Archief voor ‘Politieke filosofie’

14 april 2012

Met de rechtsstaat moet je geen spelletjes spelen

 .:.

Het stukje hieronder schreef ik precies een week geleden. Uitleg vindt men eronder.

-

Omkering
Sylvain Ephimenco is een meester der omkering. In zijn column in Trouw van zaterdag 7 april 2012 ondermijnt hij de rechtsstaatsgedachte met een beroep op de rechtsstaat. Je moet maar het lef hebben.

Pieter Bruegel de Oude, De verkeerde wereld, 1559 (Staatliche Museen zu Berlin)

Maar het begint met een andere omkering, waarbij Ephimenco zich een ware, zij het nogal kleinhartige leerling betoont van wat Paul Ricoeur ooit de meesters van het wantrouwen noemde. Als Els Boot, burgemeester van Giessenlanden, de politie verbiedt mee te werken aan een uitzetting of als Lodewijk Asscher, wethouder van Amsterdam, ‘illegale’ (volgens sommigen ‘ongedocumenteerde’) jongeren wel stage wil laten lopen, dan doen zij dat volgens hem niet vanwege het doel dat ze daarbij zelf aangeven, maar ‘om een kabinet politiek te destabiliseren’. Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten, zullen we dan maar denken.

Uiteraard kan men discussiëren over de wijze waarop deze bestuurders hun bevoegdheden gebruiken of beleid voeren, maar dat hun optreden tot ‘aantasting van de rechtsstaat’ zou leiden is een omkering van zaken. De spits van de rechtsstaat is namelijk precies andersom: de bescherming van burgers en ingezetenen tegen willekeur en tegen een overmaat aan staatsbemoeienis. De rechtsstaatgedachte staat vanouds tegenover de politiestaat en de totalitaire staat.

-

Kern
Er bestaan meer en minder uitvoerige omschrijvingen, maar over een harde kern bestaat een consensus en het is verstandig om in het maatschappelijk debat het beroep daartoe te beperken. Men kan dan drie hoofdelementen onderscheiden.

Allereerst het legaliteitsbeginsel of de ‘rule of law’: de overheid is zelf in haar handelen aan het recht gebonden. Vaak vormt een geschreven grondwet daarvan de basis, maar het begrip constitutie is breder en omvat ook fundamentele internationale verdragen. Belastende voorschriften horen geen terugwerkende kracht te hebben. De burger moet weten waar hij aan toe is.

Ten tweede is er het beginsel dat ‘machten’ en bevoegdheden gescheiden zijn. Men kan daarbij onder meer aan de befaamde trias politica denken, maar dat is zeker niet het enige. Het gaat erom dat bevoegdheden over verschillende organen verdeeld zijn, dat de opsteller en de uitvoerder van een regel bijvoorbeeld niet identiek zijn. In Nederland zijn de bestuurlijke en de wetgevende macht niet streng gescheiden – de vaststelling van wetten geschiedt immers door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk –, maar bevoegdheden zijn wel over allerlei organen verspreid. Hierbij hoort zeker de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, die in sommige gevallen ook de overheid in haar handelen tot de orde kan roepen.

Ten derde zijn er de klassieke grondrechten, die vooral vanaf de achttiende en negentiende eeuw als vrijheden werden geschonken en waar de burger zich ook in toenemende mate tegenover grensoverschrijdende overheidsbemoeienis kan beroepen. Met name na de Tweede Wereldoorlog hebben internationale verdragen als het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens daarbij voor een ruimere inbedding en meer rechtsbescherming gezorgd.

Dat is de kern. Deze drie punten hangen nauw samen en men kan er desgewenst enkele elementen afzonderlijk uithalen, maar daarmee verandert er inhoudelijk niets. Kern van de rechtsstaatgedachte is de bescherming van de burger tegenover de overheid, die aan het recht is gebonden.

-

Bescherming
Ephimenco zet de rechtsstaatgedachte echter precies andersom in: wat het kabinet wil, zal en moet gebeuren. Als Ephimenco schrijft dat burgemeester Boot ‘zich aan bestuurlijke ongehoorzaamheid jegens minister Leers schuldig maakt’, draait hij de zaken om. Nee, ze maakt alleen gebruik van haar bevoegdheid. Of ze dat op een juiste wijze doet, is een andere vraag, maar daarvoor bestaan voldoende controlemechanismen en dat geldt ook voor het optreden van wethouder Asscher. Helemaal bont maakt Ephimenco het als hij het zogenaamde Stoutfonds (dat boetes wil betalen die werkgevers krijgen als zij jongeren zonder verblijfsvergunning stage laten lopen) beticht van ‘bestuurlijke ongehoorzaamheid’: een dergelijke maatschappelijke actor vormt geen onderdeel van het bestuur en kan zich daaraan per definitie niet schuldig maken.

