Berichten getagged ‘politiek’

14 april 2012

Met de rechtsstaat moet je geen spelletjes spelen

 .:.

Het stukje hieronder schreef ik precies een week geleden. Uitleg vindt men eronder.

-

Omkering
Sylvain Ephimenco is een meester der omkering. In zijn column in Trouw van zaterdag 7 april 2012 ondermijnt hij de rechtsstaatsgedachte met een beroep op de rechtsstaat. Je moet maar het lef hebben.

Pieter Bruegel de Oude, De verkeerde wereld, 1559 (Staatliche Museen zu Berlin)

Maar het begint met een andere omkering, waarbij Ephimenco zich een ware, zij het nogal kleinhartige leerling betoont van wat Paul Ricoeur ooit de meesters van het wantrouwen noemde. Als Els Boot, burgemeester van Giessenlanden, de politie verbiedt mee te werken aan een uitzetting of als Lodewijk Asscher, wethouder van Amsterdam, ‘illegale’ (volgens sommigen ‘ongedocumenteerde’) jongeren wel stage wil laten lopen, dan doen zij dat volgens hem niet vanwege het doel dat ze daarbij zelf aangeven, maar ‘om een kabinet politiek te destabiliseren’. Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten, zullen we dan maar denken.

Uiteraard kan men discussiëren over de wijze waarop deze bestuurders hun bevoegdheden gebruiken of beleid voeren, maar dat hun optreden tot ‘aantasting van de rechtsstaat’ zou leiden is een omkering van zaken. De spits van de rechtsstaat is namelijk precies andersom: de bescherming van burgers en ingezetenen tegen willekeur en tegen een overmaat aan staatsbemoeienis. De rechtsstaatgedachte staat vanouds tegenover de politiestaat en de totalitaire staat.

-

Kern
Er bestaan meer en minder uitvoerige omschrijvingen, maar over een harde kern bestaat een consensus en het is verstandig om in het maatschappelijk debat het beroep daartoe te beperken. Men kan dan drie hoofdelementen onderscheiden.

Allereerst het legaliteitsbeginsel of de ‘rule of law’: de overheid is zelf in haar handelen aan het recht gebonden. Vaak vormt een geschreven grondwet daarvan de basis, maar het begrip constitutie is breder en omvat ook fundamentele internationale verdragen. Belastende voorschriften horen geen terugwerkende kracht te hebben. De burger moet weten waar hij aan toe is.

Ten tweede is er het beginsel dat ‘machten’ en bevoegdheden gescheiden zijn. Men kan daarbij onder meer aan de befaamde trias politica denken, maar dat is zeker niet het enige. Het gaat erom dat bevoegdheden over verschillende organen verdeeld zijn, dat de opsteller en de uitvoerder van een regel bijvoorbeeld niet identiek zijn. In Nederland zijn de bestuurlijke en de wetgevende macht niet streng gescheiden – de vaststelling van wetten geschiedt immers door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk –, maar bevoegdheden zijn wel over allerlei organen verspreid. Hierbij hoort zeker de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, die in sommige gevallen ook de overheid in haar handelen tot de orde kan roepen.

Ten derde zijn er de klassieke grondrechten, die vooral vanaf de achttiende en negentiende eeuw als vrijheden werden geschonken en waar de burger zich ook in toenemende mate tegenover grensoverschrijdende overheidsbemoeienis kan beroepen. Met name na de Tweede Wereldoorlog hebben internationale verdragen als het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens daarbij voor een ruimere inbedding en meer rechtsbescherming gezorgd.

Dat is de kern. Deze drie punten hangen nauw samen en men kan er desgewenst enkele elementen afzonderlijk uithalen, maar daarmee verandert er inhoudelijk niets. Kern van de rechtsstaatgedachte is de bescherming van de burger tegenover de overheid, die aan het recht is gebonden.

-

Bescherming
Ephimenco zet de rechtsstaatgedachte echter precies andersom in: wat het kabinet wil, zal en moet gebeuren. Als Ephimenco schrijft dat burgemeester Boot ‘zich aan bestuurlijke ongehoorzaamheid jegens minister Leers schuldig maakt’, draait hij de zaken om. Nee, ze maakt alleen gebruik van haar bevoegdheid. Of ze dat op een juiste wijze doet, is een andere vraag, maar daarvoor bestaan voldoende controlemechanismen en dat geldt ook voor het optreden van wethouder Asscher. Helemaal bont maakt Ephimenco het als hij het zogenaamde Stoutfonds (dat boetes wil betalen die werkgevers krijgen als zij jongeren zonder verblijfsvergunning stage laten lopen) beticht van ‘bestuurlijke ongehoorzaamheid’: een dergelijke maatschappelijke actor vormt geen onderdeel van het bestuur en kan zich daaraan per definitie niet schuldig maken.

Ja, de wet is soms hard, maar de rechtstaat garandeert nu juist dat de wet binnen het ruimere kader van het recht, inclusief gescheiden verantwoordelijkheden en grondrechten, fungeert. Als Ephimenco stelt dat de Nederlandse rechtsstaat krachtig moet optreden tegen wat hij wel erg ruim ‘bestuurlijke ontwrichting’ noemt, gebruikt hij de rechtsstaatgedachte op een oneigenlijke wijze. De rechtstaat is een kostbaar bezit en met een dergelijk idee moet men geen spelletjes spelen. Kritiek kan men zakelijk verwoorden. Het geeft geen pas fundamentele begrippen naar eigen hand te zetten. Dat ondermijnt op den duur het draagvlak en is niet ongevaarlijk. Ephimenco zaait verwarring. Als de rechtsstaat, de bescherming van de burger tegen de overheid, niet in het geding is, moet je je er ook niet op beroepen.

Naschrift
Het stukje hierboven schreef ik vorige week zaterdag, 7 april 2012, op de dag waarop de column van Silvain Ephimenco waar ik op reageerde, verscheen, en ik stuurde het die dag ook op naar Trouw. Dinsdag deelde de opinieredactie mij mee dat ze ook al een stuk van de oprichter van het Stoutfonds, Jos Verhoeven, binnen hadden gekregen en dat ze dat woensdag gingen plaatsen. Onder de titel ‘‘De’ wet naleven is prima, maar welke van de drie?‘ is het die dag ook verschenen.

Als ik mijn stuk wat zou veralgemeniseren en dus los zou maken van het concrete stuk van Ephimenco en het ook iets zou inkorten, wilde men het donderdag wel plaatsen. Ik vond dat een zeer welwillend en begrijpelijk aanbod, maar het leek me verstandiger er geen gebruik van te maken. Los van de concrete aanleiding kwam mijn stukje naar mijn idee te veel in de lucht te hangen. Het betoog zou te  kunstmatig worden en ik had er geen behoefte aan een stukje geplaatst te zien dat in feite een gewrongen vraagstelling had.

Het uitgangspunt van mijn stukje was simpel: Ephimenco deed alsof ‘rechtsstaat’ betekent dat de staat zich van ‘boven’ tegen mensen doorzet, terwijl de werkelijke betekenis van dat begrip nu juist is dat mensen ‘beneden’ tegen de staat beschermd worden, omdat die aan recht is gebonden. Wel had ik er bewust voor gekozen om het middendeel, dat met die drie punten, met een positieve uitleg op te vullen en daarin had ik dan ook afgezien van polemiek. Die vormde vooral de aanleiding voor de stelling hoe het wel was en natuurlijk moest ik daarna daar ook nog wel iets over zeggen.

Overigens had Ephimenco diezelfde dinsdagochtend in een tweede stukje zijn foute voorstelling van zaken nog eens herhaald. Je vraagt je af of nou echt niemand hem in de tussentijd op zijn foute interpretatie heeft gewezen of dat hij zich van zoiets domweg niets aantrekt. Op donderdag 12 april plaatste Trouw in de rubriek Denktank overigens een brief van Bas de Gaay Fortaman,  getiteld ‘Lakmoesproef‘, waarin deze in kort bestek uitlegde wat het verschil is tussen de rechtsstaat en de rechtsorde, en bovendien iets stelliger dan ik deed, een verband legde met de zaken waar Ephimenco zich druk over maakte. ‘In publieke handhaving van de mensenrechten ligt de lakmoesproef van de rechtsstaat.’ Het was een nuttige bijdrage.

Ik zet mijn stukje hier maar neer, als is het nu een beetje mosterd na de maaltijd. Maar ach, foute interpretaties zullen wel niet onmiddellijk als sneeuw voor de zon verdwijnen en misschien heeft het toch nog enig nut.

(65)

9 april 2012

Vergrijst de macht? Enkele welwillende kanttekeningen bij de G500-beweging

.:.

Ik kan het niet helpen, of eigenlijk ook wel, maar toen ik hoorde van de nieuwe ‘generationele’ beweging G500 die door Sywert van Lienden en anderen is opgericht, moest ik toch even denken aan het boekje dat Jan Nagel in september 1966 publiceerde. Het heette Ha, die PvdA! en die titel mag dan sterke gelijkenissen vertonen met de gemiddelde aanhef van de hedendaagse e-mail, destijds was die nogal leukig en uitdagend bedoeld. Het hele boekje ademt die sfeer, die helemaal past bij de nu nogal vermoeiend aandoende jeugdcultuur van die dagen.

Aan het eind verklaarde de toen 27-jarige auteur, die in maart 1965, ‘na felle kritiek tijdens het tweejaarlijkse kongres te hebben geoefend’, in het PvdA-hoofdbestuur was gekozen, dat hij termen als ‘sociale gerechtigheid, geestelijke vrijheid, maatschappelijke ordening enz.’ zoveel mogelijk had vermeden. ‘Het zijn vaak uitgeholde begrippen, die door praktische elke partij nagestreefd worden. De onenigheid begint pas, als we gaan praten over de manier waarop.’ De auteur was duidelijk op polarisatie uit en een maand later prijkte zijn naam dan ook op de lijst van hen die hun instemming betuigden met de ‘algemene strekking’ van het ‘Kort Begrip’ in het befaamde pamflet Tien over Rood. Uitdaging van Nieuw Links aan de PvdA.

-

Tienpuntenplan
De inzet van G500 is geheel anders. Daarin staat juist het verbindende centraal. De opstellers hebben een plan met tien punten opgesteld en elke jongere onder de 35 die daarmee kan instemmen, kan zich via G500 aanmelden bij een van de ‘centrumpartijen’ VVD, PvdA of CDA. Dat tienpuntenplan bevat vooral sociaal-economische onderwerpen in brede zin. Het gaat over het onderwijs, de zorg, de arbeidsmarkt, de woningmarkt, de pensioenen, de sociale zekerheid, duurzaamheid, een nationaal investeringsfonds, de staatsschuld en tenslotte de aanpassing van een grondwetsartikel over bestaanszekerheid en welvaartspreiding.

Daar zitten zeker zinvolle punten tussen, al kun je bij enkele onderdelen vraagtekens zetten. Zo lijkt het mij niet verstandig om de zorg in de laatste jaren van het leven vermogensafhankelijk te maken, hoe aantrekkelijk dat misschien ook klinkt. Het is waar dat het grootste deel van alle zorgkosten in de laatste levensjaren ontstaan, maar het lijkt me niet handig om bij keuzes die mensen dan maken, financiële overwegingen een rol te laten spelen. Het Nederlandse euthanasiebeleid is bijvoorbeeld mogelijk geworden – James Kennedy wees daar destijds in zijn studie over het thema, Een weloverwogen dood. Euthanasie in Nederland (2002), op – doordat de gezondheidszorg voor iedereen toegankelijk is en financiële zorgen geen invloed hebben. We moeten geen situatie krijgen waarbij erfgenamen zien dat hun erfenis door extra kosten verminderd wordt. Inkomensbeleid moet je niet met keuzes rond het ziekbed verbinden. En ook de introductie van generaties in een toch al weinig concreet verplichtend grondwetsartikel lijkt me weinig op te leveren. Parlement en regering zullen er zich in concreto weinig van aantrekken en hooguit zal het enige invloed kunnen hebben op adviezen van de Raad van State, maar daar trekt men zich, zoals onlangs bleek, toch al niet altijd wat van aan. Maar in het algemeen moet gezegd worden dat het tienpuntenplan getuigt van verantwoordelijkheidszin.

Het moet ook zeker toegejuicht worden dat de initiatiefnemers jongeren actiever bij de politiek willen betrekken. Ik wil dan ook vooral niet chagrijnig doen en de positieve inzet vooral waarderen. Maar op twee punten wil ik wel enige kanttekeningen zetten.

-

Grijze macht?
Allereerst is daar de vraag of het nu werkelijk zo is dat de macht in Nederland vergrijst, zoals de initiatiefnemers stellen. Jan Nagel presenteerde de jeugd in zijn schotschrift destijds als een ‘onderdrukte groep’, die ‘geëmancipeerd’ moest worden. Achteraf klinkt dat nogal overdreven en waarschijnlijk was dat toen ook al het geval. De jaren zestig waren nou net de jaren waarin de jeugd, mede door de stijgende welvaart, bijna vanzelf alle kansen kreeg en zijn pamflet was dan ook meer een uiting van de nieuwe mogelijkheden die jongeren toen in de schoot geworpen kregen dan van een noodsituatie. Jan Nagel is zijn generatie trouw gebleven en zet zich nu in voor een politieke partij die zich juist op de ouderen richt. Je zou kunnen zeggen dat het initiatief van G500 daar een nuttig tegenwicht tegen vormt. Het tienpuntenplan van G500 is vooral veel bescheidener: men constateert werkelijke problemen en probeert daar constructief over mee te denken. Maar toch lijkt het me de vraag of de nadruk op jongeren nu in alle opzichten zo gerechtvaardigd is.

De initiatiefnemers maken nogal een punt van de ‘vergrijsde macht’, waar ze een afzonderlijk betoog aan wijden:

‘G500 ziet dat de macht vergrijst in Nederland. Politiek gezien zijn oudere generaties zeer sterk vertegenwoordigd. Niet alleen omdat ouderen vaker naar de stembus gaan, maar ook omdat de partijen waarop zij stemmen dominant zijn. De mensen die de politieke leiders aanwijzen, verkiezingsprogramma’s opstellen en partijen controleren zijn nog grijzer. Een blik werpen in een gemiddelde congreszaal zegt genoeg. De macht is grijs en wordt enkel grijzer.’

Is het werkelijk zo dramatisch? De initiatiefnemers voeren gegevens aan die ontleend lijken te zijn aan het zogenaamde Leidse Partijledenonderzoek van 2008 en die door Josje den Ridder, Joop van Holsteyn en Ruud Koole handzaam op een rij gezet zijn in tabel 8.2. in het hoofdstuk ‘De representativiteit van partijleden in Nederland’ in het boek Democratie Doorgelicht. Het functioneren van de Nederlandse Democratie (2011) onder redactie van Rudy Andeweg en Jacques Thomassen. Daaruit blijkt onder meer dat de leden van partijen ouder zijn dan de kiezers. Bij de VVD zijn – of misschien moeten we inmiddels zeggen: waren – de leden gemiddeld 51 jaar en de kiezers 46 jaar, bij de PvdA zijn die getallen 58 en 50 en bij het CDA zijn ze 67 en 51. Dat klinkt op het eerste gezicht nogal dramatisch, maar is dat ook zo?

Allereerst kun je je afvragen of de mensen die werkelijk op congressen komen, net zo oud zijn als de leden. Bij het grote CDA-congres op 4 oktober 2010 kreeg ik toch de indruk dat de gemiddelde bezoeker wel iets onder de 67 was en verschrikkelijk grijs zien PvdA-congressen er naar mijn indruk nu ook weer niet uit. De initiatiefnemers concluderen ook dat het ledenaantal van partijen slinkt. Je kunt je afvragen of met name PvdA en CDA niet veel leden hebben die nog van ‘vroeger’ lid zijn. Veel ouderen zullen nog lid zijn uit een tijd toen men nu eenmaal lid werd omdat men tot een bepaalde bevolkingsgroep behoorde. Nu lijkt men veeleer alleen lid te worden als men ook politiek actief wil worden, en mijn indruk is dat partijen daar tegenwoordig ook een beetje vanuit gaan. Als iemand zich aanmeldt, vermoedt men al snel dat die wel wat wil gaan doen. Dat kun je enerzijds zorgelijk noemen, maar anderzijds zou het met de daadwerkelijke vergrijzing onder actieve partijleden nog wel eens mee kunnen vallen.

Maar zijn de verhoudingen nu zo scheef als je naar de bevolkingsopbouw kijkt? De gemiddelde Nederlander was op 1 januari 2011 40,3 jaar oud, stelde het CBS vast. Aangezien het kiesrecht pas vanaf 18 jaar geldt, moet de gemiddelde kiezer nog wel een stukje ouder zijn. Als je het daaraan afmeet, valt het nog wel mee. De gemiddelde leeftijd van de kiezers op de zeven partijen – naast de drie genoemde ook D66, GL, CU en SGP – die het Leidse onderzoek in 2008 onder de loep nam, lag tussen de 41 (SGP) en 51 (CDA en D66). Ik kon zo snel nergens een cijfer van de leeftijd van de gemiddelde kiezer vinden, maar de 12.524.152 kiezers die in 2010 een oproep kregen, moeten gemiddeld een behoorlijk eind in de veertig zijn geweest.

Als je daarnaast zet dat de leeftijd van het gemiddelde Tweede Kamerlid rond de 45 ligt, kun je eerder concluderen dat de Tweede Kamer de kiezers in dat opzicht vrij goed representeert. Nu vertegenwoordigt de Kamer niet alleen de kiezers, maar het gehele volk, maar het lijkt me ook voor de hand te liggen dat een zekere leeftijd in de politiek niet onhandig is. Men moet ook wat gedaan en opgestoken hebben, voor men in de Kamer komt. Er zijn nogal wat jonge Kamerleden, terwijl het oudste Kamerlid momenteel slechts 66 is. Op de site van Parlement en Politiek is een mooi overzicht te zien, waaruit blijkt dat leeftijd van Tweede Kamerleden in de loop der jaren nogal gedaald is. Bedroeg het aantal leden boven de zestig in 1960 nog 37, nu zijn het er nog maar 10. Er zitten 4 twintigers in de Kamer, 41 dertigers, 54 veertigers en 40 vijftigers.  Onder de tien zestigers is trouwens ook Kamervoorzitter Gerdi Verbeet. Je mag aannemen dat de partijleden in 1960, toen partijen nog veel meer leden telden, gemiddeld een stuk jonger waren.

Al sinds 1994 is de kiezersmarkt nogal volatiel, waardoor veel Kamerleden niet de kans kregen hun parlementaire loopbaan te vervolgen en bovendien was het ‘vernieuwingsstreven’ in veel partijen sindsdien niet van de lucht. Wat betreft het parlement is het probleem eerder dat er bij elke verkiezing te veel nieuwkomers zijn, waardoor het aantal ervaren, goed ingevoerde Kamerleden nogal is afgenomen. Het is niet onhandig als er ook parlementariërs zijn die zich nog wel eens iets herinneren en zich niet door de waan van de dag laten meeslepen. Ik weet dat de leden van het huidige kabinet gemiddeld nogal op leeftijd zijn, maar ik geloof niet dat je kunt stellen dat de politiek in Nederland nu zo vergrijsd is. Als er een probleem is, is dat eerder omgekeerd: dat er te weinig continuïteit is. Bijna de helft van de leden zit nog geen duizend dagen in de Tweede Kamer. De zes met de hoogste anciënniteit deden hun intrede in 1998.

Nu moet gezegd worden dat jongeren van G500 zich buitengewoon bescheiden opstellen. Ze stellen dat ze niet uit zijn op ‘functies, baantjes of anderszins’. Ze willen enkel lid zijn om hun ‘idealen’ – lees het tienpuntenplan – te realiseren en ‘zodra de plannen gerealiseerd zijn kan de G500 zichzelf opheffen’. Maar de vraag is of het zo werkt. Een aantal programpunten vergt nogal wat lange adem. En waarom zouden mensen die lid worden van een partij, geen functies aanvaarden? Dat ligt bij het huidige functioneren van politieke partijen immers nogal voor de hand. Je zou kunnen zeggen dat G500 probeert om de oude functie van partijen te herstellen: meelevende leden die hun stem laten horen zonder zelf naar politieke functies te streven, en als dat zou lukken, zou dat mooi zijn. Maar je kunt je afvragen of partijen zo nog functioneren.

-

Waarom slechts drie partijen?
Het volgende punt is waarom G500 zich alleen op VVD, PvdA en CDA richt. Ik zie geen goede uitleg. Het feit dat men denkt of hoopt dat eenzelfde kernprogramma in alle drie partijen een kans zou kunnen maken, geeft al aan dat men er in feite vanuit gaat dat de ideologische verschillen gering zijn. Dat is feitelijk ook het geval, maar het is de vraag of de aantrekkelijkheid van deze drie partijen, die vanouds een centrale rol in ons bestel spelen, er nu groter op wordt, als ze de verkiezingen ingaan met een op een aantal punten identiek program.

De initiatiefnemers laten ook zien, dat de totale sterkte van de drie partijen in de loop van de laatste jaren ernstig is afgenomen. Op dit moment hebben de drie samen 82 zetels en in de huidige peilingen komen ze niet veel verder dan ongeveer de helft van het electoraat. Richt men zich in een vermeende strijd tegen een ‘vergrijsde macht’ niet te veel op de ‘oude macht’? Ook van partijen als D66, GL en CU kun je zeggen dat ze zich juist op sociaal-economisch terrein behoorlijk in het centrum bevinden en juist deze drie partijen hebben in oktober 2011 gezamenlijk blijk gegeven van hun bereidheid constructief mee te werken aan noodzakelijke hervormingen.

Het is nogal in de mode om de ‘verbrokkeling’ of ‘versplintering’ van het partijenlandschap te betreuren, maar je zou er juist ook een hoopvol teken in kunnen zien. Terwijl vrijwel alle partijen zich constructief en pragmatisch opstellen en in de huidige situatie van een minderheidskabinet op allerlei thema’s gelegenheidsbondgenootschappen sluiten, heeft de kiezer de kans om eigen accenten te leggen. Juist in een situatie waarin ideologische verschillen niet groot zijn, is dat eerder een ideale situatie, zou ik zeggen. Lopen de initiatiefnemers niet achter de feiten aan en richten ze zich niet op de verkeerde partijen? Is het wel verstandig om een concreet programma met slechts drie partijen, waarvan er twee, CDA en PvdA, in een crisis verkeren en waarbij ook de VVD helemaal niet zo groot is, te verbinden? Worden er niet twee zaken – lidmaatschap en een hervormingsprogram – op een onhandige wijze verbonden? Zou het niet verstandiger zijn om beide zaken te scheiden? Moet men niet kiezen tussen beide? Zou het niet effectiever zijn om een programma van buitenaf voor te leggen? Of om juist steun te zoeken onder jongeren die al lid zijn van diverse politieke partijen?

En zou het niet verstandig zijn als politieke partijen zelf probeerden om meer jeugdige leden te werven? Je kunt niet zeggen dat de oproepen in de obligate tv-spotjes van de partijen nu zo werken. Ik heb nooit begrepen waarom de Nederlandse politieke partijen nooit een gezamenlijke actie gestart zijn om meer leden te werven. Je kunt je overigens afvragen of het wel zo verstandig is om nostalgisch naar het verleden terug te verlangen. Werkt de Nederlandse politiek nu echt zo veel slechter nu partijen veel minder tamelijk passieve leden tellen? Men kan wel opmerken dat het zorgelijk is dat zo’n klein deel van het electoraat lid is van partijen, maar is de werkelijke macht en invloed binnen de partijen nu slechter verdeeld dan in vroeger jaren? Ik vraag me dat af. De toegang voor wie zich politiek wil inzetten, is er niet minder om geworden.

-

Benieuwd
Maar goed, dat zijn slechts enkele kanttekeningen die absoluut niet chagrijnig bedoeld zijn. De inzet getuigt van grote verantwoordelijkheidszin. En de gerichtheid op een concreet verbindend programma is in feite het tegendeel van de houding die (een deel van) de luxeuze generatie van Jan Nagel tentoonspreidde, waarin het spel van de polarisatie nog wel eens om zichzelfs wille gespeeld leek te worden.

Ik ben vooral benieuwd.

(64)

20 maart 2012

Een linkse meerderheid. Of waarom D66 en GroenLinks de PVV dankbaar kunnen zijn

.:.

Zaterdag was het weer zover. Ik stond in Hoog Catharijne even naar wat kranten te kijken, toen een meneer naast me uit het niets begon te mopperen. Hij wees op een bericht over de verkiezing van een nieuwe voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA door de leden die partij (de fractie was, zoals bekend, te lamlendig om dat zelf te doen). Het was niet te hopen dat die lui weer aan de macht zouden komen, want dan zouden ze er alles doorjagen. Dat was ongeveer wat de man in de benauwde wereld van het Utrechtse winkelcentrum ongevraagd kwijt wilde.

-

Geen linkse meerderheid
Er schuilt een hele wereld van vooroordelen achter zo’n losse, eenzame, wrokkige opmerking, want zeker is dat de man niet origineel was, maar daar zal ik nu niet op ingaan. En ook de voor de hand liggende opmerkingen over wie gedurende de voorbije decennia werkelijk welke financiële politiek voerde, zal ik niet maken. Het gaat me namelijk om iets anders.

Huis ten Bosch in Japan. Het geheim van Noordeinde en Huis ten Bosch zal plaatsmaken voor dat van het Binnenhof: de politiek trekt zich steeds verder op beperkt terrein terug. (Foto: Radio Nederland Wereldomroep)

Ten eerste heeft in Nederland een enkele partij nooit in haar eentje de meerderheid in de Staten-Generaal verworven en dat zit er vooralsnog ook absoluut niet in. Dat moet voor mensen die menen dat er partijen zijn met heel erg snode plannen die ons rechtstreeks naar de ondergang zullen voeren, een troost zijn. Ook bij de samenstelling van kabinetten is er in Nederland een machtsbalans. Altijd moeten meerdere partijen het eens zien te worden. Altijd worden alle zaken vanuit meerdere perspectieven bekeken.

Ten tweede, en nu kom ik bij het punt waar ik het hier over wil hebben, heeft links in Nederland nog nooit de meerderheid gehad. Het zou wel eens kunnen zijn dat Nederland daarin zelfs een beetje atypisch is, maar ook dat zal ik nu niet in detail uitzoeken. Wie het handige overzicht met de zetelverdeling sinds 1946 op de onmisbare site Parlement & Politiek bekijkt, zal vaststellen dat er van de 31 partijen die er na de oorlog in de Tweede Kamer gezeteld zijn geweest (om het maar eens zo te zeggen), er slechts tien als ‘links’ golden, wat die aanduiding verder ook waard is. In de volgorde van optreden (en grootte): PvdA, CPN, PSP, D66, DS’70, PPR, EVP, GL, SP en PvdD.

En ook dan kun je het er nog hebben in hoeverre DS’70, D66 en de PvdD echt in dat lijstje thuishoren. Maar de partij van de jonge Drees kwam toch echt voort uit de PvdA en juist nogal wat oude socialisten, die Nieuw Links niet meer verdroegen, behoorden tot de oprichters. De naam van de partij was overigens duidelijk genoeg. D66 en de PvdD zijn in ieder geval, ook anders dan GL dat deels is, geen partijen met socialistische wortels, maar het begrip links is daar ook niet identiek aan. De PvdD geldt in ieder geval als gematigd links of progressief. D66 is misschien nog lastiger, maar zeker in de eerste jaren werd het als een linkse partij gezien. Men denke aan de samenwerking met PvdA, PPR en aanvankelijk ook de PSP in het zogenaamde Progressief Akkoord en het optreden in het kabinet-Den Uyl. Omdat het om een typische jojopartij gaat, die zich na de onvermijdelijke periodieke inzinkingen steeds weer opnieuw uitvindt, verandert de identiteit ook telkens en nu ze zich tegenwoordig wel als ‘liberaal’ presenteert – lange tijd was dat volstrekt ondenkbaar -, kun je wat vraagtekens bij de indeling zetten.

Wie de omvang van links in de loop van de jaren wil meten, doet er altijd verstandig aan om twee lijstjes te maken: met en zonder D66. Maar voor mijn betoog is dat nu niet zo van belang. Nooit hebben de genoemde partijen samen een meerderheid in de Staten-Generaal gehad. Als we D66 meerekenen, was 1998 het topjaar. Toen bereikten PvdA, D66, GL en SP met 75 zetels samen de helft van het aantal zetels, maar dat viel nauwelijks op, omdat de paarse samenwerking van PvdA, VVD en D66 werd voortgezet in het tweede kabinet-Kok. En de SP met vijf zetels werd als ‘tegenpartij’ trouwens nog niet zo serieus genomen door de rest. In de Eerste Kamer had dit links toen trouwens ook geen meerderheid en daar hadden PvdA en VVD, die in de Tweede Kamer samen een meerderheid hadden, D66 trouwens ook hard nodig.

-

Oude en nieuwe indelingen
Wie de zaken over een wat langere termijn beziet, moet er zich overigens over verbazen dat de samenwerking tussen PvdA, VVD en D66 met de mengkleur paars werd aangeduid. Voor de oorlog zou dit namelijk een typische linkse coalitie zijn geweest. Dat was immers de oude indeling: confessioneel was rechts en alles wat niet confessioneel was, gold als links. Voorlopers van de VVD als de LSP en de VDB werden altijd als linkse partijen gezien en Hendrik Colijn regeerde tussen in zijn tweede en derde kabinet tussen 1933 en 1937 naar toenmalige begrippen dan ook samen met links. Ik denk dat zelfs de VVD, opgericht in 1948, aanvankelijk nog als een linkse partij werd gezien en dat de aanhangers zich daar zeker toe rekenden. Maar daarna verschoof de indeling en werd de sociaal-economische politiek, grof gezegd de houding tegenover het kapitalistische systeem, het leidende beginsel bij de indeling in links en rechts. Tot 1967 golden volgens die zienswijze alleen de socialistische PvdA en PSP en de communistische CPN als links.

Maar helemaal lekker zat die indeling toch niet, want in de jaren zestig kwam meteen een nieuwe indeling tussen ‘progressief’ en de rest, die gemeenlijk niet conservatief wilde heten, op. D66 en de PPR, niet socialistisch, wel ‘links’, waren daarvan de eerste exponenten. Het oude rechts, dat terminologisch inmiddels uit de mode was, verloor trouwens al in 1967 de meerderheid: de vijf confessionele partijen behaalden toen niet meer dan 73 zetels. In die zin heeft links sinds dat jaar de meerderheid in de Nederlandse politiek, maar omdat andere tegenstellingen vooralsnog dominanter waren, zag niemand dat zo. Wel werd de sociaal-economische indeling dus aangevuld met een nieuwe immateriële, waarbij links ook iets als ‘progressief’ ging betekenen.

In die gepolariseerde dagen verleende het etiket links een tamelijk duidelijke identiteit, maar rechts verloor in feite aan betekenis. Typerend was dat A.A.M. van Agt het nieuwe CDA bij de eerste verkiezingen waar die (toen nog toekomstige) partij aan meedeed, in 1977 als een typische middenpartij neerzette: hij boog niet naar rechts en hij boog niet naar links. Zei hij tenminste. Hoewel je uit de 31 na de oorlog in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen dus wel de tien linkse kunt halen, is het in feite onmogelijk om de overige 21 volgens de nu gangbare norm zonder meer rechts te noemen. Dat zou aan het zelfverstaan geen recht doen en zo zagen ook anderen hen vaak niet.

-

Nieuwrechts
Maar nu is het weer anders. En in zekere zin zou je misschien kunnen zeggen dat links nu wel een meerderheid heeft. Soms dan, niet altijd. Hoewel je dat in bepaalde opzichten al kon zeggen over de paarse coalities – euthanasiewetgeving, het zogenaamde homohuwelijk, en er valt vast wel meer te bedenken – is dat met het optreden van het populisme in de laatste tien jaar helemaal duidelijk geworden. De LFP snoepte in 2002 vooral kiezers bij links weg, maar door de moord op Pim Fortuyn werd dat zo’n zooitje dat er verder weinig zinnigs over gezegd kan worden. Met de strakker geleide eenmanspartij van Wilders, de PVV, is het wel zichtbaar geworden. De aanhangers van die partij noemen zich vaak trots rechts. Anderen, tegenstanders, hebben het over domrechts, maar voor een analyse is dat een wat al te partijdige aanduiding. Nieuwrechts lijkt me als neutrale, beschrijvende typering beter. Het doet recht aan het zelfverstaan en de term brengt een duidelijke onderscheid aan met traditioneel rechts, waarvan eigenlijk niet eens duidelijk is wat het precies betekent.

Maar wat zegt die vaak provocerende term rechts die aanhangers van de PVV zelf graag gebruiken eigenlijk? Dat men zich bij de oude machten van het behoud aansluit? Geenszins. Het is een term die vooral gebruikt wordt om zich af te zetten tegen links en die vooral ook de teleurstelling of de wrok tegen wat men als het linkse establishment ziet, moet uitspreken. Misschien was dat ook wel de achtergrond van die meneer in Utrecht, die me ongevraagd deelgenoot van zijn zieleroerselen maakte. Vaak wordt de leuze gebruikt door lieden die zichzelf vroeger als links beschouwden, maar zich door de progressieve ‘elite’ in de steek gelaten of bedrogen voelen. Het is een feit dat dát links nooit de meerderheid had of de dienst uitmaakte, maar de kiezers, nou ja sommige, voelen dat vaak anders. In een aantal grote steden had links immers wel de meerderheid en het ambtenarenapparaat en de spraakmakende intellectuele gemeente waar men zich tegen afzet, beschouwt men vaak ook als links.

In die zin is het nieuwe rechts een paradoxaal begrip: het is een soort anti-links, dat een merkwaardige mengeling bevat: de gewone rechtse man tegen de linkse elite. Ooit zou je dat de omgekeerde wereld hebben genoemd. In die zin vervult het in de veranderde sociaal-economische en culturele omstandigheden van de voltooide en zichzelf noodzakelijkerwijs steeds vernieuwende en hervormende welvaartstaat enigszins de oppositionele rol die links vroeger ook had: juist tegen de gevestigde machten of wat men daarvoor houdt. Het huidige rechts van nieuwrechts is een soort links in het kwadraat: de stem van het protest (ook al heeft dat protest weinig om het lijf en leidt het zelden tot gemotiveerde actie).

-

Toch een linkse meerderheid
De voorstellen die gisteren gepresenteerd werden om de koningin – staatsrechtelijk trouwens de Koning – haar rol bij de formatie van een nieuw kabinet te ontnemen, geven in feite aan dat er nu in de Tweede Kamer wel degelijk een linkse meerderheid is. Wat je ook van de erfelijke monarchie kunt zeggen, ze staat in ieder geval voor de gevestigde machten en juist dat symbool pakt men nu aan.

Als ik het goed zie, claimen zowel D66 als GroenLinks dit succesje. Wie op de site van D66 kijkt, leest daar dat een ‘ruime meerderheid van de Tweede Kamer’ instemt ‘met het voorstel van D66-Kamerleden Gerard Schouw en Boris van der Ham om de kabinetsformatie democratischer en transparanter te maken.’ Wie vervolgens bij GroenLinks te rade gaat, treft daar een belangrijke aanvulling aan: pas door een amendement van Ineke van Gent (GL) op een voorstel van Gerard Schouw en Boris van der Ham werd een meerderheid bereikt.

Het is ondertekend door vertegenwoordigers van de vijf linkse partijen GroenLinks, PvdA, SP, D66 en PvdD – Ineke van Gent, Pierre Heijnen, Ronald van Raak, Magda Berndsen, Esther Ouwehand – én, als derde, door een lid van de PVV-fractie, Andre Elissen. En dat is veelzeggend. De PVV past niet in de oude schema’s en door slechts op bepaalde punten een Gedoogakkoord met de VVD en het inmiddels wel rechtse CDA – het ‘radicale midden’ heft zichzelf terminologisch op – aan te gaan, heeft de club van Wilders zich de vrijheid verschaft om op punten als deze juist met links in zee te gaan. Maar het omgekeerde valt nog meer op: dat progressieve partijen als D66 en GroenLinks op een punt als dit gretig met de PVV samenwerken. In die zin heeft links nu op bepaalde punten voor het eerst een werkbare meerderheid in het parlement.

-

Het voorstel
Het voorstel om het Reglement van Orde aan te passen zal het wel halen. Of het ook echt gaat werken, moet bij de volgende kabinetsformatie maar blijken. Er is vaak op gewezen dat de Kamer al in 1971 een motie van de KVP-er Kolfschoten aannam waarin de Kamer werd aangespoord ‘in een openbare beraadslaging te onderzoeken of een oordeel kan worden uitgesproken omtrent een door het Staatshoofd te benoemen kabinetsformateur”. Toen dat even later in dat zelfde jaar werd uitgeprobeerd, kwam daar niets van terecht. Door voorzichtiger te werk te gaan en ook de mogelijkheid van het zelf aanwijzen van informateurs op te nemen en nog wat procedurele slagen om de arm te houden, lijkt de kans van slagen nu veel groter.

Of het voorstel tot ‘méér transparantie’ zal leiden, zoals Schouw en Van der Ham claimen, of dat de procedure ‘een stuk transparanter’ zal worden, zoals Ineke van Gent schrijft, valt nog te bezien. In hun toelichting wezen Schouw en Van der Ham er al op ‘dat besloten overleg nu eenmaal onontkoombaar is in ons stelsel van evenredige vertegenwoordiging, waarbij door overleg tot machtsvorming moet worden gekomen’. Het voorstel beoogt dan ook niet ‘volledige transparantie’, merkten ze zelf bescheiden op, en ook de formulering van Ineke van Gent is comparatief van aard.

Eigenlijk valt niet zo snel in te zien wát er dan werkelijk transparanter zal worden. Wat wel zeker is, is dat een mooi ritueel om zeep wordt geholpen. Het had iets plechtigs: al die fractieleiders die op paleis Noordeinde langs gingen en vervolgens volkomen transparant uitlegden wat ze geadviseerd hadden. Alleen wat de beide Kamervoorzitters en de vice-president van de Raad van State adviseerden, was niet volledig bekend. Het komt er nu op neer dat voorzitter van de Tweede Kamer een grotere rol krijgt en de Eerste Kamer en haar voorzitter en de Raad van State en zijn vice-president volledig buiten spel gezet worden. De Eerste Kamer kan aan een dergelijke wijziging van het reglement van de andere Kamer niets doen, maar het is wel een boeiende vraag of er van daaruit nog een reactie komt.

Het aardige van de tot dusver gangbare werkwijze was dat de partijpolitieke adviezen volledig transparant waren en voor het publiek ook op een aantrekkelijker wijze werden gepresenteerd dan in een Kamerdebat zal gebeuren. Juist bij de formatie vervulde de monarchie een politiek nuttige rol, zonder dat die partijpolitiek werd. Die was veel overtuigender dan het ceremonieel op Prinsjesdag waarbij al te duidelijk is dat de vorstin alleen maar de tekst van iemand anders voorleest. Alleen de uiteindelijke aanwijzing van een informateur was uiteindelijk soms een verrassing, maar dat lijkt me voor de partijen ook wel prettig. Ze hoeven zich dan in de eerste stadia nog niet zelf vast te leggen en over de uiteindelijke uitkomst, wie er met wie een meerderheid vormt en de feitelijke aanwijzing van de formateur, gaan ze toch echt zelf. De speelruimte voor de partijen neemt in het voorstel alleen maar iets af, zou ik zeggen. Ik zie eenvoudigweg niet waar er nog meer transparantie zou ontstaan.

-

Of toch?
Maar we zullen wel zien. Uit zakelijk oogpunt kun je je trouwens wel afvragen of dit voorstel juist voor de PVV nu zo’n geweldige stap is. Meer dan een uiting van rancune lijkt het niet. Als deze procedure bij de laatste formatie al gevolgd was, zou dit kabinet er dan ook gekomen zijn? Het was helder dat Mark Rutte, Maxime Verhagen en Geert Wilders op een gegeven moment per se dit kabinet wilden. De gang van zaken na het afscheid van Ab Klink maakt dat duidelijk. Maar als er vanaf het begin hoofdelijk gestemd was, hadden Kamerleden als Kathleen Ferrier en Ad Koppejan zich dan ook zo onder druk laten zetten? Het valt moeilijk te zeggen. Ook dan zou pressie vanuit de fractie immers mogelijk zijn geweest. Maar het is mogelijk dat op dit punt de nieuwe procedure tot iets meer doorzichtigheid zou hebben geleid. Maar op andere punten verwacht ik eerder iets minder transparantie.

De praktijk zal het leren. Het lijkt me op zich weinig waarschijnlijk dat de PVV ooit nog weer bij een formatie betrokken wordt. Het lijkt me duidelijk dat het CDA zich net als de ezel niet opnieuw aan dezelfde steen zal stoten. En ook al maakt links nu gretig gebruik van de PVV om een speeltje binnen te krijgen – een speeltje trouwens dat veertig jaar geleden helemaal niet typisch links was trouwens -, het lijkt me vooralsnog onwaarschijnlijk dat de linkse partijen déze linkse meerderheid werkelijk in een kabinet willen omzetten. Tenzij men natuurlijk zo de smaak van de huidige parlementaire sterkte te pakken krijgt en er dan een links minderheidskabinet komt. Maar vooreerst lijkt me dat uiterst onwaarschijnlijk.

Duidelijk lijkt me in ieder geval dat er op bepaalde punten nu voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis een soort linkse meerderheid bestaat. Maar of dat veel betekent? En wat wel zeker is: juist voor mensen die niet zo veel met politiek hebben, wordt het een stuk minder aantrekkelijk. De laatste gelegenheid waarbij we politici overtuigend buiten de nauwe grenzen van het Binnenhof zagen optreden, verdwijnt. De magie van het koningschap verleende aan het politieke getouwtrek iets feestelijks. Dat is nu voorbij.

En de wrok zal toenemen.

Eerste naschrift (ongeveer 15.30 uur)
Of het vertrek van Hero Brinkman, ook zo’n vroegere PvdA-er trouwens, uit de PVV-fractie – ik zag tijdens het schrijven wat meldingen langs komen, maar wilde me niet te veel af laten leiden – gevolgen zal hebben voor bovenstaande beschouwing, valt nog te bezien. Het zal vooral van diens stemgedrag afhangen. Hij zegt dat hij de coalitie absoluut niet zal laten vallen en hij heeft daar, dunkt mij, ook geen enkel belang bij. Ik denk dat er voor het kabinet in principe weinig verandert. Men heeft alleen nog een extra inofficiële gedoogpartner. Of om het met Willem Aantjes te zeggen: het draagvlak van het kabinet in de Tweede Kamer is versterkt: het aantal gedoogpartijen is nu immers verdubbeld.
Het is trouwens interessant dat Brinkman als een van de eersten, vermoed ik, populisme als een positief etiket hanteert, maar dit terzijde.

Tweede naschrift (woensdag 21 maart ongeveer 9.30 uur)
Toen ik mijn stukje gisteren schreef, zag het er nog naar uit dat er ‘s middags een debat gevoerd zou worden over het voorstel van Schouw en Van der Ham. Dat ging niet door omdat de Kamer besloot een debat te houden over het vertrek van Hero Brinkman uit de fractie van de PVV. Dat debat leverde uiteraard niets op. Wat ik hierboven al beschreef, gebeurde opnieuw: de Kamer was vooral met zichzelf bezig. Ze trekt zich helemaal terug op de kleine wereld van het Binnenhof. Het was een nieuwe uiting van de hijgerigheid die de huidige politiek zo in zijn greep heeft.
Het paradoxale is dat deze navelstaarderij waarschijnlijk mede ontstaat doordat Kamerleden, ook via Twitter, zo in interactie met de maatschappij staan. Natuurlijk roept het vertrek van Brinkman allerlei reacties op bij het geïnteresseerde deel van het publiek en het is ook zeker niet onwaarschijnlijk dat het het begin is van belangwekkende ontwikkelingen. Zet hier het verval van de PVV in? Dat zou goed kunnen, maar we weten het nog niet. Het is een onderwerp waar iedereen nu rustig over kan speculeren, maar uitgerekend de Tweede Kamer zou zo verstandig moeten zijn om er even geen grote aandacht aan te besteden. Laat men dat doen op het moment dat er werkelijk iets duidelijk wordt. De oppositie probeert nu te scoren op een moment waarvan ze weet dat ze niets bereikt. Iets meer geduld zou verstandiger zijn.
Vooralsnog acht ik de constatering dat de grotendeels linkse oppositie zich afzet tegen het huidige kabinet, maar als dat zo uitkomt, net zo gretig als het gedecimeerde rechts samenwerkt met de nieuwrechtse en in feite onindeelbare PVV, belangrijker. Zowel het een als het ander is overigens niet onbegrijpelijk. Het gaat me vooral om de waarneming, minder om een oordeel.

(63)

7 december 2011

De ander – Over ritueel slachten en moreel onvermogen

.:.

Waarom is de ander anders? Ja juist, omdat hij anders is en daarom een ander.

Met de ander moeten we leven. Zonder al die anderen zouden we niet eens kunnen leven. Mensen zijn van andere mensen afhankelijk. Maar soms kan die ander ons ook flink storen. Omdat ie zo anders is. Omdat ie dingen doet die wij niet begrijpen. Omdat ie dingen zegt die wij eigenlijk niet willen horen. Omdat ie dingen doet die wij helemaal verkeerd vinden. Kortom, omdat ie heel anders is en niet in ons stramien past.

Koeien zijn lieve, wat slome beesten waarmee je een goede band kunt opbouwen. Mensen maken ze dood en eten ze op. (Foto: Jaydot)

Mensen willen best tolerant zijn, maar meestal wel binnen grenzen. Zodra die ander dingen doet die we nog wel kunnen plaatsen, vinden we het best. En, wat nog vaker voorkomt, zolang hij dingen doet die ons eigenlijk niet zo interesseren, vinden we het ook best. En dat is heel vaak zo. Op onverschilligheid wordt vaak afgegeven, maar het is vaak een zegen. Laten we blij zijn dat we ons niet om alles wat anderen vinden en doen, druk maken. Dat is voor anderen beter en het is ook beter voor onze eigen gemoedsrust.

-

Een joodse dierenarts
Vandaag staat er voor op Trouw een stuk met de kop ‘Onverdoofde rituele slacht past niet in deze samenleving‘. Het is een voortreffelijke kop, die precies aangeeft waar het om gaat. Hier zijn dus mensen aan het woord die niet onverschillig zijn, die de praktijken van anderen niet wensen te verdragen. ‘De Partij voor de Dieren’, opent het artikel, ‘trekt alles uit de kast, een week voordat in de Eerste Kamer de initiatiefwet van fractievoorzitter Marianne Thieme tot een verbod op de onverdoofde rituele slacht wordt behandeld.’

En dan komt dus waar het over gaat, die uitleg bij de foto – niet op de site, wel op de gedrukte voorpagina – waarop een oudere meneer, Joop Jacobs, geflankeerd door twee dames, op het Binnenhof staat. Alle drie hebben een pak papieren in hun handen: 67.834 handtekeningen tegen onverdoofd slachten die kort daarna aan de leden van de senaat zouden worden overhandigd. Wat is hier het punt? Die meneer Jacobs is een ‘80-jarige joodse dierenarts’. Ja, u leest het goed, niet maar zo een dierenarts, maar een ‘joodse dierenarts’. En de uitspraak in de kop blijkt dus van hem afkomstig te zijn:

‘Jacobs schreef er een brief bij voor de Eerste Kamerleden waarin hij schetst hoe hij als 6-jarig jongetje al zag dat een koosjere slager ervoor koos om runderen uitsluitend met een schietmasker te doden. Het onverdoofd de nek afsnijden, is namelijk “pure dierenmishandeling”, meent Jacobs. “Dat past niet in deze moderne westerse beschaving.”

De rest van de argumentatie is ook prachtig. Bijna driekwart van de Nederlanders is ook tegen ritueel slachten. Dat heeft men ze kennelijk gevraagd. Maar meneer Jacobs weet nog veel meer: nog maar 3 procent van de joodse gezinnen in Nederland voert een kosjere huishouding. En een ‘overgroot deel van de joden’ is ‘moderner’ gaan denken.’

‘De kleine groep die hecht aan onverdoofd ritueel slachten is sterk conservatief.’

-

Niet in onze samenleving
Ach so. De gedachtegang is geweldig. Moderniteit, dat is waar het om gaat. Wij denken zo en als er dan nog wat achterlijke lieden zijn, die daarin niet mee willen gaan, nou dan passen die zich maar aan. Je zou zeggen: als de groep zo klein is, waar maak je je dan nog druk over? (De moslims worden ook hier gemakshalve maar weer overgeslagen – maar dit terzijde.)

Maar in dit soort denken is dat juist het punt: een groep die nog maar zo klein is, moet wel ongelijk hebben. Je moet zulke mensen alleen nog een handje helpen om tot meer verlicht inzicht te komen. Hun manier van doen past niet in onze samenleving, maar die mensen eigenlijk ook niet, zolang ze aan hun achterlijke praktijken en wensen vast houden. O ja, ze mogen er best zijn, maar dan moeten ze zich eerst wel een beetje aanpassen aan wat de overgrote meerderheid nu eenmaal vindt. Opiniecijfers bewijzen het morele gelijk toch?

Wat veel stuitender is, is het gebrek aan fijngevoeligheid. Je wilt anderen iets opleggen en dan zoek je dus iemand die losjes tot die groep behoort om de leden van die gemeenschap de les te lezen. Ja, want hij is ook zoals jullie, maar toch veel verstandiger. Zou men dan echt niet begrijpen dat zoiets eerder nogal op verraad – groot woord, ik gebruik het toch – lijkt? Ja, hij is jood, maar hij vindt het ook! Fraai, hoor. Meneer Jacobs heeft overigens als zesjarige al iets gezien: dat een kosjere slager het anders deed. Ach ja, wat een overtuigingskracht.

-

Moralisme zonder ruimte
Dit is een vorm van moralistisch denken waarbij voor de ander geen ruimte meer blijft. Geen inlevingsvermogen, geen besef van het eigen beperkte begrip. Het is trouwens niet waar dat een zo klein percentage joden in Nederland aan koosjer voedsel hecht. Velen zullen tamelijk losjes omgaan met de strengste voorschriften, aan koosjer light doen heel velen. Ze zullen op een receptie niet snel een toastje met garnaal opeten of in een restaurant een varkenskarbonade bestellen. En de ‘strengeren’ vertegenwoordigen in feite ook hen: die doen wat zij zouden willen, maar waar ze de kracht of het doorzettingsvermogen of de overtuigingskracht net niet voor hebben.

Op allerlei details hoef ik nu niet in te gaan. Het is absoluut niet bewezen dat ritueel slachten, mits zorgvuldig gedaan, meer leed veroorzaakt dan de massale slacht in slachthuizen. Bovendien, een beest dat geslacht wordt, gaat dood. Ja, dat is wreed. Zou een aantal seconden of minuten lijden voor dit vreselijke lot er dan niet bij mogen horen? Wat is nou diervriendelijker? Een dier stiekem doodmaken of het zijn doodsstrijd gunnen? Ik zou dat moreel nog niet weten, maar ik vermoed het tweede. De ongerijmdheid dat het hier verboden zou worden, maar dat vlees dus wel vanuit het buitenland, waar je helemaal niets kunt controleren, aangevoerd mag worden, zullen we ook verder maar niet thematiseren. Niemand zal de absurditeit ontgaan.

En als Karen Soeters van de PvdD beweert dat het toch niet zo kan zijn ‘een christen of atheïst die onbedwelmd slacht wel strafbaar is, terwijl een islamitische of Israëlitische slager deze slachtmethode wel mag toepassen?’, zal ook iedereen de flauwekul hopelijk inzien. In slachthuizen op de Veluwe waar voor islamitische feesten grootscheeps wordt geslacht, zullen echt wel eens christenen en, wie weet, ook atheïsten werken, meer dan moslims, vermoed ik zo. Het gaat gewoon om de klant voor wie een bepaald soort vlees van belang is en het gaat om het ritueel: niemand vraagt aan de koper om een bewijs van zijn levensbeschouwelijke identiteit te overleggen voor hij kosjer of halal vlees koopt. Iedereen die dat wil, kan dat kopen. De mogelijkheid tot aanschaf bieden heeft niets te maken met voortrekken, maar juist met rekening houden met mensen die anders achtergesteld zouden worden. Het is een kwestie van ongelijke gevallen ongelijk en zo mensen per saldo dus weer gelijk behandelen: niks privilegiëren, vereffenen, gelijktrekken juist.

De Tweede Kamer heeft zich dit voorjaar in meerderheid deerlijk vergist. Het ziet ernaar uit dat de Eerste Kamer volgende week veel verstandiger zal handelen. Sybe Schaap van de VVD, een boer en filosoof, iemand die weet wat het is om een dier dood te maken en om de teksten van Theodor Adorno of Friedrich Nietzsche te exegetiseren, liet pas al verstandige woorden op de Radio horen. En ook bij andere partijen is de bezinning in volle gang.

-

Het komt dus wel goed. Maar het weer eens komen opdraven met een ’80-jarige joodse dierenarts’ tekent wel het morele failliet van voorstanders van de wet. Mensen die zich zo weinig in de ander kunnen inleven, andere mensen dan, of die het misschien nog wel belangrijker besef missen dat je je soms juist niet in de ander kunt inleven, hem niet kunt begrijpen en je juist daarom hem zijn vrijheid moet gunnen, namelijk om zichzelf als ander te zijn, hebben die wel enig begrip van wat dieren zijn?

De vraag lijkt me retorisch.

(32)

18 november 2011

Regels zijn regels – Over schikken en plooien

.:.

Het is nu ruim elf jaar geleden, dat op de dag voor Prinsjesdag, maandag 18 september 2000, een stuk in NRC Handelsblad verscheen, waarbij – die formulering is bewust, zal zo blijken – de tweede zin luidde:

‘Regels zijn regels en die moeten worden nageleefd.’

Ik heb de laatste tijd vaak aan dat stuk moeten denken en voor de gelegenheid heb ik het maar eens opgezocht. Dat regels regels zijn, hebben we het afgelopen decennium nogal eens gehoord. Het is een bekende mantra geworden, die – ik vermoed soms door dezelfde lieden afhankelijk van het onderwerp – op twee wijzen kan worden aangehaald. De ene keer om te vertellen dat regels dus écht regels zijn en nageleefd dienen te worden, zoals het er staat dus. En de andere keer om te vertellen dat de opvatting dat regels regels zijn, tekortschiet en van onbarmhartigheid of anders wel gebrek aan inzicht getuigt.

-

In 1994 verscheen in Der Spiegel (28 februari, nummer 9) een kritisch artikel van Erich Wiedemann over het einde van het Nederlandse gedogen.

Regels handhaven
Het artikel waar het om gaat, heette ‘Stop met het gedoogbeleid’. Het opiniestuk was ondertekend door voorzitters of vertegenwoordigers van zeven politieke jongerenorganisaties, die gelieerd zijn aan VVD, PvdA, CDA, D66, GL, CU en SGP. Bewust heb ik hier anachronistisch voor een ordening naar de huidige omvang van de fracties in de Tweede Kamer gekozen. Die laat namelijk zien dat het om het aanstormend talent van zeven partijen ging die ook nu nog een grotere of kleinere, maar allen zeker een opvallende, rol spelen. (Als ik het rijtje zo overzie, denk ik eigenlijk dat van al die partijen de PvdA relatief de minst opvallende rol speelt en dat kon wel eens haar probleem zijn, maar dit terzijde.) Twee van de partijen van heden bestonden toen nog niet. Waarom de SP ontbreekt, weet ik niet. De huidige jongerenorganisatie was toen nog niet meer dan een initiatief binnen de partij; misschien is dat de verklaring.

Veel belangrijker is echter de volgorde van de namen onder de brief, want de eerste twee waren de initiatiefnemers en zij hebben het stuk kennelijk ook samen geschreven en besproken en het vervolgens aan de anderen voorgelegd: Boris van der Ham – hé, die kennen we nog – die destijds voorzitter van de Jonge Democraten, gelieerd aan D66 dus, was, en Jelmer Uitentuis, die lid was van de jongerenfractie van Dwars, de jongerenclub van GroenLinks. Het opvallende is dat toen ik zocht naar een openbare versie van het stuk in NRC Handelsblad, dat daar in het archief zit en alleen voor abonnees toegankelijk is, ik het uitgerekend op sites van de jongeren van de SGP en de ChristenUnie volledig aantrof. Hoe je het wendt of keert, het was een knappe prestatie van deze twee voorlieden van gematigd links om jeugdige vertegenwoordigers van het hele politieke spectrum achter zich te krijgen, van links tot, alleen getalsmatig al, vooral rechts.

De zinsnede die ik aanhaalde, was overigens niet uit het stuk zelf afkomstig. Je weet dat als lezer nooit helemaal zeker, maar gelukkig is het artikel ook terug te vinden op de sites van Boris van der Ham, die ons een versie voorschotelt met alleen maar regels en dus zonder witlijnen – die is echt recht in de leer – en Jelmer Uitentuis, die gelukkig de alinea’s wel dwars met wit onderscheidt – en daar blijkt duidelijk dat het stuk pas na de intro echt begon. Maar op de redactionele lead valt weinig aan te merken, denk ik. Kennelijk had de Rotterdamse redactie bij de tweede zin van haar samenvattende introductie deze passage op het oog:

‘Regels zijn er echter niet voor niets. Soms kan een regel legitiem zijn terwijl een (ogenschijnlijke) meerderheid het nut hier niet van inziet. Identificatie met regels is van belang, maar uiteindelijk zal de overheid wel de knoop door moeten hakken. Dat is juist een van de belangrijkste taken van de overheid: het opstellen van regels en het zorgdragen voor de naleving daarvan.’

Volgens mij is ‘de knoop doorhakken’ daar inderdaad een soort eufemisme voor ‘opleggen’. Vereenzelviging is mooi, maar ook als mensen er niet aan willen, zal de overheid de regels moeten vaststellen en handhaven. Dat betekent inderdaad dat regels regels zijn.

-

Gedogen en geloofwaardigheid
Het is bekend dat mensen nogal eens de neiging hebben om te doen alsof zij altijd al dezelfde verstandige inzichten koesterden die ze ook nu nog naar voren brengen, en dat hoeven we niet altijd te geloven en ik geloof het ook van mezelf niet immer, maar in dit geval herinner ik me tenminste nog wel scherp dat het betoog me destijds al een ongemakkelijk gevoel bezorgde en dat ik het met de strekking regelrecht oneens was, en nu ik het opnieuw bestudeer, is dat nog precies zo.

Wat de zeven jongerenorganisaties – ik denk dat we alle ondertekenaren gelijkelijk aan moeten spreken en het gaat me echt niet specifiek om de eerste ondertekenaar, die thans het meest bekend is, en van wie ik niet zou weten hoe hij nu over dit soort aangelegenheden denkt – destijds wilden, lijkt wel duidelijk: een eind aan gedoogpolitiek en daarvoor in de plaats een politiek die duidelijke keuzes maakt. ‘Willen de regering en het parlement oprechte politiek bedrijven, dan gedoogt zij niets meer.’ Dat is inderdaad: regels zijn regels. Maar waarom eigenlijk? Wat was eigenlijk het probleem waar het betoog een antwoord op probeerde te geven? Daar valt nog niet zo gemakkelijk achter te komen. Misschien is het het beste hier te beginnen:

‘In haar bereidwilligheid om compromissen te sluiten, gaat de Nederlandse polderpolitiek soms een stap te ver. Deze stap heet ‘gedoogbeleid’ en holt systematisch de geloofwaardigheid van de Nederlandse politiek en het democratisch rechtssysteem uit.’

Dat moet de gedachtegang ongeveer zijn: als je regels maakt, moet je ze ook handhaven, en als je dat niet doet, dan ben je niet geloofwaardig. Met name jongeren zouden daardoor ‘hun affiniteit met de politieke besluitvorming’ verliezen. Ze willen, zoals dat aan jeugdigen eigen is, duidelijkheid: wat mag, wat mag niet?

Als erom gaat wat de auteurs onder gedoogbeleid verstonden, komen we uit bij een tamelijk kleine, maar wel bonte verzameling: wetshandhaving door de Amsterdamse politie, vliegbewegingen rond Schiphol, softdrugs, euthanasie en tenslotte ‘Europese besluitvorming’ en samenwerking in de Verenigde Naties, waarbij zelfs het feit dat de Verenigde Staten intern wel eens iets uitspoken dat wij niet goed vinden, onder het Nederlandse gedoogbeleid geschaard werd – dat ging wel een beetje ver. Ik vraag me wel af of ook destijds al die voorbeelden wel onder één noemer geschaard konden worden. Voor een deel ging het om gewone ietwat gebrekkige wetshandhaving, niet per se om een heel doordacht beleid. Dat in Amsterdam sommige regels sinds de jaren negentig weer wat strenger gehandhaafd worden, is soms niet onprettig. Ik herinner me dat ik vroeger wel eens uitgescholden werd als ik gewoon voor een rood verkeerslicht stopte: dat hinderde andere fietsers maar die er doorheen wilden fietsen. Als regels zoals nu het geval is, wat meer gehandhaafd worden, is dat dikwijls ook ontspannener: je hoeft niet telkens allerlei overwegingen te maken, je volgt de regels en klaar is kees.

-

Norm en praktijk
Maar ik weet niet goed of alle voorbeelden wel goede voorbeelden waren. En wat belangrijker is: of wat we werkelijk gedoogbeleid noemen, wel zo verfoeilijk is als de politieke jongeren in 2000 deden voorkomen:

‘Het gevolg van het gedoogbeleid is een slappe vertoning, die het midden houdt tussen lafheid en laksheid. Het imago van de politiek komt het in ieder geval niet ten goede. Het gedoogbeleid toont dat regels blijkbaar arbitrair zijn. Feitelijk worden burgers opgeroepen om de wet te overtreden. Dat is een slechte zaak.’

Ik geloof daar niks van. Het tegendeel lijkt me namelijk waar. Er zit ook een merkwaardige omkering in de redenering: gedoogbeleid roept burgers niet op om de wet te overtreden, burgers doen dat al en dat wordt door de vingers gezien en hooguit dan kun je zeggen dat ook andere burgers zo hun conclusies trekken. Maar om nou over een oproep te spreken? Gedogen is gewoon een ander woord voor tolereren of verdragen, wat je ook onmiddellijk merkt als je een en ander in een andere taal moet uitleggen, waarbij het begrip wel een specifieke bijklank en toepassing heeft.

En wat gedoogbeleid juist helemaal niet laat zien, is dat regels arbitrair zijn. Het tegendeel, zou ik zeggen. Gedoogbeleid laat juist zien dat je regels laat bestaan ook op het moment dat je ze niet volledig kunt handhaven. Je past ze niet maar zo aan aan de praktijk, nee, als norm blijf je ze hooghouden, en je accepteert dat het geleefde leven daar wel eens wat vanaf kan wijken. Soms verschaft de regel de overheid namelijk wel de mogelijkheid om in te grijpen als het echt uit de hand loopt. Prostitutie was lange tijd een praktijk die gedoogd werd. Eind jaren negentig besloot men de zaak nu eens flink te gaan regelen door een mooie wettelijke regeling. Maar is daardoor vrouwenhandel en vrouwenmishandeling uitgebannen? Nee, het volhardende werk van Lodewijk Asscher in Amsterdam laat zien dat er nog heel wat te verbeteren valt. Ik zeg hiermee niet dat je alles maar via gedogen moet aanpakken en dat een heldere wettelijke regeling soms niet beter kan zijn. Maar het is nu eenmaal niet zo dat de werkelijkheid zich altijd onmiddellijk aan een wettelijke norm aanpast en omgekeerd is het ook niet altijd verstandig je dan in de wet meteen maar bij de praktijk neer te leggen, omdat je je dan meteen de kans op een betere aanpassing aan het ideaal in de toekomst ontzegt.

Zo rond de jaren zeventig en tachtig heerste in het buitenland, met name Duitsland, vaak het beeld dat Nederland zo verschrikkelijk progressief en tolerant was en de Nederlandse en vooral Amsterdamse omgang met drugs en de openbare orde – de lange haren van militairen kunnen er zo bij en er valt waarschijnlijk nog van alles te verzinnen – werden dan gezien als een uiting daarvan. Ik vond dat beeld toen al overtrokken. Het is uiteraard waar dat het in Amsterdam vaak om progressieve bestuurders ging, maar elders in Nederland en op nationaal niveau was dat lang niet altijd of zelfs meestal niet het geval en zoveel verschil in benadering was er niet. (Duitsers vermoedden er overigens vaak calvinisme achter: zij hebben een veel gunstigere opvatting van die stroming dan in Nederland gebruikelijk is.) En er is ook weinig specifiek progressiefs aan gedogen. Je kunt eerder betogen dat het om een oude, bij uitstek regenteske bestuurspraktijk gaat. Soms buig je wat mee en soms haal je de teugels weer wat aan. Dat is juist de ruimte tussen de norm en het leven die gedoogbeleid biedt. En het een kan even verstandig zijn als het ander. De tijdgeest verandert. Soms is het heel verstandig om zaken even op hun beloop te laten en twintig jaar later kan het net zo wijs zijn om de regels even weer wat fermer te handhaven.

-

Prinzipienreiterei
Er zat een merkwaardige tweeslachtigheid in de oproep uit 2000. Aan de ene kant verklaarden de jongeren dat ze niet terugverlangen naar de oude polarisatie en prezen ze het compromis. Maar aan de andere kant brachten ze het gelaakte gedoogbeleid wel erg nauw in verband met een politiek van het sluiten van compromissen. Alsof het zoeken naar een mogelijkheid om samen ergens uit te komen, meteen maar betekent dat je slap beleid voert. En alsof gedogen dus een uiting van laksheid is. Ik denk dat het vaak juist van een uiting van kracht is: van een overheid die dingen rustig aanziet en niet overal meteen op losgaat. Juist overdreven handhaving kan soms tot vormen van illegaliteit leiden, die veel schadelijker effecten hebben en veel moeilijker aan te pakken zijn.

Ik dacht de laatste tijd niet primair aan het jongerenbetoog omdat zoiets als gedoogbeleid momenteel zo in het middelpunt zou staan, maar wel vanwege de mentaliteit die er uit sprak, inderdaad die van regels zijn regels, de hang naar duidelijkheid, die naar mijn idee een verlangen toonde naar simpele vragen. We hebben gekregen waar de jongeren van vrijwel alle politieke partijen toen in hun mijns inziens jeugdige onbezonnenheid om vroegen, en ik ben er niet blij mee. Ik heb eens even in Picarta gekeken en de titel Regels zijn regels blijkt meer dan eens aan een boek of beschouwing mee te zijn gegeven. Een jaar voor het betoog van de jongeren, in 1999, verscheen een kinderboek onder die titel, dat in 2002 nog eens herdrukt zou worden. Het ging over een jongen, Tarik, die met zijn ouders al een paar jaar in Nederland woont en met de hele familie een uitwijzingsbevel krijgt. Deze context is ons vertrouwd. In 2006 verscheen een klein boekje onder dezelfde titel van het gesprek dat Paul Witteman in Buitenhof met de juriste Dorien Pessers had gevoerd over de daadkracht van de toenmalige minister voor vreemdelingenzaken en integratie. Als juristen de uitdrukking aanhalen, willen ze al snel uitleggen dat regels niet altijd regels zijn, maar dat ook dingen als redelijkheid en billijkheid een belangrijke rol spelen.

Maar asielzaken zijn niet de enige waarbij het adagium klinkt. En, zoals ik in het begin al opmerkte, het opvallende is dat dezelfde mensen die de ene keer betogen dat regels lang niet altijd regels zijn, dat in een ander geval maar al te graag naar voren brengen. Ik verwijs nu alleen even naar een beschouwing van Hans Goslinga, nu bijna twee weken geleden in Trouw, over het verdwijnen van het politieke midden. Ik was het toen niet helemaal met hem eens, omdat in de asielzaak waar toen alles om draaide, de minister naar mijn idee het vooral zichzelf moeilijk maakte en de verwijten aan een Kamerlid, dat in de titel werd genoemd, me niet helemaal terecht leken, maar even afgezien daarvan klopt de strekking van het artikel behoorlijk, zelfs als je niet echt gelooft dat een politiek midden volledig aan het verdwijnen is. Wat Goslinga hekelde, was het zwart-witdenken. Je kiest óf dit óf het tegendeel. Alle politiek is wellicht symboolpolitiek en het woord is misschien wel een pleonasme, maar wat me momenteel vooral verbaast, is dat wel heel veel op zich kleine dingetjes, die zo pragmatisch te regelen zouden zijn of soms al geregeld zijn, tot principiële aangelegenheden worden gebombardeerd. En dan hoor je dus ook politici die zichzelf ruimdenkend of liberaal of progressief wanen, ineens zeggen dat regels nou eenmaal regels zijn. Ik zie dat ook in mijn tijdlijn op Twitter, hoe verbeten mensen waar je gezien hun zelfbeschrijving toch enige ruimdenkendheid van zou verwachten, ineens uit de hoek kunnen komen. Er is veel Prinzipienreiterei.

-

Schikken en plooien
Naar mijn uiteraard beperkte waarneming gaat de werkelijke tegenstelling in de maatschappij daarbij door alle partijen heen, maar in Den Haag zie je dat minder. Daar zie je dat bepaalde politieke partijen tegenwoordig regelmatig opkomen voor vrijheid, ruimte en liberaliteit, terwijl andere partijen steevast voor de begrenzing en de inperking kiezen, maar het zijn geen scheidslijnen die vanouds altijd al zo lagen. Concreet belang, minderheid, meerderheid spelen daarbij een grote rol, verhoudingen en houdingen zijn soms recent regelrecht omgedraaid en we zien dat huidige meerderheden vaak niet zoveel begrip meer voor minderheden hebben, zoals huidige minderheden dat vroeger niet immer toonden toen zij tot een meerderheid behoorden. Maar als ik op Twitter kijk, het maatschappelijk debat volg, zo eens met mensen praat, dan ligt het in werkelijkheid genuanceerder. Het gaat om twee verschillende mentaliteiten, waarbij de ene groep anderen graag maximale vrijheid gunt, en de andere groep vooral meent dat andere mensen soms maar aan de eigen normen moeten worden onderworpen. Regels zijn immers regels, nietwaar? Waarbij er dan ook nog weer allerlei tussenvormen zijn, want het gaat er juist om dat zaken niet zo digitaal vastgelegd zijn.

Misschien zit er toch iets meer in het verband tussen compromisbereidheid en gedogen dat de jongeren in 2000 zagen, dan ik direct zag. Bij gedogen gaat het om schikken en plooien, om de bereidheid dan eens wat te geven en dan weer wat te nemen. Het gaat om een pragmatische houding die rekening houdt met het gedrag en de wensen van mensen en ze niet alleen maar voorhoudt dat ze zich aan de wet moeten onderwerpen, maar soms ook begrip toont als ze dat net niet doen of als hun dat soms niet lukt. De houding, dat is het punt. En als het om de houding gaat, dan betekent dat soms ook dat je een vraagstuk net iets anders moet formuleren voor je ermee verder gaat. De vraag maakt veel uit. Mag je liegen? Nee. Mag je een vriend verraden? Ook nee. Er zijn situaties denkbaar waarin beide vragen toepasbaar zijn, maar wel tot tegengestelde uitkomsten leiden. Zo is het ook in de huidige politiek. Soms ligt een vraag voor en graven beide zijden zich met een keur aan argumenten in voor een eenduidig ja of nee. Maar bij wat meer bereidheid samen een uitweg te vinden, zou het wel eens zo kunnen zijn dat de vraag anders geformuleerd zou moeten worden en dat men het dan ineens wel eens is of elkaar redelijk kan naderen.

-

Afstand
In dit stukje ben ik op een aantal punten bewust niet al te concreet geworden. Maar lezers zullen misschien zelf aan een paar thema’s gedacht hebben en ik vermoed dat ze er dan vaak niet zo ver naast zaten. Maar ik wilde nu even wat afstand creëren. Ik merk dat de noodzaak daartoe ook bij mezelf. Er ligt een vraag voor. Ik vind het ene antwoord niet overtuigend, en dat is vaak het meer vrijheidsbeperkende antwoord, maar het gevaar bestaat dan ook al gauw dat ik me te veel met de tegenovergestelde optie vereenzelvig, terwijl als ik een stukje wegloop en het dilemma – als het dat al is – eens van een afstandje overschouw, ik al gauw denk: maar zo moet je het ook helemaal niet aanpakken. In werkelijkheid gaat het om heel andere keuzes. Ik besef daarbij overigens best dat het helemaal niet tegenstrijdig hoeft te zijn om de ene keer tegen het regels zijn regels te protesteren en het de andere keer als norm te hanteren, want als regels nooit regels zouden zijn, zouden het geen regels meer zijn, maar het is vaak wel de vraag om welke regels het gaat. Welke regels zijn de meest verdraaglijke?

Waar het momenteel op aankomt, is of we in dit land pragmatisch met verschillen kunnen omgaan en iedereen zoveel mogelijk recht kunnen doen.

(28)

14 november 2011

Macht en erkenning

.:.

Macht komt van boven en macht komt van beneden.

Dat is altijd zo geweest en dat zal nooit anders worden. Het is eigen aan macht. Ik heb het dan vooral over politieke macht, macht die als legitiem wordt erkend of aanvaard. Maar het gaat ook op voor andere vormen van erkende machtsuitoefening. En het gaat dan primair om een, zeg, sociologische analyse van hoe macht feitelijk werkt.

-

Bij de presidentsverkiezingen van 7 november 2000 behaalde Albert Arnold Gore 50.999.897 stemmen en George Walker Bush 50.456.002 stemmen. Op 12 december 2000 kwam door een uitspraak van het Hooggerechtshof vast te staan dat Bush de verkiezingen gewonnen had. (foto: Wally Gobetz)

Werking
Bij macht gaat het om het eenzijdige vermogen om iets gedaan te krijgen. Dat is anders dan bij een overeenkomst waarbij twee partijen op voet van gelijkheid iets van elkaar gedaan willen krijgen. Maar ook macht of gezagsuitoefening berust nog steeds op een wederzijdse relatie. Het vermogen om iets gedaan te krijgen is immers afhankelijk van de erkenning of aanvaarding van degenen van wie de machthebber iets gedaan wil krijgen. Als het om overheidsmacht gaat, kan men aan twee vormen van erkenning denken: van degenen die object van die machtsuitoefening zijn en van wie de staat dus iets gedaan wil krijgen, en van degenen die helpen om dat uit te voeren. Legitieme, aanvaarde macht is geen brute uitoefening van kracht, maar berust op erkenning. Zelfs als er geweld aan te pas komt, is dat geweld weer afhankelijk van het luisteren naar woorden of bevelen

Maar als je goed kijkt, is de congruente formulering dan ook wat misleidend. Er komt niet hetzelfde van beneden als wat er van boven komt. Daarom kiezen we ook voor deze ruimtelijke metaforen. Gezag is altijd iets dat hoger staat en wie daaraan gehoorzaamt, heet niet voor niets een ondergeschikte. Ook wie een organogram van een organisatie tekent, zal de leidinggevende altijd boven degenen intekenen aan wie hij leiding geeft, al noemt hij die nog zo braaf medewerkers en zal hij het woord ondergeschikten zorgvuldig vermijden. Wat van boven komt, is de uitoefening van de macht; wat van onderen komt, is de erkenning of de aanvaarding van de macht. Dat is de meer sociologische analyse van hoe macht feitelijk werkt.

-

Bronnen
Er is een andere benadering mogelijk en in feite ook nodig. Dat is de meer rechtsfilosofische vraag waar de macht op gebaseerd is. Wat is de bron van de macht? Waarop berust haar legitimiteit, waar ik hiervoor al stilzwijgend, of eigenlijk niet zo bar stilzwijgend, vanuit ging? De beginzin zal dan vaker als een exclusieve disjuncte opgevat worden: macht komt van boven óf macht komt van beneden. In zijn beschrijving van het middeleeuwse politieke denken noemde Walter Ullmann – in Medieval Political Thought (oorspronkelijk 1965, herzien 1970, onder deze titel vanaf 1975) – dit de descending en de ascending theory of government and law, of in typeringen die buiten de context van een geleerde studie heden misschien wat minder goed overkomen, de theocratische en de populistische opvatting van regeermacht.

In de eerste opvatting, de theorie van de afdalende macht, waarin de macht van boven naar beneden neerdaalt, komt alle macht uiteindelijk van een opperwezen, van God, of in andere samenlevingen, van de goden. De afkondiging van wetten begint nog steeds met de formule: ‘Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.’. In de tweede opvatting, de theorie van de opstijgende macht, waarin de macht van beneden naar boven opklimt, komt alle macht uiteindelijk van het volk of de gemeenschap. Dat was de oude Germaanse opvatting: de aanvoerders in de oorlogen, de hertogen of koningen werden door de verzamelde strijders in een vergadering gekozen. We weten allemaal nog dat de Romeinse keizers, wier gezag zich over de hele Latijnse christenheid pretendeerde uit te strekken en waarvan de laatste op 6 augustus 1806 de kroon neerlegde, gekozen werden, al was het aantal kiezers nogal beperkt.

-

Om d’ondersaten wille
Het is de vraag of beide opvattingen elkaar wel uitsluiten. Neem nu alleen de beginregels van het befaamde Plakkaat van Verlatinghe, waarin een aantal in de algemene staten verenigde gewesten in 1581 besloten om de ‘Coninc van Spaegnien’ – dat was een pragmatische verzameltitel, er bestond uiteraard geen land dat Spanje heette, en in hun gewesten was hij gewoon hertog of graaf of zo – van ‘zijne heerschapye, gerechticheyt ende erffenisse’ in hun landen vervallen te verklaren. De eerste zin begint zo:

‘Alsoo een yegelick kennelick is, dat een Prince van den lande van Godt gestelt is hooft over zijne ondersaten’

Dat is duidelijk de afdalende theorie, zou je zeggen: God heeft de vorst als hoofd over zijn onderdanen aangesteld. Maar ik moest het citaat wel haastig afbreken om dat te kunnen benadrukken, want de zin gaat zo verder:

‘om deselve te bewaren ende beschermen van alle ongelijk, overlast ende ghewelt gelijck een herder tot bewaernisse van zijne schapen.’

Kortom, de macht mag dan van boven gegeven zijn, ze is niet onbeperkt, maar met een bepaald doel geschonken: om de onderdanen te beschermen tegen onrecht en geweld. In de volgende volzin wordt dat goed uitgewerkt:

‘En dat d’ondersaten niet en sijn van Godt geschapen tot behoef van den Prince om hem in alles wat hy beveelt, weder het goddelick of ongoddelick, recht of onrecht is, onderdanig te wesen en als slaven te dienen: maer den Prince om d’ondersaten wille, sonder dewelcke hy egeen Prince en is, om deselve met recht ende redene te regeeren ende voor te staen ende lief te hebben als een vader zijne kinderen ende een herder zijne schapen, die zijn lijf ende leven set om deslve te bewaren.’

Kortom, de vorst is er niet alleen ter wille van de onderdanen, maar zonder hen is hij zelfs geen vorst. Dat gaat wel heel ver in de richting van de opstijgende theorie. Ik ga het document nu niet verder volgen, maar het betoog komt er op neer, dat de in de overkoepelende, generale staten verzamelde vertegenwoordigers van de verenigde landen zich bevoegd achten om hun vorst op zijn functioneren te beoordelen en kunnen besluiten om hem af te zetten, wat ze dan ook prompt doen.

-

Twee en drie elementen
Het lijkt me de vraag of de indeling van Ullmann uiteindelijk wel klopt. Er is namelijk een opvallende incongruentie tussen de feitelijke werking van macht zoals ik die eerst kort typeerde, en zijn indeling van de bron van de macht, de oorsprong van de legitimiteit. Schematisch valt dat makkelijk weer te geven. Dit is de sociologische analyse:

Boven: regeringsmacht
Beneden: aanvaarding

Twee elementen, die een wederkerige, zij het ongelijke, relatie onderhouden. Maar als we nu de politiek-filosofische indeling van Ullmann op een gelijksoortige wijze proberen weer te geven, zien we dit:

Boven: God
Regeringsmacht
Beneden: volk of gemeenschap

Drie elementen dus, waarvan twee elkaar in sommige opvattingen uitsluiten. En hier slechts een eenzijdige relatie, van beneden naar het midden of van boven naar datzelfde midden. Het idee is dat de wettelijke regeringsmacht niet sui generis is, maar haar basis elders vindt, buiten zichzelf. Ik gebruikte nu trouwens een woord dat eigenlijk alleen een fundering – verdorie, heb je alweer zo’n woord – van beneden af toelaat. De term grondwet – let op: grond, dat is wat je onder je voeten hebt – is er ook al eentje. Maar er zijn ruimtelijke metaforen die juist verder naar boven verwijzen, boven zelf uiteraard, allerlei varianten met hoog en hoger ook.

Het lijkt me vooral de vraag of de indeling van Ullmann wel consistent is. Heeft hij het niet over twee verschillende dingen? Als een vorst gekozen wordt, dan is de feitelijke oorsprong van zijn macht duidelijk. Op die en die dag werd hij door die en die krijgslieden of lagere vorsten of de volksgemeenschap gekozen. Maar is de principiële legitimering van zijn macht niet iets anders? Niemand, ook in de middeleeuwen niet, zal zich namelijk een situatie voorstellen waarin God door middel van een stem uit de hemel een nieuwe heerser aanwijst. Kortom hij heeft het over twee verschillende situaties of uitdrukkingswijzen. Je kunt bijvoorbeeld heel consistent beweren dat juist door de keuze door het volk of een kiescollege blijkt dat een vorst door God voor zijn taak is uitverkoren. En ook zonder dat er concrete verkiezingen zijn, kun je toch volhouden dat de macht zijn legitimatie in het volk vindt en er voor het volk is. Het is een opvatting die oude wortels heeft.

-

Democratie en legitimatie
De vraag is vooral hoe werking, oorsprong en legitimatie van macht zich tot elkaar verhouden. Kunnen we beide bovenstaande schemaatjes in elkaar schuiven?

Als macht per definitie een ongelijke relatie veronderstelt en in haar werking op aanvaarding of erkenning gebaseerd is, kan dan macht tegelijk van onderen op gelegitimeerd zijn en gebaseerd zijn op zoiets als de volkswil? Is dat niet innerlijk tegenstrijdig? Kunnen mensen macht erkennen die juist bij henzelf vandaan komt? Moet macht om te overtuigen en erkenning te verkrijgen, juist niet op een hogere komaf kunnen bogen? Dat zijn vragen die juist in de democratie, het tamelijk recente politieke systeem – vrijwel nergens is het ouder dan een eeuw, ook in Nederland niet – waarbij machts- en elitevorming plaatsvindt onder erkenning van gelijke politieke rechten, urgent worden.

Het is in ieder geval duidelijk dat de legitimiteit van de macht niet op de act van het kiezen als zodanig is gebaseerd. De meeste Amerikanen, ruim driekwart van de bevolking, hebben nooit op Barack Obama gestemd en toch zullen ze moeten erkennen, ook als ze hem niet mogen, dat hij hun rechtmatige president is. En ook als dat niet over hun lippen wil komen, zit er toch niets anders op dan om zich er nu eenmaal bij neer te leggen. In Nederland en vele systemen kiezen we de leden van het bestuur niet, maar het is natuurlijk niet zo dat Mark Rutte alleen maar de minister-president is van degenen die hun stem op hem uitbrachten – voor een andere functie dan dus ook nog. De leden van de Tweede Kamer vertegenwoordigen het hele volk en niet alleen hun partij of hun specifieke kiezers of zelfs maar degenen die de moeite hebben gedaan naar de stembus te komen. Nee, ze representeren ook die ruim drie miljoen mensen die op 9 juni 2010 wel opgeroepen waren, maar niet kwamen opdagen, of de ruim vier miljoen Nederlanders, die niet mochten stemmen, met name omdat ze daarvoor nog te jong waren.

Juist in een democratie is de opvatting dat de legitimatie van de macht van onderop komt, problematisch. Verkiezingen hebben de neiging de legitimiteit van de verkozenen te ondergraven, omdat velen juist op een ander gestemd hebben. Daarom zijn verkiezingen voor een enkel ambt – burgemeester, president – vaak ook niet gelukkig, omdat ze de drager vanaf het begin op achterstand plaatsen. Voor grotere gremia werken ze beter, omdat dan vele mensen naast elkaar gekozen worden en de kiezer dus veel eerder al een zekere winst heeft binnengehaald. Wie bij de afgelopen verkiezingen tegen de 63 duizend Nederlanders aan zijn zijde had, had al iets gewonnen. Maar de bijna 60 miljoen Amerikanen die op 4 november 2008 op John McCain stemden, stonden vervolgens met lege handen. De legitimatie komt dan ook niet vanuit de handeling van het stemmen, maar vanuit de aanvaarding van het systeem. Als de wet gevolgd wordt, die ook het volk een zekere invloed verschaft, dan is de macht gelegitimeerd.

-

Altijd van boven
Kortom, de legitimatie komt niet van beneden, maar van boven. Ook het bestuur, ook de overheidsmachten, zijn onderworpen aan de wet en in het volgen van de wet ligt de legitimatie. De vraag is dan alleen waar je die wet in beide schemaatjes moet situeren. Staat de wet boven het bestuur? Of kun je zeggen dat de wet in feite de regeling van de regeringsmacht op hetzelfde niveau is, te meer daar die wet ook steeds weer door daartoe bevoegde instanties – regering en volksvertegenwoordiging samen in Nederland – gewijzigd kan worden?

Uiteindelijk doet het er misschien ook niet zoveel toe. Gezag en macht komen nu eenmaal van boven en in zekere zin is het dan logisch om de legitimatie nog weer verder van boven te laten komen. Het valt zo in ieder geval wel in te zien waar het idee dat de macht van God komt, vandaan komt. Het gaat niet alleen om een verhaal dat moet verklaren waarom sommigen – vroeger vorsten van vlees en bloed, nu vooral instituties die door steeds weer anderen bemenst worden – meer macht hebben dan anderen, het gaan tegelijk ook om normering en beperking. Dat is ook het idee van het Plakkaat van Verlatinghe: macht is met een bepaald doel gegeven en aan de hand van dat doel beoordeelbaar. Dat eerste is ook precies wat Paulus van Tarsus in zijn bekende Brief aan de Romeinen vaststelde, al liet hij het tweede in het midden. Het is niet voor niets dat het recht altijd met goddelijkheid omgeven is: het bevat namelijk een hogere norm.

Een bekend theoloog heeft ooit de formule gemunt dat alle spreken over boven van beneden komt, ‘ook de uitspraak dat iets van boven komt’, maar alle spreken dat van boven zegt te komen, komt vooral vanuit het verleden. Het is er al. Het gezag is – als zich recent geen omwentelingen hebben voorgedaan – gemeenlijk al gevestigd. Als het om macht en gezag gaat, is de ervaring wel degelijk dat er iets van boven komt, ook al weten we heel goed hoe dat systeem door mensen van gelijke beweging als wij is geschapen en in stand wordt gehouden. Het juridisch systeem is als vele sociale systeem meer dan de deelnemers en is vaak ook een langer leven beschoren. Het is meer dan de samenstellende delen en komt daarom in de menselijke ervaring van boven.

-

Legitimiteit en beoordeling
Ik denk eigenlijk dat het schema van Ullmann niet voldoet. De legitimatie van de macht komt niet van beneden, maar ook niet per se verder van boven. De legitimatie komt vooral vanuit het verleden. De macht is er al en als ze goed werkt, heeft ze erkenning weten te verkrijgen. Bij deze opvatting kunnen we ook de contingentie aanvaarden. Het ene land heeft een net iets ander systeem dan het andere en je kunt niet op voorhand zeggen dat het ene beter is dan het andere. Al die systemen zijn historisch gegroeid en worden steeds weer aangepast. Ze hadden ook anders kunnen zijn, maar zoals ze nu eenmaal zijn, zijn ze aanvaard.

Kortom, ik denk dat we bij de rechtsfilosofische vraag naar de legitimatie van de macht aan moeten sluiten bij de sociologische analyse van hoe macht werkt. Macht komt van boven en niet van beneden en in een democratie is die vaststelling belangrijker dan ooit: het is de wet, het is het systeem, het is niet de handeling van het kiezen, die de politieke macht legitimeert. Niet de verkiezingen zelf verschaffen legitimatie, wel het gegeven dat ze volgens de regels worden gehouden. Maar als machtsuitoefening berust op feitelijke aanvaarding en erkenning, veronderstelt dat ook een maatstaf. De macht kan ook tekort schieten, zoals het Plakkaat van Verlatinghe al vaststelde: als ze recht doet verkeren in onrecht, als ze onderdrukking in de plaats van bescherming stelt. Kortom, de bron van de macht ligt niet beneden, de beoordeling van de macht ligt daar nadrukkelijk wel. Ik kan dus nu met een betere formule eindigen.

Macht komt van boven, de erkenning en beoordeling komen van beneden.

(24)

11 november 2011

Verdwijnt het politieke midden? En wat was dat dan?

.:.

Geschiedenis is als was in onze handen. Zelfs als alle feiten kloppen, kunnen we dezelfde gebeurtenissen en ontwikkelingen toch steeds weer vanuit een ander perspectief ordenen.

-

Drie stromingen
Zo is er de afgelopen decennia vaak betoogd dat Nederland vanouds drie politieke hoofdrichtingen kent. Ik hoef alleen maar even naar de boekenkast te lopen en er een paar titels uit te wurmen om die stelling te illustreren. Hier, De ideologische driehoek. Nederlandse politiek in historisch perspectief, waarin Jos de Beus, Jacques van Doorn en Piet de Rooy respectievelijk de liberalen (‘oorsprong en wederkeer’), de confessionelen (‘onvermijdelijke presentie’) en de sociaaldemocraten (‘passie voor politiek’) onder handen nemen. Kenners zullen onmiddellijk vastgesteld hebben dat ik de herziene tweede druk uit 1994 op mijn schrijftafel heb liggen. In de eerste druk uit 1989 was het Percy B. Lehning die de socialisten onder de loep nam. En ik ontdek pas nu dat boek teruggaat op de bijdragen van het drietal aan het boek De interventiestaat. Tradities, ervaringen, reacties dat De Beus en Van Doorn in 1984 redigeerden (en dat er in de stapel pal onder bleek te liggen – ik zei toch al dat ik even wrikken moest). Merk trouwens op hoe de socialisten van Lehning uit 1984 en 1989 door De Rooy in 1994 in sociaaldemocraten werden omgetoverd.

Wie brede rivieren traag door oneindig laagland ziet gaan, zal zich waarschijnlijk in Gelderland bevinden. Hier de Waal bij Bemmel, de middelste van de grote rivieren die het driestromenland van het oude Gelderse kwartier van Nijmegen bepalen. (foto: Puntlicht)

En hier nog zo’n titel, Driestromenland, een boekje dat in 1993 werd uitgegeven door Stichting Burgerschapskunde, die later opging in het Instituut voor Publiek en Politiek, dat op zijn beurt inmiddels weer bij ProDemos onder dak is gebracht, en waarin Paul Lucardie, Maarten Brinkman en Dick Kuiper respectievelijk – ik voeg nu de ondertitel toe – Liberalisme, socialisme en christen-democratie in Nederland beschrijven. Het gaat om drie historische overzichten: de heren beginnen hun relaas allemaal in de negentiende eeuw en soms zeggen ze ook nog wat over de voorgaande eeuwen.

-

Een nieuwe stroming en een nieuwe indeling
De kneedbaarheid van de geschiedenis is voor wie bepaalde traditionele criteria aanlegt – waarheid, werkelijkheidszin bijvoorbeeld – ook weer niet oneindig. Hoe begrijpelijk de driedeling ook is, in feite balanceert ze op het randje van geschiedvervalsing. En als we het woord dat de titel van het laatstgenoemde boekje vormt, in Picarta intikken, zien we ook meteen waarom. De oudste vermelding stamt uit 1977; het gaat om een artikel van Bert Middel, later PvdA-Kamerlid, in het decembernummer van Intermediair, getiteld ‘Driestromenland in de Nederlandse politiek. Vernieuwing, stabilisatie of restauratie in ons partijstelsel?’ en pal daarop – althans in de catalogus – volgt een stuk van september 1978 van Pieter Kooijmans, die toen net vier jaar staatssecretaris van buitenlandse zaken was geweest en later nog eens minister op dat departement zou worden, in het antirevolutionaire tijdschrift Nederlandse gedachten, geheten ‘Mogelijke ontwikkelingen in driestromenland’. Ook zonder de betogen ingezien te hebben lijkt het me niet zo moeilijk om te raden waarom de auteurs juist toen voor deze typering kozen: omdat dat driestromenland zich net begon af te tekenen. In 1977 had het CDA voor het eerst met één lijst aan de verkiezingen deelgenomen en in 1980 werd de partij officieel opgericht. Er waren nooit drie hoofdstromingen in de Nederlandse politiek geweest. Een nieuwe – of in zekere zin misschien hernieuwde – stroming deed voor het eerst haar intrede: de christendemocratie.

Hoe radicaal nieuw die vanuit een iets langer perspectief gezien was, kun je alleen al door een simpel gedachte-experiment vaststellen. Het ontstaan van die ene fractie en van die ene partij is nu 34 en 31 geleden. Tel vanuit beide jaartallen eens even ver terug. Je komt dan uit in 1943 en 1949, in de oorlog, even na de oorlog dus. Laten we daar tussenin gaan zitten: was er in de tijd net na de Tweede Wereldoorlog ook maar iemand die serieus dacht dat de RKSP maar moest fuseren met de ARP en de CHU of die in feite dacht dat die partijen toch al bijna onverbrekelijk bij elkaar hoorden? Ik denk het niet. Alleen over een mogelijk samengaan tussen de twee genoemde protestantse partijen werd door sommigen wel even gesproken. Maar juist in die dagen bleek dat bijvoorbeeld een deel van de CHU-ers veel dichter bij de sociaaldemocraten stond en die leden gingen dan ook over naar de nieuwe PvdA. Voor de oorlog had men kunnen vaststellen hoe goed liberalen het met de antirevolutionaire premier Hendrik Colijn konden vinden.

-

De late ontdekking van confessionele verwantschap
Hoewel de KVP, die eind 1945 de oude RKSP afloste, zich in principe openstelde voor alle Nederlanders en dus niet vroeg dat men katholiek was, bleef het toch in werkelijkheid de partij van en voor katholieken. De grote, onoverbrugbare scheidslijn was die tussen grote minderheidscultuur van de katholieken en de vanzelfsprekende en daardoor onopvallende meerderheid van protestanten, kerkelijk, onkerks en onkerkelijk, die in allerlei verschillende politieke richtingen uiteen waren gevallen. En lange tijd kon geen van die groepen, wilde ze de macht verkrijgen, om samenwerking met de katholieken heen. In de negentiende eeuw hadden de katholieken eerst even samengewerkt met de liberalen, die de reputatie hebben dat ze kerkelijk vaak vrijzinnig waren, daarna waren ze een monsterverbond met de antirevolutionairen aangegaan, die weliswaar alle sociale lagen bereikten, maar toch een sterke achterban onder de middengroepen hadden, om vervolgens net voor de oorlog een samenwerkingspartner opnieuw een stapje lager op de sociale ladder te zoeken en ook de socialisten, met vooral een aanhang van al dan niet uitgeschreven hervormde arbeiders, bij de uitoefening van de regeringsverantwoordelijkheid te betrekken. Dat verbond met de antirevolutionairen en later ook christelijk-historischen, soms de Coalitie met een hoofdletter geheten, had een praktisch doel gediend – de gelijkstelling van het bijzonder onderwijs – en was na 1925 – de Nacht van Kersten, ik refereerde er onlangs nog aan – in feite wel ten einde, al bleef men nog samen regeren, zij het vooreerst in een extraparlementair kabinet dat naar toenmalige begrippen bestond uit bewindslieden van ‘rechts’ en (een deel van) ‘links’. Maar niemand zou op het idee komen om de drie belangrijkste confessionele partijen als dragers van één ideologische stroming te zien. Daarvoor waren de verschillen, politiek en cultureel, veel te groot. Daarvoor was men ook bij de vorming van kabinetten te weinig hecht: men haalde er of anderen bij of de twee kleinere deden lang niet altijd mee.

Het is geen toeval dat een boekje waarin de confessionele partijen samen werden beschreven, De Confessionelen, met bijdragen van L.W.G. Scholten, J.A. Bornewasser, I. Schöffer, A.F. Manning en J.L.J. Bosmans, juist in 1968 verscheen. Het waren ‘de huidige ontwikkelingen in het partijenstelsel’, vertelt de eerste zin, die de ‘directe aanleiding’ voor het tot stand komen van dat historische overzicht vormden. En als dit al niet de eerste poging was om de confessionelen sowieso in één kleine geschiedenis samen te nemen, dan was het vast en zeker wel het eerste boek waarin de confessionele partijen vanaf 1918 niet in afzonderlijke hoofdstukken per partij, maar telkens in één kader werden beschreven. De inleiding doelde natuurlijk op de electorale verschuivingen in de jaren zestig en impliciet vooral op het feit dat de vijf toentertijd in de Tweede Kamer vertegenwoordigde confessionele partijen – naast de drie waren en ook nog twee kleinere partijen, SGP en GPV – bij de verkiezingen van 1967 voor het eerst samen onder de helft gedoken waren: 73 zetels. Het verlies – in 1963 waren het er nog 80 geweest – kwam trouwens geheel voor rekening van de KVP. De vier protestantse partijen wonnen samen een zetel: de CHU ging er wel eentje achteruit, van 13 naar 12, maar de ARP won er twee en was met 15 zetels weer net zo groot als in 1956.

De paradox is een beetje dat juist door de deconfessionalisering die aanvankelijk slechts de KVP trof, maar een aantal jaren later ook de CHU bereikte, de nadruk juist meer op het gezamenlijke confessionele karakter van KVP, ARP en CHU kwam te liggen. Toen pas ontdekte men dat er iets gemeenschappelijks was dat bond, en begon de KVP, wier teruggang dramatische vormen aan begon te nemen, aan te dringen op nadere samenwerking, die uiteindelijk gestalte zou krijgen in één partij, die onder een vanouds typisch katholieke vlag zou gaan varen: die van de christendemocratie. Dat was oorspronkelijk de benaming van de meer ‘linkse’, sociaalgerichte katholieke stroming binnen de rooms-katholieke politiek geweest, maar na de oorlog was de Duitse CDU in staat gebleken om het bereik van het katholieke Zentrum uit te breiden naar groepen protestanten. (In bepaalde streken van Duitsland heeft de tweedeling trouwens nog lang geleefd. Ik ben dat wel tegengekomen. Er ist evangelisch, also SPD. Sie ist katholisch, also CDU.)

-

Twee groten en twee kleintjes
Er waren nooit drie hoofdstromingen in de Nederlandse politiek geweest, er waren er altijd minstens vier geweest. Voor de praktische invoering van het representatief en algemeen kiesrecht in 1918 (mannen) en 1922 (ook de vrouwen erbij) kon je nog een zekere tweedeling zien: die tussen links en rechts. Rechts, dat waren dus de confessionele partijen en links de anderen, vooral liberalen en socialisten. Abraham Kuyper had voor die scheidslijn zelfs ooit een naam bedacht, de Antithese, die vooral moest verdoezelen dat hij gemene zaak met de oude aartsvijanden van de calvinisten maakte. In het spraakgebruik zette die levensbeschouwelijke indeling zich zeker tot de oorlog of iets daarna door, maar omdat men nu bij de verkiezingen geen pacten meer hoefde te sluiten, kwam de eigenheid van de verschillende stromingen en vooral van de verschillende partijen – juist groeperingen die dicht bij elkaar staan, hebben nog wel eens de neiging hard naar de nabije geestverwant uit te halen – steeds meer tot uiting.

De vier hoofdrichtingen die men toen kon onderscheiden, bleven tot meer dan een halve eeuw na 1918 bestaan. Maar ze waren niet alle even groot. Je had in feite twee grote partijen: de RKSP/KVP en de SDAP/PvdA. En daarnaast had je de kleinere protestants-christelijke partijen, met ARP en CHU als belangrijkste, en de liberale partijen als LSP, VDB en na de oorlog de VVD. Het kleinere grut laat ik nu even ongenoemd.

Ergens na de oorlog is een nieuwe indeling in links en rechts in zwang geraakt, die vooral uitging van sociaaleconomische criteria. En als je die indeling eens op de indeling van het partijenlandschap sinds 1918 terugprojecteert, dan kom je op een heel aardig schema. Links heb je dan één grote partij, de SDAP en later de PvdA, met kleinere satellieten daarnaast. Ik noem die op de CPN na nu even niet, omdat de meeste eigenlijk pas in het laatste decennium tot volle wasdom zijn gekomen of anders vooral flipfloppend door het leven gingen. Tot rechts kun je dan de antirevolutionairen en christelijk-historischen rekenen, maar ook de liberalen en vrijzinnig-democraten. Met vertegenwoordigers van al deze politieke richtingen regeerde Colijn ook in de jaren dertig en sinds 1918 zaten er vrijwel altijd partijloze liberalen in de kabinetten. En in het midden houd je dan de RKSP en later de KVP over.

(Ik zeg hier meteen maar even bij dat typeringen als links en rechts als materiële zelfaanduiding vaak niet al te veel zeggen en dat ik er in die zin ook een zekere aversie tegen heb. Maar als analytisch instrument kunnen we niet buiten de indeling: ze helpt om partijen ten opzichte van elkaar te situeren en kan in die meer formele zin soms ook uitstekend dienst doen als zelftypering binnen het politieke krachtenveld.)

-

Het katholieke centrum
In feite alleen door haar electorale omvang en aanhang zat de RKSP/KVP al bijna automatisch in het midden. Het was een partij die een complete deelcultuur, met daarin alle lagen van de bevolking, van een grote massa van arbeiders via middenstanders en boeren tot aan een kleine, vooral zuidelijke elite, vertegenwoordigde. De partij was een soort Nederland in het klein, maar dan alleen het katholieke Nederland. De compromissen moesten al binnen de partij gesloten worden. Maar alleen de aanhang maakte een meer sociale koers al noodzakelijk. Het ging om een halve arbeiderspartij; de aanhang had voor een groot deel maatschappelijk veel weg van die andere grote partij, de SDAP en later de PvdA.

Maar ook omdat de partij zo groot was, kon eigenlijk niemand om haar heen. De protestants-christelijke en liberale partijen op rechts bleven ver af van een meerderheid. Op 1933 na toen ze samen precies de helft van de zetels behaalden, 50 dus, hadden RKSP/KVP en SDAP/PvdA vanaf 1918 tot en met 1967 samen altijd een meerderheid in de Tweede Kamer, een Tweede Kamerverkiezing langer dus dan de confessionelen opgeteld over de majoriteit beschikten. Aangezien niet alle partijen op rechts dol waren op socialisten, geeft alleen dat al aan dat ze niet om de katholieke fractie heen konden. En juist omdat de katholieken de arbeiders onder eigen vleugels konden organiseren, kon socialistisch links in Nederland nooit een meerderheid behalen. Als ze wilde regeren, moest ze dus wel aanklampen bij de RKSP en later vooral de KVP. De centrale positie was juist gegeven met het buitenbeentjeskarakter van de grote katholieke minderheid. De naam van de Duitse geestverwant was in Nederland feitelijk nog raker geweest.

Het is dit katholieke midden geweest dat de Nederlandse politiek zo lang beheerst heeft, maar ook de ontwikkeling van de verzorgingsstaat enorm bevorderd heeft. En het is dit midden dat de laatste decennia aan het afbrokkelen is. Laten we dat nog eens iets nauwkeuriger bekijken. (Ik maak daarbij vooral gebruik van gegevens die men vindt op de sites Verkiezingsuitslagen en het onvolprezen Parlement & Politiek.) Voor de oorlog had de feitelijk onmisbare RKSP op 100 Kamerzetels bijna altijd 30, 31 of 32 zetels; alleen in 1933 werden het maar 28. Het stemmenpercentage lag tussen 27,88% (het genoemde 1933) en 32,26% in 1925. Na de oorlog zien we bij de KVP tot aan de verkiezingen van 1963 in feite een voortzetting van het patroon. Alleen in 1952, toen men hinder ondervond van een kleine katholieke concurrent, zakte het stemmenpercentage even tot 28,97%, dat overigens altijd nog 30 van de honderd zetels opleverde. Verder schommelde het tussen 30,80% in 1946 en 32,69%, de beste uitslag aller tijden, in 1956. De 31,88% van 1963 (50 zetels) was zelfs nog de op twee na beste uitslag sinds 1918.

Maar dan gaat het grondig mis. De kiezers lopen weg. Katholieken kiezen voortaan op grond van instemming met een program of politieke houding, niet meer op grond van loyaliteit aan een bepaalde groep. Althans, dat geldt voor een deel van de katholieke bevolkingsgroep, die bij de volkstelling van 1971 de omvang van 1960, toen de magische veertigprocentsgrens voor het eerst doorbroken werd handhaafde op 40,4% . Ik geef alleen de korte reeks even: 1967 (26,50%, 42 zetels op inmiddels 150 Kamerleden), 1971 (21,84%, 35 zetels) en 1972 (17,65%, 27 zetels). Op grond van recente gebeurtenissen kunnen we ons de dramatiek wel enigszins voorstellen. In negen jaar tijd, van 1963 tot 1972, gaat het bijna om een halvering: de partij heeft nog maar 55% van het oorspronkelijke stabiele electoraat over. Dan wordt dus overgegaan tot een noodgreep. Men haalt twee van origine veel kleinere protestants-christelijke partijen, ARP en CHU, weg bij rechts om het afbrokkelende midden, en dat is meteen ook een machtspositie, te versterken. (Voor wie denkt dat de ARP linkser was: nee, dat was niet zo, alleen op het eind had je een aantal antirevolutionairen die wat op drift waren geraakt en ineens deden alsof zij altijd al radicaler dan die slappe roomsen van het machtscentrum waren geweest. De mythe die toen ontstaan is, vertroebelt het totale beeld tot op heden.) Niet voor niets positioneerde de eerste lijsttrekker van het CDA, Dries van Agt, de eerste Nederlandse katholieke politicus die grote groepen protestanten aan zich wist te binden, zijn partij met zoveel woorden in het midden. In de rede waarmee hij op 22 oktober 1976 het lijsttrekkerschap van het nieuwe CDA aanvaardde, zei hij met zoveel woorden: ‘Wij maken geen buigingen naar links en wij maken geen buigingen naar rechts.’ Het waren woorden die hij in wat andere varianten nog met graagte zou herhalen. In die jaren van sterke polarisatie was het ook een heel slimme strategie, die goed aansloot bij het sentiment van het gematigde deel van de bevolking.

-

Een christendemocratisch panacee
Het CDA slaagde wonderwel. Het werd de grote partij in het centrum, wat positie betreft de voortzetting van de oude centrale rol van de KVP, maar wel veel nadrukkelijker aanwezig. Men richtte zich immers op een zeer verdeelde kiezersmarkt. Er bestonden vanouds geen christendemocraten in Nederland. Men had de twee (of drie) groepen die maatschappelijk altijd het verst van elkaar stonden, verenigd. Merk op dat nu ARP en CHU in feite aan rechts waren onttrokken, de vanouds liberale VVD daar nu in zijn eentje de grote speler werd. De VVD was altijd de partij geweest van de zindelijke, bedaagde, fatsoenlijke, vrijzinnig-protestantse burgerheren, maar nu kreeg men ineens allerlei ander volk over de vloer, tot nota bene roomsen aan toe. Onder leiding van Hans Wiegel was de partij in de jaren zeventig gegroeid tot een factor van enig belang (22 zetels, meer dan ooit tevoren, in 1972, 28 zelfs in 1977) en onder uitgerekend de katholiek Ed Nijpels haalde de partij in 1982 zelfs het fenomenale aantal van 36 zetels, een prestatie die alleen in 1998 nog door Frits Bolkestein, meer een representant van de oorspronkelijke burgerlijke aanhang, zou worden overtroffen. Vanaf de vorming van het CDA kon men dus inderdaad over drie politieke hoofdstromingen spreken: aan de socialisten en de nieuwe christendemocraten werden de voorheen tamelijk marginale liberalen als derde hoofdrichting toegevoegd.

De rest van het verhaal is bekend. Aanvankelijk leek het goed te gaan met het CDA. Bij de eerste vijf landelijke verkiezingen waar het CDA vanaf 1977 aan meedeed, scoorde de partij tussen 29,39% (45 zetels) in 1982 en de 35,32% van Lubbers in 1989, toen de partij net als drie jaar eerder 54 zetels kon uitzoeken. De uitslagen van Lubbers waren hoger dan de KVP ooit behaald had. Ook in die jaren hadden CDA en PvdA samen ruim de meerderheid van het aantal Kamerzetels. In drie jaren namen de twee partijen samen zelfs tweederde van alle zetels in, met als uitschieter 1986, toen de twee opgeteld 67,78% van de kiezers wisten te overtuigen en 106 plekken in wat toen nog de Kamerbankjes waren, voor de leden van hun fracties gereserveerd werden. Die gegevens geven dus aan dat het CDA weer net zo onmisbaar was als de KVP dat in vroeger dagen was geweest. De socialisten konden voorlopig niets buiten het CDA om beginnen en wie niets met de socialisten wilde, kon ook niet om de partij heen.

En toen bleek dus ook het CDA op zand gebouwd te zijn. Men kon er niet structureel meer op vertrouwen dat er een achterban was die automatisch op de partij zou stemmen. Jacques van Doorn had in 1994 net het verkeerde, maar tot dan maar al te begrijpelijke opschrift aan zijn beschouwing meegegeven. In dat jaar bleek dat de aanwezigheid in het centrum van de macht ineens niet meer onvermijdelijk was. In 1994 dook het percentage naar 22,23% en in 1998 ging het verder omlaag naar 18,37%. Jan Peter Balkende leverde een grootse prestatie door bij drie verkiezingen vanaf 2002 tussen de 26,51% (in 2006) en 28,62% (in 2003) van het electoraat achter zijn partij te krijgen, het was geen aanhang die altijd trouw zou blijven, zoals in 2010 bleek toen dezelfde Balkenende zijn partij niet meer dan 13,61% van de stemmen wist te bezorgen. Het lijkt sterk op het echec van de KVP in 1972. Zelfs de structureel tamelijk kleine ARP waar hij van huis uit uit voortkwam, had wel eens beter gescoord: 16,41% in 1937 bijvoorbeeld.

-

Alles kan
Het is de vraag hoe het verder gaat. Anders dan in 1972 heeft het institutionele midden nu geen optie meer om nog eens andere partijen erbij te halen en zo als gezamenlijk bondgenootschap weer een centrale machtsfactor te vormen. Het is duidelijk waar de kiezers te halen zijn: bij die ene populistische partij waar men nu mee samenwerkt. Ook met die andere grote partij, de PvdA, gaat het structureel niet goed, maar op links is de differentiatie, de verspreiding over een stuk of wat partijen met een eigen accent, op zich tamelijk succesvol verlopen. Links is in zijn totaliteit al jaren vrij stabiel en vergeleken bij enkele decennia geleden structureel iets gegroeid (waarbij links zelf waarschijnlijk weer minder links is geworden, zo gaat dat). Op rechts is het proces niet goed verlopen. De VVD is momenteel wel de grootste partij, maar zij is er niet in geslaagd om het gat op – gepercipieerd – uiterst rechts, waar Hans Wiegel al sinds jaar en dag voor waarschuwde, niet te laten vallen. Het is juist een dissident uit die gelederen die geradicaliseerd is en een aanzienlijk, zij het structureel zowel in bereik als tijd beperkt deel van het electoraat weet te verleiden. (En het is, denk ik, ook niet toevallig dat hedendaagse extremisten juist uit het huidige liberalisme voortkomen, maar misschien moet ik het daar nog maar eens afzonderlijk over hebben). Voorlopig ziet het er niet naar uit de VVD of CDA dat gat dat de zogenaamde populisten – politiek als koopwaar, snoep, die juist van bovenaf wordt voorgehouden, een vorm van elitisme dus waarin kiezers zelf niets meer in te brengen hebben – gegraven hebben, kunnen vullen.

Alles kan. Het is echt niet ondenkbaar dat een vernieuwd CDA onder een nu nog onbekende lijsttrekker in 2015 of eerder weer meer dan 40 zetels haalt. Een CDA-Kamerlid werd afgelopen weekend enorm uitgelachen toen hij dat opmerkte – en dat hij de wel zeer onkatholiek handelende pathologische drammer Maxime Verhagen als leider ziet, pleit weer niet voor zijn realiteitszin -, maar volgens mij moet elke onpartijdige waarnemer beamen dat hij best gelijk kan hebben. De partij mag dan in de peilingen wel op een dieptepunt staan, ook nog nooit hebben zoveel mensen partijcongressen met spanning gevolgd en dat soms wat meesmuilende meeleven kan ook een keer in zijn tegendeel omslaan. Maar het is net zo goed denkbaar dat de partij bij de volgende verkiezingen nog verder verliest en op 15 of misschien zelfs wel 10 zetels uitkomt. Men doet zijn best, zullen we maar zeggen. Een vaste aanhang heeft het CDA nauwelijks meer. Dat was het grote voordeel van de KVP tot 1963: dat ze van aanhang verzekerd was. Het leek het voordeel van het CDA tot eind jaren tachtig, maar achteraf bleek het gezichtsbedrog. Het was vooral de aansprekende politiek van Van Agt en Lubbers die kiezers bij de partij hield, en het optreden van Balkenende die ze deels weer terugbracht.

De KVP vormde lang wel het midden van de Nederlandse politiek, maar het was ook een midden waar kiezers in feite niet bewust voor kozen. Protestanten hadden deze optie niet. Die kozen gewoon socialistisch, antirevolutionair, christelijk-historisch of liberaal of iets anders. Het was dus ook een midden in de zin van een centrum van de feitelijke macht. Pas bij de vorming van het CDA kon je als kiezer bewust voor een nieuw geformuleerde optie tussen socialisme en liberalisme in kiezen. Een structureel georganiseerd midden is er inmiddels niet meer in de Nederlandse politiek. Maar of daarmee ook het politieke midden verdwijnt, is een andere vraag, waar ik het eigenlijk over wilde hebben en waar het voorgaande alleen maar een inleiding op was. Maar voor vandaag lijkt dit trekken van enkele grote lijnen me wel genoeg.

Misschien dat ik later nog eens aan die vraag toekom: of het politieke midden echt verdwijnt. En of dat erg is.

(23)

7 november 2011

Een compromis? Ja, maar met wie? – Voorbij de mauromoeheid

.:.

‘Ben ik de enige die beetje #Mauromoe is? De kwestie verdringt mijn andere morele verontwaardigingen op disproportionele wijze’, twitterde de Utrechtse ethicus en moralist – de omschrijving is de zijne – Theo Boer afgelopen woensdag. Hij was niet de enige die het woord bedacht, maar de grote Van Dale zal het wel niet halen. Daarvoor was het gebeuren te eenmalig. Het gevoel zullen velen echter herkennen.

-

Elberta Alijda Haars (1913-1997). Als staatssecretaris van justitie (1977-1981) voerde zij een restrictief toelatingsbeleid (Collectie SPAARNESTAD PHOTO/NA/Anefo/H. van Dijk)

Twee zienswijzen
Vorige week woensdag belde Sjoerd Mouissie van het Nederlands Dagblad mij op om mijn commentaar op het optreden van CDA en SGP in de affaire rond de jongeling van Angolese herkomst te vernemen. Elke vraag is altijd net iets anders en hardop denkend heb ik het een en ander gerateld, waar hij de volgende dag iets uit gedestilleerd had, dat zeker recht deed aan wat ik zoal gezegd moet hebben. Ik citeer de passage maar even:

‘Historicus Jan Dirk Snel denkt dat deze redenering aan het electoraat voorbij zal gaan. ‘De verwikkelingen in de Tweede Kamer over Mauro zijn desastreus voor het imago van de christelijke politiek. Met name het CDA is dit aan te rekenen, omdat die partij erg draaierig overkomt.’ Dat het CDA voor een vergunning zou zijn, maar ertegen stemt, is volgens Snel niet uit te leggen. ‘De SGP is de imagoschade veel minder toe te rekenen, want die partij kan haar keuzes uitleggen. Die keuzes overtuigen me niet, maar ze zijn wel consequent.’
Wat het imago betreft, zit het CDA daarom in een uitzichtloze situatie, vindt de historicus. ‘Achteraf legt iedereen dit debat op de eigen manier uit. De een noemt het een overwinning, de ander een nederlaag. En beiden hebben gelijk. Op die manier krijgt de ‘nieuwsconsument’ alsnog geen duidelijkheid.’’

De vraagstelling – het imago van de christelijke politiek – is die van de krant en bij het artikel stond een illustratie waarin de C en de G uit de logo’s van CDA en SGP gescheurd zijn. Persoonlijk vind ik dat álle politieke partijen zich om hun geloofwaardigheid dienen te bekommeren en dat men aan VVD en PVV – en bij andere gevallen dus ook aan alle andere partijen – dus precies dezelfde redelijke eisen kan voorleggen als aan de twee partijen waar het artikel, gezien de ligging van de krant overigens terecht, op focust. De achtergrond is kennelijk dat veel mensen, zowel aanhangers als anderen, voor deze partijen strengere maatstaven aanleggen, gebaseerd op de uitgangspunten waar beide groeperingen zichzelf op beroepen. Persoonlijk acht ik dat iets minder relevant. De vraag is wat mij betreft of een gedragslijn als zodanig goed uit te leggen valt.

Ik had het misschien bij mijn uitlatingen van vorige week gelaten als pal voor mijn woorden geen andere redenering, waar de eerste zin uit het citaat hierboven naar verwijst, had gestaan, en wel van Willem Aantjes. Soms doet gezag er wat mij betreft wel degelijk toe en Aantjes behoort tot onze allerbeste politiek analisten. Het is een man die zijn bevlogen reputatie zum Trotz altijd een scherp oog heeft voor de reële machtsverhoudingen. Aantjes’ argumentatie is dat Ad Koppejan en Kathleen Ferrier in feite het onderste uit de kant hebben gehaald. Mauro mag blijven en de ‘zelfstandigheid van de CDA-fractie binnen het kabinet is toegenomen’. Kortom, het CDA heeft bereikt dat ‘de hoogst haalbare barmhartige oplossing werd gevonden’, zoals de krant Aantjes’ woorden samenvat. De SGP daarentegen valt wel degelijk aan te rekenen dat ze niet stemde voor een ‘barmhartige oplossing’ voor Mauro. Die partij is immers niet aan een akkoord gebonden.

-

Aantjes’ gelijk
Het punt is dat ik het in feite met Aantjes’ analyse eens ben, maar mijn kanttekeningen daar grotendeels – niet geheel, zoals nog zal blijken – compatibel mee acht. Wat betreft het bereikte heeft Aantjes volkomen gelijk. Toen hij dinsdag (1 november 2011) twitterde

‘Hoe dan ook, Mauro mag blijven. Voorlopig? Welnee. Dat was alleen nodig om Wilders gerust te stellen. Niets is zo blijvend als tijdelijk’

was ik dan ook, zie ik nu, de eerste die deze pregnante analyse retweette en dat niet alleen omdat ik het een interessante uiting vond, maar in dit geval ook omdat ik het er volkomen mee eens was. Voor Mauro Manuel en de mensen om hem heen blijft de zaak begrijpelijkerwijs nog even zenuwslopend, voor wie zich de luxe van wat meer afstand kan veroorloven, is het echter volstrekt duidelijk dat de jongeman nooit meer naar Angola zal worden uitgezet. Geen minister zal dat nog aandurven. Er zal, hoe dan ook en via welke juridische kronkelwegen ook, een oplossing worden gevonden. Wat betreft de praktische uitkomst ben ik het dus met Willem Aantjes eens.

Degenen die zich met name om het specifieke geval van Mauro bekommerden, doen er dan ook goed aan, om de verdedigingen die Kathleen Ferrier en Ad Koppejan publiceerden, eens grondig te lezen. Ferrier schreef ondermeer dat ‘de voltallige CDA Tweede Kamerfractie vindt dat

1. Mauro hier moet kunnen blijven,
2. dat we na alles wat er gebeurd is van hem niet kunnen vragen dat hij nu naar Angola reist om een studievisum aan te vragen, dus dat de minister zijn discretionaire bevoegdheid aan moet wenden om hem hier te houden en
3. dat de regelgeving rond AMA’s, kinderen zoals Mauro, aangepast moet worden.’

Daar heeft ze volkomen gelijk in. Ad Koppejan schreef woensdag in zijn column in NRC Handelsblad en daarna in een gepubliceerde e-mail soortgelijke dingen. Terecht wijst hij erop dat hij en Ferrier daarbij echt niet alleen staan:

‘De hele CDA-fractie is van mening dat Mauro moet kunnen blijven. Mijn Limburgse collega’s Raymond Knops en Ger Koopmans zetten zich hier al tijden voor in.’

Zo is het. Maar hij en Ferrier zorgden er wel voor dat de fractie de eenmaal ingezette lijn praktisch ook bleef volgen. In die zin heeft Trouw-columnist Hans Goslinga dan ook gelijk als hij schrijft:

‘Die uitkomst was niet het resultaat van politiek gokken, maar van politieke strijd en vasthoudendheid van de CDA-Kamerleden Koppejan en Ferrier.’

En praktisch had dus ook Willem Aantjes gelijk in een volgende tweet (die ik, hier niet beperkt tot 140 tekens, even aanvul):

‘Uitkomst Maurodebat mager? Ja, maar was niet mogelijk geweest zonder vasthoudendheid Kathleen F[errier] en Ad K[oppejan], taai geduld V[an] H[aersma] B[uma] uitspraak congres’

-

Compromis
Allemaal juist. Dat was het gelijk van Aantjes, Ferrier, Goslinga en Koppejan. Maar nu de andere kant van de zaak. Minder overtuigend is namelijk waarom de CDA-fractie – maar dit geldt dus in feite ook voor de overige 57 leden uit drie andere fracties die dezelfde keuze maakten – tegen de twee moties stemde die dinsdag voorlagen. Ferrier schrijft er bijvoorbeeld over dat ze

‘overtuigd niet voor wilde stemmen, omdat ze eerder de minister binden dan hem de ruimte te bieden een en ander snel op te lossen. Ik vind dat de minister de ruimte moet hebben snel met structurele oplossingen te komen voor de groep kinderen die net als Mauro goed participeren in onze samenleving omdat ze beter hier ingeburgerd zijn dan in hun land van herkomst.’

Wie de tekst van de motie-Gersthuizen/Dibi en de gewijzigde motie-Voordewind/Spekman – de tekst is vooreerst gemakkelijker te vinden in het voorlopig verslag – bekijkt, zal dit zakelijk gesproken een ongerijmde redenering achten. Beide moties drukken namelijk precies uit wat ze zelf optekende in haar drie punten die het standpunt van de hele fractie zouden weergeven: dat Mauro moet blijven en dat er op zijn minst een aanvang met het vinden van een structurele oplossing gevonden moet worden. Over de motie-Gersthuizen/Dibi kun je in zoverre nog zeggen dat die de minister zou binden, dat die namelijk de meest voor de hand liggende weg, die de minister wel degelijk zou kunnen kiezen, voorstelde: het gebruik van de discretionaire bevoegdheid – waarmee deze concrete zaak dus met een pennenstreek, zonder verder toekomstig gedoe, uit de wereld zou zijn. Merk overigens op – je zou er bijna overheen lezen – dat Ferrier die in haar tweede punt trouwens wel degelijk noemt. Over de motie-Voordewind/Spekman, waar elke verwijzing naar één concreet geval uit was gehaald, kun je alleen maar zeggen dat die in wel zeer ruime termen een meer algemene oplossing aanduidde, waar de CDA-fractie inhoudelijk niets tegen kon hebben.

Hier hebben we dus het punt waar ik in mijn commentaar op duidde: hoe leg je iets uit dat niet uit te leggen valt? Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan? Waarom omwegen kiezen als de rechte weg open voor je ligt? Daar moet je dus een goed verhaal over kunnen houden. En dat is het probleem hier. Dat je in de politiek compromissen moet sluiten, dat weten we allemaal en dat is ook onvermijdelijk. Het hoort erbij. Er zijn vele actoren die allemaal iets willen. De een wil dit, de ander dat en heel vaak zijn er heel wat meer partijen in het spel die allemaal iets nastreven, en dat de uitkomst er dan vaak niet zo fraai uitziet, dat valt dan ook goed uit te leggen: niemand helemaal zijn zin, iedereen iets dat van belang is, bij elkaar niet mooi, maar het meest haalbare voor alle betrokkenen. Dit hebben we verloren, maar dat hebben we binnengesleept. Zo werkt politiek, geen enkel probleem.

-

Muisstil
Maar met wie werd hier eigenlijk een compromis gesloten? Met welke andere wensen moest men rekening houden? In zijn NRC-column duidde Ad Koppejan het probleem haarscherp aan:

‘Zelfs de meest geharnaste voorstanders van een streng asiel- en immigratiebeleid hielden zich muisstil.’

Exact, de spijker op zijn kop! Maar hier begint dus ook de schimmigheid. Er was geen tegenstander zichtbaar tegen wie men het opnam en met wie men een compromis moest sluiten. Met wie hadden Ferrier en Koppejan en het CDA-congres nu eigenlijk iets te stellen? Met de eigen fractie? Maar die was eigenlijk altijd al voor een oplossing voor Mauro en bij implicatie alle ‘gevallen’ als de zijne. Met de minister? Ja, in zekere zin wel, omdat die de meest voor de hand liggende aanpak ook onder druk niet wenste te verkiezen, waarbij ik overigens best besef dat het voortdurend zwaaien met ‘discretionaire bevoegdheid’ ook niet altijd een panacee is, al zou die hier de hele ophef in een keer uit de weg geruimd hebben. Maar waarom lag de minister dwars, ja waarom eigenlijk? In die zin geloof ik nog steeds dat mijn analyse in een eerder stukje, dat het namelijk de gedoogpartner is, die voor de druk zorgde, nog staat als een huis. Het is een gedachtegang die ook door Wouter Beekers in Trouw en door Frank Verborg op zijn eigen website naar voren is gebracht. Zeker is in ieder geval dat de discretionaire bevoegdheid wel degelijk in het Gedoogakkoord genoemd wordt. Daar staat dat ‘terughoudendheid’ uitgeoefend zal worden. Dat is het begin van de politieke druk op de minister, daar gingen Kamerfracties dus al op de stoel van de minister – om de uitdrukking van Kees van der Staaij te gebruiken – zitten. Dat mag politiek misschien best, maar dan kun je je vervolgens niet meer beklagen als ook andere leden van de Tweede Kamer zich met de uitoefening gaan bemoeien.

En hier ligt ook het structurele probleem: de vaak vrijwel onzichtbare aanwezigheid of zelfs zichtbare afwezigheid van de gedoogpartner. Er was op enigszins de minister na niemand zichtbaar met wie men openlijk een compromis kon sluiten, waarna men dus in de woorden van Koppejan in alle openheid kon uitleggen waarom het belabberde te verkiezen viel boven het allerbelabberdste. Als men de PVV had kunnen dwingen of in ieder geval bewegen om zich zeer open uit te spreken voor het uitzetten van Mauro en tegen elke poging om voor lastige gevallen een humane uitweg te vinden, als er van de andere kant zichtbaar hard spel was gespeeld, dan had men de huidige lijn kunnen verklaren, dan had iedereen kunnen zien dat er nu eenmaal een compromis moesten worden gesloten, nu niet. Het structurele probleem ligt in de gedoogconstructie en de onzichtbaarheid van Wilders en zijn club. Sommige waarnemers worden er wel eens boos over dat Nederlandse journalisten de man nooit zo kritisch zouden benaderen als de BBC en CNN wel kunnen doen, maar de verklaring is eenvoudig: hij en de zijnen laten zich nauwelijks kritisch ondervragen. Ze ontlopen de publiciteit als het lastig wordt. Ik ben er daarom ook niet van overtuigd dat de CDA-fractie er het uiterste uitgesleept heeft. Wat was er gebeurd als men nu eens wél voor beide moties of alleen voor de meer algemene motie-Voordewind/Spekman had gestemd? Was het kabinet dan gevallen? Bij een meerderheid voor de motie in de Kamer? Ik geloof er niets van. De CDA-fractie had dan nog meer zelfstandigheid verworven, om Aantjes aan te halen, dan nu het geval was. Dan had de andere kant eens duidelijkheid moeten verschaffen. Nu bleef die uitdaging achterwege.

Kortom, er is wel degelijk materieel iets bereikt, maar ook niet veel meer dan het meest voor de hand liggende, en het veld waarin dat gebeurde, is enorm diffuus en daarin ligt dus het presentatieprobleem. Waarbij ik de moeilijkheden ook weer niet overdrijven wil. Dit was op zich inderdaad een opgeklopte zaak – vooral door de halsstarrigheid van de minister – en deze zaak ebt wel weer weg en meer mensen zullen op den duur inzien dat Ferrier, Koppejan en de CDA-fractie wel degelijk bereikt hebben wat ze willen. Daarin ligt trouwens ook meteen de reden dat Hans Goslinga en anderen geen gelijk hebben in hun kritische houding ten opzichte van de oppositie. Die had, nu de buit materieel, maar wel erg halfslachtig, binnen was, geen enkele reden om bij zoveel gekluns ook nog eens coulanter te zijn. Moeten de coalitiepartijen zichzelf maar niet zo in de nesten werken.

-

Individuele gevallen
Over de houding van de SGP moet ik mijn mening wel herzien. Aantjes had meer gelijk dan ik. In het verhaal dat men niet over individuele gevallen wil beslissen, zit iets, al overtuigt mij dat ook niet: soms liggen er namelijk concrete keuzes voor, die je kunt verfoeien en waarvan je misschien terecht kunt zeggen dat die je zo niet voorgelegd hadden mogen worden, op het moment dat ze voorliggen, zul je toch moeten kiezen. Wegblijven is dan naar mijn idee principiëler dan toch stemmen. En ik geloof ook niet dat het standpunt vol te houden valt. Echt nooit over individuele gevallen debatteren of stemmen? Nooit? Niet over de Drie van Breda destijds, niet over Menten, niet over Hirsi Ali? Nooit? Dat valt nooit vol te houden. Maar het punt was dat de SGP ook tegen de motie-Voordewind/Spekman stemde en dat in 2010 ook al gedaan had tegen de motie-Spekman/Anker, die in ieder geval dit gedoe beoogde te voorkomen. Kortom, ik geloof best in de oprechtheid van de verdediging, maar logisch overtuigend is de opstelling niet.

Alleen roepen dat je nooit over individuele gevallen wilt beslissen, is trouwens sowieso niet overtuigend. Ik bedoel dit nu als algemene opmerking, die de hele Kamer betreft. Als een algemeen probleem door misschien vrij toevallige omstandigheden een concreet menselijk gezicht krijgt, dan is de logische weg om achter dat gezicht de algemene problematiek weer op te zoeken en daar een eerste aanzet voor een oplossing voor te zoeken. De weg van de motie-Voordewind/Spekman was in dat opzicht dan ook de juiste. En het was juist de CDA-fractie die donderdag voor een week (27 oktober 2011) met de motie-Knops over een studievisum voor Mauro dus precies de tegengestelde weg insloeg, waar overigens alle andere fracties, ook de SGP dus, terecht tegen stemden. Dat was echt een geval van pontificaal met je achterwerk op de zetel van de minister plaatsnemen. Het was dus zeker niet alleen de oppositie die te veel op één geval focuste, het was vooral een regeringspartij die dat deed.

-

Eindeloos
Ik begon dit stukje met de ‘morele verontwaardigingen’ – ik zie het er wel van komen dat het Groene Boekje het meervoud nog eens opneemt – van Theo Boer, maar ik geloof niet dat ik van morele verontwaardiging zoveel last heb gehad, al heb ik me soms wel opgewonden, maar dan vooral over het gekluns en het onvermogen om helder te denken en te handelen. Dat is het punt waar de minister en de CDA-fractie het meest door de mand vielen. Simpele zaken los je op door scherpe vragen te stellen en even duidelijke antwoorden te geven, niet door alles zelf in de mist te laten verdwijnen en dan uiteindelijk triomfantelijk uit te roepen dat de lucht weer opgeklaard is.

Ik koester trouwens absoluut niet de illusie dat gevallen als deze structureel te voorkomen zijn. Je kunt kleine verbeteringen doorvoeren, die voor concrete mensen een kwestie van levensgeluk kunnen zijn, altijd zullen er weer nieuwe grensgevallen opduiken. Dit was naar mijn idee duidelijk en als iets duidelijk is, moet je een heldere keuze maken en daar de logische consequenties, die hier overzienbaar zijn, uit trekken. Maar alleen de getallen in de motie- Voordewind/Spekman al: jonger dan elf jaar, langer dan acht jaar hier. Hoe dan als het om een leeftijd van twaalf jaar, een termijn van zeven jaar gaat? Of om een paar dagen? Eindeloos. En ik geloof ook niet in opmerkingen als dat je een hele procedure in een half jaar geregeld moet kunnen hebben. Kan dat binnen het bestuursrecht, waar termijnen ook uit het oogpunt van rechtsbescherming ingebouwd zijn? Kun je rechtbanken verplichten zo snel te werken? Zal er dan niet toch weer een beroep op andere rechtswegen gedaan kunnen worden?

Dit blijven lastige zaken. Een definitieve oplossing zal nooit gevonden worden. Maar je kunt wel proberen om het beter te doen, stukje bij beetje. En je kunt vooral proberen om heldere vragen helder te beantwoorden, zodat je het vervolgens over de dan overblijvende lastige gevallen kunt hebben.

Mauro Manuel en de mensen om hem heen zullen het de eerstkomende tijd nog niet gemakkelijk hebben, maar die jongen redt het wel. Maar CDA en SGP, de twee partijen waar ik het op verzoek over had, hebben voorlopig nog wel wat uit te leggen. Maar zij worstelen tenminste openlijk met de zaak. VVD en PVV, die zich zo angstvallig in de luwte ophouden, hebben nog heel wat meer uit te leggen.

Misschien dat daar het debat eens over zou moeten gaan.

(19)

31 oktober 2011

The Right Thing To Do

.:.

Soms is het heel simpel.

Er ligt een keuze voor, en dat kan een keuze zijn die je zelf niet gezocht hebt, en je moet ja of nee zeggen. En dan weet je gewoon wat het juiste antwoord is. Ja, ik kom nog even op de zaak-Mauro terug, want dit is zo’n simpel geval. Nee, dat was zo’n simpel geval, tot de minister besloot om niet te doen wat hij wist dat hij moest doen. Daardoor is dit schijnbaar een ingewikkeld geval geworden.

Ja, er zijn vele zaken waarbij de keuze tussen ja of nee heel lastig kan zijn. En ik behoor tot het soort mensen dat het meestal niet weet of dat vaak probeert zich zo lang mogelijk van een oordeel te onthouden, en soms helemaal, als het toch niet nodig is. Ik mag graag de dingen van enige afstand bekijken. Als ik dus zie dat één individueel geval in het middelpunt van de belangstelling komt te staan, is mijn eerste wantrouwige reactie: is dat nou wel nodig? Zijn er niet veel meer andere, vergelijkbare gevallen? Moeten we dit niet algemener benaderen? Een vraag die ook al vaak gesteld wordt, is of er niet meer even schrijnende of schrijnender – ik hoorde op tv iemand beweren dat de comparatief niet bestond, maar mijn Van Dale kent die wel – gevallen zijn. O ja, vast en zeker wel, maar dan zegt dit ene geval, dat ons door omstandigheden zo beroert, kennelijk ook daar wat over.

Charles-Louis de Secondat, baron de La Brède et de Montesquieu (1689-1755), aan wie de leer van de 'trias politica' wordt toegeschreven, al gebruikte hij de term nooit.

En dit geval is duidelijk. Is er ook maar één concreet belang bij gediend om deze in alle opzichten Nederlandse jongen na ruim acht jaar uit dit land te verwijderen, hem los te rukken uit het gezin waar hij toe behoort – en dat vooral nu hij ruim acht maanden lang, van oktober vorig jaar tot juni van dit jaar, mocht leven met de belofte dat hij hier wel mocht blijven? Nee. Maar zou hem hier houden hem, zijn naasten en vrienden veel verdriet besparen? Ja. Nou dan. En daarbij weet ik ook wel dat grensvragen lastig zijn. Als acht jaar de doorslag geeft, waarom dan zeven of zes niet? Of vijf of vier? En, is er niet bij elke uitzetting, ook na een jaar, verdriet? Lastig, lastig, maar in dit geval vinden de meeste mensen de casus op zichzelf bezien wel helder en dat geldt zelfs voor velen die andere overwegingen menen te moeten laten prevaleren, waarover zo meer.

-

De minister heeft, zo hebben twaalf asielrechtdeskundigen, op eentje na allemaal hoogleraren, in de Volkskrant betoogd en heeft Jan de Visser, een van de zes die begin dit jaar om het voorzitterschap van het CDA streden, op zijn weblog even overtuigend laten zien, alle ruimte om alsnog gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid. De twaalf geleerden betogen trouwens dat de precedentwerking gering zal zijn, en Jan de Visser stelt dat er uit de toepassing van discretionaire bevoegdheden ‘nooit beleidsregels afgeleid’ worden. Ik vraag me dat wel een beetje af. Maar indien wel, so what? Uiteraard dien je die andere gevallen ook zo te behandelen. Dat hoort sowieso al. En als je consequenties voor de toekomst vreest? Dan zorg je maar dat die niet meer voorkomen. (Dat hele idee van een aanzuigende werking is trouwens toch al kwestieus.) Waarbij ik wel wil aantekenen dat het idee dat je sommige dingen definitief kunt regelen, illusoir is, een overdreven geloof in de maakbaarheid van de samenleving.

Kortom, eenvoudig geval en de minister kan een eenvoudig antwoord geven. Hij vindt zelf eigenlijk ook dat Mauro hier moet blijven en probeert daar via bijvoorbeeld een studievisum wegen voor te vinden. Maar niets belet hem om Mauro gewoon een verblijfsvergunning te geven. Hij kan wel, maar hij wil niet. Ten onrechte verschuilt hij zich achter de ‘regels’. De wet geeft hem juist de volle mogelijkheid om de zaak met één pennenstreek op te lossen en die pen kan hij dan vervolgens ook voor andere, mogelijk vaak veel schrijnender gevallen gebruiken. Dat maakt het ook zo ernstig: de onoprechtheid van de minister. Stellen dat hij de zaak aan de geldende regels getoetst heeft, terwijl hij gewoon zelf kan doen wat er gedaan moet worden. Wie over discretionaire bevoegdheid, (enige) vrije beleidsruimte dus – geen willekeur, ook al betekent het adjectief dat in het Frans wel degelijk – beschikt, dient per definitie hogere normen aan te leggen dan die van het geldende, positieve recht; daar is die bevoegdheid namelijk voor: om zelf een afweging te maken. De minister kan gewoon doen wat rechtvaardig is. Barmhartigheid is in dit verband een misleidend woord. Het gaat om the right thing to do. Dat is niet met de hand over het hart strijken, dat is gegeven de voorliggende keuze een kwestie van recht en gerechtigheid.

-

Wat mij het meest opvalt, is dat de verdedigers van de minister zich in de meest vreemde bochten wringen. Tijdens het CDA-congres van zaterdag bestond Elco Brinkman, voorzitter van de fractie in de Eerste Kamer, het zelfs om een tegenstelling te creëren tussen mensen die ‘emotie en geweten’ lieten prevaleren, en mensen die van het ‘verstand’ zouden uitgaan. Die man zou dus echt enige filosofische bijscholing kunnen gebruiken. Het geweten staat dus tegenover de rede? Oei! Het is natuurlijk flauwekul. Het geweten is juist een redelijke zelfbinding aan normen die je erkent. En gevoelens en emoties kunnen redelijk zijn, maar soms ook onredelijk, wat alleen al gegeven is door de – soms juiste, soms onjuiste – informatie die ze bewerkstelligt. Het gewone rechtsgevoel staat niet tegenover het verstand, maar komt op hetzelfde neer. Zonder emoties zouden we trouwens helemaal niet kunnen denken. Zuivere semantiek bestaat voor mensen gelukkig niet. Wat opvalt, is juist de irrationaliteit van degenen die de weigering van de minister om het juiste antwoord op de voorliggende vraag te geven, verdedigen. Eindeloos en velerlei – ik zag het ook op Twitter – zijn de uitvluchten, niet alleen over de zogenaamde ‘regels’ en nog van alles en nog wat, maar ook over wat er in het verleden had moeten gebeuren. Had staatssecretaris Albayrak – alles draait, zie de overzichtelijke tijdlijn bij Krapuul, om haar besluit van 19 november 2009, dat door de rechtbank op 4 oktober 2010 eerst vernietigd werd en door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 juni 2011 vervolgens gebillijkt werd – dan in november 2009 niet al een verblijfsvergunning moeten geven? Ja, misschien wel. Maar alle mogelijke gelijk inzake het verleden verandert niets aan de kristalheldere vraag die zich nu aandient. Rede, rechtsgevoel, natuurrecht, waar men maar vanuit gaat, spreken helder.

Een misverstand dat ook vaak opduikt, is dat de trias politica hier in het geding zou zijn. De rechter heeft toch immers gesproken? Jazeker, maar het gaat hier echt niet om een inbreuk op het gezag van de rechterlijke macht. Zoals dat meestal gaat, wordt de Vreemdelingenwet 2000 vooral uitgevoerd door – het werkwoord kondigt het al aan – de uitvoerende macht. De rechter voert primair niks uit. Die is er om nadat je bezwaar bij het bestuursorgaan hebt gemaakt, bij in beroep te gaan. De rechter corrigeert het bestuur hooguit, als dat alle grenzen overschreden heeft. Het is, als je het scherp wilt stellen, dus eerder zo dat de rechterlijke macht, overigens geheel volgens de wet en rechtsstatelijke vereisten, ‘inbreekt’ op de uitvoerende macht. En juist daarom oordeelt de bestuursrechter in het algemeen marginaal: dus of men binnen bepaalde grenzen dit had kúnnen doen, wat dus niet wil zeggen dat het tegendeel niet ook gekund had, zoals ook het deskundigendozijn opmerkt. In dit geval oordeelden de rechtbank en de Afdeling Bestuursrechtspraak dus tegenovergesteld en een van de argumenten van de laatste instantie was dat de rechtbank te snel tot een ‘zelfstandige belangenafweging’ was overgegaan en niet de ‘vereiste terughoudendheid’ had betracht. Alleen daaruit blijkt al dat ze dat zelf wel probeerde. De rechter oordeelt niet inhoudelijk wat het beste of meest rechtvaardige is en dat is ook niet zijn taak. Maar juist daarom heeft de minister zijn eigen discretionaire bevoegdheid. Achter de rechter of de wetten kan hij zich niet verschuilen, de wet legt de laatste verantwoordelijkheid juist in zijn handen. En tja, dat de Staten-Generaal zich daar dan mee bemoeien, dat kan gebeuren, zoals ik in mijn vorige blog al betoogd heb. (Ook een raar misverstand: mensen denken dat de regering uitvoerende macht is en het parlement wetgevende macht. Maar volgens artikel 81 van de Grondwet stellen regering en Staten-Generaal samen de wetten vast. Over de controlerende taak van het parlement of over wat het verder maar kan, staat vrijwel niets in de Grondwet. De beide Kamers bepalen uiteindelijk zelf wat ze op grond van hun bevoegdheden en rechten doen.)

-

Nog steeds geeft het een ongemakkelijk gevoel dat een individueel geval, dat waarschijnlijk echt niet het meest schrijnende is dat er bestaat, zo het nieuws beheerst. Het lijkt een beetje hysterisch. Men kan lange verhalen houden hoe dat zo is gekomen, hoe de pleegouders en andere sympathisanten de media gezocht hebben en hoe politici verwachtingen gewekt hebben. Men kan er ook op wijzen dat het een uiting is van de hoge normen die onze samenleving, althans op het moment dat ze met foutieve beslissingen geconfronteerd wordt – en dat is waarschijnlijk vrij toevallig en veel ontgaat ons – aanlegt. Maar het hele punt blijft ook dat het zover allemaal niet had hoeven te komen. De minister had hier allang een einde aan kunnen maken door gewoon te doen wat recht en rede hem ingeven.

Soms is het heel simpel.

(14)

28 oktober 2011

Onbehoren – Over de Tweede Kamer, individuele gevallen en partijcongressen, over Mauro dus

.:.

Vorige week woensdag schreef ik hier een stukje onder de titel Behoren. Het ging over het gegeven dat elk mens in een concrete situatie in de wereld komt, waarmee bepaalde banden met andere mensen, zwakke en sterke banden, al gegeven zijn. Sterke banden heb je met je familie en allerlei verwanten, zwakkere relaties onderhoud je met allerlei groepen. Jij hebt al een verleden op het moment dat je geboren wordt, daar komt het op neer.

Direct had ik al een aantekening gemaakt voor een noodzakelijk tegenstukje: dat er namelijk ook mensen zijn die nergens bij behoren of vooral nergens meer bij behoren. Aan de ene kant heb je misschien een kleine klasse van rijke kosmopolieten, die appartementen in diverse steden in de wereld hebben en voor wie grenzen niet bestaan en voor wie luchthavens zoiets als tramhaltes zijn. Aan de andere kant heb je de stroom vluchtelingen en asielzoekers die op zoek naar een vaste plek, een nieuw toebehoren, over de wereld trekken en die zelfs als ze al jaren of soms decennia in vluchtelingenkampen leven, daar niet thuis horen. Je kunt daar meer over zeggen: hoe toeristen de hele wereld overvliegen, ook naar de landen vanwaar de gemartelden en onderdrukten de grens in omgekeerde richting niet over komen, hoe uit het tegenvoorbeeld van de mensen die nergens bij horen, blijkt hoe ongelooflijk luxueus de pretentie een kosmopoliet of wereldburger te zijn in feite wel niet is, maar ik wilde me nu even tot een concrete zaak beperken, die de naam van een mens draagt: Mauro.

Congressen kopen geen straaljagers volgens Henk Vredeling: F-16 op het Spuiplein in Den Haag (foto: Roel Wijnants)

Ik ken niet alle ins and outs van de zaak. Ik weet niet precies waarom die jongen naar Nederland is gekomen, waarom de procedures bij elkaar zo lang hebben geduurd en waarom hij uiteindelijk bij de rechter ongelijk heeft gekregen. Ik vind het ook te snel om dan te concluderen dat de wet niet helemaal deugt. Het zou kunnen zijn dat wettelijke bepalingen op zich inhoudelijk best kloppen – iedereen is het er over eens dat je inzake asielverzoeken alleen al uit praktisch oogpunt strenge criteria dient aan te leggen – en dat juist door de zorgvuldigheid van de procedures en de bezwaar- en beroepsmogelijkheden die het bestuursrecht in het algemeen al biedt, de zaak zo lang is gaan slepen. Maar wat ik dan wel weet, is dat twee mogelijk op zich deugende wettelijke principes – zorgvuldige inhoudelijke asielwetgeving en zorgvuldige procedures en beroepsmogelijkheden – hier samen tot een situatie van onrecht geleid hebben. En ik zei: mogelijk, want ik weet er te weinig van. Wat ik ook wel weet, en dat is wat volgens mij de meeste Kamerleden ook vinden, is dat je menselijk gesproken een jongen die ergens thuishoort – daar heb je dat behoren weer – niet maar zo uit die situatie losrukt en hem naar een voor hem grotendeels onbekend land stuurt, alleen omdat regels toegepast moeten worden. Ook al zouden die regels op zich goed zijn, hier leveren ze samen een uitkomst op die niet goed is en die geen enkel doel dient en alleen maar mensen kapotmaakt.

-

Ik wil het nu nog over één punt hebben, namelijk over de opmerking dat de Tweede Kamer zich niet met individuele gevallen moet bemoeien. De SGP-er Kees van der Staaij zei daar gisteren dit over:

‘De Kamer moet geen pleitbeslechter worden in individuele situatie. Dan gaat de Kamer op de stoel van de rechter zitten, en van het bestuur, de minister. Dat is staatsrechtelijk onjuist en uit menselijk oogpunt buitengewoon onwenselijk. Bovendien leidt dat tot rechtsongelijkheid en willekeur. Lopen we het risico dat de aaibaarheid en/of de media-aandacht een selectiecriterium wordt om een individuele zaak wel of niet in de Kamer te behandelen. Daarom hebben wij grote moeite om ons in een simpel ja of nee tegen uitzetting in deze situatie uit te spreken. Dat zullen we dan ook niet doen!’

En ik heb maar een klein stukje van het debat live gevolgd, maar ik zag dat hij aan deze lijn consequent volhield. Ik zag ook op Twitter dat sommige mensen heel boos op hem werden, terwijl anderen hem prezen vanwege zijn staatsrechtelijke zuiverheid. Laat ik dit zeggen: ik denk dat Van der Staaij staatsrechtelijk helemaal gelijk heeft, of althans heel veel, maar dat het de vraag is of bij de uiteindelijke keuze die op zich volledig juiste overweging nog wel de doorslag kan geven. De concrete keuze is immer niet die tussen twee staatsrechtelijke opties, maar draagt een moreel gehalte. De Kamer heeft trouwens wel eerder over individuele gevallen gepraat. We herinneren ons allen nog het debat van 28 op 29 juni 2006 over het Nederlanderschap van Ayaan Hirsi Ali, die kennelijk ooit onder de naam Ayaan Hirsi Magan door het leven was gegaan. Ook dat was een individueel geval, maar ook daar speelden vele anonieme gevallen op de achtergrond een rol. In feite ging het om een regelrecht frauduleuze redenering van de Hoge Raad, waarbij aan mensen tegen alle bedoelingen van de wetgever in alle rechtswegen onthouden werden omdat ze zogenaamd niet juist geïdentificeerd konden worden. (Ik heb daar toen een blog over geschreven, maar die is helaas nog steeds onvindbaar.) Ik vraag me nog wel eens af hoe het met al die anonymi op de achtergrond, die met precies hetzelfde probleem als Hirsi Ali kampten, is afgelopen.

Van der Staaij heeft wat mij betreft gelijk dat de Kamer niet al te snel over individuele gevallen moet gaan beslissen, maar daarbij werd door anderen wel opgemerkt dat Kamerleden bijvoorbeeld via vragen en andere acties ook, en terecht, voortdurend de aandacht op individuele, vaak schrijnende gevallen – dat zijn dus mensen – vestigen. Waar de grens precies loopt, weet ik niet, maar ik vermoed dat hij zou stellen dat bij het stellen van vragen de staatsrechtelijke rollen juist zorgvuldig in acht worden genomen – Kamerleden vragen, bewindslieden antwoorden –, terwijl hier de Kamer op de stoel van de minister is gaan zitten. De discretionaire bevoegdheid is hem niet voor niets gegeven. Die is juist in de wet opgenomen om in gevallen waarin juiste toepassing van alle regels toch tot uitkomsten leidt die onrechtvaardig zijn. Dat is inderdaad de bevoegdheid van de minister.

Heeft de Kamer hier dus een grens overschreden? In zekere zin misschien wel. Maar ook die constatering heeft een beperkte draagwijdte. Staatsrecht is nu eenmaal uit zijn aard flexibel. De Kamer heeft nu eenmaal het recht om zelf te bepalen waar ze over vergaderen wil. Als ze het dus wil hebben over hoe een minister met zijn bevoegdheden omgaat, dan kan ze dat doen. Het is niet altijd gezegd, dat alles wat kan, ook verstandig is, maar staatsrechtelijk geldt uiteindelijk wel dat wat kan, ook mag. En de Kamer kan zelf bepalen waar ze moties over indient en waar ze over stemt. Moties zijn op zich geen dwingende uitspraken. Bewindslieden kunnen die naast zich neerleggen. Maar juist daarom kunnen moties ook over alles gaan. De Kamer maakt hier gebruik van de mogelijkheden die ze heeft. Je kunt dan wel zeggen dat dat staatsrechtelijk onjuist en ongewenst is, als de Kamer het wil, komt er een ogenblik waarop het op zijn minst wel gewenst is en volgens velen ook wel degelijk juist. Op de stoel van de rechter gaat ze in ieder geval niet zitten, omdat de wet met het opnemen van de discretionaire bevoegdheid een allerlaatste beslissing al weer van de sfeer van het zuivere recht naar die van de politiek heeft overgeheveld.

-

Maar er is een veel belangrijkere vraag: waar is de grensoverschrijding eigenlijk begonnen? Wanneer zijn Kamerleden zich met de discretionaire bevoegdheid van de minister gaan bemoeien? En het ziet er naar uit dat daar de crux ligt. Het heeft er alle schijn van dat de minister niet helemaal vrij van zijn discretionaire bevoegdheid gebruikt heeft gemaakt, maar door een gedoogpartij onder sterke druk was gezet. Daar ligt de crux. In veel opzichten is het afgelopen jaar me meegevallen ten opzichte van de vrees die ik vorig jaar had, het minderheidskabinet fungeert in veel opzichten als een soort buitenparlementair kabinet, dat afhankelijk is van wisselende meerderheden. Het heeft de steun van de ‘oppositie’ voortdurend nodig en krijgt die ook herhaaldelijk, soms van het blokje D66-GL-CU met 25 zetels enerzijds en van de PvdA, die in zijn eentje iets meer zetels (30) heeft dan dit drietal samen, anderzijds. Maar zodra het gaat om de onderwerpen van het gedoogakkoord, zijn ministers met handen en voeten gebonden en zo bang als de dood. Dat geldt nu ook voor Gerd Leers.

Daar ligt de fout: de minister gebruikte zijn discretionaire bevoegdheid niet meer vrij en daarom had de Kamer alle reden om er zich mee te gaan bemoeien. Het waren andere Kamerleden die de grens overschreden. Het wordt gewoon tijd het gedoogakkoord met de PVV op te zeggen of er zich niets van aan te trekken, zodat die club zelf maar conclusies moet trekken. Wilders en zijn groepje slaafse afhankelijken – ook de leden van de fractie zijn op misschien Hero Brinkman na naar verluidt doodsbang voor hem – hebben politiek toch hun langste tijd gehad. Verder zullen ze het qua macht nooit meer schoppen. Wilders zal nooit minister worden en hij zal ook nooit meer aan een volgend kabinet deelnemen. Het akkoord heeft vooral tijd geboden om nog luider door te gaan met het loze geschreeuw. Het hele frame waarin de PVV als een vorm van fascisme gezien wordt, klopt ook niet. Het gaat gewoon om een stelletje oproerkraaiers, leugenaars, tuig van de richel, meer niet. Door Wilders’ onfatsoen tijdens de algemene beschouwingen kwam dat nu meer uit dan ooit. Zijn opzetjes werken niet meer. Niemand heeft het over dat dwaze minarettenreferendum, iedereen heeft het alleen maar over zijn wangedrag.

-

Congressen gaan niet over straaljagers, zei Henk Vredeling ooit, en ze gaan ook niet over individuele asielgevallen, voegen anderen daar nu aan toe. True, in het algemeen dan. Goede stelregel. Maar soms gaan ze daar dus wel over en het CDA-congres van morgen gaat daar om goede redenen nu wel over, gewoon omdat de partij vorig jaar de kardinale fout heeft gemaakt aan te pappen met de verkeerde figuren, die zich bemoeien met zaken die hun niet aangaan. Het is de gedoogpartner, de PVV, geweest die een minister structureel onder druk heeft gezet, en daarom moest de Kamer zich hier wel mee bemoeien en door de verdeeldheid in de fractie moet het congres zich hier nu ook wel mee bemoeien. Zo gaan de dingen soms. Van der Staaij had op zich gelijk dat het niet alleen staatsrechtelijk onjuist is als de Kamer zich met individuele gevallen bemoeit, maar ook ‘uit menselijk oogpunt buitengewoon onwenselijk’, maar het punt is dat de onmenselijkheid hier van een gedoogpartner kwam, die het CDA zelf in die positie gehesen heeft, en daarom moet uit menselijk oogpunt niet alleen de Kamer, maar ook het CDA-congres zich wel eens met zo’n mens bemoeien. Want achter die ene mens die we bij name kennen, gaan wel degelijk andere mensen schuil. Het CDA moet ervoor zorgen dat minister Leers zijn discretionaire bevoegdheid ook weer echt zelf kan uitoefenen, zonder angst voor foute figuren.

Het is een uitgelezen kans niet alleen Mauro te helpen, maar ook de fout van vorig jaar enigszins te herstellen. Weg met dat gedoogakkoord. Dit is niet de tijd voor nieuwe verkiezingen, maar het kabinet kan nieuwe vormen van samenwerking met anderen aangaan. Er ligt een soort verkapt gedoogaanbod – althans op onderdelen en gedoogakkoorden gaan, weten we nu, alleen over een beperkt aantal thema’s – van D66, GL en CU in de gezamenlijke verklaring van een paar weken geleden. Nu is het de tijd dat het CDA echt ‘verantwoordelijkheid kan nemen’, om maar eens een uitdrukking te gebruiken waar men binnen die kringen dol op is, en zich naar de oppositie toe open kan opstellen. Dit is ook de tijd waarin de PvdA, D66, GL, CU en andere oppositiepartijen kunnen laten zien dat ze het landsbelang hoger achten dan allerlei partijgedoe, zoals die partijen het afgelopen jaar al vaak hebben laten zien. Daar zullen ze op enige termijn ook bij de kiezer wel degelijk indruk mee kunnen maken. Terwijl Wilders en de PVV alleen maar stomme spelletjes spelen, voortdurend met non-issues op de proppen komen, kunnen zij laten zien dat de eurocrisis en dat het gewone alledaagse beleid voor hen vooropstaat. Als je het populisme links laten liggen als de quantité negligeable die het is – het is geen uiting van diep onbehagen, dat is het eeuwige misverstand, maar een kwestie van oppervlakkig geschreeuw en weinig wol – zal het ongetwijfeld niet direct als sneeuw voor de zon verdwijnen, maar op den duur zal het door zijn krachteloosheid wel degelijk wegebben. Tegen een serieuze politieke cultuur, die zijn kracht toont, kan het echt niet op. Die toont namelijk dat je je om de echte, niet de verzonnen, problemen van mensen en van kiezers bekommert.

Onze politiek cultuur is opener, democratischer, parlementairder en florissanter dan ooit. Alleen die ene rotte appel moeten we even aan de kant smijten. Dat is alles.

Dat is niet alleen goed voor Mauro, maar voor alle mensen in dit land.

(13)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.456 other followers