Berichten getagged ‘Amsterdam’

3 januari 2012

Tweede van der Helst

.:.

Tweede straten
Toen ik eergisteren na een even verfrissende als mijmerende zondagse nieuwjaarswandeling in het nabije Oosterpark – het Amsterdamse, vertel ik er maar even bij, want de naam roept ook onmiddellijk reminiscenties op aan de aanmerkelijk zuidelijker aandoende stad Groningen – naar aanleiding van een op de korte terugweg van daaruit opgedane en in meerdere opzichten herhaalde observatie mijn stukje over het ietwat detonerende witte, maar juist ook niet meer in alle opzichten volledig eenduidig gekleurde deurtje in de nok van een voormalig, honderdtien jaar geleden opgetrokken schoolgebouw voor lager onderwijs aan het nabije Amsterdamse’s-Gravesandeplein en de daaraan afleesbare eerste tekenen van verval en vergankelijkheid schreef, dat ik hier gistermiddag openbaar maakte en waarin ik naar aanleiding van de door het naar de arts en filantroop Samuel Sarphati (1813-1866) genoemde park in de naburige wijk De Pijp en de daarnaar vernoemde aanpalende straten van elkaar gescheiden Eerste en Tweede Jan Steenstraat, waar ik trouwens regelmatig door fiets zonder gemeenlijk op de straatnaamaanduidingen te letten, bijna terloops, althans tussen haakjes, aan wijlen Jan Blokker (1927-2010) de vraag toeschreef wie toch wel die Tweede van der Helst was, had ik echt wel even gezocht of ik die toeschrijving op die naam op internet kon vinden.

Gerard Andriesz Bicker, heer van Engelenburg (1622-1666), door Bartholomeus van der Helst (1613-1670) (foto: Rijksmuseum)

Maar dat lukte niet. (Waarbij, maar dat tussen haakjes, zoals u ziet, het ook altijd aardig is om een zin van exact tweehonderd woorden, die zonder veel moeite langer gemaakt had kunnen worden, af te wisselen door eentje van welgeteld vier woorden, maar dit terzijde.) Ik dacht: dan maar uit het hoofd. Lang niet al alles wat de befaamde columnist ooit schreef, staat op het wereldomspannende web. En het ging me in mijn aanvullende tussen haakjes opgetekende aanhaling van een vraag meer om de anekdote an sich dan om het al dan niet ondersteunende feit als zodanig en door mijn werkwoordskeuze (‘schijnt’) had ik me niet zonder opzet alvast ingedekt.

Ik moest trouwens eerst ook al nadenken over welke straat het nu alweer ging. Om de een of andere reden had ik aanvankelijk de Tweede Jan van der Heijdenstraat in mijn hoofd, maar dat kon niet kloppen, want er mocht geen voornaam in de naam van de straat voorkomen, zodat dat Tweede als zodanig opgevat kon worden. En zo kwam ik na enige peinzen alsnog uit op de Tweede van der Helststraat. Ook de twee naar Bartholomeus van der Helst genoemde straten, die in elkaars verlengde liggen, maar dan in noord-zuidrichting, worden overigens van elkaar gescheiden door de straatnaam Sarphatipark, die in dat geval de huizen aan de westzijde aanduidt.

-

Gerard Revestraat
Ik had het fout. Op Twitter meldde F. Zwaan dat hij zich het citaat herinnerde als zijnde afkomstig van Reve en dat Google hem gelijk leek te geven. Reve, dat besef je meteen, is in dit geval Gerard Kornelis (1923-2006), de Tweede van het Reve dus, en niet de Eerste van het Reve, de oudere geleerde broer Karel (1921-1999), die bovendien over een wat subtielere humor beschikte. Zwaan drukte zich erg bescheiden uit, want hij leverde de goede zin erbij. Hij wist het dus in feite wel zeker. Vreemd kwam de toeschrijving mij nu ook niet voor, want de passage is op zich vrij bekend en ik moet die zonder meer eerder en waarschijnlijk meer dan eens onder ogen gehad hebben. Ze komt uit een interview door Tom Rooduijn uit 1982, dat een jaar later gebundeld werd in het boek In gesprek. Interviews (Baarn 1983). Het ging over het voortleven van het literaire werk en Reve zei er dit over:

‘Wat blijft er uiteindelijk van over? Na mijn dood word ik op de scholen tien jaar vrijwillig gelezen en daarna nog eens tien jaar verplicht. Dan noemen ze een straat naar me. En dan ben ik helemaal vergeten. Niemand weet toch meer wie Tweede van der Helst was?’

Reve is nu bijna bijna zes jaar dood. Of zijn werk op de scholen momenteel nog driftig gelezen wordt, zou ik niet weten. Maar die straat, die is er, eerder dan hij zelf destijds verwachtte, al wel. In Haarlem nog wel.

Dat is opvallend, want aan befaamde Haarlemmers als Lodewijk van Deyssel (1864-1952), die wel een straat in Amsterdam en een laan in Driehuis kreeg, Godfried Bomans (1913-1971), naar wie in Almere, Culemborg, Heerhugowaard, Landgraaf en Nijverdal straten en in Heemstede, Kloetinge en Vogelenzang lanen werden vernoemd, en Louis Ferron (1942-2005), die het nog helemaal zonder moet doen, lijkt de Haarlemse straatnamencommissie nog geen resultatieve aandacht te hebben besteed. Harry Mulisch (1927-2010) kreeg trouwens wel weer een eigen straat, in Haarlem-Noord.

-

Harry en Bartholomeus
En over hem moet ik het nog even hebben. Want als op zijn minst één werk van Tweede van der Helst op ieders netvlies gebrand staat, dan is het wel door zijn toedoen. De goede man heette overigens Bartholomeus, een mooie naam, en het is op zich jammer dat die in 1872, toen het eerste stukje straat in de nieuwe buurt YY naar hem werd vernoemd, niet werd meegenomen, al was dit weblogstukje er dan nooit gekomen. Bartholomeus van der Helst leefde van 1613 tot 1670. Hij werd dus zes jaar na Rembrandt geboren en stierf, jonger dus, op 57-jarige leeftijd een jaar na hem. En net als Rembrandt, die ook trouwens ook wel eens wat anders deed, schilderde hij schutters- en regentenstukken.

Het was Harry Mulisch die Van der Helsts portret van Gerard Andriesz Bicker, heer van Engelenburg, uit ongeveer 1640 tot 1642 liet opnemen op de omslag van zijn Bericht aan de rattenkoning, dat hij in augustus 1966 tijdens een naar eigen zeggen ‘drie weken durende woede- en lachaanval’ schreef over de recente provocaties en omwentelingen in zijn woonplaats Amsterdam. Zo kent dus menigeen zonder dat altijd te beseffen op zijn minst één werk van Tweede van der Helst, dat menig bezoeker van het Rijksmuseum dan ook bekend zal zijn voorgekomen. Maar tevens zal menigeen dan vaag beseft hebben dat er iets niet klopte: de afbeelding op de boekomslag is in spiegelbeeld. Op het schilderij kijkt de jonge, hooguit twintigjarige toekomstige drost van Muiden, die de befaamde Pieter Cornelisz Hooft (1581-1647) in 1649 in die functie opvolgde, naar links, op het boek richt hij de blik naar rechts. Hij werd trouwens niet oud: op zijn 44ste stierf hij in 1666.

Ook wat Bartholomeus van der Helst betreft laat Haarlem het afweten. Judith van Gent, die op 11 februari 2011 op de schilder promoveerde, merkt op dat er in Amsterdam behalve de twee straten ook nog een naar de man vernoemd plein is, dat overigens de Tweede van der Helst met een verbreding onderbreekt, en dat er in Nederland drie steden zijn die een Bartholomeus van der Helststraat kennen, en er verder nog eens tien Van der Helststraten bestaan, maar dat ‘s mans geboorteplaats, en ja daar heb je het alweer, Haarlem dus, geen enkele naar de beroemde zoon vernoemde ‘straat, laan, plein of steeg’ telt.

-

Jan Frederik en Willem Frederik
En over genummerde straten gesproken: Willem Frederik Hermans (1921-1995) groeide op in een straat die naar Jan Frederik Helmers (1767-1813) was genoemd. Die schrijver was zo groot dat hij wel drie evenwijdige straten toegewezen kreeg. Een plaquette markeert de woning waar Hermans zijn eerste verhalen schreef. Het is op nummer 208 in de Eerste Helmersstraat.

Niet de derde of de tweede, de eerste.

Naschrift. Rond 12 .50 uur is de alinea over het ontbreken van een naar Bartholomeus van der Helst genoemde straat in Haarlem toegevoegd. Met opnieuw dank aan Jaap de Vries.

(48)

4 november 2011

Altijd hetzelfde – Over een stukje dat ik niet meer hoef te schrijven

.:.

Vandaag wilde ik het maar eens rustig aan doen.

-

Ik had me voorgenomen om te kijken of het elke werkdag, van maandag tot vrijdag dus, zou lukken een stukje op deze nog vrije nieuwe weblog te schrijven. Over het waarom van iets dat me in feite niets oplevert, heb ik het dan maar even niet. Dat komt nog wel eens. Of niet. En als ik schrijf dat ik het nog maar eens ergens over moet hebben, weet ik meestal wel wat er gebeurt. Inderdaad.

Dit is geen illustratie (foto: calmansi)

Op zich is elke dag een paar alinea’s schrijven niet zo moeilijk, maar vaak lopen mijn stukjes nogal uit de hand en dat wil me vanwege het tijdverlies – en trouwens ook het besef dat minder mensen ze dan uit zullen lezen – nog wel eens ergeren. Op zich gaat het overigens heel simpel. Ik schrijf een ideetje op, soms zoek ik wat dingetjes uit, ik noteer een paar steekwoorden of enkele losse flarden die niet aan de spellingregels voldoen, min of meer in de volgorde waarin ze naar mijn idee een argumentatie of een ordelijke associatieve reeks vormen, en ik begin te tikken, waarbij ik de aantekeningen beneden de cursor langzaam, stuk voor stuk, verwerk in het betoogje dat zich vrijwel vanzelf ontwikkelt.

En dan wil het nog wel eens gebeuren dat die paar vaagheden die nog maar net in enkele losse, chaotische woorden gevat konden worden en die verder nog vrijwel woordeloos in mijn brein zweven, uitgroeien tot een stuk dat ver boven de duizend of soms zelfs de tweeduizend woorden uitgaat. (Er staat zelfs al anderhalve week een aus einem Guss geschreven stuk van zesduizend woorden, dat ik eerst maar eens ga uitwieden en opknippen. Er bestaan dingen die ik echt niemand aan wil doen.) Al schrijvende verbaas ik me daar – dat uitgroeien – vaak over, omdat ik me voor aanvang bijna standaard afvraag of ik eigenlijk wel genoeg voor pakweg driehonderd woorden heb. Het verband tussen de onruimtelijkheid van het denken en de zichtbare uitbreiding op scherm of papier blijft raadselachtig. Ik zal dat nooit begrijpen. Maar tegelijk heb ik de lijn van het betoog meestal wel in mijn hoofd en dat dwingt me om het verhaal dan toch maar af te maken. Dwang, dat is het goede woord: ik weet wat er nog moet komen, en meestal twijfel ik ook niet erg over de volgorde. Die blijkt er al te zijn, zelfs als ik dat van tevoren niet zo goed kan uitdrukken. Daarvoor schrijf je dingen immers ook op: om te ontdekken wat je al weet, maar toch niet wist. Of omgekeerd: om te ontdekken wat je wel wist, maar toch niet weet – daar kom ik zo snel even niet uit.

Als schrijvende kijk ik soms wel vertwijfeld naar de aantekeningen beneden de cursor. Zonder de zinnen al te kennen die me naar ze toe moeten brengen, besef ik soms dat ik nog wel wat alinea’s nodig heb. Dat stemt vanwege de tijd die het kost, niet altijd vrolijk. Als schrijvende schrap ik trouwens ook hele alineablokjes, die met een beetje geluk aan de kant gezet kunnen worden om daar later nog eens iets afzonderlijks van te maken. En bijna altijd heb ik aan het eind nog woorden en flarden over die ik maar niet behandel. Soms gooi ik het restmateriaal weg, meestal zoek ik uit of er iets tussen zit dat als kern voor een later stukje dienen, en dat zet ik dan weer weg voor de toekomst.

-

Maar vandaag wist ik dus dat het heel simpel kon. Ik heb weliswaar nog tientallen ideetjes – minstens zestig – in evenzovele documenten klaar staan, ik heb ook enkele stukken staan die alleen nog maar voltooid hoeven te worden, ik vroeg me zelfs af of ik nog niet een korte nabeschouwing moest schrijven over een zaak die deze week nogal wat aandacht trok, vandaag besloot ik dat het wel aardig zou zijn om het bij enkele eenvoudige observaties te houden. Eindelijk eens een kort stukje. Ik bedacht namelijk dat we zulke rustige tijden beleven en daar had ik wel iets, maar niet bar veel over te zeggen.

Vanmorgen kwamen al twitterend de herinneringen aan mijn geboortepolder – dat was het en sociologisch gezien is dat iets heel anders dan een geboortedorp, meer iets met kleine autonome eilandjes, om het bij een korte aanduiding te houden – naar boven en toen bedacht ik ook dat de eerste herinnering, die van landelijke rust, niet helemaal klopt. Ik herinner me ook hoe in de jaren zestig en zeventig, toen er nog veel minder snelwegen en zelfs tweebaanswegen waren dan nu, op vrijdagmiddagen een lange stroom van auto’s en vrachtverkeer over de smalle polderwegen denderde, zozeer zelfs dat we ons het beeld herinneren van een buurman die met zijn tractor er gedurende twintig minuten of zo – dit ga ik niet kapot navragen – maar niet in slaagde vanuit het land de weg op te komen. Meer herinneringen kwamen op: hoe allerlei plaatsen dertig of veertig jaar geleden veel drukker waren dan nu.

Langzaam vormden zich tussen de bedrijven door enkele ideetjes, die ik optikte. Ik kon beginnen bij mijn straat, die nu veel rustiger is dan pakweg een decennium geleden, vervolgens de blik naar de Wibautstraat richten, waar in de jaren tachtig, voor de opening van de Zeeburgertunnel in 1990, vaak lange files stonden, waar je je op de fiets of als voetganger maar doorheen moest zien te wurmen, iets wat je je nu niet meer voor kunt stellen, en dan een handjevol situaties in de Amsterdamse binnenstad beschrijven: de auto’s die vroeger op de grachten schots en scheef op de bruggen stonden, de vrachtauto’s die in de Jordaan bochten niet haalden en panden ramden, het vrachtverkeer op de Nieuwezijds Voorburgwal, waar tot in de jaren zestig kranten voor heel Nederland gemaakt werden, terwijl het me nu kan overkomen dat ik ook op een doordeweekse dag als voetganger daar zo ongeveer de enige op straat ben, tot aan het vertrek van papiergroothandel Proost en Brandt van het Rusland.

En zo nog het een en ander. Meer voorbeelden schoten me te binnen. Maar ook bedacht ik ineens dat een stukje over toegenomen rust alleen aan de hand van het verkeer, van de wegen in mijn geboortepolder en van de straten in het naburige stadje Hasselt, waar in mijn jeugd een vrijwel permanente file van auto’s, grote vrachtwagens en autobussen vol scholieren zich door het hele stadje slingerde, tot aan de heerlijke en vriendelijke oases van rust en orde die je nu overal in de Amsterdamse binnenstad vindt en die er dertig jaar geleden zo niet waren, wat mager zou zijn. Ik zou meer voorbeelden van de rust die ons huidige leven kenmerkt, moeten geven. Ik dacht aan de postkantoren of de bankfilialen waar je je vroeger op vrijdagmiddag nog snel naar toe moest spoeden omdat je anders niet genoeg geld voor het weekend in huis had (en waar je dan vervolgens vijfentwintig minuten in een eindeloze, slingerende rij stond). Ik dacht aan de supermarkten waar je je vanuit je werk komend nog snel voor zes uur naartoe haastte of waar je op zaterdagmiddag wel voor vijf uur geweest moest zijn – lastig als je ook ergens een vergadering of symposium of gewoon een verjaardag had – om op zondag niet zonder eten te zitten (waarbij dan de volgende dag steevast bleek dat je uitgerekend de koffie of de lucifers, die op waren, vergeten had).

Langzaam tekenden de contouren voor een klein stukje zich af. Heerlijk, eindelijk simpel. Dit keer zou het echt in driehonderd, hooguit vijfhonderd woorden lukken. En toen begon me iets te dagen. Had ik hier al niet eens over geschreven? Mijn oude web-log – met dat irritante streepje dus – met alle pakweg 500 stukjes is door de nu al tweeëneenhalve maand aanhoudende problemen bij Sanoma nog steeds voor het grootste deel onvindbaar, maar gelukkig is er nog Google Cache. En ja hoor, even zoeken leverde direct resultaat op. Op 1 februari 2007 had ik al eens een stukje geschreven, Rustiger getiteld. Dat een aantal voorbeelden ongeveer dezelfde waren als waar ik nu op kwam, dat verbaasde me niet zo erg. Maar dat ik ook toen meende aan het eind van de beschouwing der ruimtelijke rust nog even de toenmalige tegenstelling tot de huidige ongehaastheid van bezoeken aan geldautomaat en levensmiddelenwinkel te moeten noemen, dat trof me wel. Ik schrijf dus kennelijk altijd hetzelfde. Of ik bedenk steeds hetzelfde als nieuw, dat kan ook. Het is iets dat me bij het doornemen en verwerken van briefjes met ideetjes trouwens ook regelmatig opvalt: ik noteer in een week tijds rustig zes keer hetzelfde volstrekt nieuwe idee dat me ineens treft.

-

Wat me vooral opviel, was dat ik het toen eigenlijk veel beter opschreef. Dat stelde me gerust. Daarom krijgt u vandaag geen stukje van me.

Wel zo rustig.

(18)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.456 other followers