Berichten getagged ‘gedoogakkoord’

7 november 2011

Een compromis? Ja, maar met wie? – Voorbij de mauromoeheid

.:.

‘Ben ik de enige die beetje #Mauromoe is? De kwestie verdringt mijn andere morele verontwaardigingen op disproportionele wijze’, twitterde de Utrechtse ethicus en moralist – de omschrijving is de zijne – Theo Boer afgelopen woensdag. Hij was niet de enige die het woord bedacht, maar de grote Van Dale zal het wel niet halen. Daarvoor was het gebeuren te eenmalig. Het gevoel zullen velen echter herkennen.

-

Elberta Alijda Haars (1913-1997). Als staatssecretaris van justitie (1977-1981) voerde zij een restrictief toelatingsbeleid (Collectie SPAARNESTAD PHOTO/NA/Anefo/H. van Dijk)

Twee zienswijzen
Vorige week woensdag belde Sjoerd Mouissie van het Nederlands Dagblad mij op om mijn commentaar op het optreden van CDA en SGP in de affaire rond de jongeling van Angolese herkomst te vernemen. Elke vraag is altijd net iets anders en hardop denkend heb ik het een en ander gerateld, waar hij de volgende dag iets uit gedestilleerd had, dat zeker recht deed aan wat ik zoal gezegd moet hebben. Ik citeer de passage maar even:

‘Historicus Jan Dirk Snel denkt dat deze redenering aan het electoraat voorbij zal gaan. ‘De verwikkelingen in de Tweede Kamer over Mauro zijn desastreus voor het imago van de christelijke politiek. Met name het CDA is dit aan te rekenen, omdat die partij erg draaierig overkomt.’ Dat het CDA voor een vergunning zou zijn, maar ertegen stemt, is volgens Snel niet uit te leggen. ‘De SGP is de imagoschade veel minder toe te rekenen, want die partij kan haar keuzes uitleggen. Die keuzes overtuigen me niet, maar ze zijn wel consequent.’
Wat het imago betreft, zit het CDA daarom in een uitzichtloze situatie, vindt de historicus. ‘Achteraf legt iedereen dit debat op de eigen manier uit. De een noemt het een overwinning, de ander een nederlaag. En beiden hebben gelijk. Op die manier krijgt de ‘nieuwsconsument’ alsnog geen duidelijkheid.’’

De vraagstelling – het imago van de christelijke politiek – is die van de krant en bij het artikel stond een illustratie waarin de C en de G uit de logo’s van CDA en SGP gescheurd zijn. Persoonlijk vind ik dat álle politieke partijen zich om hun geloofwaardigheid dienen te bekommeren en dat men aan VVD en PVV – en bij andere gevallen dus ook aan alle andere partijen – dus precies dezelfde redelijke eisen kan voorleggen als aan de twee partijen waar het artikel, gezien de ligging van de krant overigens terecht, op focust. De achtergrond is kennelijk dat veel mensen, zowel aanhangers als anderen, voor deze partijen strengere maatstaven aanleggen, gebaseerd op de uitgangspunten waar beide groeperingen zichzelf op beroepen. Persoonlijk acht ik dat iets minder relevant. De vraag is wat mij betreft of een gedragslijn als zodanig goed uit te leggen valt.

Ik had het misschien bij mijn uitlatingen van vorige week gelaten als pal voor mijn woorden geen andere redenering, waar de eerste zin uit het citaat hierboven naar verwijst, had gestaan, en wel van Willem Aantjes. Soms doet gezag er wat mij betreft wel degelijk toe en Aantjes behoort tot onze allerbeste politiek analisten. Het is een man die zijn bevlogen reputatie zum Trotz altijd een scherp oog heeft voor de reële machtsverhoudingen. Aantjes’ argumentatie is dat Ad Koppejan en Kathleen Ferrier in feite het onderste uit de kant hebben gehaald. Mauro mag blijven en de ‘zelfstandigheid van de CDA-fractie binnen het kabinet is toegenomen’. Kortom, het CDA heeft bereikt dat ‘de hoogst haalbare barmhartige oplossing werd gevonden’, zoals de krant Aantjes’ woorden samenvat. De SGP daarentegen valt wel degelijk aan te rekenen dat ze niet stemde voor een ‘barmhartige oplossing’ voor Mauro. Die partij is immers niet aan een akkoord gebonden.

-

Aantjes’ gelijk
Het punt is dat ik het in feite met Aantjes’ analyse eens ben, maar mijn kanttekeningen daar grotendeels – niet geheel, zoals nog zal blijken – compatibel mee acht. Wat betreft het bereikte heeft Aantjes volkomen gelijk. Toen hij dinsdag (1 november 2011) twitterde

‘Hoe dan ook, Mauro mag blijven. Voorlopig? Welnee. Dat was alleen nodig om Wilders gerust te stellen. Niets is zo blijvend als tijdelijk’

was ik dan ook, zie ik nu, de eerste die deze pregnante analyse retweette en dat niet alleen omdat ik het een interessante uiting vond, maar in dit geval ook omdat ik het er volkomen mee eens was. Voor Mauro Manuel en de mensen om hem heen blijft de zaak begrijpelijkerwijs nog even zenuwslopend, voor wie zich de luxe van wat meer afstand kan veroorloven, is het echter volstrekt duidelijk dat de jongeman nooit meer naar Angola zal worden uitgezet. Geen minister zal dat nog aandurven. Er zal, hoe dan ook en via welke juridische kronkelwegen ook, een oplossing worden gevonden. Wat betreft de praktische uitkomst ben ik het dus met Willem Aantjes eens.

Degenen die zich met name om het specifieke geval van Mauro bekommerden, doen er dan ook goed aan, om de verdedigingen die Kathleen Ferrier en Ad Koppejan publiceerden, eens grondig te lezen. Ferrier schreef ondermeer dat ‘de voltallige CDA Tweede Kamerfractie vindt dat

1. Mauro hier moet kunnen blijven,
2. dat we na alles wat er gebeurd is van hem niet kunnen vragen dat hij nu naar Angola reist om een studievisum aan te vragen, dus dat de minister zijn discretionaire bevoegdheid aan moet wenden om hem hier te houden en
3. dat de regelgeving rond AMA’s, kinderen zoals Mauro, aangepast moet worden.’

Daar heeft ze volkomen gelijk in. Ad Koppejan schreef woensdag in zijn column in NRC Handelsblad en daarna in een gepubliceerde e-mail soortgelijke dingen. Terecht wijst hij erop dat hij en Ferrier daarbij echt niet alleen staan:

‘De hele CDA-fractie is van mening dat Mauro moet kunnen blijven. Mijn Limburgse collega’s Raymond Knops en Ger Koopmans zetten zich hier al tijden voor in.’

Zo is het. Maar hij en Ferrier zorgden er wel voor dat de fractie de eenmaal ingezette lijn praktisch ook bleef volgen. In die zin heeft Trouw-columnist Hans Goslinga dan ook gelijk als hij schrijft:

‘Die uitkomst was niet het resultaat van politiek gokken, maar van politieke strijd en vasthoudendheid van de CDA-Kamerleden Koppejan en Ferrier.’

En praktisch had dus ook Willem Aantjes gelijk in een volgende tweet (die ik, hier niet beperkt tot 140 tekens, even aanvul):

‘Uitkomst Maurodebat mager? Ja, maar was niet mogelijk geweest zonder vasthoudendheid Kathleen F[errier] en Ad K[oppejan], taai geduld V[an] H[aersma] B[uma] uitspraak congres’

-

Compromis
Allemaal juist. Dat was het gelijk van Aantjes, Ferrier, Goslinga en Koppejan. Maar nu de andere kant van de zaak. Minder overtuigend is namelijk waarom de CDA-fractie – maar dit geldt dus in feite ook voor de overige 57 leden uit drie andere fracties die dezelfde keuze maakten – tegen de twee moties stemde die dinsdag voorlagen. Ferrier schrijft er bijvoorbeeld over dat ze

‘overtuigd niet voor wilde stemmen, omdat ze eerder de minister binden dan hem de ruimte te bieden een en ander snel op te lossen. Ik vind dat de minister de ruimte moet hebben snel met structurele oplossingen te komen voor de groep kinderen die net als Mauro goed participeren in onze samenleving omdat ze beter hier ingeburgerd zijn dan in hun land van herkomst.’

Wie de tekst van de motie-Gersthuizen/Dibi en de gewijzigde motie-Voordewind/Spekman – de tekst is vooreerst gemakkelijker te vinden in het voorlopig verslag – bekijkt, zal dit zakelijk gesproken een ongerijmde redenering achten. Beide moties drukken namelijk precies uit wat ze zelf optekende in haar drie punten die het standpunt van de hele fractie zouden weergeven: dat Mauro moet blijven en dat er op zijn minst een aanvang met het vinden van een structurele oplossing gevonden moet worden. Over de motie-Gersthuizen/Dibi kun je in zoverre nog zeggen dat die de minister zou binden, dat die namelijk de meest voor de hand liggende weg, die de minister wel degelijk zou kunnen kiezen, voorstelde: het gebruik van de discretionaire bevoegdheid – waarmee deze concrete zaak dus met een pennenstreek, zonder verder toekomstig gedoe, uit de wereld zou zijn. Merk overigens op – je zou er bijna overheen lezen – dat Ferrier die in haar tweede punt trouwens wel degelijk noemt. Over de motie-Voordewind/Spekman, waar elke verwijzing naar één concreet geval uit was gehaald, kun je alleen maar zeggen dat die in wel zeer ruime termen een meer algemene oplossing aanduidde, waar de CDA-fractie inhoudelijk niets tegen kon hebben.

Hier hebben we dus het punt waar ik in mijn commentaar op duidde: hoe leg je iets uit dat niet uit te leggen valt? Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan? Waarom omwegen kiezen als de rechte weg open voor je ligt? Daar moet je dus een goed verhaal over kunnen houden. En dat is het probleem hier. Dat je in de politiek compromissen moet sluiten, dat weten we allemaal en dat is ook onvermijdelijk. Het hoort erbij. Er zijn vele actoren die allemaal iets willen. De een wil dit, de ander dat en heel vaak zijn er heel wat meer partijen in het spel die allemaal iets nastreven, en dat de uitkomst er dan vaak niet zo fraai uitziet, dat valt dan ook goed uit te leggen: niemand helemaal zijn zin, iedereen iets dat van belang is, bij elkaar niet mooi, maar het meest haalbare voor alle betrokkenen. Dit hebben we verloren, maar dat hebben we binnengesleept. Zo werkt politiek, geen enkel probleem.

-

Muisstil
Maar met wie werd hier eigenlijk een compromis gesloten? Met welke andere wensen moest men rekening houden? In zijn NRC-column duidde Ad Koppejan het probleem haarscherp aan:

‘Zelfs de meest geharnaste voorstanders van een streng asiel- en immigratiebeleid hielden zich muisstil.’

Exact, de spijker op zijn kop! Maar hier begint dus ook de schimmigheid. Er was geen tegenstander zichtbaar tegen wie men het opnam en met wie men een compromis moest sluiten. Met wie hadden Ferrier en Koppejan en het CDA-congres nu eigenlijk iets te stellen? Met de eigen fractie? Maar die was eigenlijk altijd al voor een oplossing voor Mauro en bij implicatie alle ‘gevallen’ als de zijne. Met de minister? Ja, in zekere zin wel, omdat die de meest voor de hand liggende aanpak ook onder druk niet wenste te verkiezen, waarbij ik overigens best besef dat het voortdurend zwaaien met ‘discretionaire bevoegdheid’ ook niet altijd een panacee is, al zou die hier de hele ophef in een keer uit de weg geruimd hebben. Maar waarom lag de minister dwars, ja waarom eigenlijk? In die zin geloof ik nog steeds dat mijn analyse in een eerder stukje, dat het namelijk de gedoogpartner is, die voor de druk zorgde, nog staat als een huis. Het is een gedachtegang die ook door Wouter Beekers in Trouw en door Frank Verborg op zijn eigen website naar voren is gebracht. Zeker is in ieder geval dat de discretionaire bevoegdheid wel degelijk in het Gedoogakkoord genoemd wordt. Daar staat dat ‘terughoudendheid’ uitgeoefend zal worden. Dat is het begin van de politieke druk op de minister, daar gingen Kamerfracties dus al op de stoel van de minister – om de uitdrukking van Kees van der Staaij te gebruiken – zitten. Dat mag politiek misschien best, maar dan kun je je vervolgens niet meer beklagen als ook andere leden van de Tweede Kamer zich met de uitoefening gaan bemoeien.

En hier ligt ook het structurele probleem: de vaak vrijwel onzichtbare aanwezigheid of zelfs zichtbare afwezigheid van de gedoogpartner. Er was op enigszins de minister na niemand zichtbaar met wie men openlijk een compromis kon sluiten, waarna men dus in de woorden van Koppejan in alle openheid kon uitleggen waarom het belabberde te verkiezen viel boven het allerbelabberdste. Als men de PVV had kunnen dwingen of in ieder geval bewegen om zich zeer open uit te spreken voor het uitzetten van Mauro en tegen elke poging om voor lastige gevallen een humane uitweg te vinden, als er van de andere kant zichtbaar hard spel was gespeeld, dan had men de huidige lijn kunnen verklaren, dan had iedereen kunnen zien dat er nu eenmaal een compromis moesten worden gesloten, nu niet. Het structurele probleem ligt in de gedoogconstructie en de onzichtbaarheid van Wilders en zijn club. Sommige waarnemers worden er wel eens boos over dat Nederlandse journalisten de man nooit zo kritisch zouden benaderen als de BBC en CNN wel kunnen doen, maar de verklaring is eenvoudig: hij en de zijnen laten zich nauwelijks kritisch ondervragen. Ze ontlopen de publiciteit als het lastig wordt. Ik ben er daarom ook niet van overtuigd dat de CDA-fractie er het uiterste uitgesleept heeft. Wat was er gebeurd als men nu eens wél voor beide moties of alleen voor de meer algemene motie-Voordewind/Spekman had gestemd? Was het kabinet dan gevallen? Bij een meerderheid voor de motie in de Kamer? Ik geloof er niets van. De CDA-fractie had dan nog meer zelfstandigheid verworven, om Aantjes aan te halen, dan nu het geval was. Dan had de andere kant eens duidelijkheid moeten verschaffen. Nu bleef die uitdaging achterwege.

Kortom, er is wel degelijk materieel iets bereikt, maar ook niet veel meer dan het meest voor de hand liggende, en het veld waarin dat gebeurde, is enorm diffuus en daarin ligt dus het presentatieprobleem. Waarbij ik de moeilijkheden ook weer niet overdrijven wil. Dit was op zich inderdaad een opgeklopte zaak – vooral door de halsstarrigheid van de minister – en deze zaak ebt wel weer weg en meer mensen zullen op den duur inzien dat Ferrier, Koppejan en de CDA-fractie wel degelijk bereikt hebben wat ze willen. Daarin ligt trouwens ook meteen de reden dat Hans Goslinga en anderen geen gelijk hebben in hun kritische houding ten opzichte van de oppositie. Die had, nu de buit materieel, maar wel erg halfslachtig, binnen was, geen enkele reden om bij zoveel gekluns ook nog eens coulanter te zijn. Moeten de coalitiepartijen zichzelf maar niet zo in de nesten werken.

-

Individuele gevallen
Over de houding van de SGP moet ik mijn mening wel herzien. Aantjes had meer gelijk dan ik. In het verhaal dat men niet over individuele gevallen wil beslissen, zit iets, al overtuigt mij dat ook niet: soms liggen er namelijk concrete keuzes voor, die je kunt verfoeien en waarvan je misschien terecht kunt zeggen dat die je zo niet voorgelegd hadden mogen worden, op het moment dat ze voorliggen, zul je toch moeten kiezen. Wegblijven is dan naar mijn idee principiëler dan toch stemmen. En ik geloof ook niet dat het standpunt vol te houden valt. Echt nooit over individuele gevallen debatteren of stemmen? Nooit? Niet over de Drie van Breda destijds, niet over Menten, niet over Hirsi Ali? Nooit? Dat valt nooit vol te houden. Maar het punt was dat de SGP ook tegen de motie-Voordewind/Spekman stemde en dat in 2010 ook al gedaan had tegen de motie-Spekman/Anker, die in ieder geval dit gedoe beoogde te voorkomen. Kortom, ik geloof best in de oprechtheid van de verdediging, maar logisch overtuigend is de opstelling niet.

Alleen roepen dat je nooit over individuele gevallen wilt beslissen, is trouwens sowieso niet overtuigend. Ik bedoel dit nu als algemene opmerking, die de hele Kamer betreft. Als een algemeen probleem door misschien vrij toevallige omstandigheden een concreet menselijk gezicht krijgt, dan is de logische weg om achter dat gezicht de algemene problematiek weer op te zoeken en daar een eerste aanzet voor een oplossing voor te zoeken. De weg van de motie-Voordewind/Spekman was in dat opzicht dan ook de juiste. En het was juist de CDA-fractie die donderdag voor een week (27 oktober 2011) met de motie-Knops over een studievisum voor Mauro dus precies de tegengestelde weg insloeg, waar overigens alle andere fracties, ook de SGP dus, terecht tegen stemden. Dat was echt een geval van pontificaal met je achterwerk op de zetel van de minister plaatsnemen. Het was dus zeker niet alleen de oppositie die te veel op één geval focuste, het was vooral een regeringspartij die dat deed.

-

Eindeloos
Ik begon dit stukje met de ‘morele verontwaardigingen’ – ik zie het er wel van komen dat het Groene Boekje het meervoud nog eens opneemt – van Theo Boer, maar ik geloof niet dat ik van morele verontwaardiging zoveel last heb gehad, al heb ik me soms wel opgewonden, maar dan vooral over het gekluns en het onvermogen om helder te denken en te handelen. Dat is het punt waar de minister en de CDA-fractie het meest door de mand vielen. Simpele zaken los je op door scherpe vragen te stellen en even duidelijke antwoorden te geven, niet door alles zelf in de mist te laten verdwijnen en dan uiteindelijk triomfantelijk uit te roepen dat de lucht weer opgeklaard is.

Ik koester trouwens absoluut niet de illusie dat gevallen als deze structureel te voorkomen zijn. Je kunt kleine verbeteringen doorvoeren, die voor concrete mensen een kwestie van levensgeluk kunnen zijn, altijd zullen er weer nieuwe grensgevallen opduiken. Dit was naar mijn idee duidelijk en als iets duidelijk is, moet je een heldere keuze maken en daar de logische consequenties, die hier overzienbaar zijn, uit trekken. Maar alleen de getallen in de motie- Voordewind/Spekman al: jonger dan elf jaar, langer dan acht jaar hier. Hoe dan als het om een leeftijd van twaalf jaar, een termijn van zeven jaar gaat? Of om een paar dagen? Eindeloos. En ik geloof ook niet in opmerkingen als dat je een hele procedure in een half jaar geregeld moet kunnen hebben. Kan dat binnen het bestuursrecht, waar termijnen ook uit het oogpunt van rechtsbescherming ingebouwd zijn? Kun je rechtbanken verplichten zo snel te werken? Zal er dan niet toch weer een beroep op andere rechtswegen gedaan kunnen worden?

Dit blijven lastige zaken. Een definitieve oplossing zal nooit gevonden worden. Maar je kunt wel proberen om het beter te doen, stukje bij beetje. En je kunt vooral proberen om heldere vragen helder te beantwoorden, zodat je het vervolgens over de dan overblijvende lastige gevallen kunt hebben.

Mauro Manuel en de mensen om hem heen zullen het de eerstkomende tijd nog niet gemakkelijk hebben, maar die jongen redt het wel. Maar CDA en SGP, de twee partijen waar ik het op verzoek over had, hebben voorlopig nog wel wat uit te leggen. Maar zij worstelen tenminste openlijk met de zaak. VVD en PVV, die zich zo angstvallig in de luwte ophouden, hebben nog heel wat meer uit te leggen.

Misschien dat daar het debat eens over zou moeten gaan.

(19)

28 oktober 2011

Onbehoren – Over de Tweede Kamer, individuele gevallen en partijcongressen, over Mauro dus

.:.

Vorige week woensdag schreef ik hier een stukje onder de titel Behoren. Het ging over het gegeven dat elk mens in een concrete situatie in de wereld komt, waarmee bepaalde banden met andere mensen, zwakke en sterke banden, al gegeven zijn. Sterke banden heb je met je familie en allerlei verwanten, zwakkere relaties onderhoud je met allerlei groepen. Jij hebt al een verleden op het moment dat je geboren wordt, daar komt het op neer.

Direct had ik al een aantekening gemaakt voor een noodzakelijk tegenstukje: dat er namelijk ook mensen zijn die nergens bij behoren of vooral nergens meer bij behoren. Aan de ene kant heb je misschien een kleine klasse van rijke kosmopolieten, die appartementen in diverse steden in de wereld hebben en voor wie grenzen niet bestaan en voor wie luchthavens zoiets als tramhaltes zijn. Aan de andere kant heb je de stroom vluchtelingen en asielzoekers die op zoek naar een vaste plek, een nieuw toebehoren, over de wereld trekken en die zelfs als ze al jaren of soms decennia in vluchtelingenkampen leven, daar niet thuis horen. Je kunt daar meer over zeggen: hoe toeristen de hele wereld overvliegen, ook naar de landen vanwaar de gemartelden en onderdrukten de grens in omgekeerde richting niet over komen, hoe uit het tegenvoorbeeld van de mensen die nergens bij horen, blijkt hoe ongelooflijk luxueus de pretentie een kosmopoliet of wereldburger te zijn in feite wel niet is, maar ik wilde me nu even tot een concrete zaak beperken, die de naam van een mens draagt: Mauro.

Congressen kopen geen straaljagers volgens Henk Vredeling: F-16 op het Spuiplein in Den Haag (foto: Roel Wijnants)

Ik ken niet alle ins and outs van de zaak. Ik weet niet precies waarom die jongen naar Nederland is gekomen, waarom de procedures bij elkaar zo lang hebben geduurd en waarom hij uiteindelijk bij de rechter ongelijk heeft gekregen. Ik vind het ook te snel om dan te concluderen dat de wet niet helemaal deugt. Het zou kunnen zijn dat wettelijke bepalingen op zich inhoudelijk best kloppen – iedereen is het er over eens dat je inzake asielverzoeken alleen al uit praktisch oogpunt strenge criteria dient aan te leggen – en dat juist door de zorgvuldigheid van de procedures en de bezwaar- en beroepsmogelijkheden die het bestuursrecht in het algemeen al biedt, de zaak zo lang is gaan slepen. Maar wat ik dan wel weet, is dat twee mogelijk op zich deugende wettelijke principes – zorgvuldige inhoudelijke asielwetgeving en zorgvuldige procedures en beroepsmogelijkheden – hier samen tot een situatie van onrecht geleid hebben. En ik zei: mogelijk, want ik weet er te weinig van. Wat ik ook wel weet, en dat is wat volgens mij de meeste Kamerleden ook vinden, is dat je menselijk gesproken een jongen die ergens thuishoort – daar heb je dat behoren weer – niet maar zo uit die situatie losrukt en hem naar een voor hem grotendeels onbekend land stuurt, alleen omdat regels toegepast moeten worden. Ook al zouden die regels op zich goed zijn, hier leveren ze samen een uitkomst op die niet goed is en die geen enkel doel dient en alleen maar mensen kapotmaakt.

-

Ik wil het nu nog over één punt hebben, namelijk over de opmerking dat de Tweede Kamer zich niet met individuele gevallen moet bemoeien. De SGP-er Kees van der Staaij zei daar gisteren dit over:

‘De Kamer moet geen pleitbeslechter worden in individuele situatie. Dan gaat de Kamer op de stoel van de rechter zitten, en van het bestuur, de minister. Dat is staatsrechtelijk onjuist en uit menselijk oogpunt buitengewoon onwenselijk. Bovendien leidt dat tot rechtsongelijkheid en willekeur. Lopen we het risico dat de aaibaarheid en/of de media-aandacht een selectiecriterium wordt om een individuele zaak wel of niet in de Kamer te behandelen. Daarom hebben wij grote moeite om ons in een simpel ja of nee tegen uitzetting in deze situatie uit te spreken. Dat zullen we dan ook niet doen!’

En ik heb maar een klein stukje van het debat live gevolgd, maar ik zag dat hij aan deze lijn consequent volhield. Ik zag ook op Twitter dat sommige mensen heel boos op hem werden, terwijl anderen hem prezen vanwege zijn staatsrechtelijke zuiverheid. Laat ik dit zeggen: ik denk dat Van der Staaij staatsrechtelijk helemaal gelijk heeft, of althans heel veel, maar dat het de vraag is of bij de uiteindelijke keuze die op zich volledig juiste overweging nog wel de doorslag kan geven. De concrete keuze is immer niet die tussen twee staatsrechtelijke opties, maar draagt een moreel gehalte. De Kamer heeft trouwens wel eerder over individuele gevallen gepraat. We herinneren ons allen nog het debat van 28 op 29 juni 2006 over het Nederlanderschap van Ayaan Hirsi Ali, die kennelijk ooit onder de naam Ayaan Hirsi Magan door het leven was gegaan. Ook dat was een individueel geval, maar ook daar speelden vele anonieme gevallen op de achtergrond een rol. In feite ging het om een regelrecht frauduleuze redenering van de Hoge Raad, waarbij aan mensen tegen alle bedoelingen van de wetgever in alle rechtswegen onthouden werden omdat ze zogenaamd niet juist geïdentificeerd konden worden. (Ik heb daar toen een blog over geschreven, maar die is helaas nog steeds onvindbaar.) Ik vraag me nog wel eens af hoe het met al die anonymi op de achtergrond, die met precies hetzelfde probleem als Hirsi Ali kampten, is afgelopen.

Van der Staaij heeft wat mij betreft gelijk dat de Kamer niet al te snel over individuele gevallen moet gaan beslissen, maar daarbij werd door anderen wel opgemerkt dat Kamerleden bijvoorbeeld via vragen en andere acties ook, en terecht, voortdurend de aandacht op individuele, vaak schrijnende gevallen – dat zijn dus mensen – vestigen. Waar de grens precies loopt, weet ik niet, maar ik vermoed dat hij zou stellen dat bij het stellen van vragen de staatsrechtelijke rollen juist zorgvuldig in acht worden genomen – Kamerleden vragen, bewindslieden antwoorden –, terwijl hier de Kamer op de stoel van de minister is gaan zitten. De discretionaire bevoegdheid is hem niet voor niets gegeven. Die is juist in de wet opgenomen om in gevallen waarin juiste toepassing van alle regels toch tot uitkomsten leidt die onrechtvaardig zijn. Dat is inderdaad de bevoegdheid van de minister.

Heeft de Kamer hier dus een grens overschreden? In zekere zin misschien wel. Maar ook die constatering heeft een beperkte draagwijdte. Staatsrecht is nu eenmaal uit zijn aard flexibel. De Kamer heeft nu eenmaal het recht om zelf te bepalen waar ze over vergaderen wil. Als ze het dus wil hebben over hoe een minister met zijn bevoegdheden omgaat, dan kan ze dat doen. Het is niet altijd gezegd, dat alles wat kan, ook verstandig is, maar staatsrechtelijk geldt uiteindelijk wel dat wat kan, ook mag. En de Kamer kan zelf bepalen waar ze moties over indient en waar ze over stemt. Moties zijn op zich geen dwingende uitspraken. Bewindslieden kunnen die naast zich neerleggen. Maar juist daarom kunnen moties ook over alles gaan. De Kamer maakt hier gebruik van de mogelijkheden die ze heeft. Je kunt dan wel zeggen dat dat staatsrechtelijk onjuist en ongewenst is, als de Kamer het wil, komt er een ogenblik waarop het op zijn minst wel gewenst is en volgens velen ook wel degelijk juist. Op de stoel van de rechter gaat ze in ieder geval niet zitten, omdat de wet met het opnemen van de discretionaire bevoegdheid een allerlaatste beslissing al weer van de sfeer van het zuivere recht naar die van de politiek heeft overgeheveld.

-

Maar er is een veel belangrijkere vraag: waar is de grensoverschrijding eigenlijk begonnen? Wanneer zijn Kamerleden zich met de discretionaire bevoegdheid van de minister gaan bemoeien? En het ziet er naar uit dat daar de crux ligt. Het heeft er alle schijn van dat de minister niet helemaal vrij van zijn discretionaire bevoegdheid gebruikt heeft gemaakt, maar door een gedoogpartij onder sterke druk was gezet. Daar ligt de crux. In veel opzichten is het afgelopen jaar me meegevallen ten opzichte van de vrees die ik vorig jaar had, het minderheidskabinet fungeert in veel opzichten als een soort buitenparlementair kabinet, dat afhankelijk is van wisselende meerderheden. Het heeft de steun van de ‘oppositie’ voortdurend nodig en krijgt die ook herhaaldelijk, soms van het blokje D66-GL-CU met 25 zetels enerzijds en van de PvdA, die in zijn eentje iets meer zetels (30) heeft dan dit drietal samen, anderzijds. Maar zodra het gaat om de onderwerpen van het gedoogakkoord, zijn ministers met handen en voeten gebonden en zo bang als de dood. Dat geldt nu ook voor Gerd Leers.

Daar ligt de fout: de minister gebruikte zijn discretionaire bevoegdheid niet meer vrij en daarom had de Kamer alle reden om er zich mee te gaan bemoeien. Het waren andere Kamerleden die de grens overschreden. Het wordt gewoon tijd het gedoogakkoord met de PVV op te zeggen of er zich niets van aan te trekken, zodat die club zelf maar conclusies moet trekken. Wilders en zijn groepje slaafse afhankelijken – ook de leden van de fractie zijn op misschien Hero Brinkman na naar verluidt doodsbang voor hem – hebben politiek toch hun langste tijd gehad. Verder zullen ze het qua macht nooit meer schoppen. Wilders zal nooit minister worden en hij zal ook nooit meer aan een volgend kabinet deelnemen. Het akkoord heeft vooral tijd geboden om nog luider door te gaan met het loze geschreeuw. Het hele frame waarin de PVV als een vorm van fascisme gezien wordt, klopt ook niet. Het gaat gewoon om een stelletje oproerkraaiers, leugenaars, tuig van de richel, meer niet. Door Wilders’ onfatsoen tijdens de algemene beschouwingen kwam dat nu meer uit dan ooit. Zijn opzetjes werken niet meer. Niemand heeft het over dat dwaze minarettenreferendum, iedereen heeft het alleen maar over zijn wangedrag.

-

Congressen gaan niet over straaljagers, zei Henk Vredeling ooit, en ze gaan ook niet over individuele asielgevallen, voegen anderen daar nu aan toe. True, in het algemeen dan. Goede stelregel. Maar soms gaan ze daar dus wel over en het CDA-congres van morgen gaat daar om goede redenen nu wel over, gewoon omdat de partij vorig jaar de kardinale fout heeft gemaakt aan te pappen met de verkeerde figuren, die zich bemoeien met zaken die hun niet aangaan. Het is de gedoogpartner, de PVV, geweest die een minister structureel onder druk heeft gezet, en daarom moest de Kamer zich hier wel mee bemoeien en door de verdeeldheid in de fractie moet het congres zich hier nu ook wel mee bemoeien. Zo gaan de dingen soms. Van der Staaij had op zich gelijk dat het niet alleen staatsrechtelijk onjuist is als de Kamer zich met individuele gevallen bemoeit, maar ook ‘uit menselijk oogpunt buitengewoon onwenselijk’, maar het punt is dat de onmenselijkheid hier van een gedoogpartner kwam, die het CDA zelf in die positie gehesen heeft, en daarom moet uit menselijk oogpunt niet alleen de Kamer, maar ook het CDA-congres zich wel eens met zo’n mens bemoeien. Want achter die ene mens die we bij name kennen, gaan wel degelijk andere mensen schuil. Het CDA moet ervoor zorgen dat minister Leers zijn discretionaire bevoegdheid ook weer echt zelf kan uitoefenen, zonder angst voor foute figuren.

Het is een uitgelezen kans niet alleen Mauro te helpen, maar ook de fout van vorig jaar enigszins te herstellen. Weg met dat gedoogakkoord. Dit is niet de tijd voor nieuwe verkiezingen, maar het kabinet kan nieuwe vormen van samenwerking met anderen aangaan. Er ligt een soort verkapt gedoogaanbod – althans op onderdelen en gedoogakkoorden gaan, weten we nu, alleen over een beperkt aantal thema’s – van D66, GL en CU in de gezamenlijke verklaring van een paar weken geleden. Nu is het de tijd dat het CDA echt ‘verantwoordelijkheid kan nemen’, om maar eens een uitdrukking te gebruiken waar men binnen die kringen dol op is, en zich naar de oppositie toe open kan opstellen. Dit is ook de tijd waarin de PvdA, D66, GL, CU en andere oppositiepartijen kunnen laten zien dat ze het landsbelang hoger achten dan allerlei partijgedoe, zoals die partijen het afgelopen jaar al vaak hebben laten zien. Daar zullen ze op enige termijn ook bij de kiezer wel degelijk indruk mee kunnen maken. Terwijl Wilders en de PVV alleen maar stomme spelletjes spelen, voortdurend met non-issues op de proppen komen, kunnen zij laten zien dat de eurocrisis en dat het gewone alledaagse beleid voor hen vooropstaat. Als je het populisme links laten liggen als de quantité negligeable die het is – het is geen uiting van diep onbehagen, dat is het eeuwige misverstand, maar een kwestie van oppervlakkig geschreeuw en weinig wol – zal het ongetwijfeld niet direct als sneeuw voor de zon verdwijnen, maar op den duur zal het door zijn krachteloosheid wel degelijk wegebben. Tegen een serieuze politieke cultuur, die zijn kracht toont, kan het echt niet op. Die toont namelijk dat je je om de echte, niet de verzonnen, problemen van mensen en van kiezers bekommert.

Onze politiek cultuur is opener, democratischer, parlementairder en florissanter dan ooit. Alleen die ene rotte appel moeten we even aan de kant smijten. Dat is alles.

Dat is niet alleen goed voor Mauro, maar voor alle mensen in dit land.

(13)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.456 other followers