Berichten getagged ‘rechtsstaat’

14 april 2012

Met de rechtsstaat moet je geen spelletjes spelen

 .:.

Het stukje hieronder schreef ik precies een week geleden. Uitleg vindt men eronder.

-

Omkering
Sylvain Ephimenco is een meester der omkering. In zijn column in Trouw van zaterdag 7 april 2012 ondermijnt hij de rechtsstaatsgedachte met een beroep op de rechtsstaat. Je moet maar het lef hebben.

Pieter Bruegel de Oude, De verkeerde wereld, 1559 (Staatliche Museen zu Berlin)

Maar het begint met een andere omkering, waarbij Ephimenco zich een ware, zij het nogal kleinhartige leerling betoont van wat Paul Ricoeur ooit de meesters van het wantrouwen noemde. Als Els Boot, burgemeester van Giessenlanden, de politie verbiedt mee te werken aan een uitzetting of als Lodewijk Asscher, wethouder van Amsterdam, ‘illegale’ (volgens sommigen ‘ongedocumenteerde’) jongeren wel stage wil laten lopen, dan doen zij dat volgens hem niet vanwege het doel dat ze daarbij zelf aangeven, maar ‘om een kabinet politiek te destabiliseren’. Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten, zullen we dan maar denken.

Uiteraard kan men discussiëren over de wijze waarop deze bestuurders hun bevoegdheden gebruiken of beleid voeren, maar dat hun optreden tot ‘aantasting van de rechtsstaat’ zou leiden is een omkering van zaken. De spits van de rechtsstaat is namelijk precies andersom: de bescherming van burgers en ingezetenen tegen willekeur en tegen een overmaat aan staatsbemoeienis. De rechtsstaatgedachte staat vanouds tegenover de politiestaat en de totalitaire staat.

-

Kern
Er bestaan meer en minder uitvoerige omschrijvingen, maar over een harde kern bestaat een consensus en het is verstandig om in het maatschappelijk debat het beroep daartoe te beperken. Men kan dan drie hoofdelementen onderscheiden.

Allereerst het legaliteitsbeginsel of de ‘rule of law’: de overheid is zelf in haar handelen aan het recht gebonden. Vaak vormt een geschreven grondwet daarvan de basis, maar het begrip constitutie is breder en omvat ook fundamentele internationale verdragen. Belastende voorschriften horen geen terugwerkende kracht te hebben. De burger moet weten waar hij aan toe is.

Ten tweede is er het beginsel dat ‘machten’ en bevoegdheden gescheiden zijn. Men kan daarbij onder meer aan de befaamde trias politica denken, maar dat is zeker niet het enige. Het gaat erom dat bevoegdheden over verschillende organen verdeeld zijn, dat de opsteller en de uitvoerder van een regel bijvoorbeeld niet identiek zijn. In Nederland zijn de bestuurlijke en de wetgevende macht niet streng gescheiden – de vaststelling van wetten geschiedt immers door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk –, maar bevoegdheden zijn wel over allerlei organen verspreid. Hierbij hoort zeker de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, die in sommige gevallen ook de overheid in haar handelen tot de orde kan roepen.

Ten derde zijn er de klassieke grondrechten, die vooral vanaf de achttiende en negentiende eeuw als vrijheden werden geschonken en waar de burger zich ook in toenemende mate tegenover grensoverschrijdende overheidsbemoeienis kan beroepen. Met name na de Tweede Wereldoorlog hebben internationale verdragen als het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens daarbij voor een ruimere inbedding en meer rechtsbescherming gezorgd.

Dat is de kern. Deze drie punten hangen nauw samen en men kan er desgewenst enkele elementen afzonderlijk uithalen, maar daarmee verandert er inhoudelijk niets. Kern van de rechtsstaatgedachte is de bescherming van de burger tegenover de overheid, die aan het recht is gebonden.

-

Bescherming
Ephimenco zet de rechtsstaatgedachte echter precies andersom in: wat het kabinet wil, zal en moet gebeuren. Als Ephimenco schrijft dat burgemeester Boot ‘zich aan bestuurlijke ongehoorzaamheid jegens minister Leers schuldig maakt’, draait hij de zaken om. Nee, ze maakt alleen gebruik van haar bevoegdheid. Of ze dat op een juiste wijze doet, is een andere vraag, maar daarvoor bestaan voldoende controlemechanismen en dat geldt ook voor het optreden van wethouder Asscher. Helemaal bont maakt Ephimenco het als hij het zogenaamde Stoutfonds (dat boetes wil betalen die werkgevers krijgen als zij jongeren zonder verblijfsvergunning stage laten lopen) beticht van ‘bestuurlijke ongehoorzaamheid’: een dergelijke maatschappelijke actor vormt geen onderdeel van het bestuur en kan zich daaraan per definitie niet schuldig maken.

Ja, de wet is soms hard, maar de rechtstaat garandeert nu juist dat de wet binnen het ruimere kader van het recht, inclusief gescheiden verantwoordelijkheden en grondrechten, fungeert. Als Ephimenco stelt dat de Nederlandse rechtsstaat krachtig moet optreden tegen wat hij wel erg ruim ‘bestuurlijke ontwrichting’ noemt, gebruikt hij de rechtsstaatgedachte op een oneigenlijke wijze. De rechtstaat is een kostbaar bezit en met een dergelijk idee moet men geen spelletjes spelen. Kritiek kan men zakelijk verwoorden. Het geeft geen pas fundamentele begrippen naar eigen hand te zetten. Dat ondermijnt op den duur het draagvlak en is niet ongevaarlijk. Ephimenco zaait verwarring. Als de rechtsstaat, de bescherming van de burger tegen de overheid, niet in het geding is, moet je je er ook niet op beroepen.

Naschrift
Het stukje hierboven schreef ik vorige week zaterdag, 7 april 2012, op de dag waarop de column van Silvain Ephimenco waar ik op reageerde, verscheen, en ik stuurde het die dag ook op naar Trouw. Dinsdag deelde de opinieredactie mij mee dat ze ook al een stuk van de oprichter van het Stoutfonds, Jos Verhoeven, binnen hadden gekregen en dat ze dat woensdag gingen plaatsen. Onder de titel ‘‘De’ wet naleven is prima, maar welke van de drie?‘ is het die dag ook verschenen.

Als ik mijn stuk wat zou veralgemeniseren en dus los zou maken van het concrete stuk van Ephimenco en het ook iets zou inkorten, wilde men het donderdag wel plaatsen. Ik vond dat een zeer welwillend en begrijpelijk aanbod, maar het leek me verstandiger er geen gebruik van te maken. Los van de concrete aanleiding kwam mijn stukje naar mijn idee te veel in de lucht te hangen. Het betoog zou te  kunstmatig worden en ik had er geen behoefte aan een stukje geplaatst te zien dat in feite een gewrongen vraagstelling had.

Het uitgangspunt van mijn stukje was simpel: Ephimenco deed alsof ‘rechtsstaat’ betekent dat de staat zich van ‘boven’ tegen mensen doorzet, terwijl de werkelijke betekenis van dat begrip nu juist is dat mensen ‘beneden’ tegen de staat beschermd worden, omdat die aan recht is gebonden. Wel had ik er bewust voor gekozen om het middendeel, dat met die drie punten, met een positieve uitleg op te vullen en daarin had ik dan ook afgezien van polemiek. Die vormde vooral de aanleiding voor de stelling hoe het wel was en natuurlijk moest ik daarna daar ook nog wel iets over zeggen.

Overigens had Ephimenco diezelfde dinsdagochtend in een tweede stukje zijn foute voorstelling van zaken nog eens herhaald. Je vraagt je af of nou echt niemand hem in de tussentijd op zijn foute interpretatie heeft gewezen of dat hij zich van zoiets domweg niets aantrekt. Op donderdag 12 april plaatste Trouw in de rubriek Denktank overigens een brief van Bas de Gaay Fortaman,  getiteld ‘Lakmoesproef‘, waarin deze in kort bestek uitlegde wat het verschil is tussen de rechtsstaat en de rechtsorde, en bovendien iets stelliger dan ik deed, een verband legde met de zaken waar Ephimenco zich druk over maakte. ‘In publieke handhaving van de mensenrechten ligt de lakmoesproef van de rechtsstaat.’ Het was een nuttige bijdrage.

Ik zet mijn stukje hier maar neer, als is het nu een beetje mosterd na de maaltijd. Maar ach, foute interpretaties zullen wel niet onmiddellijk als sneeuw voor de zon verdwijnen en misschien heeft het toch nog enig nut.

(65)

10 oktober 2011

De monarchie als symbool van de rechtsstaat

.:.

Heeft het bestaande een rechtvaardiging nodig? Als iets bestaat, bestaat het, zou je tautologisch kunnen zeggen. Niet het bestaande, maar het toekomstige, dat wat nog niet bestaat en aan de huidige werkelijkheid toegevoegd wordt, heeft een rechtvaardiging nodig. Wie iets gaat creëren, moet daar zo zijn redenen voor hebben. Maar dat geldt ook voor wie iets van de hand gaat doen of vernietigen. Wie over het bestaansrecht van het bestaande begint, denkt er dus mogelijk aan dat bestaande om zeep te helpen. Het staat in ieder geval ter discussie.

Dat is precies wat er met de monarchie aan de hand is. Telkens wordt de vraag gesteld of de monarchie nog wel bestaansrecht heeft. Is ze nog wel van deze tijd?, luidt steeds weer de geschiedfilosofische vraag, die uiterst diepzinnige geesten opwerpen. We zouden de monarchie, althans de erfelijke monarchie – de combinatie is uiteraard niet noodzakelijk -, nu immers niet meer uitvinden, is gedachte. Dat klopt, maar niet het bestaande behoeft een rechtvaardiging, de wijziging vraagt daarom. Je zou dus moeten verzinnen waarom er iets anders zou moeten komen en waarom dat zóveel beter is dat de monarchie afgeschaft zou moeten worden. Daar hebben de meesten geen goed antwoord op en daarom zal de monarchie het nog wel even uithouden. De verwijzing naar de tijd heeft bij nader inzien weinig overtuigingskracht (maar ik geloof dat de ironie wel duidelijk was).

Kortom, de vraag naar het bestaansrecht is stomvervelend. En ook aan de dezer dagen druk besproken vraag naar de ‘modernisering’ van het koningschap ga ik voorbij. Andere overwegingen zijn veel interessanter. Ik zou voor de gelegenheid een stelling op willen werpen. Deze:

De monarchie is bij uitstek het symbool van het gegeven dat de rechtsstaat boven de democratie gaat.

Het is een probeersel, meer niet. Een korte uitleg. Onze Grondwet zegt wél dat Nederland een koninkrijk is en behandelt dat thema uitvoerig; dat Nederland een democratie is, staat er nergens in. Terecht: dat blijkt uit de staatsinstellingen. Het koninkrijk en de grondwet zijn van 1815, de democratie is van 1917 of 1919, al naar gelang de maatstaf die men aanlegt (of algemeen mannenkiesrecht voldoende is voor de betiteling of dat het even algemene vrouwenkiesrecht de doorslag geeft). Democratie wordt dan streng opgevat; in meer ruime zin was het democratische of eigenlijk beter democratiserende element uiteraard al veel langer aanwezig.

Hoe het ook zij, de democratie is slechts het toefje slagroom op de taart van de rechtsstaat. Of, misschien is dat net iets te minnetjes gesteld: het is de sluitsteen van de rechtsstaat, een tamelijk klein element, maar wel een uiterst belangrijk. Alleen daarmee is het gebouw af. Maar een ieder beseft dat dat grote gebouw van de rechtsstaat, met de vele instellingen, veel belangrijker is dan dat ene element: de wijze waarop we volksvertegenwoordigers kiezen. In de wandeling wordt democratie dan ook wel veel ruimer gebruikt, om het hele systeem aan te duiden. Soms fungeert het als een slordige, alledaagse aanduiding voor de rechtsstaat. Dat is niet erg, maar als het er echt op aankomt, heb je dat meer fundamentele, afzonderlijke begrip toch nodig.

En dan zou je kunnen stellen dat het ‘ondemocratische’ element van het koningschap – dat in populariteit juist het meest ‘democratische’ is – dus heel treffend laat zien dat de instellingen boven de act van het kiezen staan. Nogal wat mensen hebben tegenwoordig het merkwaardige idee dat hun wil de doorslag moet geven. Zij willen het staatshoofd kiezen, poneren ze parmantig. Maar op 10 miljoen kiezers stelt onze individuele wil niets voor en een volonté générale komt zo ook al niet tot stand. Bij verkiezingen gaat niet om onze wil, maar om onze kleine bijdrage aan het welzijn van het geheel. Dat gaat voor. En de monarchie is bij uitstek een symbool van dat wat aan onze wil vooraf gaat, meer nog dan de rest van de executieve, die uiteraard ook niet gekozen wordt. De rechtsstaat is meer dan wat door een voluntaristische act tot uitdrukking gebracht kan worden. Juist het element van geboorte, de erfelijkheid, benadrukt het aspect van het gegevene – of geworpenheid, maar ik weet even niet hoe ik dat heideggeriaanse begrip hier betoogsmatig handig inpas. De monarchie symboliseert dat het bestaan aan de wil vooraf gaat, zoals de rechtsstaat aan de democratie vooraf gaat.

Uiteraard is de monarchie een contingent symbool. De Europese monarchie heeft met name overleefd in de noordwestelijke, protestantse, progressieve staten die een tamelijk vreedzame, geleidelijke evolutie naar de moderniteit hebben doorgemaakt. Elders hebben revoluties en oorlogen het koningschap verdreven. En in landen als Duitsland of Italië komt men ook uitstekend uit met een president, maar dan wel omdat die niet rechtstreeks door het volk gekozen wordt. Kiezen tast altijd gezag aan. Democratie en legitimiteit staan dialectisch op gespannen voet. Daarom worden gemeenlijk vooral de controleurs van de macht gekozen en slechts weinig of geen leden van de uitvoerende macht.

De rechtsstaat kan ook best met andere symbolen toe. Maar de monarchie is het symbool bij uitstek, zou ik zo zeggen.

Het is maar een gedachte.

(2)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.456 other followers