Ja, de wet is soms hard, maar de rechtstaat garandeert nu juist dat de wet binnen het ruimere kader van het recht, inclusief gescheiden verantwoordelijkheden en grondrechten, fungeert. Als Ephimenco stelt dat de Nederlandse rechtsstaat krachtig moet optreden tegen wat hij wel erg ruim ‘bestuurlijke ontwrichting’ noemt, gebruikt hij de rechtsstaatgedachte op een oneigenlijke wijze. De rechtstaat is een kostbaar bezit en met een dergelijk idee moet men geen spelletjes spelen. Kritiek kan men zakelijk verwoorden. Het geeft geen pas fundamentele begrippen naar eigen hand te zetten. Dat ondermijnt op den duur het draagvlak en is niet ongevaarlijk. Ephimenco zaait verwarring. Als de rechtsstaat, de bescherming van de burger tegen de overheid, niet in het geding is, moet je je er ook niet op beroepen.

Naschrift
Het stukje hierboven schreef ik vorige week zaterdag, 7 april 2012, op de dag waarop de column van Silvain Ephimenco waar ik op reageerde, verscheen, en ik stuurde het die dag ook op naar Trouw. Dinsdag deelde de opinieredactie mij mee dat ze ook al een stuk van de oprichter van het Stoutfonds, Jos Verhoeven, binnen hadden gekregen en dat ze dat woensdag gingen plaatsen. Onder de titel ‘‘De’ wet naleven is prima, maar welke van de drie?‘ is het die dag ook verschenen.

Als ik mijn stuk wat zou veralgemeniseren en dus los zou maken van het concrete stuk van Ephimenco en het ook iets zou inkorten, wilde men het donderdag wel plaatsen. Ik vond dat een zeer welwillend en begrijpelijk aanbod, maar het leek me verstandiger er geen gebruik van te maken. Los van de concrete aanleiding kwam mijn stukje naar mijn idee te veel in de lucht te hangen. Het betoog zou te  kunstmatig worden en ik had er geen behoefte aan een stukje geplaatst te zien dat in feite een gewrongen vraagstelling had.

Het uitgangspunt van mijn stukje was simpel: Ephimenco deed alsof ‘rechtsstaat’ betekent dat de staat zich van ‘boven’ tegen mensen doorzet, terwijl de werkelijke betekenis van dat begrip nu juist is dat mensen ‘beneden’ tegen de staat beschermd worden, omdat die aan recht is gebonden. Wel had ik er bewust voor gekozen om het middendeel, dat met die drie punten, met een positieve uitleg op te vullen en daarin had ik dan ook afgezien van polemiek. Die vormde vooral de aanleiding voor de stelling hoe het wel was en natuurlijk moest ik daarna daar ook nog wel iets over zeggen.

Overigens had Ephimenco diezelfde dinsdagochtend in een tweede stukje zijn foute voorstelling van zaken nog eens herhaald. Je vraagt je af of nou echt niemand hem in de tussentijd op zijn foute interpretatie heeft gewezen of dat hij zich van zoiets domweg niets aantrekt. Op donderdag 12 april plaatste Trouw in de rubriek Denktank overigens een brief van Bas de Gaay Fortaman,  getiteld ‘Lakmoesproef‘, waarin deze in kort bestek uitlegde wat het verschil is tussen de rechtsstaat en de rechtsorde, en bovendien iets stelliger dan ik deed, een verband legde met de zaken waar Ephimenco zich druk over maakte. ‘In publieke handhaving van de mensenrechten ligt de lakmoesproef van de rechtsstaat.’ Het was een nuttige bijdrage.

Ik zet mijn stukje hier maar neer, als is het nu een beetje mosterd na de maaltijd. Maar ach, foute interpretaties zullen wel niet onmiddellijk als sneeuw voor de zon verdwijnen en misschien heeft het toch nog enig nut.

(65)

19 februari 2012

Religieuze uitzonderingen? Niet over de man zonder ID-kaart …

.:.

Er is tegenwoordig in Nederland bijna niets ergers, zo lijkt het soms, dan het maken van uitzonderingen. Dat kan echt niet, vinden veel mensen, ook mensen die ik van tijd tot tijd spreek. Zaterdag bracht De Telegraaf groot het nieuws dat de kantonrechter in Den Haag vrijdag een orthodox-joodse man van rechtsvervolging had ontslagen:

‘De man kon zich op zaterdag 8 oktober in Rijswijk niet identificeren, omdat hij op sabbat buiten de deur niets bij zich mag dragen. Dus ook geen ID-kaart. De man kreeg een boete van 150 euro opgelegd.’

Justitia (Foto: L30Nde)

De uitspraak is nog niet gepubliceerd, dus over de overwegingen valt nog helemaal niets te zeggen. De VVD heeft Kamervragen gesteld, kondigde het Kamerlid Ard van der Steur zaterdag aan. Het Kamerlid Tofik Dibi van GroenLinks heeft dat, anders dan Joop.nl nog steeds meldtniet - en hij herhaalde: niet - gedaan. Hij heeft slechts informatie opgevraagd, al dacht ik dat Kamervragen daar oorspronkelijk ook voor bedoeld waren.

Of persrechter Elkerbout correct formuleerde toen hij uitlegde dat de religieuze plicht zwaarder weegt ‘dan de plicht om te voldoen aan de wettelijke voorschriften in Nederland’, valt nog maar te bezien. (Raar woord trouwens: persrechter. Alsof er speciale rechters zijn die rechtspreken over de pers. Een bizarre term, de uiting van een ongelukkige praktijk: laat rechters zelf spreken of laat ze niet spreken.) Omdat het vonnis nog niet bekend is, ben ik ook niet van plan om daar iets over te zeggen. We zullen wel zien. Ik merk alleen nog op dat er volgens de wet geen draagplicht bestaat, in bepaalde gevallen is er wel een toonplicht.

Maar er zijn wel twee dingen die me opvallen: de huidige afkeer van uitzonderingen en het merkwaardige idee dat religieuze opvattingen anders behandeld zouden worden dan zogenaamde seculiere, en dat hier de grote scheidslijn zou liggen.

-

God?
Het meest absurde aan het bericht is de kop: ‘Wet wijkt voor God’. Grotere flauwekul is nauwelijks denkbaar. Ik ken het vonnis dus niet, maar als dat zou kloppen, dan zou de rechter dus zijn eigen opvattingen voorrang hebben gegeven boven de wet. Hij zou dan van mening geweest zijn dat God het niet goed zou vinden dat hij de boete voor deze man zou handhaven. Als dat zo was, had het wel in het krantenbericht gestaan.

Maar wat de rechter zelf over Gods wil denkt en welke levensovertuiging hij heeft, is hier totaal irrelevant. Het gaat om de levensovertuiging van de man die moest voorkomen. En we weten helemaal niet of die in God gelooft, althans niet zolang hem daar niet naar gevraagd is. Ja, in het bericht staat dat hij orthodox-joods is. Hij heeft dus een bepaalde overtuiging en het is niet ongewoon om die religieus te noemen. Het zit er natuurlijk dik in dat de man in God gelooft, maar zeker is dat niet en het is ook totaal irrelevant.

Ik herinner me een documentaire waarin een bekende joodse mevrouw bezig is met de voorbereidingen voor erev sjabbat. De dis wordt in orde gebracht. Ik noem haar naam nu alleen niet, omdat ik dit uit het hoofd opschrijf en het altijd mogelijk is dat het in werkelijkheid net iets anders ging dan ik me herinner, maar ook als ik me iets zou vergissen, blijft de strekking overeind. Op een gegeven moment vraagt de interviewer – die misschien zelf ook de camera bedient, weet ik niet zeker meer – of ze in God gelooft. Ze veert op, wacht even, kijkt hem indringend aan en zegt dan iets als: dit vind ik een onbehoorlijke vraag. Ze heeft groot gelijk. Waar het om gaat, is dat ze een bepaalde levenspraktijk volgt. Wat ze persoonlijk gelooft, is haar zaak. Ze weigert de vraag dan ook te beantwoorden. Natuurlijk was de vraag niet heel vreemd, maar ze had het volste recht er geen antwoord op te willen geven.

-

Morele praktijk
Dat geeft precies aan waar het om gaat en waarom, maar dit terloops, ook een huidige modieusheid als de Divine Command Theory, de goddelijkbevelstheorie dus (sommigen schrijven het zelfs met een spatie, zodat ze de theorie zelf per ongeluk tot goddelijk niveau verheffen) er zover naast zit. Het geeft vooral ook aan waarom Boris van der Ham de plank zo ongelooflijk missloeg toen hij twitterde:

“God boven de wet? Nee. Godsdienst is niets meer dan een van de vele meningen, en is begrensd door zelfde overheidswetten.”

Het spijt me, maar dan heb je er dus helemaal niets van begrepen. Het gaat niet om meninkjes en het gaat er ook niet om wat iemand van God vindt. Het gaat er om wat iemands diepgewortelde overtuigingen zijn, en dan is het totaal irrelevant of die godsdienstig genoemd kunnen worden of niet. Of iemand nu nooit vlees eet of op zaterdag nooit werkt, de vraag is niet waar die praktijk zich op beroept, maar of de drager geloofwaardig is. Deze man draagt op zaterdag geen voorwerpen. Als hij bijvoorbeeld de volgende week zaterdag gezien wordt, terwijl hij een boek terugbrengt naar de bibliotheek, is zijn beroep op zijn overtuiging ongeloofwaardig. De simplisten die de Divine Command Theory verzonnen hebben en die denken dat een ethiek volgens de aanhangers rechtstreeks op een goddelijk bevel terug gaat, zitten er dan ook totaal naast. Morele praktijken worden in gemeenschappen gevormd en in de levenspraktijk tot uitvoering gebracht. Uit de daadwerkelijke morele praxis leidden we de overtuiging af, niet omgekeerd. Met ‘meningen’ heeft dat niets, maar dan ook totaal niets te maken.

-

Seculiere overtuigingen
Op Twitter kom je tegenwoordig ook regelmatig havoklantjes tegen die kennelijk nog nooit een fatsoenlijk boek over filosofie, godsdienstwijsbegeerte of ethiek gelezen hebben en die steevast beginnen over het Vliegend Spaghettimonster. Die zou hun dit of dat vertellen. De zwakte van hun ‘denken’, of beter, het ontbreken van dat vermogen, is daarmee gewoonlijk meteen onthuld, want meestal voeren ze dan iets aan dat ze ter plekke verzinnen. Als die meneer in Rijswijk ter plaatse bedacht had dat hij geen identificatiekaart mocht dragen, omdat zijn God hem dat net de vorige dag had meegedeeld of ‘bevolen’ zoals de genoemde theoretici naïevelijk geloven, zou hij ook geen schijn van kans hebben gehad. Niet de bron van zijn overtuiging telt, maar de serieusheid, de geworteldheid ervan.

De Oostenrijker Niko Alm heeft het als zogenaamde pastafari gedaan gekregen dat hij met een vergiet op zijn hoofd op de pasfoto op zijn rijbewijs staat. Hij vond dat dat bij zijn lidmaatschap van de kerk van het Vliegende Spaghettimonster hoort. Op zich lijkt het me niet zo moeilijk: als de man altijd met een vergiet op zijn hoofd rondloopt, moeten we uit zijn gedrag opmaken dat het een serieuze zaak voor hem is. Wel kunnen we ons afvragen of ook anderen zo’n ding dragen. Moraal is net als taal – zie Wittgenstein – nooit een privézaak, maar altijd iets van gemeenschappen.

Kortom, wie denkt dat er een tegenstelling tussen religieuze en seculiere overtuigingen bestaat, zit er naast. Er bestaan heel veel verschillende overtuigingen en ook religieuze overtuigingen zijn niet met elkaar compatibel. Er bestaat ook niet één ‘seculiere’ ethiek. De enige vraag die telt, is in hoeverre en wanneer of een bepaalde morele praktijk serieus genomen moet worden, als daar een beroep gedaan wordt. Of ze transcendent of immanent gefundeerd wordt, is irrelevant. Het grondrecht van vrijheid van levensovertuiging gaat daar niet over.

-

Gelijkheidsdenken
Maar dan komt dus vaak de tegenwerping op tafel dat we geen uitzonderingen mogen maken. Veel mensen begrijpen op zich best wel dat bepaalde mensen koosjer, vegetarisch of hallal willen eten, maar kun je maar zo een uitzondering voor hen maken? Het kan best zijn dat die man in Rijswijk op zaterdag niets wilde dragen, zelfs geen simpel plastic kaartje, maar kun je daar rekening mee houden?

Het gelijkheidsdenken is vandaag de dag diepgeworteld. Wet is wet en de wet geldt voor iedereen. Het is een legalistische wijze van denken waar de protestgeneratie van ’68 nooit van had kunnen denken dat die tegenwoordig ook onder zogenaamde ‘linkse’ of ‘progressieve’ mensen zo wijdverbreid zou zijn. Het is erger dan het ouderwetse law and order (als is dat op zich trouwens een mooi begrip). Nee, de wet is gelukkig niet altijd de wet. We leven in een rechtsstaat. En recht is altijd meer dan de toepassing van één enkel wetje. Als dat zo was, zouden de Staten-Generaal op elk moment door een willekeurige wet aan te nemen alle fundamentele vrijheden overboord kunnen zetten. Ook al mogen wetten niet getoetst worden aan de Grondwet, natuurlijk geldt nog steeds de totaliteit van de wet en zal de rechter alle wetten, ook een verdrag als het EVRM, in zijn overwegingen moeten betrekken. Ook algemene rechtsbeginselen gelden. De rechter spreekt recht, zoals de uitdrukking terecht zegt, hij spreekt geen wet.

Tegenwoordig zit het beginsel uit onze Grondwet dat iedereen in gelijke gevallen gelijk behandeld wordt, er diep in. Het gaat hier vooral om een richtlijn voor het beleidsmatig overheidshandelen. (Tussen haakjes: de Grondwet gaat over het handelen van de staat, niet over dat van de burgers. Er staat niet dat burgers geen onderscheid mogen maken, al mogen ze dat op grond van andere wetten soms ook niet. En mogen ze dat in heel veel andere gevallen gelukkig wel.) Dat de rechter onpartijdig recht hoort te spreken, spreekt vanzelf. Maar de rechter zal dus ook met alle persoonlijke omstandigheden rekening moeten houden. Over dat speeltje van de jaren negentig, computerrechtspraak, hoor je terecht niet zoveel meer. Pas als je rekening houdt met het verschil tussen mensen, behandel je iedereen gelijk. Hoe dat in dit geval zit, weten we nog niet.

-

Wetgeving
Dit gaat over rechtspraak, over toepassing van de wet binnen het kader van het recht dus. Maar bij bijvoorbeeld de discussie over het verbod op onverdoofd slachten, gaat het om wetgeving. En het valt me op dat de meest redelijke personen dan maar zo roepen dat je echt geen uitzonderingen in de wet kunt toestaan. Je zou iedereen gelijk moeten behandelen. Ik geloof dat hun redenering op een ernstige denkfout berust.

Ja, de wet geldt voor iedereen, maar dat wil niet zeggen dat je in de wet geen uitzonderingen op een algemene regel kunt toestaan, want die uitzondering geldt ook voor iedereen. Het is mogelijk om voor bepaalde milieuvriendelijke auto’s gunstiger fiscale voorwaarden te scheppen. Als ik niet zo’n auto koop, heb ik niets aan die uitzondering, maar ik zou er gebruik van kunnen maken. Welnu, als de wet het toestaat om binnen bepaalde voorwaarden onverdoofd te slachten volgens de joodse of islamitische rite, kan iedereen dat vlees kopen. De wet kan bepaalde handelingen verbieden en bepaalde handelingen toestaan, de wet kan bepaalde voorwaarden stellen aan concrete producten die in de supermarkt liggen, en het is aan mij of ik die al dan niet aanschaf.

Het opnemen van uitzonderingen in de wet is juist een uiting van werkelijke gelijkheid. Als mensen werkelijk verschillen in hun diepgewortelde levensovertuigingen en hun praktijken, is het niet anders dan billijk om binnen de grenzen van het mogelijke en redelijke daar als wetgever rekening mee te houden. Dat is namelijk pas echte gelijkheid: dat je iedereen een gelijke kans geeft om het leven te leiden dat het zijne is.

-

Mensen rechtdoen
Ik vat samen. Het is gewoon niet waar dat religieuze opvattingen anders behandeld worden dan seculiere. Er bestaat namelijk niet één set godsdienstige overtuigingen en één verzameling seculiere opvattingen. Er zijn heel veel verschillende overtuigingen en morele praktijken en als we de overheid of de rechter vragen die te respecteren, is de enige vraag hoe serieus die overtuigingen zijn, niet hoe ze metafysisch gefundeerd zijn. En als je mensen werkelijk gelijk behandelt, houd je dus ook rekening met de verschillen tussen hen.

En verder is het altijd maatwerk. Tegenwoordig wint de overtuiging steeds meer veld dat recht om rechten gaat. Ja, rechten zijn belangrijk. Maar waar recht over gaat, is redelijkheid en billijkheid. Het is een middel om het samenleven van mensen vlotjes te doen verlopen en conflicten op te lossen. Dat geldt voor de rechter en de wetgever zou er verstandig aan doen daar ook voortdurend over na te denken: hoe je mensen ook in hun eigenheid recht kunt doen.

Als dat goed gebeurt, hoeven ze zich niet steeds op hun rechten te beroepen. Het is een betreurenswaardig effect van huidige antiliberale tendensen, waar werkelijk alle partijen van links tot rechts zich op hun beurt aan bezondigen, dat dat dezer dagen wel nodig is.

(57)

14 november 2011

Macht en erkenning

.:.

Macht komt van boven en macht komt van beneden.

Dat is altijd zo geweest en dat zal nooit anders worden. Het is eigen aan macht. Ik heb het dan vooral over politieke macht, macht die als legitiem wordt erkend of aanvaard. Maar het gaat ook op voor andere vormen van erkende machtsuitoefening. En het gaat dan primair om een, zeg, sociologische analyse van hoe macht feitelijk werkt.

-

Bij de presidentsverkiezingen van 7 november 2000 behaalde Albert Arnold Gore 50.999.897 stemmen en George Walker Bush 50.456.002 stemmen. Op 12 december 2000 kwam door een uitspraak van het Hooggerechtshof vast te staan dat Bush de verkiezingen gewonnen had. (foto: Wally Gobetz)

Werking
Bij macht gaat het om het eenzijdige vermogen om iets gedaan te krijgen. Dat is anders dan bij een overeenkomst waarbij twee partijen op voet van gelijkheid iets van elkaar gedaan willen krijgen. Maar ook macht of gezagsuitoefening berust nog steeds op een wederzijdse relatie. Het vermogen om iets gedaan te krijgen is immers afhankelijk van de erkenning of aanvaarding van degenen van wie de machthebber iets gedaan wil krijgen. Als het om overheidsmacht gaat, kan men aan twee vormen van erkenning denken: van degenen die object van die machtsuitoefening zijn en van wie de staat dus iets gedaan wil krijgen, en van degenen die helpen om dat uit te voeren. Legitieme, aanvaarde macht is geen brute uitoefening van kracht, maar berust op erkenning. Zelfs als er geweld aan te pas komt, is dat geweld weer afhankelijk van het luisteren naar woorden of bevelen

Maar als je goed kijkt, is de congruente formulering dan ook wat misleidend. Er komt niet hetzelfde van beneden als wat er van boven komt. Daarom kiezen we ook voor deze ruimtelijke metaforen. Gezag is altijd iets dat hoger staat en wie daaraan gehoorzaamt, heet niet voor niets een ondergeschikte. Ook wie een organogram van een organisatie tekent, zal de leidinggevende altijd boven degenen intekenen aan wie hij leiding geeft, al noemt hij die nog zo braaf medewerkers en zal hij het woord ondergeschikten zorgvuldig vermijden. Wat van boven komt, is de uitoefening van de macht; wat van onderen komt, is de erkenning of de aanvaarding van de macht. Dat is de meer sociologische analyse van hoe macht feitelijk werkt.

-

Bronnen
Er is een andere benadering mogelijk en in feite ook nodig. Dat is de meer rechtsfilosofische vraag waar de macht op gebaseerd is. Wat is de bron van de macht? Waarop berust haar legitimiteit, waar ik hiervoor al stilzwijgend, of eigenlijk niet zo bar stilzwijgend, vanuit ging? De beginzin zal dan vaker als een exclusieve disjuncte opgevat worden: macht komt van boven óf macht komt van beneden. In zijn beschrijving van het middeleeuwse politieke denken noemde Walter Ullmann – in Medieval Political Thought (oorspronkelijk 1965, herzien 1970, onder deze titel vanaf 1975) – dit de descending en de ascending theory of government and law, of in typeringen die buiten de context van een geleerde studie heden misschien wat minder goed overkomen, de theocratische en de populistische opvatting van regeermacht.

In de eerste opvatting, de theorie van de afdalende macht, waarin de macht van boven naar beneden neerdaalt, komt alle macht uiteindelijk van een opperwezen, van God, of in andere samenlevingen, van de goden. De afkondiging van wetten begint nog steeds met de formule: ‘Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.’. In de tweede opvatting, de theorie van de opstijgende macht, waarin de macht van beneden naar boven opklimt, komt alle macht uiteindelijk van het volk of de gemeenschap. Dat was de oude Germaanse opvatting: de aanvoerders in de oorlogen, de hertogen of koningen werden door de verzamelde strijders in een vergadering gekozen. We weten allemaal nog dat de Romeinse keizers, wier gezag zich over de hele Latijnse christenheid pretendeerde uit te strekken en waarvan de laatste op 6 augustus 1806 de kroon neerlegde, gekozen werden, al was het aantal kiezers nogal beperkt.

-

Om d’ondersaten wille
Het is de vraag of beide opvattingen elkaar wel uitsluiten. Neem nu alleen de beginregels van het befaamde Plakkaat van Verlatinghe, waarin een aantal in de algemene staten verenigde gewesten in 1581 besloten om de ‘Coninc van Spaegnien’ – dat was een pragmatische verzameltitel, er bestond uiteraard geen land dat Spanje heette, en in hun gewesten was hij gewoon hertog of graaf of zo – van ‘zijne heerschapye, gerechticheyt ende erffenisse’ in hun landen vervallen te verklaren. De eerste zin begint zo:

‘Alsoo een yegelick kennelick is, dat een Prince van den lande van Godt gestelt is hooft over zijne ondersaten’

Dat is duidelijk de afdalende theorie, zou je zeggen: God heeft de vorst als hoofd over zijn onderdanen aangesteld. Maar ik moest het citaat wel haastig afbreken om dat te kunnen benadrukken, want de zin gaat zo verder:

‘om deselve te bewaren ende beschermen van alle ongelijk, overlast ende ghewelt gelijck een herder tot bewaernisse van zijne schapen.’

Kortom, de macht mag dan van boven gegeven zijn, ze is niet onbeperkt, maar met een bepaald doel geschonken: om de onderdanen te beschermen tegen onrecht en geweld. In de volgende volzin wordt dat goed uitgewerkt:

‘En dat d’ondersaten niet en sijn van Godt geschapen tot behoef van den Prince om hem in alles wat hy beveelt, weder het goddelick of ongoddelick, recht of onrecht is, onderdanig te wesen en als slaven te dienen: maer den Prince om d’ondersaten wille, sonder dewelcke hy egeen Prince en is, om deselve met recht ende redene te regeeren ende voor te staen ende lief te hebben als een vader zijne kinderen ende een herder zijne schapen, die zijn lijf ende leven set om deslve te bewaren.’

Kortom, de vorst is er niet alleen ter wille van de onderdanen, maar zonder hen is hij zelfs geen vorst. Dat gaat wel heel ver in de richting van de opstijgende theorie. Ik ga het document nu niet verder volgen, maar het betoog komt er op neer, dat de in de overkoepelende, generale staten verzamelde vertegenwoordigers van de verenigde landen zich bevoegd achten om hun vorst op zijn functioneren te beoordelen en kunnen besluiten om hem af te zetten, wat ze dan ook prompt doen.

