Berichten getagged ‘bestaan’

21 december 2011

Historische waarheid en tijdelijkheid

.:.

De tijd, dat is het probleem.

Maandag plaatste ik hier een stukje over zijn en niet zijn en de vraag of bestaan univook is. Het was deels een reactie op de stelling van Emanuel Rutten dat bestaan eenduidig of eenzinnig is. Ik had er met plezier aan gewerkt, maar zijn reacties (hier en lager) bezorgden mij een katterig gevoel, vooral omdat hij tot dusverre naar mijn idee vooral niet reageerde op mijn betoog en mijn vragen. Mij is nog steeds niet duidelijk wat de uitspraak dat bestaan eenduidig is, nu zou kunnen toevoegen aan ons begrip van de wereld.

-

Gerd Müller maakte tijdens de WK-finale Duitsland-Nederland in 1974 het beslissende doelpunt (foto: Wikipedia)

De veranderlijkheid van het bestaan
Misschien ga ik op de vraag naar de al dan niet bestaande eenduidigheid van het bestaan nog wel eens nader in. Rutten mag dan volhouden dat bestaan eenzinnig of eenduidig is, hij erkent tegelijkertijd wel dat er allerlei zijnswijzen zijn en dat is naar mijn idee veel belangrijker als het om ontologie gaat: de beschouwing van de verschillende manieren waarop de dingen bestaan. Ik zou zeggen dat als bestaan op verschillende zijnswijzen betrekking kan hebben, het begrip daarmee al meerduidig is. Als je van het ene zegt dat het bestaat, bedoel je iets anders dan wanneer je dat van het andere ding zegt: ze bestaan op andere wijze. Maar hij erkent dat pas als die zijnswijzen ook gradueel verschillen en dan is de vraag ook hoe je gradaties tussen zijnswijzen bepaalt. Van sommige dingen zeg je dat ze in werkelijkheid bestaan, van andere zeg je dat ze in het echt niet voorkomen. Ik zou dat een gradueel verschil noemen, maar dat is mogelijk een kwestie van semantiek.

Wat mij in de reacties van Emanuel Rutten vooral opvalt, is dat hij niet ingaat op tijdsverloop, het ontstaan, het bestaan en het verdwijnen van de dingen. Eekhoorns bestaan, eenhoorns bestaan niet en dodo’s bestonden ooit, maar bestaan niet meer en het is niet onmogelijk dat tijgers over niet al te lange tijd niet meer zullen bestaan.

Elke dag ziet uiteraard de opkomst en de ondergang van veel dingen. Ook vandaag worden er weer veel woorden, handelingen en dingen aan de wereld toegevoegd, die er gisteren nog niet waren – een selectie noemen we nieuws – en ook vandaag verwaaien er weer woorden en gedachten, vergeten we handelingen, daden, voorvallen en gebeurtenissen en worden er huizen afgebroken, bomen gekapt, dieren gedood en wordt afval verbrand. Wat er wel of niet bestaat, is voortdurend aan verandering onderhevig, dat is wel duidelijk. En slechts van een deel van wat ooit bestond, hebben we weet, zoals we ons over wat er ooit zal bestaan, niet meer dan een vage voorstelling kunnen maken.

Ook vandaag sterven er mensen en worden er nieuwe baby’s geboren, wat Hannah Arendt aanleiding gaf tot het vestigen van aandacht op het begrip nataliteit: de veranderlijkheid van het bestaan is niet alleen vergankelijkheid, er ontstaat ook steeds iets nieuws. Ook in dit stukje zullen bijna alle zinnen weer volstrekt nieuw zijn: ze hebben nooit eerder bestaan en ze zullen voor het grootste deel ook nooit weer opgeschreven worden. Daar heb je het nieuwe en het vergankelijke en tijdelijke ineen. Dingen ontstaan en dingen verdwijnen en in de vluchtigheid van het bestaan liggen beide bijeen of vallen ze vrijwel samen. De wereld zal morgen anders zijn dan die vandaag is of gisteren was. De wereld van 1900 was een andere dan die van 300 na Christus of die van 2500 voor Christus.

Dat is geschiedenis, een dubbelzinnige term, waarmeer tegelijk wordt geduid op wat er in die eeuwen achter ons is gebeurd, en op onze kennis daarvan, die we meestal in de vorm van een ordelijk verhaal of een beschouwing gieten. En ik geloof niet dat het toevallig is dat die term dubbelzinnig is. Het is geen eigenschap van het Nederlands, maar je ziet hetzelfde in vele talen en het zou me niet verbazen als het zelfs in (vrijwel) alle talen zo zou zijn. ‘Dit is de geschiedenis van …’ of ‘dit is het verhaal van …’ heeft altijd een dubbele referentie: aan dat of diegene(n) waarover die geschiedenis of dat verhaal gaat, én aan de geschiedenis of het verhaal zoals het op dat moment, rond het avondvuur op het plein waar de mannen van het dorp zich verzameld hebben om naar de bard te luisteren, of in een boek dat je bij de open haard zit te lezen, verteld wordt.

-

Geschiedenis
Over geschiedenis moet ik het hier hebben. Het stukje van Rutten waar ik maandag op reageerde, eindigde namelijk met een zin over het bestaan van het verleden en de vraag wat historische uitspraken waarmaakt. Ik citeer de passage even:

‘Wie stelt dat het verleden bestaat en zo direct ware historische uitspraken waarmaakt ontkomt er namelijk niet aan om aan de term ‘bestaan’ in de uitspraak dat het verleden bestaat dezelfde betekenis toe te kennen als aan de term ‘bestaan’ in de uitspraak dat, zeg, protonen bestaan, hetgeen absurd lijkt.’

Dit heeft op zich veel weg van een stropopredenering. Iemand die stelt ‘dat het verleden bestaat en zo direct ware historische uitspraken waarmaakt’ – de verbinding tussen de twee stellingen is ook al hoogst merkwaardig en absoluut niet noodzakelijk –, is natuurlijk absoluut niet verplicht om aan de term ‘bestaan’ een zelfde betekenis toe te kennen als aan die term in de constatering dat keukenkastjes of zeeanemonen bestaan. Integendeel, iemand die dat zou doen, zou een volstrekte dwaas zijn. Rutten ziet dat ook wel, want hij meent dat het in beide gevallen toekennen van een zelfde betekenis aan de term ‘bestaan’, ‘absurd’ lijkt. Ja, zeg dat wel. Maar waarom voert hij dan toch een dergelijke denkbeeldige figuur op? Waarom stelt hij dat deze virtuele man of vrouw niet aan een zelfdebetekenistoekenning ontkomt, terwijl het volstrekt duidelijk is dat die absurd is? Niemand is toch verplicht om absurde dingen te beweren? Daar kun je best aan ontkomen, namelijk door het niet te doen.

Wie zegt dat de tijd of de geschiedenis bestaan, gebruikt het woord in een heel andere zin dan wanneer ik zeg dat mijn koffiemok bestaat: meerzinnig dus en niet eenzinnig, zou ik zeggen. Als ik mijn koffiemok straks in de keuken kapot laat vallen, bestaat ie niet meer, maar bestond die koffiemok tussen waarschijnlijk ergens een datum in 1995 – er staat een kalender van 1996 op en het ding zal dus wel in het voorgaande jaar of, wie weet, een van de voorgaande jaren in China of elders in Azië geproduceerd zijn – en een dag tegen het eind van december 2011. Volgens Rutten is er tussen het kortstondige of althans beperkte bestaan van mijn koffiemok – zestien jaar is ook weer niet zo’n gekke levensduur voor een aardewerken voorwerp en hij is gelukkig nog steeds heel en kan mogelijk nog heel wat jaren mee – of de uitroep ‘hatsjie’ als u moet niezen, en het bestaan van het heelal geen gradueel verschil – alle drie bestaan immers – maar ik vraag me dan nog steeds af wat je daarmee aan ons begrip van de wereld toevoegt. Was die korte, vluchtige blik van de persoon tegenover u in de trein vanmorgen nu werkelijk even reëel als de liefde van uw partner? De vraag is het antwoord.

Ondertussen is de vraag nog steeds wat Rutten bedoelt met zijn redenering over zijn denkbeeldige persoon die uit de volstrekt normale en begrijpelijke opmerking dat het verleden bestaat, zulke absurde conclusies trekt. Als ik het goed zie, gaat het hem vooral om het bestaan nu. In zijn voorgaande stuk ging het namelijk over zogenaamde ‘waarheidsmakers van historische waarheden’ en daarom ga ik daar nu op in.

-

Waarheid
Rutten heeft het daarin over de waarheid van historische waarheden of beter gezegd over de waarheid van uitspraken over historische waarheden. Hij gebruikt namelijk een in de filosofie niet geheel onbekend waarheidsbegrip dat enigszins afwijkt van hoe we in het dagelijks leven met het begrip waarheid, in de zin van het toepassen van het begrip waar, omgaan.

Waarheid is een elusief begrip. Er zijn honderden of duizenden adjectieven en waar is er daar slechts eentje van. Zoals de meeste woorden wordt het in steeds andere contexten gebruikt en kun je dat nooit eenduidig in een enkele formulering vangen. Maar de meest gebruikelijke omschrijving van het begrip waarheid is deze:

‘Veritas est adaequatio intellectus et rei.’

De volgorde ‘rei et intellectus’ kan uiteraard ook. Het is de omschrijving die de meesten van u nog wel van school zullen kennen. Ze wordt ook zo vaak aangehaald, dat het niet meer nodig is de originele plaats bij Thomas van Aquino, want van zijn hand is de formulering, na te slaan om daar de betekenis te zoeken (ik heb dat trouwens wel eens gedaan). Deze definitie zal uiteraard lang niet alle situaties waarin we het begrip waarheid zinvol gebruiken, dekken, maar ze vormt een goed beginpunt omdat ze tamelijk adequaat beschrijft hoe veel mensen in de praktijk met het begrip waarheid omgaan. O ja, ik vergat bijna een vertaling te geven. Dit is een mogelijke:

‘Waarheid is de overeenstemming tussen begrip en zaak.’

Er zijn varianten mogelijk, met name voor dat woordje ‘intellectus’. Je kunt dat ook vertalen als verstand, of misschien inzicht of voorstelling en nog op diverse andere wijzen. Maar op zich is het wel zo ongeveer duidelijk waar het om gaat: je hebt een zaak of een ding en je hebt een begrip of een woord en die zijn met elkaar overeenstemming. Je hebt het begrip koe en het beest in de stal en dat begrip past wonderwel bij dat dier. Nu is de uitspraak ‘dit is een koe’ niet bijster zinvol, behalve als je een klein kind de namen van de dingen en de dieren wilt bijbrengen, maar je kunt de parallel uitbreiden tot hele zinnen of beweringen en wat we de werkelijkheid noemen. Iets is waar omdat het in overeenstemming is met de werkelijkheid.

In het dagelijks leven volgen we de definitie vaak ook vrij letterlijk (al denk ik, nogmaals, dat die lang niet al het zinvolle en juiste gebruik van het adjectief waar en het bijbehorende abstractere substantief waarheid uitputtend beschrijft). Net zoals we naar de vraag of iets bestaat, alleen stellen als dat omstreden is, geldt dat ook voor waarheid. Als iemand uit Groningen je aan de telefoon vertelt dat het daar regent, vertrouw je erop dat het waar is. Pas als iemand je dat op een stralende zomerdag in juni vertelt en het KNMI voor het hele land nog minstens drie droge dagen voorspeld had, vraag je: ‘Hè, je zit me nu toch niet voor de gek te houden, is dat echt waar?’ Waarheid is in het menselijk verkeer voorondersteld als een van de elementen die de taal en uitwisseling van gedachten zinvol maken. Maar in het dagelijks leven leggen we de waarheid in de overeenstemming tussen taal en werkelijkheid.

Voorbeeld. De politie is op zoek naar een voortvluchtige autodief of althans een grote crimineel – het delict moet wellicht iets ernstiger zijn, willen de dienders echt op jacht gaan – op de A28. Men gaat alle benzinestations af en vraagt of de man daar gezien is. Dan zegt een bediende achter een kassa ineens: ‘Ja, die heb ik hier pakweg een kwartier geleden nog gezien’. ‘Werkelijk, echt waar, weet je dat zeker?’, vraagt de politieman. En terwijl de benzinepompmedewerker nog eens goed naar de foto kijkt, zegt hij: ‘Jazeker, ik heb die man een kwartier geleden nog geholpen. Hij had een volle tank getankt, even kijken, hier staat het in de computer, hij tankte 43 liter en hij kocht nog een pakje sigaretten en een zak met krentenbollen’. Wat is er hier waar? Dat die man daar was. Dat wordt in taal uitgedrukt, maar het gaat er niet alleen om dat er ware zinnen worden uitgesproken, het gaat erom dat die man daar echt was.

Waarheid heeft dan een dubbele referentie, zou je kunnen zeggen: naar de taal en naar de werkelijkheid. Het is waar dat die man daar was. De uitspraak klopt, dat is het woord in het Nederlands. Uitspraak en werkelijkheid vallen samen. Dat is wat we meestal een feit noemen. Feiten zijn per definitie waar. En het is een feit dat de voortvluchtige man wegreed richting het noorden. De bewering beschrijft de werkelijkheid. Waarheid is een kwestie van overeenstemming, zoals de definitie of omschrijving dat zegt. En deze waarheidstheorie noemen we dan ook de correspondentietheorie: woord en werkelijkheid corresponderen met elkaar, ze stemmen overeen. Maar die woorden staan niet alleen tegenover de werkelijkheid, ze vormen er ook een onderdeel van en vandaar ook de onverbrekelijke samenhang.

-

Waarheidsdagers en waarheidsmakers
In de filosofie en met name de logica wordt soms een net iets andere opvatting van waarheid gehanteerd, een variant hierop. De waarheid wordt dan eenzijdig aan één zijde gelokaliseerd, in de taal. Je kijkt eigenlijk net de andere kant op: niet naar de werkelijkheid, maar naar wat normaal vanzelfsprekend is, de woorden over die werkelijkheid. Dat komt in het leven ook wel eens voor. Als iemand bijvoorbeeld van meineed wordt beschuldigd, verschuift alle aandacht naar de woorden die hij gebezigd heeft of de zinnen die op papier staan en die hij met zijn eed bekrachtigd heeft. Was het onwaar wat hij zei? Nog steeds gaat het om de overeenkomst, maar het zwaartepunt ligt nu bij de zin of de verklaring. Stel dat de pompbediende later voor de rechtbank verklaard heeft dat hij de man naar het noorden zag wegrijden, maar dat hij een maatje van de gezochte autodief was en in werkelijkheid gezien heeft dat de man bij de volgende afslag via een viaduct de andere baan nam en naar het zuiden reed, dan zal er heel nauwkeurig gekeken worden naar zijn uitspraken. Was wat hij verklaarde, letterlijk waar? Of wilde hij toch bewust iets misleidends formuleren? Dat soort dingen. Elke zin zal dan nauwgezet gewogen worden.

Ook in de filosofie gebeurt dat wel. Men onderscheidt dan vaak de letterlijke formulering van de inhoud. ‘Het regende’, ‘es regnete’ en ‘het bleef die dag niet droog’ betekenen dan hetzelfde, al kan de formulering variëren. En dan is de vraag dus of het ook echt regende. De voorbeelden in handboeken logica zijn vaak wat kinderlijk en het regent voortdurend in die geschriften. ‘Als het regent, worden de straten nat’, is ook al zo’n voorbeeld waar je als lezer enorm van opkijkt – goh, dat had je nou nooit gedacht. En de vraag is dan of die propositie dat het regent, waar is. Ik zal het in vervolg gewoon over beweringen of varianten daarop hebben, dat is een gebruikelijker woord in de alledaagse omgang. En de uitspraak ‘het regent’ is dan en alleen dan waar als het ook echt regent.

De zin waarin je zegt dat het regent, is dan de waarheidsdrager en het gegeven dat het buiten echt regent, is dan de waarheidsmaker, maar ook die formuleer je nog steeds als zin. (Meestal of althans vaak worden hier trouwens andere termen voor gebruikt, maar voor de gelegenheid ga ik nu met Ruttens gebruik mee, dat ik overigens weinig verhelderend acht, maar dat blijkt gaandeweg vanzelf wel.) Het gaat om twee keer dezelfde formulering of om dezelfde formulering, waaraan je twee aspecten onderscheidt: dat het een formulering is en dat er iets is waarnaar verwezen wordt. Het zijn geen termen die je voor de gewone omgang met waarheid nodig hebt. Wat dan samenvalt, wordt hier kunstmatig uit elkaar gehaald. En de waarheid wordt dus eenzijdig aan één zijde van de overeenkomst gelegd en niet in de overeenstemming zelf, zoals we gewoonlijk doen. Maar je kunt een dergelijk onderscheid kunstmatig maken.

Je vindt het ook bij de zogenaamde T-sentences van Alfred Tarski:

‘p’ is waar dan en alleen dan als (if and only if) p
‘Sneeuw is wit’ is waar dan en alleen dan als sneeuw wit is

Het gaat dan al snel om een waarheidsbegrip dat met het alledaagse weinig meer te maken heeft. Er zouden bijvoorbeeld maar twee waarheidswaarden bestaan: waar en onwaar, soms weergegeven als W en O of 1 en O (en nog op diverse wijzen: als er maar twee verschillende symbolen zijn). En je kunt dan de befaamde waarheidstabellen maken. In het dagelijks leven heeft waarheid daarentegen vele gradaties. Iets kan een beetje waar zijn of een halve waarheid. Als een getuige vertelt dat er een zwarte Skoda om de hoek kwam, kun je dat ontleden in ‘Er was een auto, die was zwart, het was een Skoda en hij kwam om de bocht.’ Je hebt dan al vier proposities en als het bijvoorbeeld om een Volkswagen ging, is de combinatie onwaar: drie keer waar (auto, zwart, kwam om de bocht), één keer onwaar (Volkswagen, geen Skoda), maakt de bewering samen onwaar. In werkelijkheid zullen we de mededeling voor waar houden, maar opmerken dat er een klein foutje rechtgezet moet worden.

Het gaat hier om een typische verdubbeling: de waarheidsdrager en de waarheidsmaker zijn beide p of ‘sneeuw is wit’, alleen zeg je van de eerste (of wat die draagt) nog eens expliciet dat die waar is. Maar in beide gevallen gaat hem beweringen die waar zijn of dat kunnen zijn en die allebei betrekking hebben op een (soms externe) werkelijkheid buiten de taal (althans in het voorbeeld) of die als zodanig waar zijn. En ja, de waarheidsmaker zelf wordt geacht buiten de taal te liggen, het is een feite een rare abstracte en overbodige term voor een specifiek stukje werkelijkheid dat een uitspraak waarmaakt, maar je kunt er in een tekst als deze toch niet anders verwijzen naar dan in taal (of in een concrete situatie door te wijzen: kijk maar, sneeuw is wit).

-

Historische waarheden
Welnu, bij dergelijke op zich wat omslachtige ideeën lijkt Emanuel Rutten aan te sluiten in zijn blogstukje ‘Waarheidsmakers van historische waarheden’ ook aan te sluiten. Zijn vraag is wat de waarheidsmaker van historische gebeurtenissen is. Wat maakt de uitspraak dat Nederland in 1974 het wereldkampioenschap voetbal van Duitsland verloor, waar? Maar eerst geeft hij nog een voorbeeld uit het heden.

‘De uitspraak ‘Mijn auto is blauw’ wordt waargemaakt door mijn blauwe auto. Mijn blauwe auto kan daarom de waarheidsmaker van genoemde uitspraak worden genoemd.’

Dit is evident onjuist. De waarheidsmaker van de uitspraak dat zijn auto blauw is of dat hij een blauwe auto heeft, is natuurlijk niet die blauwe auto, maar het gegeven dat hij de bezitter van een blauwe auto is. Een waarheidsmaker is in zijn omschrijving nadrukkelijk iets anders dan het bewijs dat hij een blauwe auto heeft of dat er ergens een blauwe auto op straat staat. Als we hem regelmatig weg zien rijden in een blauwe auto, geloven we zonder meer dat hij een blauwe auto heeft. Als de politie hem vraagt of die blauwe auto die hij wil ophalen uit een afgezette straat, van hem is, kan hij zijn papieren laten zien en aantonen dat die auto daar iets verderop met dat en dat kenteken van hem is. De zin beschrijft een blauwe auto en zijn relatie daarmee. En wat de bewering waarmaakt in zijn indeling, zijn niet die bewijzen zelf, maar de uitkomst – of vanaf de andere zijde gedacht: de bron – ervan: dat hij een blauwe auto heeft. Dat is een bewering die deels met een externe fysieke realiteit te maken heeft, die auto, en deels met opvattingen omtrent bezit.

Omdat de uitspraak in de tegenwoordige tijd is gesteld, is het huidige bestaan van die auto wel nodig, omdat ze anders immers niet gaat over een automobiel dat hij nu heeft. Maar als die auto per ongeluk onder een enorme betonplaat geplet wordt en met recht geen auto meer genoemd kan worden, dan kan hij met de papieren nog steeds aantonen dat die auto van hem was en dat hij nog recht op schadevergoeding heeft. De uitspraak verandert dan in ‘Mijn auto was blauw’ of ‘Ik had een blauwe auto’ en wat die zin waarmaakt, is dat hij een blauwe auto had.

Hier doet zich een vergissing voor in zijn tekst. Laten we het vervolg even lezen:

‘Welnu, het lijkt niet onredelijk om te beweren dat meer in het algemeen uiteindelijk iedere ware uitspraak een waarheidsmaker moet hebben. Zo’n waarheidsmaker moet dan natuurlijk wel bestaan. Iets dat niet bestaat kan immers niets, en dus ook niet iets waarmaken.’

Tja, dat is wel grappig: alsof een waarheidsmaker uit zichzelf ook maar iets zou kunnen en geen abstract verzinsel is dat een klein, specifiek deel van de werkelijkkeid waar een – naar we veronderstellen – ware uitspraak betrekking op heeft, aanduidt. Een waarheidsmaker is ondanks de antropomorfe beeldspraak – alleen mensen en misschien dieren maken dingen – toch niets anders dan een object van onze voorstellingen en geen handelend subject. En nee, de waarheidsmaker hoeft nu niet te bestaan tenzij het huidige bestaan geïmpliceerd is in de uitspraak. Het ligt er maar net aan of die over het heden of iets uit het heden of de toekomst of iets dat als zodanig geen tijdelijkheid kent, gaat.

Alleen de waarheidsdrager moet nu bestaan, maar dat is per definitie het geval omdat de waarheidsmaker qua formulering per definitie gelijk is aan de waarheid die gedragen wordt. Maar de blauwe auto is op zich geen waarheidsmaker, die is slechts een onderdeel van het bewijs. En als iemand zegt dat hij nu een blauwe auto heeft, moet hij inderdaad nu een blauwe auto hebben, maar als iemand zegt dat hij tot een gisteren een blauwe, nu niet meer bestaande, geplette auto had, is het alleen maar nodig dat hij tot gisteren een blauwe auto had. Hij moet daar bewijzen voor hebben, maar de bron daarvoor is de nogal kunstmatig geconstrueerde waarheidsmaker zelf (die vervolgens in woorden gevat niet afwijkt van de waarheid zelf). Hij had een blauwe auto.

Als een bewering waar is, is er volgens het analytische onderscheid per definitie een waarheidsmaker die daaraan qua formulering als waarheidsdrager identiek is, maar die zelf iets anders geacht wordt te zijn. Daarom schieten we ook niet zoveel op met die verdubbeling. Om vast te stellen of iets waar is, kijken we naar het bewijs. Als we willen weten of het echt regent in Groningen, kijken we bijvoorbeeld even op de buienradar. En als die een vlek laat zien boven de noordoostelijke provincie geloven we dat het daar regent. En dan is de uitspraak dat het in Groningen regent waar, en dan is de geformuleerde waarheidsmaker per definitie waar. Het regent dan namelijk in Groningen. Of anders gezegd: dan is er een werkelijkheid die die bewering waarmaakt. Nogmaals, de abstracte verdubbeling komt analytisch uit de gegeven verdeling voort en verwijst als zodanig wat betreft de dragende formulering niet meer naar een (eventuele) externe werkelijkheid dan de waarheid zelf dat doet: steeds dezelfde p. De waarheidsmaker staat als zodanig wel buiten de tekst, maar kan in de tekst toch niet anders dan op dezelfde wijze als de waarheidsdrager of door middel van die waarheidsdrager worden weergegeven.

-

Een verloren voetbalspelletje
De rest kunnen we nu snel afhandelen. Emanuel Rutten vervolgt zo:

‘Neem nu historische uitspraken, zoals de uitspraak dat Nederland in 1974 de WK finale verloor. Deze uitspraak is ontegenzeggelijk waar. Daarvoor is immers meer dan voldoende bewijsmateriaal. Het zou volstrekt onzinnig zijn om, gegeven al dit bewijsmateriaal, te betwijfelen of Nederland in 1974 het WK verloor.’

Dat klopt. Er zou aan die vaststelling nog van alles uit te leggen zijn, bijvoorbeeld hoe het komt dat we direct begrijpen wat Nederland hier betekent, niet het land, maar een elftal jongemannen die graag een potje voetbal speelden, en nog veel meer. Een historicus die over 5.000 jaar een snipper informatie dat Nederland in 1974 van Duitsland verloor, vindt, zal misschien uit moeten zoeken wat Nederland en Duitsland waren en zou bijvoorbeeld kunnen denken dat Nederland een oorlog van Duitsland verloor, vooral als hij ook nog ergens de uitspraak dat voetbal oorlog is, aantreft, maar dat is hier niet van belang. We begrijpen wat hier bedoeld wordt en we achten de uitspraak waar. Maar dan gaat het grondig mis. Rutten schrijft:

‘Maar, wat is dan haar waarheidsmaker? Welke bestaande stand van zaken maakt deze uitspraak op dit moment waar?’

Nee, die waarheidsmaker is er nu niet meer, maar dat hoeft ook helemaal niet. Wat deze geconstrueerde abstractie aanduidt, was er in 1974 (zoals we ook de verzuiling in de negentiende eeuw en beginnende twintigste eeuw kunnen spreken, terwijl het begrip van begin jaren vijftig is). Die als waarheidsmaker benoemde realiteit bestond, die bestaat niet meer, behalve dan in de vorm van de qua formulering identieke waarheidsdrager. Er was toen een werkelijkheid, een gebeurtenis, en daar komt het op aan, die de uitspraak van nu toen al waarmaakte. De uitspraak is er nu en die gaat over een gebeurtenis uit 1974. Wie een uitspraak over iets uit dat jaar doet, vindt wat die uitspraak waarmaakt, natuurlijk daar en niet in 1966 of in 2014. Een waarheidsmaker is immers niet meer dan een op zich volkomen overbodige theoretische abstractie voor dat waar je ware uitspraak over gaat.

En het aardige is dat het in dit geval, die verloren WK-finale, vanaf het allereerste begin een historische uitspraak betrof. Bij de geplette auto is een voormalig heden nog in verleden veranderd, maar hier ging de uitspraak direct over twee keer vijfenveertig minuten. Op het moment dat het fluitsignaal ergens tegen zes uur, schat ik zo in, klonk op zondag 7 juni 1974, stond vast dat Nederland van Duitsland had verloren, en pas dan stel je dat definitief vast, of concreter: pas toen stelde men dat definitief vast.

Uitslagen van voetbalwedstrijden zijn per definitie oordelen over wat voorbij is, het verleden, historische uitspraken. De waarheid van de zin werd door de voorgaande twee speelhelften bewezen en sindsdien is er aan deze historische vaststelling niets veranderd. Het enige dat nodig was, is dat ze overgeleverd werd. Ze was op zondagavond 7 juni 1974 waar en ze is nog steeds waar. Of je kunt nu een opname bekijken en dan opnieuw tot dezelfde conclusie komen. De uitspraak gaat over toen, over wat nu een ver verleden is. Alleen de formuleringen kunnen veranderen. Het is dit jaar ruim 37 jaar geleden dat Nederland de WK-finale verloor en in 2024 zal het 50 jaar geleden zijn. Dat kun je nu al zien aankomen en in die zin kun je hiermee meteen een uitspraak over de toekomst doen, die zonder meer waar is.

-

Zoeken onder een lantaarnpaal
Het misverstand was al dat Rutten de waarheidsmaker van de bewering dat hij een blauwe auto heeft, in die auto zocht, want het bestaan daarvan vormt hooguit een onderdeel van het bewijs dat hij nu een blauwe auto heeft, maar als hij door zou redeneren, zou de waarheidsmaker – dus niet de zin die ook weer de waarheidsmaker draagt, maar dat waar die zin over gaat – van de uitspraak dat Nederland de WK-finale in 1974 verloor, dan op zijn minst in 1974 moeten liggen. Maar de waarheidsdrager – of dat aspect van een en dezelfde zin – bestaat, die is er nu en die zin verwijst nu naar een gebeurtenis uit 1974. Het is dan ook merkwaardig dat hij die externe waarheidsmaker hardnekkig in het heden zoekt als hij daarmee niet op de zin, maar op dat waar de zin over gaat, doelt. Het is even willekeurig en ongerijmd als de waarheidsmaker in 534 of in Taiwan te zoeken.

Het is als met de man die zijn autosleuteltjes onder een lantaarnpaal staat te zoeken en op de vraag of hij zeker weet dat ze hier moeten liggen, antwoordt: ‘Nee, ik moet ze honderd meter verderop verloren hebben, maar daar is het te donker, hier is tenminste licht’. Ook verderop blijft Rutten hardnekkig zoeken naar een waarheidsmaker die in het heden zou moeten bestaan, maar zelfs binnen zijn eigen indeling zou hij naar iets moeten zoeken dat ooit bestond of beter gebeurde, want een wedstrijd kenmerkt zich door en handelingen en gebeurt dus. En deze gebeurde dus, want die is voorbij.

Maar het hele idee dat een analytisch onderscheid ontologisch geworteld zou moeten zijn in een heden, is al een denkfout. De waarheid van de uitspraak is geworteld in gebeurtenissen in 1974. Daar gaat de uitspraak namelijk over. De uitspraak verwijst naar gebeurtenissen die toen plaatsvonden en de zogenaamde waarheidsmaker bestaat uit die samenhangende gebeurtenissen, al kennen we hem slechts in taal als een analytische verdubbeling van een uitspraak die nu (nog steeds) gedaan wordt. In die zin bestaat hij nu, net zoals de uitspraak dat zijn auto nu blauw is, als zin, en als je die uitspraak nu formuleert, wordt hij waarheidsdrager genoemd. De ware uitspraak zelf gaat over 1974 en daar is geen enkel probleem bij.

De rest is niet van belang. Rutten heeft het over de vraag of het verleden bestaat, maar dat is een heel andere vraag, waar van alles over te zeggen valt. Ja, het verleden bestaat, zoals de toekomst bestaat en het verleden gaat over dingen die vroeger gebeurden en de toekomst gaat over dingen die nog zullen gebeuren. Als hij zelf stelt dat het absurd is om aan de bewering dat het verleden bestaat, dezelfde betekenis toe te kennen als aan de uitspraak dat protonen bestaan, is de enige logische conclusie om dan twee verschillende betekenissen te onderscheiden. Hij moet zelf maar uitmaken of dat iets zegt over zijn geliefde univociteit van het bestaan. Ik vrees voor hem van wel, want juist vanwege de eerder in dat korte stukje geponeerde eenduidigheid van bestaan weigert hij kennelijk, via de opgevoerde denkbeeldige dwaas, de volstrekt voor de hand liggende gevolgtrekking te maken dat hier sprake is van een andere betekenis.

Ons bestaan is tijdelijk van aard. Die wedstrijd is voorbij. Ze werd ooit gespeeld, nu herinneren mensen zich die nog en ligt er in beeld en geschrift van alles over vast. De vraag wat het verleden dan is, of waar het dan is, heeft niets te maken met de vraag wat er op een grasveld in München op een junidag in 1974 gebeurde. Die dag is voorbij. Ze behoort tot de geschiedenis. En de waarheid van de bewering dat er in 1974 iets gebeurde, wordt niet bepaald door een verleden dat nu zou bestaan, maar door concrete gebeurtenissen die toen plaatsvonden.

-

Tijd
Ik vermoed dat veel van de misverstanden rond de discussie van gisteren en eergisteren over bestaan te maken hebben met Ruttens verwarring omtrent de tijdelijkheid van veel dat bestaat. Sommige dingen bestonden, ze bestaan niet meer. Sommige dingen bestaan, maar ze zullen over een tijdje niet meer bestaan. Zijn blauwe auto zal een keer naar de sloop gaan. Dan had hij een blauwe auto, dan heeft hij geen blauwe auto meer. Maar misschien koopt hij dan een andere auto, misschien wel een rode of een gele, en dan zal hij mogelijk een rode of gele auto hebben. Als hij vast voornemens is die te gaan aanschaffen, kan hij zeggen: ‘Over een week zal ik in een zwarte BMW rijden’. En die uitspraak zal dan een week later waargemaakt worden door het feit dat we hem in een zwarte BMW voorbij zien komen. ‘Je had gelijk’, zeggen we dan.

Ik geloof er niets van dat een auto met een korte levensduur op dezelfde wijze bestaat als de tijd bestaat of de wereld of het heelal of het verleden of de toekomst. Natuurlijk kun je stipuleren dat zowel het bestaan van die huidige blauwe auto als de tijd eenduidig is, maar ik heb geen idee wat je dan meedeelt. Wat voegt die bewering toe aan ons inzicht omtrent de werkelijkheid die we aantreffen? En hoe verdisconteer je daarin dat dinosaurussen ooit bestonden, maar nu niet meer? Of dat er in 1974 een voetbalwedstrijd plaatsvond? Is bestaan, bestaan hebben (geweest zijn, geleefd hebben) en bestaan zullen dan ook univook, eenduidig? Hoe zit het met worden of vergaan? En wat zeg je daar dan mee?

De tijd, dat is het probleem, zij het niet het enige in de beschouwingen van Rutten. Sommige dingen bestaan kort, andere hebben een lange duur en buiten de tijd, waarvan we zinvol kunnen zeggen dat die bestaat, kunnen we niet eens kijken.

En over de ‘herinneringen van God’, waar Rutten over fantaseert, kunnen we al helemaal niets zeggen. Wij mensen weten daar niets van.

(40)

[Gepubliceerd: woensdag 21 december 2011, 8.59 uur, licht herzien rond 9.35 uur.]

19 december 2011

Over vliegende roze olifantjes, zijn en niet zijn. En of bestaan univook is.

.:.

Ooit stond mijn bureau ergens boven de twintigste verdieping pal naast het raam. In de verte kon je zien of de vlag op Huis ten Bosch wapperde. Het uitzicht was vooral weids, maar er kwam ook wel eens wat voorbijvliegen. Meeuwen vooral, het was niet ver van zee. Maar op een dag leek het alsof de oorlog was uitgebroken. Gelukkig bleek het Veteranendag te zijn en wat we zagen, was vooral de verwijzing naar vroegere, voorbije oorlogen (al doen we er altijd nog, matigjes, mee aan eentje in Azië, oude traditie). Kortom, er kwamen soms vreemde dingen voorbij dat raam, maar een roze vliegend olifantje was daar nooit bij.

Roze olifant. Deze kan niet vliegen. En hij kan ook niet trompetteren. Hij bestaat wel. (foto: Anne Burgess)

Dingen die niet bestaan
Ik weet niet wat u zoal ziet als u wel eens gedachteloos uit het raam staart, maar ik vermoed dat u zo’n grappig en ongetwijfeld vriendelijk beest ook nog nooit voorbij hebt zien vliegen. Of denkt u dat vliegende roze olifantjes wel degelijk bestaan? En zo zijn er meer van die vragen. Bestaan er deeltjes die sneller dan het licht gaan? Bestaan er eenhoorns? Bestaan zuivere driehoeken? Bestaat het perpetuum mobile? Bestaat het befaamde Monster van Loch Ness eigenlijk wel? Hoe zit het nu werkelijk met Sinterklaas?

Ik zou zeggen dat op de meeste van die vragen het antwoord een eenduidige ontkenning is. Olifanten zijn niet roze en ze kunnen niet vliegen. Dat zit er nu eenmaal niet in bij olifanten. Daar zijn ze te zwaar voor en ontbreekt het hun aan natuurlijke hulpmiddelen om zich ver van de aardbodem te verheffen. Of er neutrino’s of deeltjes bestaan die sneller dan het licht gaan, is nog omstreden. Men heeft ze gemeten, maar ook de fysici die dat gedaan hebben, denken zelf eigenlijk dat hun waarnemingen niet kunnen kloppen. En andere onderzoekers denken dat inmiddels ook. En de eenhoorn is vanouds hét voorbeeld van een dier waar veel over gesproken is, maar dat toch maar niet gevonden kon worden. Met zuivere driehoeken ligt het al weer lastiger, maar de geodriehoeken die u bij de Hema of de Axion kunt kopen, zijn toch net niet helemaal zuiver, vrees ik, althans in de ogen van strenge wiskundigen. Ook het perpetuum mobile is nog steeds niet uit de ontwikkelingsfase. En het Monster van Loch Ness, is dat inmiddels niet onopvallend een stille dood gestorven? Gevangen is het in ieder geval nog steeds niet. En Sinterklaas? Tja, in menig kinderleven breekt het moment van de harde conclusie aan dat de goedheiligman toch werkelijk niet bestaat.

Die dingen, dieren en mensen bestaan dus niet. En toch bestaan ze op een bepaalde manier ook weer wel. Het roze vliegende olifantje is inmiddels een bekende figuur en u las er hierboven vast en zeker niet voor het eerst over. Ik heb het niet verzonnen. De vraag of het toch misschien zo zou kunnen zijn dat neutrino’s onderweg van Genève naar Gran Sasso in Italiaanse bodem de maximumlichtsnelheid hebben overschreden, heeft de afgelopen maanden heel wat pennen en tongen in beweging gezet. En over eenhoorns zijn heel wat boeken volgeschreven. En wiskundigen en scholieren kunnen zich wel degelijk zuivere driehoeken voorstellen. Het plaatje in het leerboek mag dan fysiek, als je er een microscoop boven zet, onvolkomen zijn, je kunt je die figuur wel degelijk voorstellen. En een zoekopdracht naar afbeeldingen van het perpetuum mobile levert meteen resultaten op, al is het wat verdacht dat al die apparaten er nogal verschillend uitzien. Het Monster van Loch Ness is een befaamde casus uit de wetenschap der cryptozoölogie. En Sinterklaas, ja Sinterklaas? Ja, die hebben we toch allemaal de afgelopen weken weer regelmatig gezien? Zelfs de Tweede Kamer heeft de verdwijning van zijn paard nog besproken. En de minister ondernam snel actie.

-

Univociteit
Er is een beroemd opstel over deze vragen. Het heet ‘On What There Is’ en het is van William Van Orman Quine (25 juni 1908, antikerstmis – 25 december 2000, kerstmis) en hij was de grootste filosoof van de twintigste eeuw, maar daar zijn er, zoals dat onder wijsgeren gaat, gelukkig heel veel van – Ludwig Wittgenstein en Martin Heidegger zijn ook goede (of volgens sommigen dan weer: slechte) kandidaten. Quine was zeker de saaiste van het stel: geen geestlozere autobiografie dan The Time of My Life (1985), waarin hij vertelt wanneer hij welk land bezocht en werkelijk niets, maar dan ook volstrekt niets mee te delen heeft over wat hij daar dan zag. Onleesbaar, terwijl er geen onbegrijpelijke zin in staat, voor zover ik dat tenminste hapsnap gecontroleerd heb. Maar dit terzijde. Dat opstel dus, dat in 1948 in een tijdschrift verscheen en in 1953 in From a Logical Point of View, een titel naar een liedje dat hij Harry Belafonte had horen zingen, werd gebundeld en dat na zijn dood nog eens werd opgenomen in Quintessence (2004), een boek waarin zijn beroemdste artikelen zijn verzameld. Quine komt in dat stuk tot deze schokkende vaststelling:

‘To be assumed as an entity is, purely and simply, to be reckoned as the value of a variable.’

Als ik mezelf flink op de kast wil jagen, herlees ik dat stuk nog wel eens. Ik ga daar nu verder aan voorbij. Dit keer reageer ik op een blogstuk van de filosoof Emanuel Rutten: Bestaan is univook. Het telt slechts 247 woorden en u moet dat eerst maar even lezen. De eerste regels komen direct ter zake:

‘Het lijkt mij redelijk om te zeggen dat iets wel bestaat of niet bestaat. Bestaan is niet iets dat gradaties kent. Het begrip ‘bestaan’ is derhalve niet analoog, maar univook. ‘

Eerst maar even over dat woord, univook. Het is geen term die de meesten van ons dagelijks in de mond nemen. Het staat ook niet in alle woordenboeken, tenminste niet in mijn Dikke Van Dale uit 1976. Rutten vertaalt het als eenzinnig. Mijn Van Dale kent wel univociteit en dat omschrijft dat woordenboek als ‘eenduidigheid, het tegendeel van equivociteit.’ Univook zou dan dus eenduidig zijn. Het verschil met eenzinnig is niet groot. Het aardige is dat een handwoordenboek Frans dat ik hier bij de hand heb, ook al van Van Dale trouwens, maar dan de later bedachte firma, univoque vertaalt als ‘eenduidig → eenzinnig’. Dat zit dus wel goed. En het grappige is dat mijn Van Dale, de echte uit 1976 dus, wel verwijst naar equivociteit, waar univociteit het tegendeel van zou zijn, maar dat woord dan weer niet heeft. Maar op de plek waar men het zoekt, vindt men wel equivoque en dat wordt weer omschreven als dubbelzinnig en als zelfstandig naamwoord betekent het ‘dubbelzinnigheid, dubbelzinnig gezegde, onbetamelijke woordspeling’. Laten we ons hier tot het betamelijke beperken. Wat de juiste spelling is, weet ik niet: univook en equivook of univoque en equivoque. Het Groene Boekje kent beide woorden niet. Ik volg Rutten, maar het gaat natuurlijk niet om het woord, maar om het begrip. En of bestaan dat is, univook, waarbij ik er gemakshalve maar van uitga dat bestaan en zijn hier begripsmatig uitwisselbaar zijn, al kun je beide woorden niet altijd in elke zin door het andere vervangen. Als iets bestaat, is het. Als iets is, bestaat het.

-

Fysiek en geestelijk
Bestaan kent geen gradaties, betoogt Rutten. Iets bestaat of het bestaat niet. Iets is of het is niet. Is dat zo? Ik zou zeggen dat het net een tikkie ingewikkelder ligt en daarom gaf ik al die voorbeelden van dingen die niet bestaan, maar waarover we toch kunnen spreken en waarbij we ons toch van alles kunnen voorstellen. Al die dingen bestaan niet, stelde ik vast, en toch bestaan ze op een bepaalde manier ook weer wel, namelijk als dingen waarvan we kunnen zeggen dat ze niet bestaan. Van mijn zeven voorbeelden veronderstellen er een stuk of vijf een fysiek, ruimtelijk bestaan. Roze olifantjes hebben een lichaam en dat geldt ook voor eenhoorns, het Monster van Loch Ness en Sinterklaas, tenminste als ze werkelijk zouden bestaan. Dat olifanten zouden kunnen vliegen, is een voorstelling die niet door de praktijk wordt bevestigd. Neutrino’s bestaan wel, tenminste dat neem ik maar even op gezag van geleerde geesten aan, maar het is nog maar de vraag of ze harder dan het licht kunnen. En driehoeken, die zie je op straat in de vorm van verkeersborden en je kunt ze in de winkel kopen, maar zuivere driehoeken bestaan alleen maar als voorstelling.

Maar, en dat is mijn punt, al deze niet bestaande dingen of dieren of mensen bestaan niet in het echt, zoals we dat zeggen, maar wel in onze gedachten of voorstellingen. We weten waar we het over hebben en we kunnen er lange verhalen over houden. Ik zou dus zeggen dat er minstens twee bestaanswijzen zijn: een fysieke, ruimtelijke, en een geestelijke, onruimtelijke. Ja, dat is zo ongeveer het beroemde onderscheid dat Descartes al maakte tussen res extensa en res cogitans. Het enige verschil is dat ik niet denk dat ze op dezelfde wijze naast elkaar, onverbonden of vrijwel onverbonden, bestaan. Gedachten en voorstellingen bestaan, voor zover we weten, niet zonder fysieke of lichamelijke dragers, waarbij ik een mogelijk onderscheid tussen dode dingen en levende organismen, planten, dieren en mensen maar even buiten beschouwing laat.

En gedachten en voorstellingen – en u mag hier zelf nog allerlei termen bij verzinnen – worden op twee wijzen gedragen: door levende mensen bijvoorbeeld, die erover kunnen praten, en door of op dode materie. De Dode Zeerollen of de geschriften van Nag Hammadi lagen lang in grotten of onder het zand verborgen, maar toen men ze eenmaal vond, kon men de betekenis van de letters ontcijferen, zoals u nu de betekenis van deze lettertekens op uw scherm, dat in ieder geval niet leeft, zoveel is wel zeker, ook kunt begrijpen. Je zou een onderscheid kunnen maken tussen objectieve en subjectieve geest, maar voor het vervolg heb ik dat nu niet zo nodig. Het gaat mij om het grote onderscheid tussen fysicaliteit in ruime én ruimtelijke zin enerzijds en geest anderzijds, waarbij geest zonder fysieke drager bij ons weten niet voorkomt. Alleen God stellen we ons als zuivere geest voor, ook al komen er in het Oude Testament en elders ook wel degelijk fysieke, lichamelijke voorstellingen van God voor. Maar ook dat thema laat ik nu maar even buiten beschouwing.

-

Plaatjes kijken
Ik zou dus zeggen dat bestaan of zijn niet eenduidig is. Dingen bestaan fysiek of ze bestaan geestelijk. Dingen die niet bestaan, bestaan op het moment dat we ze verzinnen of erover praten, wel degelijk in onze geest: als fysiek niet bestaande dingen bijvoorbeeld, terwijl we misschien ook nog wel geestelijk niet bestaande dingen kunnen verzinnen, zoals een vierkante driehoek of de kwadratuur van de cirkel. Er is daarbij mogelijk een zeker verschil tussen olifanten, die begripsmatig al verondersteld worden een nogal log lichaam en een kenmerkende slurf te hebben, en zuivere driehoeken die helemaal niet geacht worden ook fysiek te bestaan, groot is dat niet. Het gaat om wat we ons voor kunnen stellen. En hoewel het ons niet zal lukken een driehoekige rechthoek te tekenen, lukt het ons wel die in woorden te verzinnen – deze zin is het bewijs. En door te combineren kunnen we ons heel veel voorstellen. Ik heb al eens eerder betoogd dat het vrijwel onmogelijk is om geen originele zinnen op te schrijven. De menselijke geest schept steeds nieuwe dingen. De mogelijkheden zijn oneindig, waarbij die voorstellingen, vaak of misschien wel per definitie, dat weet ik even niet, wel weer in onze fysieke ervaringen geworteld zijn. Wij mensen zijn geen geesten, wij hebben een lichaam. En een geest.

Neem eens dit. Kleine kinderen leren we hoe de wereld in elkaar zit door met hen plaatjesboeken door te nemen. Misschien is er geen beter empirisch bewijs voor het idee dat dingen een platonische essentie hebben, want ook tamelijk abstracte plaatjes die weinig op de ‘werkelijkheid’ lijken, herkennen ze feilloos. Met een groene leeuw of een pimpelpaarse giraffe hebben ze geen enkele moeite. Maar ook dat terzijde. De plaatjes. Je laat een bladzijde zien met een kat en je vraag wat dit is. ‘Een poes.’ Volgend plaatje. ‘Een schaap.’ Bladzijde om, nog een afbeelding. ‘Een koe’. ‘Heb je wel eens een koe gezien?’ ‘Ja hoor, gisteren nog, heel veel koeien.’ ‘Waar dan?’ ‘Nou, toen we gingen wandelen, bij de molen’. Elk kind legt de relatie moeiteloos. Het ziet een koe in het boek en het weet wat echte koeien zijn. Zijn die beide koeien dan op dezelfde manier? Nee toch?

Je kunt zeggen: ja, maar als je wijzend op de afbeelding in het boek zegt ‘dit is een koe’, dan bedoel je in werkelijkheid: ‘dit is een plaatje van een koe’. Het zijn is het zelfde, maar het woord koe is hier een afkorting voor afbeelding van een koe. René Magritte met zijn Ceci n’est pas une pipe dus. Ik had die afbeelding hierbij kunnen doen, als ik die niet al eerder gebruikt had. Nee, dat is inderdaad geen pijp, maar een schilderij van een pijp. Ruud Kaulingfreks schreef er ooit een proefschrift over Meneer iedereen. Over het denken van Rene Magritte (1984), maar dat heb ik natuurlijk weer niet gelezen. Maar is het waar? Zien we geen pijp? Nee, zou ik zeggen, we zien wel degelijk een pijp, zoals het kind in zijn plaatjesboek wel degelijk een koe ziet. Dat het om een schilderij of een boek gaat, is namelijk voorondersteld. Het kind beseft echt het verschil wel tussen de wereld van de voorstellingen en de wereld daarbuiten, bij de molen, waar de koeien in het land grazen. Wat hij ziet, is een koe en geen plaatje van een koe. En wat we bij Magritte zien, is een pijp en geen afbeelding van een pijp. We bevinden ons in een andere wereld. Of binnen een andere afdeling van onze ene wereld, zo kun je het ook zeggen. Er is de wereld van de ruimte en het fysieke en er is de wereld van de geest, ook zoals die zich op papier of beschilderd linnen aan ons voordoet. Die koe en de pijp bestaan wel degelijk, maar op een andere wijze als de koe in de wei of de pijp van opa.

-

Gedifferentieerde ontologie
De kaart is niet het gebied. Maar op de kaart zien we wel degelijk hoe de omtrekken van het IJsselmeer eruit zien of hoe de Rijn zich vertakt in de voorzetting van zichzelf en de Waal. En wat we in de wereld van de geest zien, kan daarbuiten in het echt, fysiek, ook bestaan, de olifanten in de dierentuin, en het kan ook niet bestaan, het roze vliegende olifantje. En ook dat onderscheid leren kinderen al snel. Sinterklaas bestaat niet in het echt, maar als cultureel en historisch fenomeen bestaat Sinterklaas wel degelijk. En later vermommen sommigen van hen zichzelf als Sinterklaas en ze weten hoe dat moet, want ze hebben een heldere voorstelling hoe die niet bestaande Sinterklaas eruit hoort te zien. Sinterklaas bestaat niet, maar er bestaan heel veel Sinterklazen, die elk jaar die rol weer met plezier vervullen.

De wereld van de geest en de wereld van de fysieke ruimtelijkheid horen samen. Abstract taalgebruik heeft een metaforische onderlaag. Je hebt lageropgeleiden en hogeropgeleiden en op een schema zet je de universiteit boven het vwo en daaronder maak je dan weer een hokje voor de basisschool. En zonder een plaatje van een driehoek leren we nooit ons een zuivere driehoek voor te stellen, zoals we ook met blokken of autootjes leren om een, twee en drie te onderscheiden. En in de wereld van de geest of de fantasie en het verlangen maken mensen, vrouwen of modeontwerpers in dit geval, zich een voorstelling van een mooie nieuwe jurk, tekenen een patroon en zetten ze zich achter de naaimachine of, nog vaker, zetten iemand anders erachter. Of ze, mensen dus, stellen zich voor hoe hun nieuwe huis eruit moeten zien en vragen een architect om hun droomwoning te ontwerpen en vertellen hem wat ze voor ogen hebben.

Bestaan is dus meerduidig, zou ik zeggen, al weet ik niet hoe je dat verder moet benoemen. Zonder een gedifferentieerde ontologie komen we er niet. Dingen bestaan op verschillende wijzen, op zijn minst op twee, misschien op meer, maar dat is een aangelegenheid van latere zorg. Ik weet niet of we nader moeten onderscheiden tussen dode dingen en levende dingen, tussen voorstellingen van dingen die ook fysiek bestaan (leeuwen, planeten), die ook geestelijk bestaan (priemgetallen) en die niet bestaan (eenhoorns, natuurlijke getallen tussen acht en negen). Of tussen dingen die geestelijk op actualisering liggen te wachten (manuscripten en oude tijdschriften in een bibliotheek, archiefstukken) en dingen die we ons nu herinneren en waarover we kunnen praten.

-

Het verleden
Emanuel Rutten eindigt zijn stukje met een passage over het verleden en of dat bestaat. Daar is het hem kennelijk ook om te doen. Later hoop ik nog eens terug te komen op zijn vraag naar wat de ‘waarheidsmakers’ van ware historische uitspraken zijn. Ik geloof dat ik die term, waarheidsmaker, wel begrijp en dat hij mogelijk in een bepaalde, beperkte context ook wel begrijpelijk en bruikbaar is, maar dat ze uitgaat van een niet geheel adequaat waarheidsbegrip en met name van een onjuiste lokalisering van waarheid in taal of in proposities – ik zal meteen maar bekennen dat ik hierover vroeger ook onjuiste dingen geschreven heb – en daarom ga ik daar nu aan voorbij. Ik hoop daar nog eens op terug te komen.

Bestaat het verleden? Nee en ja dus. Eerst het eerste antwoord. Nee, als zodanig bestaat het verleden niet. Het is namelijk voorbij. Daarom is het ook het verleden. Als ik zojuist uit de supermarkt terug kwam, dan bevond ik mij misschien tien minuten geleden op het zebrapad op de Wibautstraat en men had daar een – overigens weinig spectaculaire – foto van kunnen maken. Het kan zijn dat een kennis mij daar heeft zien lopen en kan bevestigen dat ik daar om dat en dat tijdstip was en dat het dus volstrekt onmogelijk is dat ik op dat zelfde tijdstip op het Neude in Utrecht wandelde. Maar het is voorbij. Ik zit nu hier achter mijn laptop te schrijven en op het moment dat u dit leest – als u tenminste zover gekomen bent –, ben ik misschien wel bezig de afwas te doen of even een krant halen bij de sigarenboer. Dat is de tijd: de dingen gaan voorbij. En dingen komen.

De huidige Wibaustraat is een weg met twee banen en vier rijstroken. Men kan even gaan kijken om te controleren of het klopt wat ik zeg. Maar tot 1939 lag er op die plek een spoorweg en iets verderop, op wat nog steeds het Rhijnspoorplein heet, stond tot dat jaar het Weesperpoortstation. Die spoorweg en dat station bestonden ooit, maar ze bestaan niet meer. De rails zijn weggehaald en het stationsgebouw is afgebroken. Ze bestaan echt niet meer. Op de plek waar ik nu woon, stonden ooit andere panden. In de jaren tachtig heb ik gezien hoe ze afgebroken werden en hoe op het eind zelfs een heel sloopblok op een nacht in de fik stond. Ik heb gezien hoe de plek waar ik nu woon, een vlakte was, waar het grondwater tot bijna op straathoogte stond en daarna heb ik gezien hoe hier nieuwe woningen gebouwd werden. Ik heb op de steigers gelopen om uit te zoeken in welk appartement ik het liefst wilde wonen. Ik heb gezien hoe een oud fabrieksgebouw op het binnenterrein een paar meter achter mijn balkon werd afgebroken. Het bestond ooit, het bestaat niet meer. Bijna nooit denk ik eraan, maar in het gemeentearchief is vast en zeker nog documentatie te vinden over de bouw en het gebruik in de loop de jaren. Dodo’s, lievelingsdieren van Boudewijn Büch, die ook al niet meer leeft – ik zie nog voor me hoe we vanaf onze postie op een terras hem niet lang voor zijn dood in 2002 met twee plastic zakjes met boeken eenzaam over de Torensluis op weg naar huis zagen lopen – leefden ooit. Nu bestaan ze niet meer. Ze zijn uitgeroeid. De trekschuit bestond ooit, als vervoersmogelijkheid. Nu bestaat een enkele trekschuit alleen nog in het museum.

In die zin bestaat het verleden dus, als voorstelling, als verhaal en als betrouwbaar verhaal. Dat is dus het tweede antwoord: ja, het verleden bestaat in de vorm van verzamelde, beschikbare en steeds herordende en vernieuwde kennis. Niemand zal in ernst kunnen beweren dat Jezus of Willem van Oranje niet bestonden. Daarvoor is het bewijs dat ze ooit leefden, te sterk. Een geschiedenis van Nederland zonder Oranje is niet eens denkbaar. In de middeleeuwen bestond Nederland nog niet, ten tijde van de Slag bij Nieuwpoort wel zo ongeveer en zeker bestaat het huidige koninkrijk sinds 24 augustus 1815. Eens bestond het niet, nu bestaat het en eens zal het naar alle waarschijnlijkheid niet meer bestaan. Opgaan, blinken en verzinken, zoals Willem Bilderdijk het in 1811 formuleerde, dat is geschiedenis. Het is zelfs het lot van iedere dag, zoals de dichter schreef en declameerde. Sommige dingen bestaan maar kort, andere hebben een lange duur. En het verhaal van die geschiedenis bestaat, als voorstelling, en dat verhaal kan op vele manieren verteld worden, maar er is een harde kern. Het verleden bestaat in die zin dat het ging over mensen, en ook wel dingen, die ooit bestonden en soms niet meer bestaan en soms ook nog wel. Wij hebben er weet van.

-

Geen predicaat 
Het Rijksmuseum bestaat, al kun je al jarenlang maar in een klein gedeelte terecht als bezoeker. Bestond het in 1886? Ja, want een jaar eerder werd het geopend. Bestond het in 1844? Jazeker, want Potgieter bezocht het toen en schreef er een beroemd opstel over. Maar de kans is dus groot dat je in beide vragen iets anders bedoelt. In het eerste geval gaat het om het huidige gebouw, in het andere om de instelling, die toen in het Trippenhuis, dat trouwens ook nog steeds bestaat, gevestigd was. Maar in 1745 bestond het Rijksmuseum nog niet, omdat het pas in 1800 werd opgericht, als instelling en dan ook nog onder een andere naam, Nationale Kunstgalerij. In hoeverre gaat het bij de instelling en het gebouw om een zelfde wijze van bestaan? Heeft het eigenlijk wel zin om over de univociteit van bestaan of zijn te spreken. Wat zegt bestaan eigenlijk?

Niet veel, denk ik. Bestaan of zijn is geen predicaat, in de zin dat het iets kenmerkends meedeelt, een eigenschap of zo. Je kunt van iemand zeggen dat ze bruin haar heeft, of van Barack Obama dat hij de vierenveertigste president van de Verenigde Staten is, en dan deel je iets wezenlijks of kenmerkends over hen mee. Maar wat deel je mee als je zegt dat mensen bestaan? Niet veel, want dat wisten we al. Het is als met waarheid. De vraag ernaar is alleen interessant als die omstreden is. Waarheid wordt verondersteld. We zeggen niet bij elke mededeling dat die waar is. Daar gaan we vanuit. Pas bij twijfel of ontkenning zeggen we dat iets echt waar is. ‘Heus, ik houd je niet voor de gek.’ En zo is het ook bij zijn of bestaan. Dat mensen of bloemen bestaan, is niet interessant. Dat eenhoorns niet bestaan, was dat ooit wel. Was het niet mogelijk dat de verhalen teruggingen op waarnemingen van mensen die ze ver weg ooit gezien hadden? Sommigen vinden de vraag of Atlantis, waar Plato het al over had, nu echt bestaan heeft, of niet, nog steeds de moeite waard.

Ook de toekomst bestaat op die manier. Niet als iets dat er is, maar als iets waar we ons voorstellingen van maken, vaag vaak, maar toch. Dat Nederland nog bestaat in 2020, lijkt waarschijnlijk, maar is niet zeker. Of de euro eind 2012 nog zal bestaan, is al weer een heel andere vraag. Op veel kaartjes van IJburg zijn de oostelijke eilanden ingetekend. Ooit dachten we dat die er zouden komen. En als we op de Bert Haanstrakade over het water van het Markermeer uitkeken, stelden we ons voor hoe daar verderop nieuwe huizen zouden verrijzen. Nu houden we het mogelijk dat die eilanden en die huizen er niet meer komen, en we kijken dus met een andere verwachting.

We stellen ons voor dat er een dag zal komen dat mensen niet meer in benzineauto’s zullen rijden, op enkele liefhebbers van oldtimers na dan, omdat er andere middelen van aandrijving zijn ingevoerd. We stellen ons dingen voor die er nog niet zijn, maar waar we al wel zekere ideeën over hebben, en we stellen ons voor dat er nog allerlei nu ongedachte uitvindingen gedaan zullen worden. En we stellen ons voor dat van alles dat er nu is, er ooit niet meer zal zijn. Wij – ik laat de kinderen van nu buiten beschouwing – zullen er over een eeuw niet meer zijn, althans niet hier op deze aarde – en van de bespreking van mogelijk andere bestaanswijzen in een hiernamaals, zie ik nu even praktisch af. ‘Elk afscheid betekent de geboorte van een herinnering’, citeerde ik eerder de dankkaart na de begrafenis van Jan Sperna Weiland. Mensen leven na hun dood voort in onze harten, omdat ze daar ook voor hun dood al in present waren. Ze leefden, zij leven nu niet meer. Ze bestonden, ze bestaan niet meer – niet meer als mensen van vlees en bloed, maar wel op die andere wijze in onze gedachtenis.

-

In het geding
Bestaat de tijd? Ja. Maar op dezelfde manier als waarop mijn ouder wordende laptop bestaat? Lijkt me niet. Als bestaan niets prediceert, heeft het ook weinig zin om te zeggen dat het eenduidig is. De vraag is pas interessant als het gaat om de vraag of iets wel of niet bestaat en dan op de wijze zoals in het begrip gegeven is. Mensen bestaan, maar bestaan er werkelijk mensen die denken dat de maan van kaas is. Echt? Nu nog? August Willemsen beschrijft in zijn Braziliaanse brieven (1985) ergens hoe hij iemand tegenkomt die niet weet dat hij in Brazilië woont. De man heeft nog nooit van een kaart of een atlas gehoord en begrijpt er niets van als Willemsen hem zoiets voorhoudt. Hij heeft werkelijk geen idee hoe de wereld in elkaar zit. Zo’n man bestaat dus en dat is een nieuwe mededeling. Of bestond – want we weten niet of hij nog leeft.

De vraag naar het zijn is alleen van belang als het zijn of niet zijn in het geding is. Of iets nu bestaat of niet. En of iets bestond of niet. En soms ook of iets in de toekomst zal bestaan of niet. Is dit of dat mogelijk of denkbaar of niet?

-

Verschil in zijnswijze
Misschien had ik dit ook korter af kunnen doen. Emanuel Rutten schrijft namelijk zelf:

‘Ik meen dan ook dat alle ogenschijnlijke analoge duidingen van de term ‘bestaan’ na analyse slechts neerkomen op verschillen in zijnswijze, op verschillen in type zijnde, en dus niet op een verschil in zijn.’

Kortom, hij heeft het hier zelf over over ‘verschillen in zijnswijze’, maar als er een verschil is in de wijze waarop iets is, is dan dat zijn ook hetzelfde? Een verschil in de wijze van bestaan of zijn is méér dan een verschil in type zijnde, zou ik zeggen. Of je definieert zozeer elke betekenis weg uit zijn of bestaan, dat je er helemaal niets meer over kunt zeggen en dat de bewering dat bestaan univook of eenduidig is, een a priori gegeven stipulatieve definitie is, waar geen nadere discussie meer over mogelijk is. Maar dan zegt de bewering ook helemaal niets meer. Zijn is dan altijd hetzelfde en daarbinnen heb je dan verschillende zijnswijzen.

Maar om dat laatste gaat het: dat niet alles op dezelfde wijze bestaat. En dat als je de ene keer zegt dat iets bestaat, je dat op een andere manier bedoelt dan bij een andere gelegenheid. Vliegende roze olifantjes bestaan niet, niet als werkelijke beesten die voorbij je raam kunnen komen, ze bestaan wel als voorstellingen in boeken, tekeningen, films en animaties en stukjes als dit. Wat je in het kinderplaatjesboek ziet, is een koe, en wat daarbuiten loopt, is ook een koe, maar ze bestaan op verschillende wijze en dat hoef je er niet bij te zeggen, omdat de context dat al duidelijk maakt. Je gebruikt vervoegingen van zijn of bestaan wel degelijk op een verschillende wijzen.

En het lijkt me een vrij zinloze semantische kwestie of verschillen in zijnswijze, die Rutten erkent, dan weer iets anders zijn dan verschillen in gradatie, die hij niet erkent. Hoe zouden we dat onderscheid vast kunnen stellen? Het punt lijkt me nu juist dat eenhoorns niet bestaan, en op een andere wijze, als voorstelling, toch weer wel. Ik zou zeggen dat de wijze waarop een eenhoorn dan in zekere zin bestaat, toch gradueel afwijkt van hoe een eekhoorn bestaat. Tenzij je ook dat verschil weer stipulatief wegdefinieert.

-

De uitspraak dat zijn univook is, lijkt me onjuist. Het alledaagse spraakgebruik weerspreekt dat in ieder geval. Het verleden bestaat op een andere wijze dan mijn koffiemok. Of de uitspraak is zinledig, dat kan ook.

Ons bestaan is ons gegeven en de wereld ook. En wij begrijpen er niet zoveel van.

(39)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.456 other followers