.:.
Heeft het bestaande een rechtvaardiging nodig? Als iets bestaat, bestaat het, zou je tautologisch kunnen zeggen. Niet het bestaande, maar het toekomstige, dat wat nog niet bestaat en aan de huidige werkelijkheid toegevoegd wordt, heeft een rechtvaardiging nodig. Wie iets gaat creëren, moet daar zo zijn redenen voor hebben. Maar dat geldt ook voor wie iets van de hand gaat doen of vernietigen. Wie over het bestaansrecht van het bestaande begint, denkt er dus mogelijk aan dat bestaande om zeep te helpen. Het staat in ieder geval ter discussie.
Dat is precies wat er met de monarchie aan de hand is. Telkens wordt de vraag gesteld of de monarchie nog wel bestaansrecht heeft. Is ze nog wel van deze tijd?, luidt steeds weer de geschiedfilosofische vraag, die uiterst diepzinnige geesten opwerpen. We zouden de monarchie, althans de erfelijke monarchie – de combinatie is uiteraard niet noodzakelijk -, nu immers niet meer uitvinden, is gedachte. Dat klopt, maar niet het bestaande behoeft een rechtvaardiging, de wijziging vraagt daarom. Je zou dus moeten verzinnen waarom er iets anders zou moeten komen en waarom dat zóveel beter is dat de monarchie afgeschaft zou moeten worden. Daar hebben de meesten geen goed antwoord op en daarom zal de monarchie het nog wel even uithouden. De verwijzing naar de tijd heeft bij nader inzien weinig overtuigingskracht (maar ik geloof dat de ironie wel duidelijk was).
Kortom, de vraag naar het bestaansrecht is stomvervelend. En ook aan de dezer dagen druk besproken vraag naar de ‘modernisering’ van het koningschap ga ik voorbij. Andere overwegingen zijn veel interessanter. Ik zou voor de gelegenheid een stelling op willen werpen. Deze:
De monarchie is bij uitstek het symbool van het gegeven dat de rechtsstaat boven de democratie gaat.
Het is een probeersel, meer niet. Een korte uitleg. Onze Grondwet zegt wél dat Nederland een koninkrijk is en behandelt dat thema uitvoerig; dat Nederland een democratie is, staat er nergens in. Terecht: dat blijkt uit de staatsinstellingen. Het koninkrijk en de grondwet zijn van
1815, de democratie is van 1917 of 1919, al naar gelang de maatstaf die men aanlegt (of algemeen mannenkiesrecht voldoende is voor de betiteling of dat het even algemene vrouwenkiesrecht de doorslag geeft). Democratie wordt dan streng opgevat; in meer ruime zin was het democratische of eigenlijk beter democratiserende element uiteraard al veel langer aanwezig.
Hoe het ook zij, de democratie is slechts het toefje slagroom op de taart van de rechtsstaat. Of, misschien is dat net iets te minnetjes gesteld: het is de sluitsteen van de rechtsstaat, een tamelijk klein element, maar wel een uiterst belangrijk. Alleen daarmee is het gebouw af. Maar een ieder beseft dat dat grote gebouw van de rechtsstaat, met de vele instellingen, veel belangrijker is dan dat ene element: de wijze waarop we volksvertegenwoordigers kiezen. In de wandeling wordt democratie dan ook wel veel ruimer gebruikt, om het hele systeem aan te duiden. Soms fungeert het als een slordige, alledaagse aanduiding voor de rechtsstaat. Dat is niet erg, maar als het er echt op aankomt, heb je dat meer fundamentele, afzonderlijke begrip toch nodig.
En dan zou je kunnen stellen dat het ‘ondemocratische’ element van het koningschap – dat in populariteit juist het meest ‘democratische’ is – dus heel treffend laat zien dat de instellingen boven de act van het kiezen staan. Nogal wat mensen hebben tegenwoordig het merkwaardige idee dat hun wil de doorslag moet geven. Zij willen het staatshoofd kiezen, poneren ze parmantig. Maar op 10 miljoen kiezers stelt onze individuele wil niets voor en een volonté générale komt zo ook al niet tot stand. Bij verkiezingen gaat niet om onze wil, maar om onze kleine bijdrage aan het welzijn van het geheel. Dat gaat voor. En de monarchie is bij uitstek een symbool van dat wat aan onze wil vooraf gaat, meer nog dan de rest van de executieve, die uiteraard ook niet gekozen wordt. De rechtsstaat is meer dan wat door een voluntaristische act tot uitdrukking gebracht kan worden. Juist het element van geboorte, de erfelijkheid, benadrukt het aspect van het gegevene – of geworpenheid, maar ik weet even niet hoe ik dat heideggeriaanse begrip hier betoogsmatig handig inpas. De monarchie symboliseert dat het bestaan aan de wil vooraf gaat, zoals de rechtsstaat aan de democratie vooraf gaat.
Uiteraard is de monarchie een contingent symbool. De Europese monarchie heeft met name overleefd in de noordwestelijke, protestantse, progressieve staten die een tamelijk vreedzame, geleidelijke evolutie naar de moderniteit hebben doorgemaakt. Elders hebben revoluties en oorlogen het koningschap verdreven. En in landen als Duitsland of Italië komt men ook uitstekend uit met een president, maar dan wel omdat die niet rechtstreeks door het volk gekozen wordt. Kiezen tast altijd gezag aan. Democratie en legitimiteit staan dialectisch op gespannen voet. Daarom worden gemeenlijk vooral de controleurs van de macht gekozen en slechts weinig of geen leden van de uitvoerende macht.
De rechtsstaat kan ook best met andere symbolen toe. Maar de monarchie is het symbool bij uitstek, zou ik zo zeggen.
Het is maar een gedachte.
♦
(2)