Metafysica – Een paar woorden ter nagedachtenis van Jan Sperna Weiland

door Jan Dirk Snel

Op de eerste dag van september overleed de theoloog en filosoof Jan Sperna Weiland (30 mei 1925 – 1 september 2011). Het laatste decennium vergaderde ik een paar keer per jaar met hem, totdat hij vanwege zijn afnemende gezondheid niet meer kon komen.

Kordaat
Sperna Weiland was iemand met een zeker kordaat gezag. Hij kon dingen zeggen als: ‘Dit is een voortreffelijk stuk, dat echter volkomen ongeschikt is voor ons lexicon.’ Kort, krachtig. Tijdens de afscheidsdienst in de Rotterdamse Laurenskerk of beter de ‘dankdienst voor het leven van Jan Sperna Sperna Weiland’, zoals de liturgie het noemde, vertelde een van zijn leerlingen hoe hij in een vergadering waarin eindeloos argumenten voor en tegen een voorstel werden behandeld, de discussie of het nieuwe voormenen uitgevoerd moest worden, eenvoudig besliste met de woorden: ‘Ik dacht het niet’. Daarmee was de zaak afgedaan.

Tijdens de watersnoodramp van 1953 was hij predikant in Brouwershaven. Hij schijnt toen met zandzakken gesjouwd te hebben, maar het fijne weet ik er niet van. Wel weet ik dat hij de typemachine waarop hij tot het eind van zijn leven schreef, daarna kocht van rondreizende handelaren, zigeuners, zoals men dat toen zei en misschien nu nog wel. Zijn proefschrift over een negentiende-eeuwse en een twintigste-eeuwse denker, Humanitas Christianitas. A Critical Survey of Kierkegaard’s and Jaspers’ Thoughts in Connection with Christianity (Assen 1951), verdedigd aan de Rijksuniversiteit Groningen, had hij toen al geschreven, op een machine die in het woedende water verloren was gegaan, neem ik aan.

Na vier jaar – direct na zijn promotie in 1951 was hij predikant geworden – vertrok hij naar Rotterdam, waarna hij in 1962 hoogleraar in de geschiedenis van de theologie werd aan de Universiteit van Amsterdam, een positie die hij in 1974 verruilde voor het hoogleraarschap in de wijsgerige antropologie en de fenomenologie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Daar bouwde hij de Centrale Interfaculteit op – filosofie was toen gedacht als het vak dat de universiteit met haar fundamentele vragen zou moeten verbinden – en werd hij vervolgens rector-magnificus.

Antropologie
Van theoloog naar wijsgerig antropoloog: Feuerbachs dictum dat theologie antropologie is, lijkt dus in zijn leven wel heel plastisch tot uiting te zijn gekomen, maar die stelling zou Jan Sperna Weiland toch geen recht doen. De man die jarenlang de grote man achter het befaamde tijdschrift Wending was, bleef zich altijd theoloog én filosoof voelen. Nog in zijn Rotterdamse jaren publiceerde hij Romeins schetsboek. Over de metamorfose van geloven (Amsterdam 1980) en de ondertitel geeft al een indicatie. In het dit jaar verschenen boek Denkers en religie. Kritiek, traditie en nieuwe oriëntatie in de twintigste eeuw (Diemen 2011), dat onder redactie van Hans Achterhuis, Jan Sperna Weiland, Sytske Teppema en Jacques De Visscher stond – en waarvoor ik trouwens de inleidende beschouwing schreef, maar dit terzijde – waren zelfs vijf artikelen van zijn hand verzameld: over Adolf von Harnack (1851-1930), Martin Buber (1878-1965), Karl Barth (1886-1968), Paul Tillich (1886-1966) en Dietrich Bonhoeffer (1906-1945).

Toen Jan Sperna Weiland ergens gedurende de laatste jaren in een nieuw verzorgingstehuis werd opgenomen, vertelde zijn dochter tijdens de afscheidsdienst, werd hij verwelkomd door een Marokkaans meisje met een hoofddoek op. Het was een humanistische instelling en zij vroeg: ‘Zal ik u uitleggen wat humanisme is?’. ‘Ja, graag’, antwoordde hij die zijn hele leven over dergelijke zaken gedoceerd had. Het betekende volgens haar dat hij daar de baas was. Dat vond hij een mooie verklaring.

Afscheid
Ik wil het nu laten bij een kleine observatie, die me opviel toen ik een paar van zijn boeken uit de kast trok en er wat in bladerde. Allereerst is daar zijn destijds beroemde boek Oriëntatie. Nieuwe wegen in de theologie (Baarn 1966). Ik heb de vierde omgewerkte en uitgebreide druk uit 1968 bij de hand. In het laatste hoofdstuk, ‘Het begin van een kaart’ geheten, besluit hij een van de twee paragrafen over Christus met de constatering:

 ‘Kortom, ook in de Christologie wordt afscheid genomen van de metafysica.’

Het was meer dan een vaststelling, hij stemde er ongetwijfeld mee in, want in de laatste paragraaf, ‘Geloof’, waarin hij zijn eigen opvattingen verwoordt, schrijft hij over twee ‘misvattingen van het christelijk geloof’. De eerste is dat geloof het aannemen van ‘waarheden’ op gezag zou zijn. En de tweede introduceert hij zo;

 ‘Naast deze misvatting van het geloof staat de andere, metafysische opvatting, die Marx er toe heeft gebracht de religie opium voor het volk te noemen, en die klassiek is geformuleerd in de encycliek Rerum Novarum – wij zullen dan waarlijk leven als wij uit dit leven zijn gescheiden! – en in Gezang 181:3 van het Hervormde Gezangboek:
Zie uit, mijn ziel, naar ’t ander leven,
uw toegewezen erfenis…
Het gaat hier dus om de misvatting, dat het in ons leven niet om dit leven zelf maar om ‘het ander’ leven gaat, dat straks moet komen. Hier vooral laat het Oude Testament, dat immers het leven na de dood niet kent, zich gelden in de doordenking van het christelijk geloof.’

Het boek eindigt dan ook met de vaststelling dat

 ‘theologie wordt geschreven in de tijd, niet in de eeuwigheid.’

Metafysica
Geen metafysica dus, althans in de theologie. Maar daarna pakte ik zijn laatste grote boek, dat diverse herdrukken heeft gekregen en dat velen nog wel bij de hand zullen hebben, De mens in de filosofie van de twintigste eeuw (Amsterdam 1999), erbij. In het afsluitende hoofdstuk komt opnieuw een paragaaf voor onder dat woord dat hem kennelijk lief was, ‘Oriëntatie’, waarna hij in de volgende in twaalf punten ‘De menselijke natuur’ – dat is ook het opschrift – beschrijft. En het laatste kenmerk luidt dan:

 ‘Tenslotte, in alle vragen zijn er de zogenaamde laatste, metafysische, vragen. Die betreffen de dood, de zin van het leven, het ‘eeuwige leven’, dat zich ook aan deze kant van de dood zou kunnen bevinden, de grote samenhang der dingen. Die metafysische vragen zijn er doordat de mens van nature animal metafysicum is. De wijsgerige antropologie van de toekomst zal daarom ook, zonder het definitieve antwoord te kunnen geven dat aan alle vragen een einde maakt, een overpeinzing van metafysische vragen zijn.’

Ik vond het opvallend. In de theologie een afscheid van de metafysica, maar in de filosofie, de wijsgerige antropologie, gaat het kennelijk toch niet zonder de ‘overpeinzing van metafysische vragen’.

Herinnering
Op de dankkaart die de nabestaanden onlangs stuurden, staat een citaat van S. Dali, de kunstenaar van wie hij in het begin van zijn aangehaalde boek over de mens het doek Il Divino beschrijft:

 ‘Elk afscheid betekent de geboorte van een herinnering.’

(3)

One Trackback to “Metafysica – Een paar woorden ter nagedachtenis van Jan Sperna Weiland”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: