaandeweg wel achter, nieuwkomers moet het misschien even uitgelegd worden.

Maar dit is nog tot daaraan toe. De saillante term in de verklaring van verbondenheid is: ‘grondwettelijke orde’ en wel die ‘van het Koninkrijk der Nederlanden’. Sinds 1 maart 2009 staat die in de wet. Dat is een regelrechte flauwekulterm en al helemaal in dit verband. Je kunt dat gemakkelijk laten zien. Dit is werkelijk de enige wet en het enige artikel waarin het begrip voorkomt. De term is dus voor de gelegenheid verzonnen. Ze verwijst naar niets dat wettelijk al bestond. In dat opzicht lijkt ze een beetje op ‘democratische rechtsorde’, die eigenlijk alleen in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (artikelen 6 en 13) en de daarmee samenhangende Wet veiligheidsonderzoeken voorkomt. Het gaat dan steeds om lieden en organisaties die een ‘gevaar’ voor – meestal: het voortbestaan van – de ‘democratische rechtsorde’ vormen. (Daarnaast is er dan in de Wet overige BZK-subsidies dan nog een keer sprake van ‘de ontwikkeling van de democratische rechtsstaat en rechtsorde in Aruba, Curaçao en Sint Maarten’.) Ook daar zie je dus dat men iets probeert te beschermen dat verder wettelijk nauwelijks gedefinieerd is, maar op zich kun je je nog wel voorstellen wat men onder een ‘democratische rechtsorde’ verstaat.

Met ‘de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten’ die men – hier: letterlijk – nieuwe Nederlanders laat respecteren, ligt dat iets anders. Dat men verwacht dat die mensen, net als alle ingezetenen en allen die hier tijdelijk verblijven, de wetten en de rechtsorde zullen respecteren, dat ligt voor de hand. Maar wat is een grondwettelijke orde? En waarom moet die specifiek gerespecteerd worden? Ik vrees dat hier een ernstig misverstand in het spel is. Het doet allemaal een beetje denken aan het bekende verhaal over Ayaan Hirsi Ali die in een tv-uitzending ooit aan kinderen op een islamitische school vroeg om te kiezen tussen de Grondwet enerzijds en de Koran – of Allah of de Schepper, de weergaven variëren enigszins – anderzijds. Dat was natuurlijk een heel merkwaardige vraag, omdat het om heel verschillende grootheden gaat. Iemand die zou zeggen dat hij zich in zijn persoonlijk leven moreel door de Grondwet laat leiden, zou ik in ieder geval niet helemaal vertrouwen. Men mag van mensen verwachten dat ze een andere bron van ethiek of een goed leven hebben, hoe die ook precies luidt. De Grondwet is geen leidraad voor het leven van de burgers, het is het regelboekje waar de overheid zichzelf vrijwillig aan gebonden heeft en waar enkele essentialia van het staatsgebouw in opgetekend staan. De vraag van Hirsi Ali gaf vooral aan hoe slecht ze zelf in feite nog ingeburgerd was: ze begreep eenvoudig niet waar de Nederlandse Grondwet voor bedoeld is.

Dat is ook hier het grote bezwaar. De overheid dient de Grondwet te respecteren, het is onzinnig om dat van burgers te vragen. De Nederlandse Grondwet is op 24 augustus 1815 door de toen nog zeker soevereine vorst, koning Willem I, gegeven. Hij wilde ‘de inwoners van het nieuwe Rijk onder gelijke Staats-instellingen vereenigd’ zien. De Grondwet, kun je zeggen, is een wijze zelfbeperking van de soeverein of, meer abstract, de soevereiniteit. De inwoners weten waar ze aan toe zijn. En ze kunnen er rechten aan ontlenen. De Grondwet is in de 196 jaren die inmiddels verstreken zijn, vaak herzien – ook in het mythische jaar 1848 ging het slechts om een herziening, echt niet om een nieuwe grondwet – maar in principe geldt nog steeds hetzelfde principe: het gaat vooral om een openbare handleiding voor de interne organisatie van de overheid en verder kunnen burgers er zich op beroepen. Dat de verklaring van verbondenheid dus ‘vrijheden en rechten’ aan de ‘grondwettelijke orde’ toeschrijft, is helemaal terecht, maar dat zijn dingen waar je je als burger juist op kunt beroepen. Het valt niet in te zien hoe je ze zou kunnen respecteren. Alsof je ze ook niet zou kunnen respecteren. Het is de staat die ze moet handhaven, dat is geen rechtstreekse aangelegenheid van de burgers. Kortom, die hele frase over het respecteren van de grondwettelijke orde is een beetje flauwekul – en in die zin een belediging van iedereen die het Nederlanderschap verwerft. Je vraagt nieuwelingen iets waarvan niemand enig benul heeft wat het zou kunnen zijn. Maar veel kwaad kan het ook weer niet: er staan toch geen sancties op. Een loze frase is het, meer niet.

In de Grondwet worden diverse vrijheden of rechten geformuleerd, maar nauwelijks plichten. Als ik niets over het hoofd zie, wordt er met zoveel woorden alleen gesteld dat mensen voor de dienstplicht kunnen worden opgeroepen (artikel 99) of dat ‘ten behoeve van de civiele verdediging’ (artikel 99a) plichten kunnen worden opgelegd. Uiteraard volgen er materieel wel wat meer plichten uit de Grondwet. Dat de overheid belastingen kan opleggen, staat er bijvoorbeeld ook in (artikel 104). Op mogelijk nog andere zaken ga ik het document nu niet navlooien. Maar dat de overheid van alles kan opleggen, dat ligt voor de hand. De wet – en dat is heel wat meer dan een grondwettelijke orde – dient men toch al te respecteren. De verklaring van verbondenheid vraagt nieuwe Nederlanders om ‘de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen’. Dat klinkt heel vroom en menigeen zal onmiddellijk instemmend knikken, maar ook staatsburgerschap is wettelijk nauwelijks verankerd. Maar het is een mooi begrip en je kunt je er veel fraais bij voorstellen.

Dat was het zuur, nu het zoet. De verklaring van verbondenheid mag dan een beetje knullig zijn, in alle onhandigheid is ze ook een beetje ontroerend. Alleen dat woord al: verbondenheid. Men wil dus graag dat de nieuwkomers zich met onze orde en dus met ons verbonden weten. Dat was ook het schattige van de merkwaardige vraag van Hirsi Ali: ze dacht dus echt dat de Grondwet een norm, of beter een heel pakket aan normen en mogelijk zelfs waarden, aanreikt. En in indirecte zin is dat ook zo. De Grondwet mag dan ooit wel van bovenaf door de soeverein aan de onderdanen zijn gegeven, juist door de orde die ze schiep, zijn die onderdanen ook burgers geworden, die gaandeweg steeds meer in de melk te brokkelen kregen en in die zin is de Grondwet ook steeds meer een uitdrukking geworden van wat wij burgers van onze overheid verwachten. Indirect schept ze wel degelijk een orde waarin we ons bewegen kunnen en waarmee we ons verbonden kunnen voelen.

Uiteraard is dat beperkt. En de overheid heeft er van alles aan gedaan om daarbij zelf verwarring te zaaien door bijvoorbeeld de Algemene wet gelijke behandeling zo nauw aan artikel 1 van de Grondwet te koppelen. Ik zou niet graag alle lieden voor de dis willen uitnodigen die echt denken dat er in artikel 1 van de Grondwet staat dat wij onze medemensen niet mogen discrimineren, terwijl het daar toch werkelijk alleen om een regel voor de overheid gaat. Alleen via de specifieke wet wordt ‘ter bevordering van de deelneming op gelijke voet aan het maatschappelijk leven’ bescherming geboden tegen allerlei vormen van onderlinge discriminatie. Dat is op zich een fraai streven, maar het was verstandig geweest om dat losser van de verticale bescherming door de Grondwet te zien.

De verklaring van verbondenheid wijst op het diepe verlangen samen een eenheid te vormen. Er wordt soms beweerd dat de natiestaat een typisch negentiende-eeuwse vinding zou zijn geweest, waar wij inmiddels bovenuit zijn gegroeid, maar ik geloof daar niets van. Het is waar dat we inmiddels ook in andere, ruimere verbanden zijn opgenomen, defensief in de NAVO bijvoorbeeld – het gaat hier om een oude kerntaak van de overheid: de bescherming ten opzichte van de buitenwereld -, economisch en anderszins in de Europese Unie, maar dat doet er niets vanaf dat de natiestaat momenteel sterker is dan ooit en als impliciet idee krachtiger is dan ooit. Juist omdat De eenwording van Nederland – zoals de bekende boektitel van Hans Knippenberg en Ben de Pater uit 1988 luidt – zo geslaagd is en vele verschillen – regionale, sociale, levensbeschouwelijke – in hoge mate overwonnen zijn, vormen we nu meer dan ooit één natie, die zich vooral uit in de vorm van een nationale communicatiegemeenschap.

Dat moet ook de achtergrond van de wat knullige formuleringen in de verklaring van verbondenheid zijn. Het is een uiting van het hedendaagse nationalisme en men wil dolgraag dat ook nieuwkomers erbij horen. In die zin kun je de verklaring ook als een uitnodiging lezen: kom erbij! Dat de Nederlandse Grondwet zich niet zo goed leent voor een rol als verbindend document moeten we daarbij maar een beetje over het hoofd zien. Het gaat om een zekere terugkeer naar de gedachte van het sociaal contract, zoals die ook in de befaamde unitaristische Staatsregeling voor het Bataafsche Volk van 1798 te vinden was. Daarin werd de staat als een product van ‘maatschappelijke vereeniging’ voorgesteld, werd er gerept van een ‘Maatschappelijk Verdrag’ – de letterlijke vertaling van contract social – en werd gesteld dat de ‘Oppermagt berust in de gezamelijke Leden der Maatschappij, Burgers genoemd’ (artikel 2 van de eigenlijke Acte van Staatsregeling). We zijn allen een en hebben samen iets dat ons verbindt, dat was toen en dat is ook nu de gedachte.

Het is op zich best een ontroerend streven, maar het nadeel is wel dat het keurslijf ook wat benauwend kan worden. Hoe meer we samen virtueel geacht worden te onderschrijven wat ons verbindt, hoe minder ruimte er komt om individueel en vooral groepsgewijze af te wijken. Dat is de tendens die we momenteel zien. Dat streven is nu tamelijk spontaan, maar het is wel de uitkomst van wat ooit een bewust streven was en dat nu vanwege het succes niet meer hoeft te zijn. Maar enig wantrouwen is ook op zijn plaats, met name voor minderheden die graag ook nog iets voor zichzelf willen overhouden.

Hoe het ook zij, momenteel doet de paradox zich voor dat nieuwkomers door middel van een formele verklaring over een niet-bestaande grondwettelijke orde iets meer met ons verbonden zijn, dan de rest van ons dat is.

Maar het verlangen is ontroerend

(17)

One Trackback to “Grondwettelijke orde – Over een uiting van verlangen”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: