Onbehoren – Over de Tweede Kamer, individuele gevallen en partijcongressen, over Mauro dus

door Jan Dirk Snel

.:.

Vorige week woensdag schreef ik hier een stukje onder de titel Behoren. Het ging over het gegeven dat elk mens in een concrete situatie in de wereld komt, waarmee bepaalde banden met andere mensen, zwakke en sterke banden, al gegeven zijn. Sterke banden heb je met je familie en allerlei verwanten, zwakkere relaties onderhoud je met allerlei groepen. Jij hebt al een verleden op het moment dat je geboren wordt, daar komt het op neer.

Direct had ik al een aantekening gemaakt voor een noodzakelijk tegenstukje: dat er namelijk ook mensen zijn die nergens bij behoren of vooral nergens meer bij behoren. Aan de ene kant heb je misschien een kleine klasse van rijke kosmopolieten, die appartementen in diverse steden in de wereld hebben en voor wie grenzen niet bestaan en voor wie luchthavens zoiets als tramhaltes zijn. Aan de andere kant heb je de stroom vluchtelingen en asielzoekers die op zoek naar een vaste plek, een nieuw toebehoren, over de wereld trekken en die zelfs als ze al jaren of soms decennia in vluchtelingenkampen leven, daar niet thuis horen. Je kunt daar meer over zeggen: hoe toeristen de hele wereld overvliegen, ook naar de landen vanwaar de gemartelden en onderdrukten de grens in omgekeerde richting niet over komen, hoe uit het tegenvoorbeeld van de mensen die nergens bij horen, blijkt hoe ongelooflijk luxueus de pretentie een kosmopoliet of wereldburger te zijn in feite wel niet is, maar ik wilde me nu even tot een concrete zaak beperken, die de naam van een mens draagt: Mauro.

Congressen kopen geen straaljagers volgens Henk Vredeling: F-16 op het Spuiplein in Den Haag (foto: Roel Wijnants)

Ik ken niet alle ins and outs van de zaak. Ik weet niet precies waarom die jongen naar Nederland is gekomen, waarom de procedures bij elkaar zo lang hebben geduurd en waarom hij uiteindelijk bij de rechter ongelijk heeft gekregen. Ik vind het ook te snel om dan te concluderen dat de wet niet helemaal deugt. Het zou kunnen zijn dat wettelijke bepalingen op zich inhoudelijk best kloppen – iedereen is het er over eens dat je inzake asielverzoeken alleen al uit praktisch oogpunt strenge criteria dient aan te leggen – en dat juist door de zorgvuldigheid van de procedures en de bezwaar- en beroepsmogelijkheden die het bestuursrecht in het algemeen al biedt, de zaak zo lang is gaan slepen. Maar wat ik dan wel weet, is dat twee mogelijk op zich deugende wettelijke principes – zorgvuldige inhoudelijke asielwetgeving en zorgvuldige procedures en beroepsmogelijkheden – hier samen tot een situatie van onrecht geleid hebben. En ik zei: mogelijk, want ik weet er te weinig van. Wat ik ook wel weet, en dat is wat volgens mij de meeste Kamerleden ook vinden, is dat je menselijk gesproken een jongen die ergens thuishoort – daar heb je dat behoren weer – niet maar zo uit die situatie losrukt en hem naar een voor hem grotendeels onbekend land stuurt, alleen omdat regels toegepast moeten worden. Ook al zouden die regels op zich goed zijn, hier leveren ze samen een uitkomst op die niet goed is en die geen enkel doel dient en alleen maar mensen kapotmaakt.

Ik wil het nu nog over één punt hebben, namelijk over de opmerking dat de Tweede Kamer zich niet met individuele gevallen moet bemoeien. De SGP-er Kees van der Staaij zei daar gisteren dit over:

‘De Kamer moet geen pleitbeslechter worden in individuele situatie. Dan gaat de Kamer op de stoel van de rechter zitten, en van het bestuur, de minister. Dat is staatsrechtelijk onjuist en uit menselijk oogpunt buitengewoon onwenselijk. Bovendien leidt dat tot rechtsongelijkheid en willekeur. Lopen we het risico dat de aaibaarheid en/of de media-aandacht een selectiecriterium wordt om een individuele zaak wel of niet in de Kamer te behandelen. Daarom hebben wij grote moeite om ons in een simpel ja of nee tegen uitzetting in deze situatie uit te spreken. Dat zullen we dan ook niet doen!’

En ik heb maar een klein stukje van het debat live gevolgd, maar ik zag dat hij aan deze lijn consequent volhield. Ik zag ook op Twitter dat sommige mensen heel boos op hem werden, terwijl anderen hem prezen vanwege zijn staatsrechtelijke zuiverheid. Laat ik dit zeggen: ik denk dat Van der Staaij staatsrechtelijk helemaal gelijk heeft, of althans heel veel, maar dat het de vraag is of bij de uiteindelijke keuze die op zich volledig juiste overweging nog wel de doorslag kan geven. De concrete keuze is immer niet die tussen twee staatsrechtelijke opties, maar draagt een moreel gehalte. De Kamer heeft trouwens wel eerder over individuele gevallen gepraat. We herinneren ons allen nog het debat van 28 op 29 juni 2006 over het Nederlanderschap van Ayaan Hirsi Ali, die kennelijk ooit onder de naam Ayaan Hirsi Magan door het leven was gegaan. Ook dat was een individueel geval, maar ook daar speelden vele anonieme gevallen op de achtergrond een rol. In feite ging het om een regelrecht frauduleuze redenering van de Hoge Raad, waarbij aan mensen tegen alle bedoelingen van de wetgever in alle rechtswegen onthouden werden omdat ze zogenaamd niet juist geïdentificeerd konden worden. (Ik heb daar toen een blog over geschreven, maar die is helaas nog steeds onvindbaar.) Ik vraag me nog wel eens af hoe het met al die anonymi op de achtergrond, die met precies hetzelfde probleem als Hirsi Ali kampten, is afgelopen.

Van der Staaij heeft wat mij betreft gelijk dat de Kamer niet al te snel over individuele gevallen moet gaan beslissen, maar daarbij werd door anderen wel opgemerkt dat Kamerleden bijvoorbeeld via vragen en andere acties ook, en terecht, voortdurend de aandacht op individuele, vaak schrijnende gevallen – dat zijn dus mensen – vestigen. Waar de grens precies loopt, weet ik niet, maar ik vermoed dat hij zou stellen dat bij het stellen van vragen de staatsrechtelijke rollen juist zorgvuldig in acht worden genomen – Kamerleden vragen, bewindslieden antwoorden –, terwijl hier de Kamer op de stoel van de minister is gaan zitten. De discretionaire bevoegdheid is hem niet voor niets gegeven. Die is juist in de wet opgenomen om in gevallen waarin juiste toepassing van alle regels toch tot uitkomsten leidt die onrechtvaardig zijn. Dat is inderdaad de bevoegdheid van de minister.

Heeft de Kamer hier dus een grens overschreden? In zekere zin misschien wel. Maar ook die constatering heeft een beperkte draagwijdte. Staatsrecht is nu eenmaal uit zijn aard flexibel. De Kamer heeft nu eenmaal het recht om zelf te bepalen waar ze over vergaderen wil. Als ze het dus wil hebben over hoe een minister met zijn bevoegdheden omgaat, dan kan ze dat doen. Het is niet altijd gezegd, dat alles wat kan, ook verstandig is, maar staatsrechtelijk geldt uiteindelijk wel dat wat kan, ook mag. En de Kamer kan zelf bepalen waar ze moties over indient en waar ze over stemt. Moties zijn op zich geen dwingende uitspraken. Bewindslieden kunnen die naast zich neerleggen. Maar juist daarom kunnen moties ook over alles gaan. De Kamer maakt hier gebruik van de mogelijkheden die ze heeft. Je kunt dan wel zeggen dat dat staatsrechtelijk onjuist en ongewenst is, als de Kamer het wil, komt er een ogenblik waarop het op zijn minst wel gewenst is en volgens velen ook wel degelijk juist. Op de stoel van de rechter gaat ze in ieder geval niet zitten, omdat de wet met het opnemen van de discretionaire bevoegdheid een allerlaatste beslissing al weer van de sfeer van het zuivere recht naar die van de politiek heeft overgeheveld.

Maar er is een veel belangrijkere vraag: waar is de grensoverschrijding eigenlijk begonnen? Wanneer zijn Kamerleden zich met de discretionaire bevoegdheid van de minister gaan bemoeien? En het ziet er naar uit dat daar de crux ligt. Het heeft er alle schijn van dat de minister niet helemaal vrij van zijn discretionaire bevoegdheid gebruikt heeft gemaakt, maar door een gedoogpartij onder sterke druk was gezet. Daar ligt de crux. In veel opzichten is het afgelopen jaar me meegevallen ten opzichte van de vrees die ik vorig jaar had, het minderheidskabinet fungeert in veel opzichten als een soort buitenparlementair kabinet, dat afhankelijk is van wisselende meerderheden. Het heeft de steun van de ‘oppositie’ voortdurend nodig en krijgt die ook herhaaldelijk, soms van het blokje D66-GL-CU met 25 zetels enerzijds en van de PvdA, die in zijn eentje iets meer zetels (30) heeft dan dit drietal samen, anderzijds. Maar zodra het gaat om de onderwerpen van het gedoogakkoord, zijn ministers met handen en voeten gebonden en zo bang als de dood. Dat geldt nu ook voor Gerd Leers.

Daar ligt de fout: de minister gebruikte zijn discretionaire bevoegdheid niet meer vrij en daarom had de Kamer alle reden om er zich mee te gaan bemoeien. Het waren andere Kamerleden die de grens overschreden. Het wordt gewoon tijd het gedoogakkoord met de PVV op te zeggen of er zich niets van aan te trekken, zodat die club zelf maar conclusies moet trekken. Wilders en zijn groepje slaafse afhankelijken – ook de leden van de fractie zijn op misschien Hero Brinkman na naar verluidt doodsbang voor hem – hebben politiek toch hun langste tijd gehad. Verder zullen ze het qua macht nooit meer schoppen. Wilders zal nooit minister worden en hij zal ook nooit meer aan een volgend kabinet deelnemen. Het akkoord heeft vooral tijd geboden om nog luider door te gaan met het loze geschreeuw. Het hele frame waarin de PVV als een vorm van fascisme gezien wordt, klopt ook niet. Het gaat gewoon om een stelletje oproerkraaiers, leugenaars, tuig van de richel, meer niet. Door Wilders’ onfatsoen tijdens de algemene beschouwingen kwam dat nu meer uit dan ooit. Zijn opzetjes werken niet meer. Niemand heeft het over dat dwaze minarettenreferendum, iedereen heeft het alleen maar over zijn wangedrag.

Congressen gaan niet over straaljagers, zei Henk Vredeling ooit, en ze gaan ook niet over individuele asielgevallen, voegen anderen daar nu aan toe. True, in het algemeen dan. Goede stelregel. Maar soms gaan ze daar dus wel over en het CDA-congres van morgen gaat daar om goede redenen nu wel over, gewoon omdat de partij vorig jaar de kardinale fout heeft gemaakt aan te pappen met de verkeerde figuren, die zich bemoeien met zaken die hun niet aangaan. Het is de gedoogpartner, de PVV, geweest die een minister structureel onder druk heeft gezet, en daarom moest de Kamer zich hier wel mee bemoeien en door de verdeeldheid in de fractie moet het congres zich hier nu ook wel mee bemoeien. Zo gaan de dingen soms. Van der Staaij had op zich gelijk dat het niet alleen staatsrechtelijk onjuist is als de Kamer zich met individuele gevallen bemoeit, maar ook ‘uit menselijk oogpunt buitengewoon onwenselijk’, maar het punt is dat de onmenselijkheid hier van een gedoogpartner kwam, die het CDA zelf in die positie gehesen heeft, en daarom moet uit menselijk oogpunt niet alleen de Kamer, maar ook het CDA-congres zich wel eens met zo’n mens bemoeien. Want achter die ene mens die we bij name kennen, gaan wel degelijk andere mensen schuil. Het CDA moet ervoor zorgen dat minister Leers zijn discretionaire bevoegdheid ook weer echt zelf kan uitoefenen, zonder angst voor foute figuren.

Het is een uitgelezen kans niet alleen Mauro te helpen, maar ook de fout van vorig jaar enigszins te herstellen. Weg met dat gedoogakkoord. Dit is niet de tijd voor nieuwe verkiezingen, maar het kabinet kan nieuwe vormen van samenwerking met anderen aangaan. Er ligt een soort verkapt gedoogaanbod – althans op onderdelen en gedoogakkoorden gaan, weten we nu, alleen over een beperkt aantal thema’s – van D66, GL en CU in de gezamenlijke verklaring van een paar weken geleden. Nu is het de tijd dat het CDA echt ‘verantwoordelijkheid kan nemen’, om maar eens een uitdrukking te gebruiken waar men binnen die kringen dol op is, en zich naar de oppositie toe open kan opstellen. Dit is ook de tijd waarin de PvdA, D66, GL, CU en andere oppositiepartijen kunnen laten zien dat ze het landsbelang hoger achten dan allerlei partijgedoe, zoals die partijen het afgelopen jaar al vaak hebben laten zien. Daar zullen ze op enige termijn ook bij de kiezer wel degelijk indruk mee kunnen maken. Terwijl Wilders en de PVV alleen maar stomme spelletjes spelen, voortdurend met non-issues op de proppen komen, kunnen zij laten zien dat de eurocrisis en dat het gewone alledaagse beleid voor hen vooropstaat. Als je het populisme links laten liggen als de quantité negligeable die het is – het is geen uiting van diep onbehagen, dat is het eeuwige misverstand, maar een kwestie van oppervlakkig geschreeuw en weinig wol – zal het ongetwijfeld niet direct als sneeuw voor de zon verdwijnen, maar op den duur zal het door zijn krachteloosheid wel degelijk wegebben. Tegen een serieuze politieke cultuur, die zijn kracht toont, kan het echt niet op. Die toont namelijk dat je je om de echte, niet de verzonnen, problemen van mensen en van kiezers bekommert.

Onze politiek cultuur is opener, democratischer, parlementairder en florissanter dan ooit. Alleen die ene rotte appel moeten we even aan de kant smijten. Dat is alles.

Dat is niet alleen goed voor Mauro, maar voor alle mensen in dit land.

(13)

9 Responses to “Onbehoren – Over de Tweede Kamer, individuele gevallen en partijcongressen, over Mauro dus”

  1. Volgens mij heet hij Kees (niet Cees) van der Staaij. Verder precies wat ik gisteravond dacht. Alleen de helderheid van je betoog, die miste ik nog even.

    • Dank. Ik zal de naam direct even aanpassen. Ik maak altijd stomme tik- en formuleringsfouten die ik er voor plaatsing nooit uitkrijg en die ik pas na verloop van tijd en veel overlezen zie. En soms helpen anderen me daarbij, waarvoor ik hen graag dank zeg. Dat geldt nu ook voor jou.

  2. Goed verhaal. Voor mij glashelder.Ook de mythe over het diepe onbehagen goied getackeld.Chapeau.
    Ik hoop dat het Cda-congres verstandig en menselijk gaat reageren. De vrees voor Wilders wordt langzamerhand potsierlijk.

  3. Ik ben het helemaal met je eens.
    Het is best wel een lastige situatie, die uiteindelijk vast loopt op een paar punten.
    Een groot punt heb je zelf al genoemd met dat zinnetje uit het regeer-/gedoog gedrocht.
    Een ander belangrijk punt is ontstaan op het moment dat besloten werd dat Mauro en de 75 andere kinderen in een pleeggezin werden geplaatst. Op dat moment is er is er nooit rekening gehouden met de ontwikkeling die een kind doormaakt in dat pleeggezin. Deze situatie had gevolgen moeten hebben.
    We kunnen niet zeggen dat dit niet te voorzien was.

    Het gaat er in dit geval helemaal niet om de ‘status’ van Mauro. Het gaat over een kind dat van zijn 9e tot zijn 18e in een pleeggezin zit.
    Een EU-rechter zal kijken naar zijn belangen hier en in Angola. Aangezien de rechter niet nu kijkt, maar op het moment van de zitting zal Mauro nog langer in NL zijn, wat de kans groter maakt op een beslissing dat Mauro in NL mag blijven.
    Formeel ziet Leers geen mogelijkheid. Maar het gaat eenvoudig genoeg om 75 kids die jarenlang gemangeld zijn en inderdaad geen vluchteling zijn, maar die je het ook niet kan inpeperen dat ze door hun ouders op hun 9e in een vreemd land gedumpt zijn.

  4. Verhelderend en zeer naar mijn hart geschreven! Dank!

  5. dank voor weer een mooi stuk

Trackbacks

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: