Berichten getagged ‘geschiedenis’

21 december 2011

Historische waarheid en tijdelijkheid

.:.

De tijd, dat is het probleem.

Maandag plaatste ik hier een stukje over zijn en niet zijn en de vraag of bestaan univook is. Het was deels een reactie op de stelling van Emanuel Rutten dat bestaan eenduidig of eenzinnig is. Ik had er met plezier aan gewerkt, maar zijn reacties (hier en lager) bezorgden mij een katterig gevoel, vooral omdat hij tot dusverre naar mijn idee vooral niet reageerde op mijn betoog en mijn vragen. Mij is nog steeds niet duidelijk wat de uitspraak dat bestaan eenduidig is, nu zou kunnen toevoegen aan ons begrip van de wereld.

-

Gerd Müller maakte tijdens de WK-finale Duitsland-Nederland in 1974 het beslissende doelpunt (foto: Wikipedia)

De veranderlijkheid van het bestaan
Misschien ga ik op de vraag naar de al dan niet bestaande eenduidigheid van het bestaan nog wel eens nader in. Rutten mag dan volhouden dat bestaan eenzinnig of eenduidig is, hij erkent tegelijkertijd wel dat er allerlei zijnswijzen zijn en dat is naar mijn idee veel belangrijker als het om ontologie gaat: de beschouwing van de verschillende manieren waarop de dingen bestaan. Ik zou zeggen dat als bestaan op verschillende zijnswijzen betrekking kan hebben, het begrip daarmee al meerduidig is. Als je van het ene zegt dat het bestaat, bedoel je iets anders dan wanneer je dat van het andere ding zegt: ze bestaan op andere wijze. Maar hij erkent dat pas als die zijnswijzen ook gradueel verschillen en dan is de vraag ook hoe je gradaties tussen zijnswijzen bepaalt. Van sommige dingen zeg je dat ze in werkelijkheid bestaan, van andere zeg je dat ze in het echt niet voorkomen. Ik zou dat een gradueel verschil noemen, maar dat is mogelijk een kwestie van semantiek.

Wat mij in de reacties van Emanuel Rutten vooral opvalt, is dat hij niet ingaat op tijdsverloop, het ontstaan, het bestaan en het verdwijnen van de dingen. Eekhoorns bestaan, eenhoorns bestaan niet en dodo’s bestonden ooit, maar bestaan niet meer en het is niet onmogelijk dat tijgers over niet al te lange tijd niet meer zullen bestaan.

Elke dag ziet uiteraard de opkomst en de ondergang van veel dingen. Ook vandaag worden er weer veel woorden, handelingen en dingen aan de wereld toegevoegd, die er gisteren nog niet waren – een selectie noemen we nieuws – en ook vandaag verwaaien er weer woorden en gedachten, vergeten we handelingen, daden, voorvallen en gebeurtenissen en worden er huizen afgebroken, bomen gekapt, dieren gedood en wordt afval verbrand. Wat er wel of niet bestaat, is voortdurend aan verandering onderhevig, dat is wel duidelijk. En slechts van een deel van wat ooit bestond, hebben we weet, zoals we ons over wat er ooit zal bestaan, niet meer dan een vage voorstelling kunnen maken.

Ook vandaag sterven er mensen en worden er nieuwe baby’s geboren, wat Hannah Arendt aanleiding gaf tot het vestigen van aandacht op het begrip nataliteit: de veranderlijkheid van het bestaan is niet alleen vergankelijkheid, er ontstaat ook steeds iets nieuws. Ook in dit stukje zullen bijna alle zinnen weer volstrekt nieuw zijn: ze hebben nooit eerder bestaan en ze zullen voor het grootste deel ook nooit weer opgeschreven worden. Daar heb je het nieuwe en het vergankelijke en tijdelijke ineen. Dingen ontstaan en dingen verdwijnen en in de vluchtigheid van het bestaan liggen beide bijeen of vallen ze vrijwel samen. De wereld zal morgen anders zijn dan die vandaag is of gisteren was. De wereld van 1900 was een andere dan die van 300 na Christus of die van 2500 voor Christus.

Dat is geschiedenis, een dubbelzinnige term, waarmeer tegelijk wordt geduid op wat er in die eeuwen achter ons is gebeurd, en op onze kennis daarvan, die we meestal in de vorm van een ordelijk verhaal of een beschouwing gieten. En ik geloof niet dat het toevallig is dat die term dubbelzinnig is. Het is geen eigenschap van het Nederlands, maar je ziet hetzelfde in vele talen en het zou me niet verbazen als het zelfs in (vrijwel) alle talen zo zou zijn. ‘Dit is de geschiedenis van …’ of ‘dit is het verhaal van …’ heeft altijd een dubbele referentie: aan dat of diegene(n) waarover die geschiedenis of dat verhaal gaat, én aan de geschiedenis of het verhaal zoals het op dat moment, rond het avondvuur op het plein waar de mannen van het dorp zich verzameld hebben om naar de bard te luisteren, of in een boek dat je bij de open haard zit te lezen, verteld wordt.

-

Geschiedenis
Over geschiedenis moet ik het hier hebben. Het stukje van Rutten waar ik maandag op reageerde, eindigde namelijk met een zin over het bestaan van het verleden en de vraag wat historische uitspraken waarmaakt. Ik citeer de passage even:

‘Wie stelt dat het verleden bestaat en zo direct ware historische uitspraken waarmaakt ontkomt er namelijk niet aan om aan de term ‘bestaan’ in de uitspraak dat het verleden bestaat dezelfde betekenis toe te kennen als aan de term ‘bestaan’ in de uitspraak dat, zeg, protonen bestaan, hetgeen absurd lijkt.’

Dit heeft op zich veel weg van een stropopredenering. Iemand die stelt ‘dat het verleden bestaat en zo direct ware historische uitspraken waarmaakt’ – de verbinding tussen de twee stellingen is ook al hoogst merkwaardig en absoluut niet noodzakelijk –, is natuurlijk absoluut niet verplicht om aan de term ‘bestaan’ een zelfde betekenis toe te kennen als aan die term in de constatering dat keukenkastjes of zeeanemonen bestaan. Integendeel, iemand die dat zou doen, zou een volstrekte dwaas zijn. Rutten ziet dat ook wel, want hij meent dat het in beide gevallen toekennen van een zelfde betekenis aan de term ‘bestaan’, ‘absurd’ lijkt. Ja, zeg dat wel. Maar waarom voert hij dan toch een dergelijke denkbeeldige figuur op? Waarom stelt hij dat deze virtuele man of vrouw niet aan een zelfdebetekenistoekenning ontkomt, terwijl het volstrekt duidelijk is dat die absurd is? Niemand is toch verplicht om absurde dingen te beweren? Daar kun je best aan ontkomen, namelijk door het niet te doen.

Wie zegt dat de tijd of de geschiedenis bestaan, gebruikt het woord in een heel andere zin dan wanneer ik zeg dat mijn koffiemok bestaat: meerzinnig dus en niet eenzinnig, zou ik zeggen. Als ik mijn koffiemok straks in de keuken kapot laat vallen, bestaat ie niet meer, maar bestond die koffiemok tussen waarschijnlijk ergens een datum in 1995 – er staat een kalender van 1996 op en het ding zal dus wel in het voorgaande jaar of, wie weet, een van de voorgaande jaren in China of elders in Azië geproduceerd zijn – en een dag tegen het eind van december 2011. Volgens Rutten is er tussen het kortstondige of althans beperkte bestaan van mijn koffiemok – zestien jaar is ook weer niet zo’n gekke levensduur voor een aardewerken voorwerp en hij is gelukkig nog steeds heel en kan mogelijk nog heel wat jaren mee – of de uitroep ‘hatsjie’ als u moet niezen, en het bestaan van het heelal geen gradueel verschil – alle drie bestaan immers – maar ik vraag me dan nog steeds af wat je daarmee aan ons begrip van de wereld toevoegt. Was die korte, vluchtige blik van de persoon tegenover u in de trein vanmorgen nu werkelijk even reëel als de liefde van uw partner? De vraag is het antwoord.

Ondertussen is de vraag nog steeds wat Rutten bedoelt met zijn redenering over zijn denkbeeldige persoon die uit de volstrekt normale en begrijpelijke opmerking dat het verleden bestaat, zulke absurde conclusies trekt. Als ik het goed zie, gaat het hem vooral om het bestaan nu. In zijn voorgaande stuk ging het namelijk over zogenaamde ‘waarheidsmakers van historische waarheden’ en daarom ga ik daar nu op in.

-

Waarheid
Rutten heeft het daarin over de waarheid van historische waarheden of beter gezegd over de waarheid van uitspraken over historische waarheden. Hij gebruikt namelijk een in de filosofie niet geheel onbekend waarheidsbegrip dat enigszins afwijkt van hoe we in het dagelijks leven met het begrip waarheid, in de zin van het toepassen van het begrip waar, omgaan.

Waarheid is een elusief begrip. Er zijn honderden of duizenden adjectieven en waar is er daar slechts eentje van. Zoals de meeste woorden wordt het in steeds andere contexten gebruikt en kun je dat nooit eenduidig in een enkele formulering vangen. Maar de meest gebruikelijke omschrijving van het begrip waarheid is deze:

‘Veritas est adaequatio intellectus et rei.’

De volgorde ‘rei et intellectus’ kan uiteraard ook. Het is de omschrijving die de meesten van u nog wel van school zullen kennen. Ze wordt ook zo vaak aangehaald, dat het niet meer nodig is de originele plaats bij Thomas van Aquino, want van zijn hand is de formulering, na te slaan om daar de betekenis te zoeken (ik heb dat trouwens wel eens gedaan). Deze definitie zal uiteraard lang niet alle situaties waarin we het begrip waarheid zinvol gebruiken, dekken, maar ze vormt een goed beginpunt omdat ze tamelijk adequaat beschrijft hoe veel mensen in de praktijk met het begrip waarheid omgaan. O ja, ik vergat bijna een vertaling te geven. Dit is een mogelijke:

‘Waarheid is de overeenstemming tussen begrip en zaak.’

Er zijn varianten mogelijk, met name voor dat woordje ‘intellectus’. Je kunt dat ook vertalen als verstand, of misschien inzicht of voorstelling en nog op diverse andere wijzen. Maar op zich is het wel zo ongeveer duidelijk waar het om gaat: je hebt een zaak of een ding en je hebt een begrip of een woord en die zijn met elkaar overeenstemming. Je hebt het begrip koe en het beest in de stal en dat begrip past wonderwel bij dat dier. Nu is de uitspraak ‘dit is een koe’ niet bijster zinvol, behalve als je een klein kind de namen van de dingen en de dieren wilt bijbrengen, maar je kunt de parallel uitbreiden tot hele zinnen of beweringen en wat we de werkelijkheid noemen. Iets is waar omdat het in overeenstemming is met de werkelijkheid.

In het dagelijks leven volgen we de definitie vaak ook vrij letterlijk (al denk ik, nogmaals, dat die lang niet al het zinvolle en juiste gebruik van het adjectief waar en het bijbehorende abstractere substantief waarheid uitputtend beschrijft). Net zoals we naar de vraag of iets bestaat, alleen stellen als dat omstreden is, geldt dat ook voor waarheid. Als iemand uit Groningen je aan de telefoon vertelt dat het daar regent, vertrouw je erop dat het waar is. Pas als iemand je dat op een stralende zomerdag in juni vertelt en het KNMI voor het hele land nog minstens drie droge dagen voorspeld had, vraag je: ‘Hè, je zit me nu toch niet voor de gek te houden, is dat echt waar?’ Waarheid is in het menselijk verkeer voorondersteld als een van de elementen die de taal en uitwisseling van gedachten zinvol maken. Maar in het dagelijks leven leggen we de waarheid in de overeenstemming tussen taal en werkelijkheid.

Voorbeeld. De politie is op zoek naar een voortvluchtige autodief of althans een grote crimineel – het delict moet wellicht iets ernstiger zijn, willen de dienders echt op jacht gaan – op de A28. Men gaat alle benzinestations af en vraagt of de man daar gezien is. Dan zegt een bediende achter een kassa ineens: ‘Ja, die heb ik hier pakweg een kwartier geleden nog gezien’. ‘Werkelijk, echt waar, weet je dat zeker?’, vraagt de politieman. En terwijl de benzinepompmedewerker nog eens goed naar de foto kijkt, zegt hij: ‘Jazeker, ik heb die man een kwartier geleden nog geholpen. Hij had een volle tank getankt, even kijken, hier staat het in de computer, hij tankte 43 liter en hij kocht nog een pakje sigaretten en een zak met krentenbollen’. Wat is er hier waar? Dat die man daar was. Dat wordt in taal uitgedrukt, maar het gaat er niet alleen om dat er ware zinnen worden uitgesproken, het gaat erom dat die man daar echt was.

Waarheid heeft dan een dubbele referentie, zou je kunnen zeggen: naar de taal en naar de werkelijkheid. Het is waar dat die man daar was. De uitspraak klopt, dat is het woord in het Nederlands. Uitspraak en werkelijkheid vallen samen. Dat is wat we meestal een feit noemen. Feiten zijn per definitie waar. En het is een feit dat de voortvluchtige man wegreed richting het noorden. De bewering beschrijft de werkelijkheid. Waarheid is een kwestie van overeenstemming, zoals de definitie of omschrijving dat zegt. En deze waarheidstheorie noemen we dan ook de correspondentietheorie: woord en werkelijkheid corresponderen met elkaar, ze stemmen overeen. Maar die woorden staan niet alleen tegenover de werkelijkheid, ze vormen er ook een onderdeel van en vandaar ook de onverbrekelijke samenhang.

-

Waarheidsdagers en waarheidsmakers
In de filosofie en met name de logica wordt soms een net iets andere opvatting van waarheid gehanteerd, een variant hierop. De waarheid wordt dan eenzijdig aan één zijde gelokaliseerd, in de taal. Je kijkt eigenlijk net de andere kant op: niet naar de werkelijkheid, maar naar wat normaal vanzelfsprekend is, de woorden over die werkelijkheid. Dat komt in het leven ook wel eens voor. Als iemand bijvoorbeeld van meineed wordt beschuldigd, verschuift alle aandacht naar de woorden die hij gebezigd heeft of de zinnen die op papier staan en die hij met zijn eed bekrachtigd heeft. Was het onwaar wat hij zei? Nog steeds gaat het om de overeenkomst, maar het zwaartepunt ligt nu bij de zin of de verklaring. Stel dat de pompbediende later voor de rechtbank verklaard heeft dat hij de man naar het noorden zag wegrijden, maar dat hij een maatje van de gezochte autodief was en in werkelijkheid gezien heeft dat de man bij de volgende afslag via een viaduct de andere baan nam en naar het zuiden reed, dan zal er heel nauwkeurig gekeken worden naar zijn uitspraken. Was wat hij verklaarde, letterlijk waar? Of wilde hij toch bewust iets misleidends formuleren? Dat soort dingen. Elke zin zal dan nauwgezet gewogen worden.

Ook in de filosofie gebeurt dat wel. Men onderscheidt dan vaak de letterlijke formulering van de inhoud. ‘Het regende’, ‘es regnete’ en ‘het bleef die dag niet droog’ betekenen dan hetzelfde, al kan de formulering variëren. En dan is de vraag dus of het ook echt regende. De voorbeelden in handboeken logica zijn vaak wat kinderlijk en het regent voortdurend in die geschriften. ‘Als het regent, worden de straten nat’, is ook al zo’n voorbeeld waar je als lezer enorm van opkijkt – goh, dat had je nou nooit gedacht. En de vraag is dan of die propositie dat het regent, waar is. Ik zal het in vervolg gewoon over beweringen of varianten daarop hebben, dat is een gebruikelijker woord in de alledaagse omgang. En de uitspraak ‘het regent’ is dan en alleen dan waar als het ook echt regent.

De zin waarin je zegt dat het regent, is dan de waarheidsdrager en het gegeven dat het buiten echt regent, is dan de waarheidsmaker, maar ook die formuleer je nog steeds als zin. (Meestal of althans vaak worden hier trouwens andere termen voor gebruikt, maar voor de gelegenheid ga ik nu met Ruttens gebruik mee, dat ik overigens weinig verhelderend acht, maar dat blijkt gaandeweg vanzelf wel.) Het gaat om twee keer dezelfde formulering of om dezelfde formulering, waaraan je twee aspecten onderscheidt: dat het een formulering is en dat er iets is waarnaar verwezen wordt. Het zijn geen termen die je voor de gewone omgang met waarheid nodig hebt. Wat dan samenvalt, wordt hier kunstmatig uit elkaar gehaald. En de waarheid wordt dus eenzijdig aan één zijde van de overeenkomst gelegd en niet in de overeenstemming zelf, zoals we gewoonlijk doen. Maar je kunt een dergelijk onderscheid kunstmatig maken.

Je vindt het ook bij de zogenaamde T-sentences van Alfred Tarski:

‘p’ is waar dan en alleen dan als (if and only if) p
‘Sneeuw is wit’ is waar dan en alleen dan als sneeuw wit is

Het gaat dan al snel om een waarheidsbegrip dat met het alledaagse weinig meer te maken heeft. Er zouden bijvoorbeeld maar twee waarheidswaarden bestaan: waar en onwaar, soms weergegeven als W en O of 1 en O (en nog op diverse wijzen: als er maar twee verschillende symbolen zijn). En je kunt dan de befaamde waarheidstabellen maken. In het dagelijks leven heeft waarheid daarentegen vele gradaties. Iets kan een beetje waar zijn of een halve waarheid. Als een getuige vertelt dat er een zwarte Skoda om de hoek kwam, kun je dat ontleden in ‘Er was een auto, die was zwart, het was een Skoda en hij kwam om de bocht.’ Je hebt dan al vier proposities en als het bijvoorbeeld om een Volkswagen ging, is de combinatie onwaar: drie keer waar (auto, zwart, kwam om de bocht), één keer onwaar (Volkswagen, geen Skoda), maakt de bewering samen onwaar. In werkelijkheid zullen we de mededeling voor waar houden, maar opmerken dat er een klein foutje rechtgezet moet worden.

Het gaat hier om een typische verdubbeling: de waarheidsdrager en de waarheidsmaker zijn beide p of ‘sneeuw is wit’, alleen zeg je van de eerste (of wat die draagt) nog eens expliciet dat die waar is. Maar in beide gevallen gaat hem beweringen die waar zijn of dat kunnen zijn en die allebei betrekking hebben op een (soms externe) werkelijkheid buiten de taal (althans in het voorbeeld) of die als zodanig waar zijn. En ja, de waarheidsmaker zelf wordt geacht buiten de taal te liggen, het is een feite een rare abstracte en overbodige term voor een specifiek stukje werkelijkheid dat een uitspraak waarmaakt, maar je kunt er in een tekst als deze toch niet anders verwijzen naar dan in taal (of in een concrete situatie door te wijzen: kijk maar, sneeuw is wit).

-

Historische waarheden
Welnu, bij dergelijke op zich wat omslachtige ideeën lijkt Emanuel Rutten aan te sluiten in zijn blogstukje ‘Waarheidsmakers van historische waarheden’ ook aan te sluiten. Zijn vraag is wat de waarheidsmaker van historische gebeurtenissen is. Wat maakt de uitspraak dat Nederland in 1974 het wereldkampioenschap voetbal van Duitsland verloor, waar? Maar eerst geeft hij nog een voorbeeld uit het heden.

‘De uitspraak ‘Mijn auto is blauw’ wordt waargemaakt door mijn blauwe auto. Mijn blauwe auto kan daarom de waarheidsmaker van genoemde uitspraak worden genoemd.’

Dit is evident onjuist. De waarheidsmaker van de uitspraak dat zijn auto blauw is of dat hij een blauwe auto heeft, is natuurlijk niet die blauwe auto, maar het gegeven dat hij de bezitter van een blauwe auto is. Een waarheidsmaker is in zijn omschrijving nadrukkelijk iets anders dan het bewijs dat hij een blauwe auto heeft of dat er ergens een blauwe auto op straat staat. Als we hem regelmatig weg zien rijden in een blauwe auto, geloven we zonder meer dat hij een blauwe auto heeft. Als de politie hem vraagt of die blauwe auto die hij wil ophalen uit een afgezette straat, van hem is, kan hij zijn papieren laten zien en aantonen dat die auto daar iets verderop met dat en dat kenteken van hem is. De zin beschrijft een blauwe auto en zijn relatie daarmee. En wat de bewering waarmaakt in zijn indeling, zijn niet die bewijzen zelf, maar de uitkomst – of vanaf de andere zijde gedacht: de bron – ervan: dat hij een blauwe auto heeft. Dat is een bewering die deels met een externe fysieke realiteit te maken heeft, die auto, en deels met opvattingen omtrent bezit.

Omdat de uitspraak in de tegenwoordige tijd is gesteld, is het huidige bestaan van die auto wel nodig, omdat ze anders immers niet gaat over een automobiel dat hij nu heeft. Maar als die auto per ongeluk onder een enorme betonplaat geplet wordt en met recht geen auto meer genoemd kan worden, dan kan hij met de papieren nog steeds aantonen dat die auto van hem was en dat hij nog recht op schadevergoeding heeft. De uitspraak verandert dan in ‘Mijn auto was blauw’ of ‘Ik had een blauwe auto’ en wat die zin waarmaakt, is dat hij een blauwe auto had.

Hier doet zich een vergissing voor in zijn tekst. Laten we het vervolg even lezen:

‘Welnu, het lijkt niet onredelijk om te beweren dat meer in het algemeen uiteindelijk iedere ware uitspraak een waarheidsmaker moet hebben. Zo’n waarheidsmaker moet dan natuurlijk wel bestaan. Iets dat niet bestaat kan immers niets, en dus ook niet iets waarmaken.’

Tja, dat is wel grappig: alsof een waarheidsmaker uit zichzelf ook maar iets zou kunnen en geen abstract verzinsel is dat een klein, specifiek deel van de werkelijkkeid waar een – naar we veronderstellen – ware uitspraak betrekking op heeft, aanduidt. Een waarheidsmaker is ondanks de antropomorfe beeldspraak – alleen mensen en misschien dieren maken dingen – toch niets anders dan een object van onze voorstellingen en geen handelend subject. En nee, de waarheidsmaker hoeft nu niet te bestaan tenzij het huidige bestaan geïmpliceerd is in de uitspraak. Het ligt er maar net aan of die over het heden of iets uit het heden of de toekomst of iets dat als zodanig geen tijdelijkheid kent, gaat.

Alleen de waarheidsdrager moet nu bestaan, maar dat is per definitie het geval omdat de waarheidsmaker qua formulering per definitie gelijk is aan de waarheid die gedragen wordt. Maar de blauwe auto is op zich geen waarheidsmaker, die is slechts een onderdeel van het bewijs. En als iemand zegt dat hij nu een blauwe auto heeft, moet hij inderdaad nu een blauwe auto hebben, maar als iemand zegt dat hij tot een gisteren een blauwe, nu niet meer bestaande, geplette auto had, is het alleen maar nodig dat hij tot gisteren een blauwe auto had. Hij moet daar bewijzen voor hebben, maar de bron daarvoor is de nogal kunstmatig geconstrueerde waarheidsmaker zelf (die vervolgens in woorden gevat niet afwijkt van de waarheid zelf). Hij had een blauwe auto.

Als een bewering waar is, is er volgens het analytische onderscheid per definitie een waarheidsmaker die daaraan qua formulering als waarheidsdrager identiek is, maar die zelf iets anders geacht wordt te zijn. Daarom schieten we ook niet zoveel op met die verdubbeling. Om vast te stellen of iets waar is, kijken we naar het bewijs. Als we willen weten of het echt regent in Groningen, kijken we bijvoorbeeld even op de buienradar. En als die een vlek laat zien boven de noordoostelijke provincie geloven we dat het daar regent. En dan is de uitspraak dat het in Groningen regent waar, en dan is de geformuleerde waarheidsmaker per definitie waar. Het regent dan namelijk in Groningen. Of anders gezegd: dan is er een werkelijkheid die die bewering waarmaakt. Nogmaals, de abstracte verdubbeling komt analytisch uit de gegeven verdeling voort en verwijst als zodanig wat betreft de dragende formulering niet meer naar een (eventuele) externe werkelijkheid dan de waarheid zelf dat doet: steeds dezelfde p. De waarheidsmaker staat als zodanig wel buiten de tekst, maar kan in de tekst toch niet anders dan op dezelfde wijze als de waarheidsdrager of door middel van die waarheidsdrager worden weergegeven.

-

Een verloren voetbalspelletje
De rest kunnen we nu snel afhandelen. Emanuel Rutten vervolgt zo:

‘Neem nu historische uitspraken, zoals de uitspraak dat Nederland in 1974 de WK finale verloor. Deze uitspraak is ontegenzeggelijk waar. Daarvoor is immers meer dan voldoende bewijsmateriaal. Het zou volstrekt onzinnig zijn om, gegeven al dit bewijsmateriaal, te betwijfelen of Nederland in 1974 het WK verloor.’

Dat klopt. Er zou aan die vaststelling nog van alles uit te leggen zijn, bijvoorbeeld hoe het komt dat we direct begrijpen wat Nederland hier betekent, niet het land, maar een elftal jongemannen die graag een potje voetbal speelden, en nog veel meer. Een historicus die over 5.000 jaar een snipper informatie dat Nederland in 1974 van Duitsland verloor, vindt, zal misschien uit moeten zoeken wat Nederland en Duitsland waren en zou bijvoorbeeld kunnen denken dat Nederland een oorlog van Duitsland verloor, vooral als hij ook nog ergens de uitspraak dat voetbal oorlog is, aantreft, maar dat is hier niet van belang. We begrijpen wat hier bedoeld wordt en we achten de uitspraak waar. Maar dan gaat het grondig mis. Rutten schrijft:

‘Maar, wat is dan haar waarheidsmaker? Welke bestaande stand van zaken maakt deze uitspraak op dit moment waar?’

Nee, die waarheidsmaker is er nu niet meer, maar dat hoeft ook helemaal niet. Wat deze geconstrueerde abstractie aanduidt, was er in 1974 (zoals we ook de verzuiling in de negentiende eeuw en beginnende twintigste eeuw kunnen spreken, terwijl het begrip van begin jaren vijftig is). Die als waarheidsmaker benoemde realiteit bestond, die bestaat niet meer, behalve dan in de vorm van de qua formulering identieke waarheidsdrager. Er was toen een werkelijkheid, een gebeurtenis, en daar komt het op aan, die de uitspraak van nu toen al waarmaakte. De uitspraak is er nu en die gaat over een gebeurtenis uit 1974. Wie een uitspraak over iets uit dat jaar doet, vindt wat die uitspraak waarmaakt, natuurlijk daar en niet in 1966 of in 2014. Een waarheidsmaker is immers niet meer dan een op zich volkomen overbodige theoretische abstractie voor dat waar je ware uitspraak over gaat.

En het aardige is dat het in dit geval, die verloren WK-finale, vanaf het allereerste begin een historische uitspraak betrof. Bij de geplette auto is een voormalig heden nog in verleden veranderd, maar hier ging de uitspraak direct over twee keer vijfenveertig minuten. Op het moment dat het fluitsignaal ergens tegen zes uur, schat ik zo in, klonk op zondag 7 juni 1974, stond vast dat Nederland van Duitsland had verloren, en pas dan stel je dat definitief vast, of concreter: pas toen stelde men dat definitief vast.

Uitslagen van voetbalwedstrijden zijn per definitie oordelen over wat voorbij is, het verleden, historische uitspraken. De waarheid van de zin werd door de voorgaande twee speelhelften bewezen en sindsdien is er aan deze historische vaststelling niets veranderd. Het enige dat nodig was, is dat ze overgeleverd werd. Ze was op zondagavond 7 juni 1974 waar en ze is nog steeds waar. Of je kunt nu een opname bekijken en dan opnieuw tot dezelfde conclusie komen. De uitspraak gaat over toen, over wat nu een ver verleden is. Alleen de formuleringen kunnen veranderen. Het is dit jaar ruim 37 jaar geleden dat Nederland de WK-finale verloor en in 2024 zal het 50 jaar geleden zijn. Dat kun je nu al zien aankomen en in die zin kun je hiermee meteen een uitspraak over de toekomst doen, die zonder meer waar is.

-

Zoeken onder een lantaarnpaal
Het misverstand was al dat Rutten de waarheidsmaker van de bewering dat hij een blauwe auto heeft, in die auto zocht, want het bestaan daarvan vormt hooguit een onderdeel van het bewijs dat hij nu een blauwe auto heeft, maar als hij door zou redeneren, zou de waarheidsmaker – dus niet de zin die ook weer de waarheidsmaker draagt, maar dat waar die zin over gaat – van de uitspraak dat Nederland de WK-finale in 1974 verloor, dan op zijn minst in 1974 moeten liggen. Maar de waarheidsdrager – of dat aspect van een en dezelfde zin – bestaat, die is er nu en die zin verwijst nu naar een gebeurtenis uit 1974. Het is dan ook merkwaardig dat hij die externe waarheidsmaker hardnekkig in het heden zoekt als hij daarmee niet op de zin, maar op dat waar de zin over gaat, doelt. Het is even willekeurig en ongerijmd als de waarheidsmaker in 534 of in Taiwan te zoeken.

Het is als met de man die zijn autosleuteltjes onder een lantaarnpaal staat te zoeken en op de vraag of hij zeker weet dat ze hier moeten liggen, antwoordt: ‘Nee, ik moet ze honderd meter verderop verloren hebben, maar daar is het te donker, hier is tenminste licht’. Ook verderop blijft Rutten hardnekkig zoeken naar een waarheidsmaker die in het heden zou moeten bestaan, maar zelfs binnen zijn eigen indeling zou hij naar iets moeten zoeken dat ooit bestond of beter gebeurde, want een wedstrijd kenmerkt zich door en handelingen en gebeurt dus. En deze gebeurde dus, want die is voorbij.

Maar het hele idee dat een analytisch onderscheid ontologisch geworteld zou moeten zijn in een heden, is al een denkfout. De waarheid van de uitspraak is geworteld in gebeurtenissen in 1974. Daar gaat de uitspraak namelijk over. De uitspraak verwijst naar gebeurtenissen die toen plaatsvonden en de zogenaamde waarheidsmaker bestaat uit die samenhangende gebeurtenissen, al kennen we hem slechts in taal als een analytische verdubbeling van een uitspraak die nu (nog steeds) gedaan wordt. In die zin bestaat hij nu, net zoals de uitspraak dat zijn auto nu blauw is, als zin, en als je die uitspraak nu formuleert, wordt hij waarheidsdrager genoemd. De ware uitspraak zelf gaat over 1974 en daar is geen enkel probleem bij.

De rest is niet van belang. Rutten heeft het over de vraag of het verleden bestaat, maar dat is een heel andere vraag, waar van alles over te zeggen valt. Ja, het verleden bestaat, zoals de toekomst bestaat en het verleden gaat over dingen die vroeger gebeurden en de toekomst gaat over dingen die nog zullen gebeuren. Als hij zelf stelt dat het absurd is om aan de bewering dat het verleden bestaat, dezelfde betekenis toe te kennen als aan de uitspraak dat protonen bestaan, is de enige logische conclusie om dan twee verschillende betekenissen te onderscheiden. Hij moet zelf maar uitmaken of dat iets zegt over zijn geliefde univociteit van het bestaan. Ik vrees voor hem van wel, want juist vanwege de eerder in dat korte stukje geponeerde eenduidigheid van bestaan weigert hij kennelijk, via de opgevoerde denkbeeldige dwaas, de volstrekt voor de hand liggende gevolgtrekking te maken dat hier sprake is van een andere betekenis.

Ons bestaan is tijdelijk van aard. Die wedstrijd is voorbij. Ze werd ooit gespeeld, nu herinneren mensen zich die nog en ligt er in beeld en geschrift van alles over vast. De vraag wat het verleden dan is, of waar het dan is, heeft niets te maken met de vraag wat er op een grasveld in München op een junidag in 1974 gebeurde. Die dag is voorbij. Ze behoort tot de geschiedenis. En de waarheid van de bewering dat er in 1974 iets gebeurde, wordt niet bepaald door een verleden dat nu zou bestaan, maar door concrete gebeurtenissen die toen plaatsvonden.

-

Tijd
Ik vermoed dat veel van de misverstanden rond de discussie van gisteren en eergisteren over bestaan te maken hebben met Ruttens verwarring omtrent de tijdelijkheid van veel dat bestaat. Sommige dingen bestonden, ze bestaan niet meer. Sommige dingen bestaan, maar ze zullen over een tijdje niet meer bestaan. Zijn blauwe auto zal een keer naar de sloop gaan. Dan had hij een blauwe auto, dan heeft hij geen blauwe auto meer. Maar misschien koopt hij dan een andere auto, misschien wel een rode of een gele, en dan zal hij mogelijk een rode of gele auto hebben. Als hij vast voornemens is die te gaan aanschaffen, kan hij zeggen: ‘Over een week zal ik in een zwarte BMW rijden’. En die uitspraak zal dan een week later waargemaakt worden door het feit dat we hem in een zwarte BMW voorbij zien komen. ‘Je had gelijk’, zeggen we dan.

Ik geloof er niets van dat een auto met een korte levensduur op dezelfde wijze bestaat als de tijd bestaat of de wereld of het heelal of het verleden of de toekomst. Natuurlijk kun je stipuleren dat zowel het bestaan van die huidige blauwe auto als de tijd eenduidig is, maar ik heb geen idee wat je dan meedeelt. Wat voegt die bewering toe aan ons inzicht omtrent de werkelijkheid die we aantreffen? En hoe verdisconteer je daarin dat dinosaurussen ooit bestonden, maar nu niet meer? Of dat er in 1974 een voetbalwedstrijd plaatsvond? Is bestaan, bestaan hebben (geweest zijn, geleefd hebben) en bestaan zullen dan ook univook, eenduidig? Hoe zit het met worden of vergaan? En wat zeg je daar dan mee?

De tijd, dat is het probleem, zij het niet het enige in de beschouwingen van Rutten. Sommige dingen bestaan kort, andere hebben een lange duur en buiten de tijd, waarvan we zinvol kunnen zeggen dat die bestaat, kunnen we niet eens kijken.

En over de ‘herinneringen van God’, waar Rutten over fantaseert, kunnen we al helemaal niets zeggen. Wij mensen weten daar niets van.

(40)

[Gepubliceerd: woensdag 21 december 2011, 8.59 uur, licht herzien rond 9.35 uur.]

2 november 2011

William Spark leefde echt

.:.

Vroeger, toen er nog geen internet was, kon je nog heerlijk onwetend door het leven gaan.

William Spark (1823-1897), componist, dirigent en organist te Leeds

Maandag presenteerde een commissie onder leiding van Pim Levelt de eerste resultaten van een onderzoek naar de wetenschappelijke vervalsingen die de Tilburgse hoogleraar Diederik Stapel gepleegd heeft. Het viel niet mee. Jarenlang heeft de man zich aan structureel bedrog schuldig gemaakt, begeleid door een combinatie van raffinement en machtsmisbruik. Dit is geen geval van iemand die onder druk, publicatiedruk, een eenmalige noodsprong maakte, hier gaat het om welhaast pathologisch gedrag, zou je zeggen. Ondertussen is het natuurlijk ook een tragedie voor de man en zijn naasten.

Het is niet het eerste geval en het zal ook wel niet het laatste blijven. Wie Valse vooruitgang. Bedrog in de Nederlandse wetenschap (1993) van Frank van Kolfschooten wel eens gelezen heeft – en dit is toevallig nou eens een boek dat ik ooit wél helemaal gelezen heb –, zal beseffen dat er altijd weer mensen rondlopen die zich door hun fantasie of door vreemde motieven op een doodlopende weg zullen begeven, zonder dat daar een rationele verklaring voor is. Het lijkt onwaarschijnlijk dat er op dit moment geen andere bedriegers onder ons zijn.

-

Bij Stapel draaide het om verzonnen data, zoals dat heet. Maar er zijn natuurlijk ook aardige vormen van ‘bedrog’ of beter, van het spelen met de grens tussen feiten en fictie. Ik dacht aan een specifiek geval en maakte daar maandag deze tweet van:

‘Er gaan overigens geruchten dat Wolfgang Hildesheimer voor zijn biografie van Andrew Marbot (1801-1830) ook feiten uit de duim zoog. #Stapel’

Men zal zich het geval herinneren. Nadat zijn literaire biografie Mozart uit 1977 een bestseller was geworden, kwam Wolfgang Hildesheimer (1916-1991) in 1981 met een nieuw boek in dezelfde stijl, Marbot. Eine Biographie geheten. Het was het verhaal van de jong overleden Engelse kunstpsycholoog Sir Andrew Marbot (1801-1830), zelf weliswaar in de vergetelheid geraakt, maar die wel met groten als de schilder William Turner en de dichter Samuel Taylor Coleridge omging en die op zijn reizen figuren als Lord Byron, Arthur Schopenhauer en Johann Wolfgang van Goethe ontmoette. Het verhaal, dat ik nu maar eens niet kapot ga checken, wil dat menig recensent met de handen in het haar zat en niet wist wat ervan te denken. Of er zelfs intuinde. (Het zal in ieder geval wel niet voor niets zijn dat de recensie in Der Spiegel van de hand van Peter Wapneski, die na vele feiten gecontroleerd te hebben, aanroert dat het wel fictie moet zijn, in de zoekresultaten zo hoog eindigt.)

Op mijn tweet reageerde Bas Paternotte met:

‘Zorgelijk. Las onlangs ook zoiets over de biografie van de hand van publicist G. Bomans over Thomas Robert Spoon’

Ik heb hem geantwoord dat het in dat geval om laster moest gaan. Wat Bomans schreef, was immers altijd waar, zelfs als het verzonnen was. In mijn jeugd hadden we een huisarts die altijd zei: ‘Waar? Wat is er nou waar in de krant? Alleen Panda is waar.’ Panda was de hoofdfiguur in de gelijknamige strip van Marten Toonder, waarin ook ene Joris Goedbloed figureerde. Zo is het. Fictie kan meer waar zijn dan pure berichtgeving, mits men even omschrijft hoe men het normatieve adjectief aanwendt.

-

Van het een komt het ander. Deze twee gevallen brachten me op een nog sprekender geval van fictie die de realiteit binnendrong. Op donderdag 24 juni 1943 werd in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel, waar diverse Nederlandse prominenten geïnterneerd waren in het gebouw en op het terrein van het kleinseminarie Beekvliet, een herdenking gehouden van de grote Britse componist William Spark, die die dag precies een eeuw geleden overleden was. Er werden inleidingen over zijn betekenis gehouden en uitvoeringen van zijn werk op de piano ten gehore gebracht. Sommige aanwezigen schijnen opgemerkt te hebben dat ze de componist altijd al enorm bewonderd hadden. Het bleek dus een grap te zijn. De naam was afgeleid van de Amsterdamse Willemsparkweg, die als Willem Sparkweg werd opgevat.

Ik kende het verhaal uit De gijzelaars van Sint Michielsgestel. Een elite-beraad in oorlogstijd (1979) van Madelon de Keizer, maar voordat ik me uit mijn stoel verhief en mijn boekenkast opzocht, tikte ik, zoals dat vandaag de dag gaat, eerst even ‘William Spark’ in Google in. Ik had per ongeluk Google Books open staan, en wat schetst mijn verbazing? Als eerste zoekresultaat kwam het boek Musical Memories van William Spark uit 1888 naar boven! En direct daaronder verscheen een tweede titel: Musical Reminiscences. Past and Present uit 1892 van dezelfde auteur. Ik raakte echt even in de war en dacht: heb ik het dan verkeerd onthouden? Zat het verhaal over William Spark dat ik vaak opgehaald had of waaraan een referentie soms genoeg was, omdat velen het immers blijken te kennen, dan helemaal anders in elkaar? Bestond er dan wel degelijk een Britse musicus met die naam, doelde men ook wel degelijk op hem en was de grap met de Willemsparkweg dan anders van opzet?

Nu haastte ik me met des te meer spoed naar de planken die de boeken over de Nederlandse twintigste eeuw dragen, en pakte het vertrouwde en druk onderstreepte boek van Madelon de Keizer. De passage was niet moeilijk terug te vinden, omdat op bladzijden ervoor zelfs afbeeldingen van William Horace Lawrence Spark en diens echtgenote Amalia opgenomen waren. Het verhaal bleek zo te zijn als ik me herinnerde en zoals ik het hierboven kort naverteld heb – zo’n datum heb ik uiteraard niet in mijn hoofd. Ook een werk dat er net naast stond, Een ruwe hand in het water. De gijzelaarskampen Sint-Michielsgestel en Haaren (1993) van Saskia Jansen, Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel en J.C.H. Blom – de een heeft achternamen, de ander initialen, zullen we maar zeggen – bevatte hetzelfde verhaal, iets soberder verteld en met een klein detailverschil. Terwijl bij De Keizer de aanwezigen woedend worden als ze na afloop van de plechtigheid te horen krijgen dat het een grap was geweest die door de naam van de Amsterdamse straat was ingegeven, krijgen ze in het verhaal van Saskia Jansen zelfs nog niets door als die straatnaam al tijdens het programma genoemd wordt. Toen ik hierna nog eens verder op internet keek, zag ik dat er zelfs een speciaal Wikipedia-lemma over Willem Spark bestaat. Men vindt daar ook de verwijzing naar de na de oorlog uitgegeven The Spark Papers en nog meer aardige details, zoals dat de grap dus inmiddels een heuse Willem Sparkweg in het leven heeft geroepen, waar ik dan zelf nog maar aan toevoeg dat er tegenwoordig zelfs een kinderdagverblijf is dat Willem Sparkje heet. Op Wikipedia is de bewering overigens dat Spark op 24 juni 1843 geboren zou zijn, mijn twee boeken houden het op zijn fictieve overlijdensdatum en dat geloof ik vooreerst meer. Ook in fictie heb je meer en minder waar.

Ondertussen blijkt er dus wel degelijk een Engelse musicus genaamd William Spark (1823-1897) geleefd te hebben. Hij was componist, dirigent en organist en moet een groot man te Leeds zijn geweest. En hij schreef dus meerdere boeken. Men kan dat desgewenst allemaal opzoeken, maar mij interesseert dat nu niet in detail. De Britste componist William Spark die werkelijk geleefd heeft, en de verzonnen Britse componist William Spark die stierf toen de ‘echte’ negentien was, blijken bij nader inzien niets met elkaar te maken te hebben. Maar dat moest ik eerst wel even uitzoeken. Sinds internet horen we ook van dingen die we niet eens willen weten.

-

Gelukkig kan men zich heden ten dage niet goed een gijzelaarskamp in Nederland voorstellen, maar onder dergelijke condities waar iedereen volledig van de buitenwereld is afgesloten, zou men zich een vergelijkbare grap waarschijnlijk nog wel kunnen voorstellen. Maar sinds iedereen elementaire feiten in Google kan intikken of intoetsen, kun je sommige dingen zo uitzoeken. Van een boek als Marbot zou geen enkele recensent nu nog langdurig in de war raken.

Toch is het nog niet zo lang geleden dat dat wel kon. Ik herinner me dat ik in 1999 voor Trouw het boek Zaraffa. De geschiedenis van een giraffe van Michael Allin besprak. Dat dat gebeurd is, kan men nog vinden, maar op internet is het stukje ernstig in het ongerede geraakt. Het kan best een kortje van 400 woorden geweest zijn, maar ook een langer stuk; ik weet het niet meer (en mijn stukjes uit die tijd heb ik nooit structureel bewaard). Het kan zijn dat ik toen thuis net internet had, of misschien ook niet, op het werk in ieder geval wel. Maar dat was de begintijd waarin nog niet erg veel informatie beschikbaar was. Of je kwam eenvoudig nog niet op het idee om alles automatisch op te zoeken in Altavista of Yahoo, ik weet het niet meer. Maar ik herinner me nog wel dat ik dat boek wat wantrouwend las. Het was mooi, literair, gedetailleerd, maar ook zonder literatuuropgaven, en steeds vroeg ik me af of de auteur in een raamwerk van historisch kloppende feiten niet een fraai fantasieverhaal in elkaar had geflanst. Destijds kon je zoiets heel moeilijk op grond van je boekenkast uitzoeken, nu kon ik zo in een paar klikken vaststellen dat het verhaal wel degelijk op werkelijkheid is gebaseerd.

Data kon Stapel kennelijk nog wel uit zijn duim zuigen, maar er zijn vormen van bedrog, zoals plagiaat, die enerzijds door internet gemakkelijker begaan kunnen worden, maar anderzijds ook eerder op zullen vallen en daarom door een geraffineerd oplichter niet zo snel meer toegepast zullen worden. En er wordt op internet ongetwijfeld ook veel onzin verteld en vooral doorverteld (waarbij het kritiekloze kopiëren vaak een goede eerste indicatie vormt). Maar het medium maakt het je soms ook onmogelijk om dingen niet te weten.

En dat is een geruststellende gedachte.

(16)

1 november 2011

Luther met hamer en spijkers

.:.

Vandaag is het Allerheiligen, gisteren was het dus Hervormingsdag en de datering van die laatste dag is gebonden aan de eerste, al gebruik ik nu aanduidingen die precies tegen de temporele orde ingaan.

De opvolger van de deur waar Luther zijn 95 stellingen aan opgehangen zou kunnen hebben (foto: Gertrud K.)

Ook gisteren zag ik weer hoe de voorstelling dat Martin Luther (1483-1546) op 31 oktober 1517 driftig met hamer en spijkers in de weer was geweest, nog immer tot de verbeelding spreekt. Maar zoals dat gaat met aansprekende historische gebeurtenissen, is het omstreden of Luther op de vooravond van Allerheiligen zijn 95 stellingen, die hij op die dag onmiskenbaar als bijlage bij een brief aan Albrecht van Brandenburg, de aartsbisschop van Mainz en Brandenburg, heeft gevoegd, toen ook heeft opgehangen. Maar over de datering hoeven we verder niet te twijfelen. De dag en de theses horen bij elkaar: ze waren die dag in ieder geval af en ze werden daarna ook in wijde kring bekend.

-

In 1961 stelde de katholieke kerkhistoricus Erwin Iserloh – eerst in een artikel, vervolgens in zijn gelijknamige brochure Luthers Thesenanschlag. Tatsache oder Legende? (1962), daarna in 1968 in een iets uitgebreider werk hernomen - vast dat Luther het bij zijn leven nooit over het aanslaan van de stellingen op de deur van de Wittenberger slotkapel gehad heeft. Dat is toch op zijn minst merkwaardig voor een gebeurtenis die later zo’n belangrijke symbolische betekenis kreeg. De vroegste vermelding was net na zijn dood in 1546 door zijn Weggefährte Philippus Melanchthon (1497-1560), die Luther pas in 1518 persoonlijk leerde kennen, in zijn voorrede bij de tweede band van een uitgave van Luthers Latijnse geschriften. Dit is de vertaling die Iserloh van de cruciale zin geeft (uit praktische overwegingen, in Google Books vind je niet alles, verwijs ik naar een andere pagina):

‘Luther, brennend von Eifer für die rechte Frömmigkeit, gab Ablaßthesen heraus, die im 1. Band dieser Ausgabe gedruckt sind. Diese hat er öffentlich an der Kirche in der Nähe des Wittenberger Schlosses am Vortage des Festes Allerheiligen 1517 angeschlagen.’

Het was even zoeken naar het Latijnse origineel in het zesde deel van het Corpus Reformatorum, maar hier is de tweede zin, die er in dit verband toe doet:

‘Et has publice Templo, quod arci Witebergensi contiguum est, affixit pridie festi omnium Sanctorum anno 1517.’

Het woord waar het hier om gaat, is affixit en dat moet zoveel betekenen als dat hij de stellingen aan de slotkapel bevestigde. Hoe hij dat deed, dat staat er niet.

-

Daar kwam in 2007 een tweede zinnetje bij, dat iets daarvoor door Martin Treu opgemerkt werd. Het gaat om een aantekening van Luthers secretaris Georg Rörer (1492-1557), die er in 1517 ook al niet bij was, op het laatste blad van het register bij een uitgave van Luthers Duitse vertaling van het Nieuwe Testament uit 1540 en die op de late herfst van 1544 gedateerd wordt. Dat was dus nog bij Luthers leven en het gaat om diens eigen handexemplaar. Hij kan die opmerking dus onder ogen hebben gehad:

‘Anno do[m]ini 1517 in profesto o[mn]i[u]m Sanctoru[m], p<…> (1)
Wite[m]berge in valuis temploru[m] propositæ sunt pro (2)
de Indulgentiis, a D[octore] Mart[ino] Luth[ero]’

Wat de (1) en de (2) mogelijk betekenen, kan men hier zelf nakijken. Treus eigen voorstel voor een vertaling luidt:

‘Am Vorabend des Allerheiligenfestes im Jahre des Herren 1517 sind von Doktor Martin Luther Thesen über den Ablass an die Türen der Wittenberger Kirchen angeschlagen worden.’

Merk op dat Treu propositae conform de traditie vertaalt met angeschlagen, en wat dat woord ook precies betekenen moge, het lijkt me sterk dat we daarbij alleen maar aan hameren of spijkeren moeten denken. Dat zal afhangen van wat de gebruikelijke wijze van ophangen in die dagen was.

-

Over de theses van Iserloh is veel gediscussieerd. De kracht van zijn argumenten was dat Luther zelf nooit over de Thesenanschlag heeft geschreven en dat de vermelding door Melanchthon wel erg laat was, bijna dertig jaar na dato, en pas na Luthers dood. De vondst van Treu veranderde daar in zoverre iets aan dat Luther de aantekening van Rörer in ieder geval onder ogen gehad kan hebben, al weten we niet of dat ook zo was.

In zijn bekende biografie Luther. Mensch zwischen Gott und Teufel die in 1982 aan de vooravond van de grote Luther-herdenking in 1983 verscheen, schreef de gezaghebbende kerkhistoricus Heiko A. Oberman onbekommerd:

‘Am Vorabend des Festes ‘Allerheiligen’, am 31. Oktober 1517, schlug Luther gemäß dem Brauch der Universität seine Lateinisch verfäßten Thesen an die Tür des Schloßkirche zu Wittenberg.’

Hoewel hij alle literatuur toch wel degelijk kende – ik herinner mij dat vrienden in die tijd vertelden dat hij op colleges in Tübingen fijntjes kon opmerken dat iemand ondanks zijn geringe kennis van de bronnen toch nog een verrassend vlot boek over Luther had weten te schrijven – hield hij dus vast aan de historiciteit van de Thesenanschlag. Maar let op: hij schrijft ‘gemäß dem Brauch der Universität’. Dat wil dus zeggen dat het ophangen van de stellingen niet iets bijzonders was, maar onderdeel vormde van de gewone, alledaagse universitaire gang van zaken. Hij verwijst daarvoor in een noot naar zijn boek Werden und Wertung der Reformation uit 1977 (herzien in 1979 en later nog eens in 1989), waarin hij op de pagina’s 190-192 een en ander nader toelicht.

-

Ik ga dat nu niet verder uitzoeken. Er is daar veel literatuur over, die ik niet ken. Ik verwijs alleen nog naar het boek dat onder redactie van Joachim Ott en de al genoemde Martin Treu verscheen en dat ik ook al niet ken: Luthers Thesenanschlag – Faktum oder Fiktion? (2008). Zeker is in ieder geval dat het ophangen van de stellingen niet iets was dat tijdens Luthers leven een bekend verhaal was. Dat kwam pas later. En als het om een historisch gebeuren ging, dan was het dus niet iets uitzonderlijks. Maar dat kan juist ook weer verklaren waarom Luther of anderen er tijdens zijn leven eigenlijk nooit aan referereerden: wat routine is, benoem je niet afzonderlijk. De latere voorstelling van een hoogleraar die een opzienbarende daad pleegt, klopt dus in ieder geval niet. Hoe men in die dagen zaken ophing, weet ik niet. Punaises had men nog niet. Maar of men dan echt hele bladen met stellingen met spijkers op een deur timmerde of dat er al haken of spijkers waren, waar men bladen met touwtjes – denk aan de bekende lias – aan ophing of dat men plakte of andere methoden gebruikte, weet ik niet. Ik wilde alleen even de originele zinnen opzoeken.

Maar het is een mooi verhaal.

(15)

18 oktober 2011

Behoren – over nationale trots en schaamte

.:.

Het is een misverstand dat mensen blanco ter wereld zouden komen. Ze worden altijd in bepaalde verbanden geboren en, meer nog, ze groeien in bepaalde omstandigheden op. Mensen kunnen zich misschien tot zoiets als zelfstandige persoonlijkheden of personen – dat lijken me betere termen dan het huidige individu, dat trouwens ook al een grotere samenhang veronderstelt die je tenslotte niet verder kunt opdelen dan in concrete mensen van vlees en bloed – ontwikkelen, ze groeien zonder dat ze daar wat over te zeggen hebben, op in een bepaalde omgeving.

'Onze' Tachtigjarige Oorlog in de ogen van de vijand

Ik kom hierop omdat Schreibfieber me gisteren attendeerde op een twitteruitwisseling die we ruim een jaar geleden hadden en die ik helemaal vergeten was. Ze heeft die destijds uitvoerig op haar weblog gedocumenteerd en er een commentaar aan toegevoegd. Men kan dat zelf nalezen. Ik meen dat ik destijds beloofd had te reageren en doe dat nu alsnog. Beter laat dan nooit, zullen maar hopen.

Het begon met een twittergrapje van me: ‘Ach ja, Duitsers, hè?’ waarna ik verwees naar een artikel op de site van de NRC, dat meldde dat Duitse politici ‘verontwaardigd’ reageerden op de steun die het toen nieuwe Nederlandse minderheidskabinet in aanbouw kreeg en nog krijgt van een zekere als populistisch getypeerde politicus, die ik nu maar eens niet wilde noemen, omdat we het al veel te vaak over hem hebben. Wat ik deed, was een toespeling maken op een in Nederland helaas nogal gangbaar vooroordeel, maar dan door het om te draaien: dat Duitse politici hogere normen aanleggen en voor bepaalde ontwikkelingen mede op historische gronden veel gevoeliger zijn. Uit het volgende wat daar staat, moge blijken dat ik het zo bedoelde.

Op de laatste twee punten uit het commentaar van Schreibfieber wilde ik dus nu niet uitgebreid ingaan. Ik zou alleen nog terloops op willen merken dat men het Nederlandse populisme, evenals bijvoorbeeld het Deense, niet primair moet verklaren uit ontevredenheid of onbehagen – dat is helaas bij velen nog levende het hardnekkige misverstand, dat goed verstaan belemmert – maar eerder uit een luxesituatie, waarin men het zich kan permitteren eens wat uit de band te springen. Nederland en Denemarken behoren tot de meest welvarende landen ter wereld met relatief zeer gelukkige bevolkingen, die heel weinig te klagen hebben en voor wie wat gemopper of geschreeuw meer een aardigheidje is, dat men zich wel veroorloven kan. Het heeft immers toch nauwelijks consequenties. Wat mij betreft heeft Schreibfieber gelijk als ze stelt dat het om een nieuw fenomeen gaat.

En dat minstens zeventig procent van de bevolking van een land dom is, dat geloof ik ook niet. Ik geloof wel dat veel mensen niet zo goed geïnformeerd zijn en vaak allerlei dingen roepen over zaken waar ze geen verstand van hebben, maar als je eens persoonlijk met ze doorpraat, dan zijn ze meestal de redelijkheid zelve. Over gezond verstand – Descartes merkte het al op en hij bedoelde dat niet ironisch – beschikt elk mens, nou ja vrijwel elk mens, wel. Maar het blijkt pas als men het redelijke gesprek aangaat en mensen vraagt zich nader te verklaren. Dan vallen ze, het is althans mijn ervaring, bijna altijd mee.

-

Het gaat me nu om iets anders. Dat je zonder dat je daar veel aan kunt doen, in de loop van je leven nu eenmaal allerlei bindingen oploopt. Je kunt die beamen, je kunt je ertegen afzetten, je kunt ze negeren, je kunt ze ontvluchten, maar altijd zijn ze er en altijd heb je er een verhouding tegenover. Je kunt emigreren naar een ver land en dan nooit meer een woord over je vroegere verleden spreken, maar als het om een belangrijk of interessant persoon gaat, zal een latere biograaf op zijn minst aansnijden waar het zwijgen of de vlucht uit voortkwamen.

Dat die bindingen en de bijbehorende houdingen dus ‘uitwisselbaar’ of contingent zijn, daarover ben ik het volkomen met Schreibfieber eens. Als Nederlanders of Nepalezen hetzelfde meegemaakt hadden als Duiters in het Derde Rijk, zouden ze – mogen we althans hopen – precies zo reageren als Duitsers nu: veel gevoeliger voor wat ook maar in de verte aan die periode doet denken. Maar, dat is het punt, dat hébben ze niet. Zij hebben hun eigen verleden zoals Duitsers het hunne hebben. Dat dat op persoonlijk niveau volstrekt uitwisselbaar is, dat is dus juist. Mensen kunnen heel lang vlak bij elkaar een twee zijden van een grens een volstrekt gelijksoortig leven leiden, totdat omstandigheden, politieke vaak, hun leven zonder dat ze daar verder veel aan kunnen doen, een andere kant opstuurt. Ik ken dat soort verhalen wel uit de buurt van Bentheim, een gebied dat vanouds erg op Overijssel en Drenthe betrokken was. Ineens gingen de levens uit elkaar, maar na de oorlog konden mensen soms ook weer persoonlijk met elkaar spreken over het verdriet dat ze ervaren hadden.

Ik herinner me dat ook wel uit de jaren tachtig in Israël, waar ik met Duitse vrienden optrok. Soms zag je bij wijze van spreken al uit de verte dat je met een Jecke (of Jekke) van doen had. Maar de code was: eerst een paar woordjes Hebreeuws, om je goede wil te tonen, dan overgaan op Engels en dan wachten tot het moment dat de ander vroeg of we niet gewoon Duits konden praten. Die Duitse vrienden van me hadden persoonlijk uiteraard helemaal niets met het Duitse verleden te maken, maar ze kwamen nu eenmaal uit Duitsland, ze wisten hoe er tegen mensen uit dat land aangekeken kon worden en daarom houd je rekening met percepties en gevoeligheden. Op een onschuldiger wijze heb ik dat als jongeling fietsend in de Belgische Voerstreek, waarvan ik toen niet eens wist wat dat was en dat ze daar direct over de grens bij Eijsden al Frans spraken, ook wel meegemaakt: mensen wilden eerst weten of we uit Nederland kwamen en dan wilden ze ons best in het Nederlands te woord staan. Als we Belgische landgenoten met een andere moedertaal geweest waren, was hun houding kennelijk anders geweest.

-

Mijn punt is: dat verleden van een groep waar je toebehoort, is niet je eigen verleden, maar op een bepaalde wijze heb je het wel geërfd. Dat geldt ook voor Nederlanders in Indonesië: die stammen toch maar af van de vroegere kolonisator. Je wordt niet blanco geboren en je groeit al helemaal niet blanco op. Je draagt van alles met je mee, zowel in negatieve als in positieve zin, en ik denk dat dat laatste gelukkig het meest het geval is. Dat geldt wat mij betreft ook voor Duitsers, vooral in de huidige Europese constellatie. Je kunt zeggen wat je wilt, maar de Duitse politieke cultuur heeft zich sinds het ontstaan van de Bondsrepubliek in 1949, of eigenlijk al vanaf de Stunde Null vier jaar eerder, op een voorbeeldige wijze ontwikkeld (wat voor een kanttekeningen iemand op detailniveau wellicht ook wil plaatsen). Duitsland is het meest pacifistische land in Europa en het is een groot geluk dat de Europese Unie bepaald is door de as tussen eerst Bonn en later Berlijn en Parijs. Bij lieden als Helmut Kohl en François Mitterand zag je dat nog: dat nooit weer, dat dreef hen. En het is een even natuurlijke ontwikkeling dat de verhouding onder enerzijds Gerhard Schröder en Angela Merkel en anderzijds Jacques Chirac en Nicolas Sarkozy verder genormaliseerd is. De geschiedenis gaat verder en nieuwe generaties treden aan, die het verleden niet meer zo rechtstreeks met zich meedragen, maar er wel de erfgenamen van zijn – in positieve zin vooral.

Voor overdreven Nationalstolz is inderdaad geen plaats. Maar een zekere trots of schaamte is onherroepelijk met je land verbonden. Jij maakt er nu eenmaal deel van uit en in die zin is het ook van jou. Je kunt, als je als historicus doende bent, wel zorgvuldig proberen te vermijden om over ‘wij’ en ‘ons’ te schrijven als het over bijvoorbeeld Nederland tijdens de Opstand of in de Gouden Eeuw gaat – ik probeer consequent over de Nederlanders of zoiets te schrijven –, het is onvermijdbaar dat die geschiedenis of voorgeschiedenis van wat nu je land is, in zekere zin wel degelijk bij jou hoort. Je als Nederlander bezighouden met Amsterdam in de zeventiende eeuw is iets anders dan je verdiepen in de vast en zeker nog boeiender geschiedenis van Parijs of Londen – of Bagdad – in die dagen. Je verhoudt je anders tot het object van belangstelling, al zul je zeker iedereen recht moeten doen en al is het heel interessant om eens kennis te nemen van Spaanse visies op wat wij – daar heb je het al – de Tachtigjarige Oorlog noemen. Maar het is ook weer niet toevallig dat de auteur van De Tachtigjarige Oorlog in Spaanse ogen. De Nederlanden in Spaanse historische en literaire teksten (circa 1548-1673) (Nijmegen, Vantilt, 2003) Yolanda Rodríguez Pérez heet, al is het ook weer geen noodzaak. Als historicus, maar ook als hedendaags wereldburger zul je iedereen recht moeten doen, ook mensen met een ander perspectief, maar het is wel zo verstandig om jouw specifieke, door historische omstandigheden bepaalde perspectief te onderkennen en daar dan op een eerlijke wijze mee om te gaan.

Als ik met Duitse vrienden spreek, gebeurt dat in volle vriendschap, maar in alle openheid gaat het toch over ‘bei uns’ en ‘bei euch’. Ik weet nu eenmaal net iets meer van politiek Den Haag en kan dat uitleggen – zo gaat dat bij ons – en zij kunnen mij beter vertellen hoe het in Stuttgart of Berlijn verloopt – zo gaat dat bij hen. En ondanks mijn pogingen om vooral maar geen het eigen land verheerlijkende nationalist te zijn, kon het me dus toch wel eens overkomen dat ze mij, die alleen maar vol vuur vertelde hoe bepaalde zaken Nederland aangepakt werden – vroeger was dat vaak het zogenaamde ‘gedoogbeleid’, wat mij betreft overigens een uiting van nogal conservatieve praktische zin (zowel de norm als de praktische afwijking erkennen) – ineens gekscherend toevoegden: ‘Jan Dirk, du bist ein Patriot’. Je hoort nu eenmaal ergens bij.

Op een onschuldig niveau merkt men dat ook wel als men in het buitenland ineens geconfronteerd wordt met landgenoten die nogal luidruchtig en ongemanierd zijn. Dan denk je toch al gauw: daar wil ik niet bijhoren, ik houd mijn mond zorgvuldig dicht en laat niet merken dat ik ze versta. Ja, dat is een vorm van schaamte, lichte weliswaar, maar toch. Onvermijdelijk. Er is nu eenmaal iets dat je daar met die mensen verbindt, de taal, de afkomst, terwijl je ze in Nederland zelf dus niet eens zou opmerken. Een zekere schaamte en een zekere trots zijn onvermijdelijk verbonden met de groep waar je bijhoort. En dat kunnen uiteraard allerlei verschillende groepen op allerlei niveaus zijn. Wat men tegenwoordig wel een identiteit noemt – ook zo’n ietwat misleidend woord dat suggereert dat je iets ‘bent’, terwijl het in feite over relaties en toebehoren gaat – is gelukkig niet enkelvoudig. Mensen hebben allerlei identiteiten omdat ze tot allerlei groepen behoren. Daar hoort ook de hoedanigheid van mens of voor mijn part wereldburger bij, die ons met alle mensen op de wereld verbindt. Die is er gelukkig ook, maar die wist niet uit dat we ook Chileen of Duitser of Iraniër of Nederlander zijn, zoals we daarnaast ook nog Zeeuw of Saks of wat dan ook kunnen zijn. Het een sluit het ander niet uit. Het gaat om relationele verhoudingen en in verschillende contexten spelen ze een andere rol, soms belangrijk, soms ondergeschikt.

-

Wat mij betreft mogen Duitsers best wel een beetje – een beetje, meer niet – trots zijn op de politieke cultuur met hoge normen die ze ontwikkeld hebben, zoals Nederlanders zich tegenover buitenlanders best een beetje – opnieuw: een beetje – mogen schamen voor de toestanden die we hier de laatste tien jaar beleefd hebben, al denk ik echt niet dat Nederlanders en Duitsers op persoonlijk niveau nu zo verschrikkelijk anders in elkaar zitten. Collectieve identiteiten zijn nu eenmaal een onderdeel – meer niet – van complexe persoonlijke identiteiten. Het is niet verstandig om al die bindingen of ‘identiteiten’ te ontkennen, het is wel verstandig om ze niet te verabsoluteren. Als het erop aankomt, ben ik het dus, denk ik, helemaal met Schreibfieber dat wij ons als mensen beter maar niet ‘national abgrenzend entwerten oder loben’ kunnen. Maar ik ben het niet met mezelf uit de conversatie eens dat ‘kosmopolitisme’ beter is. Je kunt het een beetje proberen, maar het is veel te pretentieus en iets proberen te zijn dat je niet kunt waarmaken, dat is niet verstandig. En dat geldt misschien ook voor die ‘wereldburger’ die ik hiervoor argeloos opvoerde. We zijn die we zijn mede door de erfenis die we hebben meegekregen. We kunnen ons wel op onze eigen, persoonlijke wijze daartoe verhouden.

En soms kunnen we er grapjes over maken. Want ik noemde weliswaar Duitsers, maar ik had het natuurlijk over Nederlanders en hun houding.

(8)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.456 other followers