Filosofie gaat over tafels

door Jan Dirk Snel

Filosofie gaat over tafels. Of men ze kan kennen. En of ze wel bestaan.

Tafels zijn het meest besproken object in de wijsbegeerte, althans de epistemologie, vermoed ik zo. Soms gaat filosofie trouwens ook nog over de stoel waarin de auteur zit en hoe die aanvoelt. En over de boom voor het raam. De wereld is groot, zullen we maar zeggen.

Model Russell door Niels Bendtsen voor Bensen

Bertrand Russell
Neem Bertrand Russell, The Problems of Philosophy (1912), dat ik hier in de Nederlandse vertaling uit 1967 voor me heb, Problemen der filosofie dus – het lidwoord is in een halve eeuw tijds kennelijk gesneuveld. Direct op de eerste bladzijde is het al raak:

‘Ik stel mij voor dat ik nu in een stoel zit aan een tafel van een bepaalde vorm, waarop ik beschreven of bedrukte vellen papier zie liggen.’

Ik heb even nagedacht waarom hij niet gewoon schreef dat hij aan die tafel zat, maar ik meen dat Russell nogal veel dicteerde. De kans lijkt me niet uitgesloten dat hij op en neer ijsbeerde, terwijl een secretaresse aan een bureau – hoewel op plaatjes zitten ze altijd met een blocnote op schoot naast of voor schrijftafels – zijn woorden opschreef. Ik ga dat nu niet nakijken; ik kan u dus ook op verkeerde ideeën brengen.

Hoe het ook zij, het komt er op neer dat dat hele eerste hoofdstuk, ‘verschijning en werkelijkheid’ geheten, over die tafel gaat. En het ding verdwijnt steeds verder uit zicht. Niets blijken we met stelligheid te weten: de kleur blijkt niet te kloppen, althans steeds anders te zijn, het hout blijkt, als we wat nauwkeuriger kijken, ook al niet zo keurig glad te zijn en de vorm is bij nader inzien zogezegd ook niet erg vormvast. En zo gaat het aan de hand van Berkeley en Leibniz nog een tijdje door. Het gaat van kwaad tot erger, mits men dit epistemologisch en niet moreel opvat. Het is ‘verbijsterend’, zegt Russell er zelf van.

‘Zo is onze vertrouwde tafel, die eerst slechts heel vluchtige gedachten bij ons had opgewekt, tot een probleem geworden met verrassende mogelijkheden. Het enige wat er van weten is, dat ze niet is wat ze schijnt te zijn.’

Kortom, de tafel wordt steeds minder werkelijkheid en steeds meer verschijning dus, zoals de hoofdstuktitel zegt. En de vraag of die tafel bestaat, wordt dan nog even tot het volgende hoofdstuk uitgesteld.

Epistemologie
Wat moeten we hiermee? Is dit allemaal onzin? Nee, sommige redeneringen zijn best aardig en zo af en toe moeten zulke vragen ook gesteld worden, want het verhaal gaat natuurlijk veel verder. Misschien gaat het wel degelijk om fundamentele vragen. Maar als ik dat zo opschrijf, ben ik wel in een milde bui. Ik word namelijk vaak nogal iebel van zulke beschouwingen, vooral als ze leiden tot de conclusie dat we bijvoorbeeld die tafel an sich niet kunnen kennen – alsof we daar überhaupt op uit waren, dat ‘als zodanig’ bedoel ik – en alleen sense-data, dat was toentertijd Russells term, tot onze beschikking hebben. Ik meen namelijk te weten dat ik de tafel waaraan ik zit te werken, wel degelijk ken, al besef ik ook dat een kenner van materialen er nog allerlei andere dingen over weet, terwijl een designspecialist er nog weer andersoortige dingen over kan vertellen. We zien allemaal andere aspecten, maar we zien geen zintuiglijke gegevens, maar een tafel, zou ik zo zeggen. Volgens mij is die tafel wel degelijk wat ze lijkt te zijn: een tafel.

Heeft epistemologie in onze dagen nog zin? Gaat die filosofische richting nog ergens over? Aan de waarde twijfel ik in ieder geval nogal, vooral omdat sommige wijsgeren er zo diep ernstig over doen. Hoe vaak heb ik al niet gelezen dat in de kentheorie de ‘kern’ van iemands wijsbegeerte lag? Die zou het fundament onder de rest vormen. Ik denk dan meestal: gelul. Misschien dat ik de verkeerde boeken lees, maar ik zie zelden dat de epistemologie nu echt doorslaggevend is. Vaak is het niet meer dan wat gegoochel. Je hebt wat termen – object subject, noumenon, phenomenon, a priori, a posteriori en nu vergeet ik vast en zeker de meest frequente – je hutselt ze wat door elkaar, maakt nog wat onderscheidingen, legt allerlei verbanden en ziedaar, je hebt een heuse kentheorie bij elkaar. Diepzinnig, heel diepzinnig.

Of is dat te gemakkelijk? De vraag wat we kunnen weten of kennen, is natuurlijk niet gratuit. Over de randen van het kennen, over de verhouding van immanentie en transcendentie bijvoorbeeld, en wat die termen betekenen, waar ze voor staan en hoe ze zich tot elkaar verhouden, zijn er wel degelijk verschillende visies, die nogal bepalend kunnen zijn voor hoe mensen in het leven staan. Maar zulke vragen kun je eigenlijk alleen goed behandelen in samenhang met ontologie en metafysica en hoe je de bezinning op ons menselijk bestaan verder ook maar aanduidt. Of epistemologie als afzonderlijke discipline dan nog veel waarde heeft? Ik weet het niet.

Wetenschapsfilosofie
Naast het bestaan als zodanig is er natuurlijk dat specifieke corpus aan kennis dat we wetenschap noemen en dat trouwens behoorlijk overloopt in wat we van dag tot dag zo opmerken en beweren. En bezinning daarop is nooit weg. In die zin heeft de klassieke epistemologie zich dan ook vooral voortgezet als wetenschapsfilosofie. En ook dan zijn vragen naar wat zekere of betrouwbare kennis is, naar verificatie en falsificatie, zeker van belang. Maar ook dergelijke vragen doen het het best als ze met concrete wetenschapsbeoefening verbonden worden. Ze zijn als het ware in de praxis van het onderzoek en het schrijven – veel wetenschap, vooral in brede zin, is gewoon een kwestie van een verhaal opschrijven of een betoog verzinnen – opgenomen.

Op mij maakt epistemologie vaak een beetje de indruk een fossiel te zijn. Ooit was het een spannend en hoogstnoodzakelijk vak, zo tussen Bacon of Descartes en Kant, zeg maar. Dat was de tijd waarin aan het beeld van de wereld gesleuteld werd en er fundamentele ontdekkingen gedaan werden. Beelden kantelden, heet dat dan. Maar ook toen was er een intensieve samenhang met de nieuwe natuurwetenschap – waarvan het ontstaan in de zestiende, zeventiende eeuw kantje boord was, als ik de boodschap van Floris Cohen goed onthouden heb – en met het denken over de inrichting van de samenleving in de vorm van met name allerlei natuurrechtsfilosofieën. Toen was epistemologie dus geen hersenkrakerij als interessante vrijetijdsbesteding. Descartes’ Discours de la methode uit 1637 was de methodologische – de titel zegt het al – inleiding bij drie verhandelingen over dioptriek, meteorologie en meetkunde. Ik vermoed dat veel filosofiestudenten die maar overslaan. En over de betreffende onderwerpen is ook wel wat nieuwere literatuur te vinden.

Wetenschap
Het ging niet om filosofie, maar om wetenschap. Maar men noemde dat wel filosofie. Dat was tot het eind van de achttiende eeuw, misschien nog wel langer, een alledaagse aanduiding voor wetenschap. Maar wij hebben die twee uit elkaar gehaald. Of beter: de wetenschap heeft zich zelfstandig in allerlei disciplines voorgezet. Het verhaal van de vroegmoderne epistemologie is dan ook heel spannend, maar eigenlijk alleen als je die als onderdeel van de wetenschapsgeschiedenis beziet. Filosofie – en vooral filosofiegeschiedenis – in onze zin van het woord is in feite een historische constructie op grond van het wereldbeeld van nu. En dan krijg je dus het misverstand dat epistemologie een opzichzelfstaand vak zou zijn. Voor Descartes of Locke was de kenleer iets heel anders dan voor hedendaagse filosofen: een onderdeel van hun poging om de wereld wetenschappelijk en praktisch te begrijpen.

Daar komt overigens nog bij dat juist het empirisme de epistemologie complexer maakte. Als je in aangeboren ideeën gelooft, is het niet zo moeilijk: die zitten al in je hoofd. Maar als je de ervaring en de zintuiglijke wereld vooropstelt, is het nog een heel verhaal hoe wat je ziet of hoort of ruikt, als idee of voorstelling in je brein terechtkomt of in de vorm van woorden op je lippen belanden. Het is ook het probleem van de correspondentietheorie van de waarheid: wat komt er nu precies met wat overeen? Woorden en bakstenen verschillend immers nogal en toch correspondeert je beschrijving van een monumentaal pand met iets buiten de taal.

Natuurlijk kan het aardig puzzelen zijn op een tekst van Kant, of van Chisholm bijvoorbeeld, om maar eens iemand te noemen wiens werk ik niet ken en van wie ik het vage idee heb dat dat wel zou moeten. Maar of het allemaal zulke diepe inzichten oplevert? Mij vaak valt op dat filosofen enorme pretenties hebben, dat zij de échte vragen zouden stellen, maar in de praktijk van het leven lijken ze vaak niet meer te doorzien dan iemand die gewoon met zijn gezonde verstand redeneert. Over de meeste kennis, die we trouwens voor het overgrote deel van horen zeggen hebben en helemaal niet kunnen controleren, zijn we het namelijk helemaal niet oneens en als er twijfels oprijzen, kunnen wie die ter plekke bespreken.

Behoedzaamheid
Het meeste nut van epistemologie heb ik er altijd in gezien dat het tot een zekere behoedzaamheid kan leiden. Mensen denken al gauw meer te weten dan bij nader inzien het geval is. Men trekt zo zijn conclusies en daar betrap ik mezelf ook wel eens op. Voortdurend de vraag stellen wat je nu echt weet, dat is nuttig. Maar elke keer de vraag stellen naar de fundamenten, of ik die tafel wel ken, daar schiet je meestal niet veel mee op.

Maar dit is natuurlijk een heel oppervlakkig stukje.

(5)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: