Berichten getagged ‘waarheidsmakers’

22 december 2011

Vergankelijkheden en scheppingen

.:.

Zijn en zijnden
Je hebt het zijn en de zijnden. Althans zo zeggen sommige filosofen dat.

Het zijn – of het Zijn – is dan de meest omvattende term voor alles wat er is. Er zijn andere termen voor wat alles omvat. Het woord wereld wordt wel losjes zo gebruikt en dan gaat het niet om de aarde, maar om een aanduiding voor ons gehele bestaan, op zich ook al een mogelijke kandidaat. Sommigen menen dat het begrip natuur ook als zodanig kan functioneren en gebruiken het ook zo. Anderen letten liever meer op het tijdsaspect en opteren voor geschiedenis. En overigens, alles is in omschrijving al twee keer voorbij gekomen.

De geest mag dan meer zijn dan het lichaam, tegelijk valt er veel te zeggen voor de stelling dat het lichaam werkelijker is dan de geest.

Als het Zijn het meest omvattende is, worden de dingen die er zijn, vaak de zijnden genoemd. En entiteit fungeert dan soms als synoniem: iets dat er is. In de omschrijving gebruikte ik net al, bijna onbewust, de term dingen en dat woord wordt dus ook wel gebruikt. Het geeft meteen al aan waar een kleine moeilijkheid zit. Bij een ding denken we in de eerste plaats aan een fysiek object dat in ruimte en tijd bestaat. Sommige mensen houden er erg van om allerlei ‘dingetjes’ om zich heen te hebben. Maar in de meer algemene zin van de dingen die er zijn, wordt het woord breder gebruikt. Je kunt ook zeggen dat je vandaag nog veel dingen moet doen: nog naar de bibliotheek, de winkel, met je dochter naar het verjaardagsfeest van een vriendinnetje van haar, en zo verder, en ondanks de drukte kunnen dat toch hele leuke dingen zijn.

Ook bij zijnden of entiteiten hebben we waarschijnlijk de neiging om het eerst aan concrete objecten en mensen te denken. Dat is niet toevallig, omdat ons eigen bestaan in de wereld een fysiek gegeven is. Wij mensen hebben een lichaam en ons bestaan is lichamelijk. Ik snap best wat er wordt bedoeld met de uitspraak dat de geest meer dan het lichaam is, maar in zekere zin is ons lichaam toch werkelijk echter en werkelijker dan onze geest (en dat ik twee keer hetzelfde woord gebruik is opzettelijk). Abstracte taal is doordesemd van ruimtelijke en lichamelijke metaforen. De dag ligt voor ons, de moeilijkheden van gisteren liggen achter ons. Een term omvat iets. Je problemen kunnen groot zijn, de rapportcijfers van je kinderen kunnen hoog zijn, maar ook zwaar tegenvallen. De wereld van de geest is in de wereld van de ruimte, van de dingen – letterlijk – en de lichamen geworteld (ook al zo’n metafoor, zij het misschien niet de beste).

*

Natuurlijk kun je zeggen dat een zijnde ‘iets dat bestaat’ is. Maar wat je daarbij nooit over het hoofd moeten zien, zijn twee dingen (hè, dat woord duikt ook overal op en ook hier is het vanzelfsprekend in meer metaforische zin bedoeld). Ten eerste dat veel dingen, en nu weer in de zo algemene zin dat ook mensen eronder vallen in onze wereld, slechts tijdelijk bestaan. En ten tweede dat wat bestaat, een voortdurende schepping van ons menselijke geest is.

-

Vergankelijkheden
De dingen ontstaan, bestaan en verdwijnen weer: πάντα ῥεῖ, zoals dat op allerlei huizen staat. De bewoners beseffen dat hun aanwezigheid daar tijdelijk en onzeker is, zoiets zullen ze wel willen zeggen. Alles verandert voortdurend. Mensen worden geboren, leven en sterven. Dat geldt voor dieren ook. Onze spullen, van onze woningen tot onze kleren, hebben een beperkt bestaan. Mijn horloge draag ik al 43 jaar, maar dat vind ik dan ook bijzonder. En als men het tegenwoordig over duurzaamheid heeft, dan gaat het er, geloof ik, meer om dat we verstandig met natuurlijke hulpmiddelen en energie en met de leefomgeving omgaan, dan dat we zolang met onze spullen moeten doen. (Volgens mij komt het er in de praktijk meestal op neer dat je je oude dingen snel weg moet gooien en moet vervangen door nieuwe duurzame goederen.) Het gaat ook over hergebruik. Ik meen me te herinneren dat op twee van de schilderijen van Rembrandt dezelfde persoon voorkomt en dat deskundigen vaststelden dat hij na vele decennia, vier meen ik, nog steeds – of opnieuw: voor de speciale gelegenheid – dezelfde jas droeg. Dat vinden wij nu opmerkelijk: veertig jaar met dezelfde jas doen!

De termen zijnde en entiteit zeggen slechts dat iets er is. En als je van iets kunt zeggen dat het er is, kun je het een zijnde of een entiteit noemen. Maar toch denk je dan niet zo snel aan een gebeurtenis, een handeling of een proces. Of niet eerst. Je begint bij de fysieke objecten en bij planten, dieren en mensen. Waren of zijn de middeleeuwen een zijnde? Was het in de rij staan voor de disco van je dochter vorige week vrijdagavond een entiteit en was het feit dat ze na twintig minuten ongeduldig werd weer een andere entiteit? Was de oversteek van Julius Caesar over de Rubicon een zijnde? Het taalgebruik wringt hier wat. Tuurlijk kun je alles wat je kunt benoemen als bestaand, per definitie, stipulatief, een zijnde of entiteit noemen, maar vanuit die begrippen stel je je het een eerder voor dan het ander.

In feite zou je niet over zijnden maar over vergankelijkheden moeten spreken. Want een groot deel van de zogenaamde entiteiten bestaat maar kort. Wij leven in de tijd. Wij zijn zelf aan de tijd onderworpen – ook al weer zo’n ruimtelijke metafoor overigens – en ons eigen bestaan is tijdelijk: wij zijn sterfelijke wezens. Ik bedoel dit meer als aandachtspunt. Het zou nog heel wat werk kosten om van alle zijnden uit te maken of ze al dan niet vergankelijk zijn. Alles wat tot de wereld van de menselijke arbeid valt, behoort er in ieder geval toe en ook onze aarde is vergankelijk. Ook onze abstracta zijn in die zin vergankelijk. Als er geen mensen meer zijn, zal er geen wiskunde meer zijn, want het gaat om een uitvinding van de menselijke geest, die uiteraard geworteld is in de ruimtelijke, natuurlijke wereld die we aantreffen.

Zijnden zijn in het algemeen vergankelijke zijnden, met een kort bestaan. Natuurlijk kun je dan nog steeds zeggen dat het zijn al die vergankelijke zijnden omvat, maar of het veel zin heeft om over de eenheid van alle zijnden of al het zijnde te bespreken, weet ik niet. Wat zeg je dan eigenlijk?

-

Scheppingen: woorden
Wat er bestaat, is niet alleen aan voortdurende verandering onderhevig, wij weten eigenlijk niet eens wat er allemaal bestaat. De menselijke geest schept voortdurend nieuwe dingen en vergeet vroegere scheppingen of annuleert die.

Je hebt bijvoorbeeld natuurlijke personen en rechtspersonen. De laatsten zijn scheppingen van het recht. Of beter gezegd: dat recht, en ook dat is zelf alweer een vinding – zij het mogelijk in de kern een noodzakelijke (denk aan de idee van het natuurrecht!) – van de menselijke geest, maakt het mogelijk een stichting of een vereniging op te richten. Rechtspersonen kunnen vaak allerlei dingen die natuurlijke personen ook kunnen en ze kunnen allerlei rechtshandelingen verrichten. Ze kunnen bijvoorbeeld bezit of eigendom hebben of onrechtmatige daden plegen. Maar het blijft om een metafoor gaan. Een natuurlijk persoon kan plotseling sterven en dat heeft ook juridische gevolgen. Een rechtspersoon kan dat niet. Die kan wel opgeheven of ontbonden worden. Rechtspersonen kunnen trouwens ook ouder worden dan mensen van vlees en bloed.

Maar het hoeft niet eens om rechtspersonen te gaan. Mensen kunnen elk weekend met elkaar gaan hardlopen of elke woensdagavond met elkaar een biertje gaan drinken en dan vormen ze een renclubje of een vriendenclubje en het kan zijn dat ze daar na een tijdje een al dan niet grappige naam aangeven: de Reeuwijkse Renners bijvoorbeeld of de Vijf Keizers, als bevriende bierdrinkers bijvoorbeeld gewend zijn altijd ergens in een schenkgelegenheid aan de Keizersgracht bijeen te komen. Zoiets kan langzaam groeien, maar na tien jaar zal iemand misschien zeggen: de Vijf Keizers bestaat nu tien jaar, zullen we dat niet eens vieren? En dan kan het best zijn dat de naam pas in de loop van het derde seizoen opkwam en dat niemand dat meer weet te dateren. Toch bestond de nu aldus genaamde vriendenkring daarvoor al, zoals allerlei geleerden in de de zestiende eeuw ook niet wisten dat ze tot de stroming van het humanisme behoorden.

Door woorden en handelingen creëren mensen steeds nieuwe werkelijkheden en je kunt daarom ook nooit exact zeggen wat er bestaat of wat al dan niet een zijnde is. Op Twitter vroeg iemand onlangs of zijn volgers ook een net woord voor ‘afzeiken’ wisten. En ook nadat allerlei suggesties voor alternatieven waren gedaan, bleef hij, terecht denk ik, ontevreden. Er zijn vele uitdrukkingen die ongeveer hetzelfde fenomeen aanduiden, maar de betekenis en vooral de gevoelswaarde zijn net iets anders. Er zal ook wel geen ‘net woord’ voor bestaan, want het fenomeen is dat niet zo erg en het woord geeft ook uitdrukking aan het minder fraaie aspect van het beschreven verschijnsel. Het gaat niet voor niets, ook hier, om een metafoor. ‘Afzeiken’ is een woord dat tamelijk recent algemener is geworden en dat waarschijnlijk uit studentikoze kringen afkomstig is en dan misschien zo’n ruime kwart eeuw, misschien ook wel langer of zelfs veel langer, bestaat. Maar het woord is natuurlijk in omloop gekomen omdat het een eigen realiteit omschrijft, en zo verdwijnen er met het in onbruik raken van woorden ook weer werkelijkheden, al kunnen we die deels met behulp van oude geschriften en woordenboeken weer oproepen. Maar niet alle woorden die ooit gebezigd zijn, zijn vastgelegd.

-

Scheppingen: ook zonder woorden
Maar je hoeft zelfs geen woord te zeggen om toch een nieuwe geestelijke werkelijkheid in het leven te roepen. Als Anja even drie biertjes aan de bar haalt en, terwijl het gesprek over politiek druk voort gaat, er eentje aan Willem en Rebecca toeschuift, heeft ze daarmee nieuwe bezits- of eigendomsverhoudingen gecreëerd. Als iemand even later aan Rebecca vraagt, ‘is dit glas nu van jou of van mij’, kan Rebbeca zeggen: ‘nee, dit is het mijne, dat daar, dat moet van jou zijn’. Die eigendomsverhouding of die aanspraak bestaat. (Het gaat dan om de inhoud, want het glas als voorwerp blijft ondertussen van de uitbater, dat ook nog.) Maar het is niet de moeite waard het erover te hebben. Als ze het café verlaten, is het glas leeg en de aanspraak verdwenen en nooit zal iemand er nog aan denken. Maar heeft het dan zin om de eenheid van dit ontegenzeggelijke kortstondige zijnde met andere zijnden te gaan zoeken, zoals wijsgeren doen die over de eenheid van al het zijnde of van alle zijnden spreken?

Als er in een buurt een samenscholingsverbod is afgekondigd en dertig mensen op een plein worden aangehouden vanwege overtreding van het verbod, is hun samenscholing dan net zo reëel als hun eigen bestaan? Dat die dertig mensen bestaan, daaraan zal niemand twijfelen. Maar de officier van justitie zal eerst nog maar eens moeten bewijzen dat er een samenscholing bestond. Het is mogelijk dat die mannen beweren dat ze daar allemaal of deels om hun moverende redenen waren, dat ze elkaar niet kenden en ook geen gemeenschappelijk doel hadden en dat het wel leek of ze een zekere eenheid vormden, maar dat het echt een toevallige samenloop van omstandigheden was dat diverse groepjes, die op zich uit zo weinig leden bestonden dat ze niet onder het verbod vielen, daar net op het zelfde moment zich bevonden en dicht bij elkaar in de buurt liepen. Het is maar de vraag of het ooit duidelijk was of er sprake was van een samenscholing.

En deze benoeming is een duidelijke menselijke daad. Dertig mensen op een plein kunnen ook samen een feest vieren. Of een uiting van hangouderenproblematiek vormen. En ook die uiting of die problematiek bestaat dan – en die kun je dus volgens de definitie een zijnde of een entiteit noemen – en kan in de gemeenteraad besproken worden. Bestaat de Hofstadgroep? De leden wisten niet dat ze lid waren van een aldus genaamde organisatie en de ene rechter zegt dat ie wel bestond, terwijl de andere hem niet kan ontdekken of althans de contouren te zwak vindt om eenduidig te kunnen zeggen dat deze club werkelijk bestond. Of iets bestaat, is niet altijd duidelijk.

Van sommige dingen is het kortstondig bestaan onomstreden. Mensen bestaan en allerlei fysieke dingen bestaan ook. Sommige gedachten en ideeën bestaan ook. Je kunt zo even nazoeken wat historisch materialisme ook al weer was en welke verschillende opvattingen erover de ronde deden en doen. Maar elke dag ontstaan er nieuwe dingen en wat er bestaat, is grotendeels een gevolg van de menselijke omgang met de wereld: door hetzelfde anders te benoemen bestaat het ook anders. Iemand kan werken. Hij kan ook een zogenaamd instituut oprichten en zeggen dat het instituut, waarvan hij de enige deelnemer, die dag dat en dat gedaan heeft.

-

Vergankelijke scheppingen
Bestaan is niet eenduidig. De zijnden zijn vooral vergankelijkheden, zij het mogelijk niet alle. En wat er is, hangt af van hoe mensen de dingen benoemen en van wat ze elke dag weer aan nieuwe scheppingen in de wereld zetten.

We weten niet wat er bestaat. Van sommige dingen weten we het, van andere dingen weten het niet en soms weten we het niet zeker. En steeds scheppen mensen weer nieuwe dingen die vergankelijk zijn.

.:.

Leeuwen van Tawheed (de eenheid Gods) of PolderMujahideen. Was dit het logo van de Hofstadgroep en bestond die nu wel of niet?

Naschrift
Dit is voor mijn doen een tamelijk kort stukje. De polemiek in mijn twee vorige stukjes beviel me achteraf niet erg. Ik was veel te veel woorden kwijt aan het uitleggen van wat er naar mijn idee niet klopte. In het stukje van maandag - Over vliegende roze olifantjes, zijn en niet zijn. En of bestaan univook is - nam ik stelling in betrekking tot een uitgangspunt dat op zich niet helder was, althans niet in mijn ogen, en in het stukje van gisteren - Historische waarheid en tijdelijkheid - ging het over een gedachte die op zich al verward was.

Ik had gewoon even kunnen uitleggen dat zinnen waar zijn, omdat de inhoud waar blijkt te zijn, en dat het begrip waarheidsmaker niets anders is dan de verdubbelde omschrijving voor dat wat de waarheid van een zin bepaalt, en dat zinnen over iets in het heden iets over iets in het heden zeggen en dat uitspraken over iets uit het verleden iets over het verleden zeggen en dat in het laatste geval alleen nog bepaalde bewijzen omtrent het voorbije gebeuren waar je iets over zegt, nodig zijn om de waarheid te bewijzen. Waarbij het bewijs dan uiteraard niet de waarheid is, maar die juist bewijst.

Er moet iets uit het verleden overgeleverd zijn waardoor het überhaupt mogelijk is om iets over een gebeuren uit het verleden te zeggen. Er moet nog iets bestaan. Het kan om herinneringen gaan, om een dikwijls overgeschreven tekst of om beelden, documenten of voorwerpen: het gebouw van het Rijksmuseum staat er al sinds 1885 en de Amsterdamse Oude Kerk al sinds de middeleeuwen. Ik heb regelmatig zand uit de achttiende eeuw, dat uit gerechtsboeken viel, in het niet meer bestaande gebouw van het gemeentearchief aan de Amstel van tafel geveegd.

Het hele idee van een waarheidsmaker is volstrekt overbodig en leidt alleen maar tot verwarring. Je moet gewoon kijken wat er in een zin staat en als die waar is, bepaalt de inhoud van die zin en waar die betrekking op heeft, dat ie waar is en het maakt dan niet uit of de zin al dan niet naar een nu bestaande fysieke realiteit verwijst. Het gaat er maar net om waar de zin over gaat. Dat kan over van alles en nog wat zijn en lang niet alle beweringen gaan, gelukkig maar, over een externe realiteit. Er is nog wel wat meer in het leven. Er bestaat nog wel wat meer.

Maar goed, deze afsluitende polemische opmerkingen om te laten zien waarom ik geen zin meer heb in polemieken. Het heeft geen zin om warrigheden te weerleggen, het is zinvoller om positief na te denken over wat we over onze werkelijkheid kunnen zeggen.

(41)

21 december 2011

Historische waarheid en tijdelijkheid

.:.

De tijd, dat is het probleem.

Maandag plaatste ik hier een stukje over zijn en niet zijn en de vraag of bestaan univook is. Het was deels een reactie op de stelling van Emanuel Rutten dat bestaan eenduidig of eenzinnig is. Ik had er met plezier aan gewerkt, maar zijn reacties (hier en lager) bezorgden mij een katterig gevoel, vooral omdat hij tot dusverre naar mijn idee vooral niet reageerde op mijn betoog en mijn vragen. Mij is nog steeds niet duidelijk wat de uitspraak dat bestaan eenduidig is, nu zou kunnen toevoegen aan ons begrip van de wereld.

-

Gerd Müller maakte tijdens de WK-finale Duitsland-Nederland in 1974 het beslissende doelpunt (foto: Wikipedia)

De veranderlijkheid van het bestaan
Misschien ga ik op de vraag naar de al dan niet bestaande eenduidigheid van het bestaan nog wel eens nader in. Rutten mag dan volhouden dat bestaan eenzinnig of eenduidig is, hij erkent tegelijkertijd wel dat er allerlei zijnswijzen zijn en dat is naar mijn idee veel belangrijker als het om ontologie gaat: de beschouwing van de verschillende manieren waarop de dingen bestaan. Ik zou zeggen dat als bestaan op verschillende zijnswijzen betrekking kan hebben, het begrip daarmee al meerduidig is. Als je van het ene zegt dat het bestaat, bedoel je iets anders dan wanneer je dat van het andere ding zegt: ze bestaan op andere wijze. Maar hij erkent dat pas als die zijnswijzen ook gradueel verschillen en dan is de vraag ook hoe je gradaties tussen zijnswijzen bepaalt. Van sommige dingen zeg je dat ze in werkelijkheid bestaan, van andere zeg je dat ze in het echt niet voorkomen. Ik zou dat een gradueel verschil noemen, maar dat is mogelijk een kwestie van semantiek.

Wat mij in de reacties van Emanuel Rutten vooral opvalt, is dat hij niet ingaat op tijdsverloop, het ontstaan, het bestaan en het verdwijnen van de dingen. Eekhoorns bestaan, eenhoorns bestaan niet en dodo’s bestonden ooit, maar bestaan niet meer en het is niet onmogelijk dat tijgers over niet al te lange tijd niet meer zullen bestaan.

Elke dag ziet uiteraard de opkomst en de ondergang van veel dingen. Ook vandaag worden er weer veel woorden, handelingen en dingen aan de wereld toegevoegd, die er gisteren nog niet waren – een selectie noemen we nieuws – en ook vandaag verwaaien er weer woorden en gedachten, vergeten we handelingen, daden, voorvallen en gebeurtenissen en worden er huizen afgebroken, bomen gekapt, dieren gedood en wordt afval verbrand. Wat er wel of niet bestaat, is voortdurend aan verandering onderhevig, dat is wel duidelijk. En slechts van een deel van wat ooit bestond, hebben we weet, zoals we ons over wat er ooit zal bestaan, niet meer dan een vage voorstelling kunnen maken.

Ook vandaag sterven er mensen en worden er nieuwe baby’s geboren, wat Hannah Arendt aanleiding gaf tot het vestigen van aandacht op het begrip nataliteit: de veranderlijkheid van het bestaan is niet alleen vergankelijkheid, er ontstaat ook steeds iets nieuws. Ook in dit stukje zullen bijna alle zinnen weer volstrekt nieuw zijn: ze hebben nooit eerder bestaan en ze zullen voor het grootste deel ook nooit weer opgeschreven worden. Daar heb je het nieuwe en het vergankelijke en tijdelijke ineen. Dingen ontstaan en dingen verdwijnen en in de vluchtigheid van het bestaan liggen beide bijeen of vallen ze vrijwel samen. De wereld zal morgen anders zijn dan die vandaag is of gisteren was. De wereld van 1900 was een andere dan die van 300 na Christus of die van 2500 voor Christus.

Dat is geschiedenis, een dubbelzinnige term, waarmeer tegelijk wordt geduid op wat er in die eeuwen achter ons is gebeurd, en op onze kennis daarvan, die we meestal in de vorm van een ordelijk verhaal of een beschouwing gieten. En ik geloof niet dat het toevallig is dat die term dubbelzinnig is. Het is geen eigenschap van het Nederlands, maar je ziet hetzelfde in vele talen en het zou me niet verbazen als het zelfs in (vrijwel) alle talen zo zou zijn. ‘Dit is de geschiedenis van …’ of ‘dit is het verhaal van …’ heeft altijd een dubbele referentie: aan dat of diegene(n) waarover die geschiedenis of dat verhaal gaat, én aan de geschiedenis of het verhaal zoals het op dat moment, rond het avondvuur op het plein waar de mannen van het dorp zich verzameld hebben om naar de bard te luisteren, of in een boek dat je bij de open haard zit te lezen, verteld wordt.

-

Geschiedenis
Over geschiedenis moet ik het hier hebben. Het stukje van Rutten waar ik maandag op reageerde, eindigde namelijk met een zin over het bestaan van het verleden en de vraag wat historische uitspraken waarmaakt. Ik citeer de passage even:

‘Wie stelt dat het verleden bestaat en zo direct ware historische uitspraken waarmaakt ontkomt er namelijk niet aan om aan de term ‘bestaan’ in de uitspraak dat het verleden bestaat dezelfde betekenis toe te kennen als aan de term ‘bestaan’ in de uitspraak dat, zeg, protonen bestaan, hetgeen absurd lijkt.’

Dit heeft op zich veel weg van een stropopredenering. Iemand die stelt ‘dat het verleden bestaat en zo direct ware historische uitspraken waarmaakt’ – de verbinding tussen de twee stellingen is ook al hoogst merkwaardig en absoluut niet noodzakelijk –, is natuurlijk absoluut niet verplicht om aan de term ‘bestaan’ een zelfde betekenis toe te kennen als aan die term in de constatering dat keukenkastjes of zeeanemonen bestaan. Integendeel, iemand die dat zou doen, zou een volstrekte dwaas zijn. Rutten ziet dat ook wel, want hij meent dat het in beide gevallen toekennen van een zelfde betekenis aan de term ‘bestaan’, ‘absurd’ lijkt. Ja, zeg dat wel. Maar waarom voert hij dan toch een dergelijke denkbeeldige figuur op? Waarom stelt hij dat deze virtuele man of vrouw niet aan een zelfdebetekenistoekenning ontkomt, terwijl het volstrekt duidelijk is dat die absurd is? Niemand is toch verplicht om absurde dingen te beweren? Daar kun je best aan ontkomen, namelijk door het niet te doen.

Wie zegt dat de tijd of de geschiedenis bestaan, gebruikt het woord in een heel andere zin dan wanneer ik zeg dat mijn koffiemok bestaat: meerzinnig dus en niet eenzinnig, zou ik zeggen. Als ik mijn koffiemok straks in de keuken kapot laat vallen, bestaat ie niet meer, maar bestond die koffiemok tussen waarschijnlijk ergens een datum in 1995 – er staat een kalender van 1996 op en het ding zal dus wel in het voorgaande jaar of, wie weet, een van de voorgaande jaren in China of elders in Azië geproduceerd zijn – en een dag tegen het eind van december 2011. Volgens Rutten is er tussen het kortstondige of althans beperkte bestaan van mijn koffiemok – zestien jaar is ook weer niet zo’n gekke levensduur voor een aardewerken voorwerp en hij is gelukkig nog steeds heel en kan mogelijk nog heel wat jaren mee – of de uitroep ‘hatsjie’ als u moet niezen, en het bestaan van het heelal geen gradueel verschil – alle drie bestaan immers – maar ik vraag me dan nog steeds af wat je daarmee aan ons begrip van de wereld toevoegt. Was die korte, vluchtige blik van de persoon tegenover u in de trein vanmorgen nu werkelijk even reëel als de liefde van uw partner? De vraag is het antwoord.

Ondertussen is de vraag nog steeds wat Rutten bedoelt met zijn redenering over zijn denkbeeldige persoon die uit de volstrekt normale en begrijpelijke opmerking dat het verleden bestaat, zulke absurde conclusies trekt. Als ik het goed zie, gaat het hem vooral om het bestaan nu. In zijn voorgaande stuk ging het namelijk over zogenaamde ‘waarheidsmakers van historische waarheden’ en daarom ga ik daar nu op in.

-

Waarheid
Rutten heeft het daarin over de waarheid van historische waarheden of beter gezegd over de waarheid van uitspraken over historische waarheden. Hij gebruikt namelijk een in de filosofie niet geheel onbekend waarheidsbegrip dat enigszins afwijkt van hoe we in het dagelijks leven met het begrip waarheid, in de zin van het toepassen van het begrip waar, omgaan.

Waarheid is een elusief begrip. Er zijn honderden of duizenden adjectieven en waar is er daar slechts eentje van. Zoals de meeste woorden wordt het in steeds andere contexten gebruikt en kun je dat nooit eenduidig in een enkele formulering vangen. Maar de meest gebruikelijke omschrijving van het begrip waarheid is deze:

‘Veritas est adaequatio intellectus et rei.’

De volgorde ‘rei et intellectus’ kan uiteraard ook. Het is de omschrijving die de meesten van u nog wel van school zullen kennen. Ze wordt ook zo vaak aangehaald, dat het niet meer nodig is de originele plaats bij Thomas van Aquino, want van zijn hand is de formulering, na te slaan om daar de betekenis te zoeken (ik heb dat trouwens wel eens gedaan). Deze definitie zal uiteraard lang niet alle situaties waarin we het begrip waarheid zinvol gebruiken, dekken, maar ze vormt een goed beginpunt omdat ze tamelijk adequaat beschrijft hoe veel mensen in de praktijk met het begrip waarheid omgaan. O ja, ik vergat bijna een vertaling te geven. Dit is een mogelijke:

‘Waarheid is de overeenstemming tussen begrip en zaak.’

Er zijn varianten mogelijk, met name voor dat woordje ‘intellectus’. Je kunt dat ook vertalen als verstand, of misschien inzicht of voorstelling en nog op diverse andere wijzen. Maar op zich is het wel zo ongeveer duidelijk waar het om gaat: je hebt een zaak of een ding en je hebt een begrip of een woord en die zijn met elkaar overeenstemming. Je hebt het begrip koe en het beest in de stal en dat begrip past wonderwel bij dat dier. Nu is de uitspraak ‘dit is een koe’ niet bijster zinvol, behalve als je een klein kind de namen van de dingen en de dieren wilt bijbrengen, maar je kunt de parallel uitbreiden tot hele zinnen of beweringen en wat we de werkelijkheid noemen. Iets is waar omdat het in overeenstemming is met de werkelijkheid.

In het dagelijks leven volgen we de definitie vaak ook vrij letterlijk (al denk ik, nogmaals, dat die lang niet al het zinvolle en juiste gebruik van het adjectief waar en het bijbehorende abstractere substantief waarheid uitputtend beschrijft). Net zoals we naar de vraag of iets bestaat, alleen stellen als dat omstreden is, geldt dat ook voor waarheid. Als iemand uit Groningen je aan de telefoon vertelt dat het daar regent, vertrouw je erop dat het waar is. Pas als iemand je dat op een stralende zomerdag in juni vertelt en het KNMI voor het hele land nog minstens drie droge dagen voorspeld had, vraag je: ‘Hè, je zit me nu toch niet voor de gek te houden, is dat echt waar?’ Waarheid is in het menselijk verkeer voorondersteld als een van de elementen die de taal en uitwisseling van gedachten zinvol maken. Maar in het dagelijks leven leggen we de waarheid in de overeenstemming tussen taal en werkelijkheid.

Voorbeeld. De politie is op zoek naar een voortvluchtige autodief of althans een grote crimineel – het delict moet wellicht iets ernstiger zijn, willen de dienders echt op jacht gaan – op de A28. Men gaat alle benzinestations af en vraagt of de man daar gezien is. Dan zegt een bediende achter een kassa ineens: ‘Ja, die heb ik hier pakweg een kwartier geleden nog gezien’. ‘Werkelijk, echt waar, weet je dat zeker?’, vraagt de politieman. En terwijl de benzinepompmedewerker nog eens goed naar de foto kijkt, zegt hij: ‘Jazeker, ik heb die man een kwartier geleden nog geholpen. Hij had een volle tank getankt, even kijken, hier staat het in de computer, hij tankte 43 liter en hij kocht nog een pakje sigaretten en een zak met krentenbollen’. Wat is er hier waar? Dat die man daar was. Dat wordt in taal uitgedrukt, maar het gaat er niet alleen om dat er ware zinnen worden uitgesproken, het gaat erom dat die man daar echt was.

Waarheid heeft dan een dubbele referentie, zou je kunnen zeggen: naar de taal en naar de werkelijkheid. Het is waar dat die man daar was. De uitspraak klopt, dat is het woord in het Nederlands. Uitspraak en werkelijkheid vallen samen. Dat is wat we meestal een feit noemen. Feiten zijn per definitie waar. En het is een feit dat de voortvluchtige man wegreed richting het noorden. De bewering beschrijft de werkelijkheid. Waarheid is een kwestie van overeenstemming, zoals de definitie of omschrijving dat zegt. En deze waarheidstheorie noemen we dan ook de correspondentietheorie: woord en werkelijkheid corresponderen met elkaar, ze stemmen overeen. Maar die woorden staan niet alleen tegenover de werkelijkheid, ze vormen er ook een onderdeel van en vandaar ook de onverbrekelijke samenhang.

-

Waarheidsdagers en waarheidsmakers
In de filosofie en met name de logica wordt soms een net iets andere opvatting van waarheid gehanteerd, een variant hierop. De waarheid wordt dan eenzijdig aan één zijde gelokaliseerd, in de taal. Je kijkt eigenlijk net de andere kant op: niet naar de werkelijkheid, maar naar wat normaal vanzelfsprekend is, de woorden over die werkelijkheid. Dat komt in het leven ook wel eens voor. Als iemand bijvoorbeeld van meineed wordt beschuldigd, verschuift alle aandacht naar de woorden die hij gebezigd heeft of de zinnen die op papier staan en die hij met zijn eed bekrachtigd heeft. Was het onwaar wat hij zei? Nog steeds gaat het om de overeenkomst, maar het zwaartepunt ligt nu bij de zin of de verklaring. Stel dat de pompbediende later voor de rechtbank verklaard heeft dat hij de man naar het noorden zag wegrijden, maar dat hij een maatje van de gezochte autodief was en in werkelijkheid gezien heeft dat de man bij de volgende afslag via een viaduct de andere baan nam en naar het zuiden reed, dan zal er heel nauwkeurig gekeken worden naar zijn uitspraken. Was wat hij verklaarde, letterlijk waar? Of wilde hij toch bewust iets misleidends formuleren? Dat soort dingen. Elke zin zal dan nauwgezet gewogen worden.

Ook in de filosofie gebeurt dat wel. Men onderscheidt dan vaak de letterlijke formulering van de inhoud. ‘Het regende’, ‘es regnete’ en ‘het bleef die dag niet droog’ betekenen dan hetzelfde, al kan de formulering variëren. En dan is de vraag dus of het ook echt regende. De voorbeelden in handboeken logica zijn vaak wat kinderlijk en het regent voortdurend in die geschriften. ‘Als het regent, worden de straten nat’, is ook al zo’n voorbeeld waar je als lezer enorm van opkijkt – goh, dat had je nou nooit gedacht. En de vraag is dan of die propositie dat het regent, waar is. Ik zal het in vervolg gewoon over beweringen of varianten daarop hebben, dat is een gebruikelijker woord in de alledaagse omgang. En de uitspraak ‘het regent’ is dan en alleen dan waar als het ook echt regent.

De zin waarin je zegt dat het regent, is dan de waarheidsdrager en het gegeven dat het buiten echt regent, is dan de waarheidsmaker, maar ook die formuleer je nog steeds als zin. (Meestal of althans vaak worden hier trouwens andere termen voor gebruikt, maar voor de gelegenheid ga ik nu met Ruttens gebruik mee, dat ik overigens weinig verhelderend acht, maar dat blijkt gaandeweg vanzelf wel.) Het gaat om twee keer dezelfde formulering of om dezelfde formulering, waaraan je twee aspecten onderscheidt: dat het een formulering is en dat er iets is waarnaar verwezen wordt. Het zijn geen termen die je voor de gewone omgang met waarheid nodig hebt. Wat dan samenvalt, wordt hier kunstmatig uit elkaar gehaald. En de waarheid wordt dus eenzijdig aan één zijde van de overeenkomst gelegd en niet in de overeenstemming zelf, zoals we gewoonlijk doen. Maar je kunt een dergelijk onderscheid kunstmatig maken.

Je vindt het ook bij de zogenaamde T-sentences van Alfred Tarski:

‘p’ is waar dan en alleen dan als (if and only if) p
‘Sneeuw is wit’ is waar dan en alleen dan als sneeuw wit is

Het gaat dan al snel om een waarheidsbegrip dat met het alledaagse weinig meer te maken heeft. Er zouden bijvoorbeeld maar twee waarheidswaarden bestaan: waar en onwaar, soms weergegeven als W en O of 1 en O (en nog op diverse wijzen: als er maar twee verschillende symbolen zijn). En je kunt dan de befaamde waarheidstabellen maken. In het dagelijks leven heeft waarheid daarentegen vele gradaties. Iets kan een beetje waar zijn of een halve waarheid. Als een getuige vertelt dat er een zwarte Skoda om de hoek kwam, kun je dat ontleden in ‘Er was een auto, die was zwart, het was een Skoda en hij kwam om de bocht.’ Je hebt dan al vier proposities en als het bijvoorbeeld om een Volkswagen ging, is de combinatie onwaar: drie keer waar (auto, zwart, kwam om de bocht), één keer onwaar (Volkswagen, geen Skoda), maakt de bewering samen onwaar. In werkelijkheid zullen we de mededeling voor waar houden, maar opmerken dat er een klein foutje rechtgezet moet worden.

Het gaat hier om een typische verdubbeling: de waarheidsdrager en de waarheidsmaker zijn beide p of ‘sneeuw is wit’, alleen zeg je van de eerste (of wat die draagt) nog eens expliciet dat die waar is. Maar in beide gevallen gaat hem beweringen die waar zijn of dat kunnen zijn en die allebei betrekking hebben op een (soms externe) werkelijkheid buiten de taal (althans in het voorbeeld) of die als zodanig waar zijn. En ja, de waarheidsmaker zelf wordt geacht buiten de taal te liggen, het is een feite een rare abstracte en overbodige term voor een specifiek stukje werkelijkheid dat een uitspraak waarmaakt, maar je kunt er in een tekst als deze toch niet anders verwijzen naar dan in taal (of in een concrete situatie door te wijzen: kijk maar, sneeuw is wit).

-

Historische waarheden
Welnu, bij dergelijke op zich wat omslachtige ideeën lijkt Emanuel Rutten aan te sluiten in zijn blogstukje ‘Waarheidsmakers van historische waarheden’ ook aan te sluiten. Zijn vraag is wat de waarheidsmaker van historische gebeurtenissen is. Wat maakt de uitspraak dat Nederland in 1974 het wereldkampioenschap voetbal van Duitsland verloor, waar? Maar eerst geeft hij nog een voorbeeld uit het heden.

‘De uitspraak ‘Mijn auto is blauw’ wordt waargemaakt door mijn blauwe auto. Mijn blauwe auto kan daarom de waarheidsmaker van genoemde uitspraak worden genoemd.’

Dit is evident onjuist. De waarheidsmaker van de uitspraak dat zijn auto blauw is of dat hij een blauwe auto heeft, is natuurlijk niet die blauwe auto, maar het gegeven dat hij de bezitter van een blauwe auto is. Een waarheidsmaker is in zijn omschrijving nadrukkelijk iets anders dan het bewijs dat hij een blauwe auto heeft of dat er ergens een blauwe auto op straat staat. Als we hem regelmatig weg zien rijden in een blauwe auto, geloven we zonder meer dat hij een blauwe auto heeft. Als de politie hem vraagt of die blauwe auto die hij wil ophalen uit een afgezette straat, van hem is, kan hij zijn papieren laten zien en aantonen dat die auto daar iets verderop met dat en dat kenteken van hem is. De zin beschrijft een blauwe auto en zijn relatie daarmee. En wat de bewering waarmaakt in zijn indeling, zijn niet die bewijzen zelf, maar de uitkomst – of vanaf de andere zijde gedacht: de bron – ervan: dat hij een blauwe auto heeft. Dat is een bewering die deels met een externe fysieke realiteit te maken heeft, die auto, en deels met opvattingen omtrent bezit.

Omdat de uitspraak in de tegenwoordige tijd is gesteld, is het huidige bestaan van die auto wel nodig, omdat ze anders immers niet gaat over een automobiel dat hij nu heeft. Maar als die auto per ongeluk onder een enorme betonplaat geplet wordt en met recht geen auto meer genoemd kan worden, dan kan hij met de papieren nog steeds aantonen dat die auto van hem was en dat hij nog recht op schadevergoeding heeft. De uitspraak verandert dan in ‘Mijn auto was blauw’ of ‘Ik had een blauwe auto’ en wat die zin waarmaakt, is dat hij een blauwe auto had.

Hier doet zich een vergissing voor in zijn tekst. Laten we het vervolg even lezen:

‘Welnu, het lijkt niet onredelijk om te beweren dat meer in het algemeen uiteindelijk iedere ware uitspraak een waarheidsmaker moet hebben. Zo’n waarheidsmaker moet dan natuurlijk wel bestaan. Iets dat niet bestaat kan immers niets, en dus ook niet iets waarmaken.’

Tja, dat is wel grappig: alsof een waarheidsmaker uit zichzelf ook maar iets zou kunnen en geen abstract verzinsel is dat een klein, specifiek deel van de werkelijkkeid waar een – naar we veronderstellen – ware uitspraak betrekking op heeft, aanduidt. Een waarheidsmaker is ondanks de antropomorfe beeldspraak – alleen mensen en misschien dieren maken dingen – toch niets anders dan een object van onze voorstellingen en geen handelend subject. En nee, de waarheidsmaker hoeft nu niet te bestaan tenzij het huidige bestaan geïmpliceerd is in de uitspraak. Het ligt er maar net aan of die over het heden of iets uit het heden of de toekomst of iets dat als zodanig geen tijdelijkheid kent, gaat.

Alleen de waarheidsdrager moet nu bestaan, maar dat is per definitie het geval omdat de waarheidsmaker qua formulering per definitie gelijk is aan de waarheid die gedragen wordt. Maar de blauwe auto is op zich geen waarheidsmaker, die is slechts een onderdeel van het bewijs. En als iemand zegt dat hij nu een blauwe auto heeft, moet hij inderdaad nu een blauwe auto hebben, maar als iemand zegt dat hij tot een gisteren een blauwe, nu niet meer bestaande, geplette auto had, is het alleen maar nodig dat hij tot gisteren een blauwe auto had. Hij moet daar bewijzen voor hebben, maar de bron daarvoor is de nogal kunstmatig geconstrueerde waarheidsmaker zelf (die vervolgens in woorden gevat niet afwijkt van de waarheid zelf). Hij had een blauwe auto.

Als een bewering waar is, is er volgens het analytische onderscheid per definitie een waarheidsmaker die daaraan qua formulering als waarheidsdrager identiek is, maar die zelf iets anders geacht wordt te zijn. Daarom schieten we ook niet zoveel op met die verdubbeling. Om vast te stellen of iets waar is, kijken we naar het bewijs. Als we willen weten of het echt regent in Groningen, kijken we bijvoorbeeld even op de buienradar. En als die een vlek laat zien boven de noordoostelijke provincie geloven we dat het daar regent. En dan is de uitspraak dat het in Groningen regent waar, en dan is de geformuleerde waarheidsmaker per definitie waar. Het regent dan namelijk in Groningen. Of anders gezegd: dan is er een werkelijkheid die die bewering waarmaakt. Nogmaals, de abstracte verdubbeling komt analytisch uit de gegeven verdeling voort en verwijst als zodanig wat betreft de dragende formulering niet meer naar een (eventuele) externe werkelijkheid dan de waarheid zelf dat doet: steeds dezelfde p. De waarheidsmaker staat als zodanig wel buiten de tekst, maar kan in de tekst toch niet anders dan op dezelfde wijze als de waarheidsdrager of door middel van die waarheidsdrager worden weergegeven.

-

Een verloren voetbalspelletje
De rest kunnen we nu snel afhandelen. Emanuel Rutten vervolgt zo:

‘Neem nu historische uitspraken, zoals de uitspraak dat Nederland in 1974 de WK finale verloor. Deze uitspraak is ontegenzeggelijk waar. Daarvoor is immers meer dan voldoende bewijsmateriaal. Het zou volstrekt onzinnig zijn om, gegeven al dit bewijsmateriaal, te betwijfelen of Nederland in 1974 het WK verloor.’

Dat klopt. Er zou aan die vaststelling nog van alles uit te leggen zijn, bijvoorbeeld hoe het komt dat we direct begrijpen wat Nederland hier betekent, niet het land, maar een elftal jongemannen die graag een potje voetbal speelden, en nog veel meer. Een historicus die over 5.000 jaar een snipper informatie dat Nederland in 1974 van Duitsland verloor, vindt, zal misschien uit moeten zoeken wat Nederland en Duitsland waren en zou bijvoorbeeld kunnen denken dat Nederland een oorlog van Duitsland verloor, vooral als hij ook nog ergens de uitspraak dat voetbal oorlog is, aantreft, maar dat is hier niet van belang. We begrijpen wat hier bedoeld wordt en we achten de uitspraak waar. Maar dan gaat het grondig mis. Rutten schrijft:

‘Maar, wat is dan haar waarheidsmaker? Welke bestaande stand van zaken maakt deze uitspraak op dit moment waar?’

Nee, die waarheidsmaker is er nu niet meer, maar dat hoeft ook helemaal niet. Wat deze geconstrueerde abstractie aanduidt, was er in 1974 (zoals we ook de verzuiling in de negentiende eeuw en beginnende twintigste eeuw kunnen spreken, terwijl het begrip van begin jaren vijftig is). Die als waarheidsmaker benoemde realiteit bestond, die bestaat niet meer, behalve dan in de vorm van de qua formulering identieke waarheidsdrager. Er was toen een werkelijkheid, een gebeurtenis, en daar komt het op aan, die de uitspraak van nu toen al waarmaakte. De uitspraak is er nu en die gaat over een gebeurtenis uit 1974. Wie een uitspraak over iets uit dat jaar doet, vindt wat die uitspraak waarmaakt, natuurlijk daar en niet in 1966 of in 2014. Een waarheidsmaker is immers niet meer dan een op zich volkomen overbodige theoretische abstractie voor dat waar je ware uitspraak over gaat.

En het aardige is dat het in dit geval, die verloren WK-finale, vanaf het allereerste begin een historische uitspraak betrof. Bij de geplette auto is een voormalig heden nog in verleden veranderd, maar hier ging de uitspraak direct over twee keer vijfenveertig minuten. Op het moment dat het fluitsignaal ergens tegen zes uur, schat ik zo in, klonk op zondag 7 juni 1974, stond vast dat Nederland van Duitsland had verloren, en pas dan stel je dat definitief vast, of concreter: pas toen stelde men dat definitief vast.

Uitslagen van voetbalwedstrijden zijn per definitie oordelen over wat voorbij is, het verleden, historische uitspraken. De waarheid van de zin werd door de voorgaande twee speelhelften bewezen en sindsdien is er aan deze historische vaststelling niets veranderd. Het enige dat nodig was, is dat ze overgeleverd werd. Ze was op zondagavond 7 juni 1974 waar en ze is nog steeds waar. Of je kunt nu een opname bekijken en dan opnieuw tot dezelfde conclusie komen. De uitspraak gaat over toen, over wat nu een ver verleden is. Alleen de formuleringen kunnen veranderen. Het is dit jaar ruim 37 jaar geleden dat Nederland de WK-finale verloor en in 2024 zal het 50 jaar geleden zijn. Dat kun je nu al zien aankomen en in die zin kun je hiermee meteen een uitspraak over de toekomst doen, die zonder meer waar is.

-

Zoeken onder een lantaarnpaal
Het misverstand was al dat Rutten de waarheidsmaker van de bewering dat hij een blauwe auto heeft, in die auto zocht, want het bestaan daarvan vormt hooguit een onderdeel van het bewijs dat hij nu een blauwe auto heeft, maar als hij door zou redeneren, zou de waarheidsmaker – dus niet de zin die ook weer de waarheidsmaker draagt, maar dat waar die zin over gaat – van de uitspraak dat Nederland de WK-finale in 1974 verloor, dan op zijn minst in 1974 moeten liggen. Maar de waarheidsdrager – of dat aspect van een en dezelfde zin – bestaat, die is er nu en die zin verwijst nu naar een gebeurtenis uit 1974. Het is dan ook merkwaardig dat hij die externe waarheidsmaker hardnekkig in het heden zoekt als hij daarmee niet op de zin, maar op dat waar de zin over gaat, doelt. Het is even willekeurig en ongerijmd als de waarheidsmaker in 534 of in Taiwan te zoeken.

Het is als met de man die zijn autosleuteltjes onder een lantaarnpaal staat te zoeken en op de vraag of hij zeker weet dat ze hier moeten liggen, antwoordt: ‘Nee, ik moet ze honderd meter verderop verloren hebben, maar daar is het te donker, hier is tenminste licht’. Ook verderop blijft Rutten hardnekkig zoeken naar een waarheidsmaker die in het heden zou moeten bestaan, maar zelfs binnen zijn eigen indeling zou hij naar iets moeten zoeken dat ooit bestond of beter gebeurde, want een wedstrijd kenmerkt zich door en handelingen en gebeurt dus. En deze gebeurde dus, want die is voorbij.

Maar het hele idee dat een analytisch onderscheid ontologisch geworteld zou moeten zijn in een heden, is al een denkfout. De waarheid van de uitspraak is geworteld in gebeurtenissen in 1974. Daar gaat de uitspraak namelijk over. De uitspraak verwijst naar gebeurtenissen die toen plaatsvonden en de zogenaamde waarheidsmaker bestaat uit die samenhangende gebeurtenissen, al kennen we hem slechts in taal als een analytische verdubbeling van een uitspraak die nu (nog steeds) gedaan wordt. In die zin bestaat hij nu, net zoals de uitspraak dat zijn auto nu blauw is, als zin, en als je die uitspraak nu formuleert, wordt hij waarheidsdrager genoemd. De ware uitspraak zelf gaat over 1974 en daar is geen enkel probleem bij.

De rest is niet van belang. Rutten heeft het over de vraag of het verleden bestaat, maar dat is een heel andere vraag, waar van alles over te zeggen valt. Ja, het verleden bestaat, zoals de toekomst bestaat en het verleden gaat over dingen die vroeger gebeurden en de toekomst gaat over dingen die nog zullen gebeuren. Als hij zelf stelt dat het absurd is om aan de bewering dat het verleden bestaat, dezelfde betekenis toe te kennen als aan de uitspraak dat protonen bestaan, is de enige logische conclusie om dan twee verschillende betekenissen te onderscheiden. Hij moet zelf maar uitmaken of dat iets zegt over zijn geliefde univociteit van het bestaan. Ik vrees voor hem van wel, want juist vanwege de eerder in dat korte stukje geponeerde eenduidigheid van bestaan weigert hij kennelijk, via de opgevoerde denkbeeldige dwaas, de volstrekt voor de hand liggende gevolgtrekking te maken dat hier sprake is van een andere betekenis.

Ons bestaan is tijdelijk van aard. Die wedstrijd is voorbij. Ze werd ooit gespeeld, nu herinneren mensen zich die nog en ligt er in beeld en geschrift van alles over vast. De vraag wat het verleden dan is, of waar het dan is, heeft niets te maken met de vraag wat er op een grasveld in München op een junidag in 1974 gebeurde. Die dag is voorbij. Ze behoort tot de geschiedenis. En de waarheid van de bewering dat er in 1974 iets gebeurde, wordt niet bepaald door een verleden dat nu zou bestaan, maar door concrete gebeurtenissen die toen plaatsvonden.

-

Tijd
Ik vermoed dat veel van de misverstanden rond de discussie van gisteren en eergisteren over bestaan te maken hebben met Ruttens verwarring omtrent de tijdelijkheid van veel dat bestaat. Sommige dingen bestonden, ze bestaan niet meer. Sommige dingen bestaan, maar ze zullen over een tijdje niet meer bestaan. Zijn blauwe auto zal een keer naar de sloop gaan. Dan had hij een blauwe auto, dan heeft hij geen blauwe auto meer. Maar misschien koopt hij dan een andere auto, misschien wel een rode of een gele, en dan zal hij mogelijk een rode of gele auto hebben. Als hij vast voornemens is die te gaan aanschaffen, kan hij zeggen: ‘Over een week zal ik in een zwarte BMW rijden’. En die uitspraak zal dan een week later waargemaakt worden door het feit dat we hem in een zwarte BMW voorbij zien komen. ‘Je had gelijk’, zeggen we dan.

Ik geloof er niets van dat een auto met een korte levensduur op dezelfde wijze bestaat als de tijd bestaat of de wereld of het heelal of het verleden of de toekomst. Natuurlijk kun je stipuleren dat zowel het bestaan van die huidige blauwe auto als de tijd eenduidig is, maar ik heb geen idee wat je dan meedeelt. Wat voegt die bewering toe aan ons inzicht omtrent de werkelijkheid die we aantreffen? En hoe verdisconteer je daarin dat dinosaurussen ooit bestonden, maar nu niet meer? Of dat er in 1974 een voetbalwedstrijd plaatsvond? Is bestaan, bestaan hebben (geweest zijn, geleefd hebben) en bestaan zullen dan ook univook, eenduidig? Hoe zit het met worden of vergaan? En wat zeg je daar dan mee?

De tijd, dat is het probleem, zij het niet het enige in de beschouwingen van Rutten. Sommige dingen bestaan kort, andere hebben een lange duur en buiten de tijd, waarvan we zinvol kunnen zeggen dat die bestaat, kunnen we niet eens kijken.

En over de ‘herinneringen van God’, waar Rutten over fantaseert, kunnen we al helemaal niets zeggen. Wij mensen weten daar niets van.

(40)

[Gepubliceerd: woensdag 21 december 2011, 8.59 uur, licht herzien rond 9.35 uur.]

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.456 other followers