-

Twee en drie elementen
Het lijkt me de vraag of de indeling van Ullmann uiteindelijk wel klopt. Er is namelijk een opvallende incongruentie tussen de feitelijke werking van macht zoals ik die eerst kort typeerde, en zijn indeling van de bron van de macht, de oorsprong van de legitimiteit. Schematisch valt dat makkelijk weer te geven. Dit is de sociologische analyse:

Boven: regeringsmacht
Beneden: aanvaarding

Twee elementen, die een wederkerige, zij het ongelijke, relatie onderhouden. Maar als we nu de politiek-filosofische indeling van Ullmann op een gelijksoortige wijze proberen weer te geven, zien we dit:

Boven: God
Regeringsmacht
Beneden: volk of gemeenschap

Drie elementen dus, waarvan twee elkaar in sommige opvattingen uitsluiten. En hier slechts een eenzijdige relatie, van beneden naar het midden of van boven naar datzelfde midden. Het idee is dat de wettelijke regeringsmacht niet sui generis is, maar haar basis elders vindt, buiten zichzelf. Ik gebruikte nu trouwens een woord dat eigenlijk alleen een fundering – verdorie, heb je alweer zo’n woord – van beneden af toelaat. De term grondwet – let op: grond, dat is wat je onder je voeten hebt – is er ook al eentje. Maar er zijn ruimtelijke metaforen die juist verder naar boven verwijzen, boven zelf uiteraard, allerlei varianten met hoog en hoger ook.

Het lijkt me vooral de vraag of de indeling van Ullmann wel consistent is. Heeft hij het niet over twee verschillende dingen? Als een vorst gekozen wordt, dan is de feitelijke oorsprong van zijn macht duidelijk. Op die en die dag werd hij door die en die krijgslieden of lagere vorsten of de volksgemeenschap gekozen. Maar is de principiële legitimering van zijn macht niet iets anders? Niemand, ook in de middeleeuwen niet, zal zich namelijk een situatie voorstellen waarin God door middel van een stem uit de hemel een nieuwe heerser aanwijst. Kortom hij heeft het over twee verschillende situaties of uitdrukkingswijzen. Je kunt bijvoorbeeld heel consistent beweren dat juist door de keuze door het volk of een kiescollege blijkt dat een vorst door God voor zijn taak is uitverkoren. En ook zonder dat er concrete verkiezingen zijn, kun je toch volhouden dat de macht zijn legitimatie in het volk vindt en er voor het volk is. Het is een opvatting die oude wortels heeft.

-

Democratie en legitimatie
De vraag is vooral hoe werking, oorsprong en legitimatie van macht zich tot elkaar verhouden. Kunnen we beide bovenstaande schemaatjes in elkaar schuiven?

Als macht per definitie een ongelijke relatie veronderstelt en in haar werking op aanvaarding of erkenning gebaseerd is, kan dan macht tegelijk van onderen op gelegitimeerd zijn en gebaseerd zijn op zoiets als de volkswil? Is dat niet innerlijk tegenstrijdig? Kunnen mensen macht erkennen die juist bij henzelf vandaan komt? Moet macht om te overtuigen en erkenning te verkrijgen, juist niet op een hogere komaf kunnen bogen? Dat zijn vragen die juist in de democratie, het tamelijk recente politieke systeem – vrijwel nergens is het ouder dan een eeuw, ook in Nederland niet – waarbij machts- en elitevorming plaatsvindt onder erkenning van gelijke politieke rechten, urgent worden.

Het is in ieder geval duidelijk dat de legitimiteit van de macht niet op de act van het kiezen als zodanig is gebaseerd. De meeste Amerikanen, ruim driekwart van de bevolking, hebben nooit op Barack Obama gestemd en toch zullen ze moeten erkennen, ook als ze hem niet mogen, dat hij hun rechtmatige president is. En ook als dat niet over hun lippen wil komen, zit er toch niets anders op dan om zich er nu eenmaal bij neer te leggen. In Nederland en vele systemen kiezen we de leden van het bestuur niet, maar het is natuurlijk niet zo dat Mark Rutte alleen maar de minister-president is van degenen die hun stem op hem uitbrachten – voor een andere functie dan dus ook nog. De leden van de Tweede Kamer vertegenwoordigen het hele volk en niet alleen hun partij of hun specifieke kiezers of zelfs maar degenen die de moeite hebben gedaan naar de stembus te komen. Nee, ze representeren ook die ruim drie miljoen mensen die op 9 juni 2010 wel opgeroepen waren, maar niet kwamen opdagen, of de ruim vier miljoen Nederlanders, die niet mochten stemmen, met name omdat ze daarvoor nog te jong waren.

Juist in een democratie is de opvatting dat de legitimatie van de macht van onderop komt, problematisch. Verkiezingen hebben de neiging de legitimiteit van de verkozenen te ondergraven, omdat velen juist op een ander gestemd hebben. Daarom zijn verkiezingen voor een enkel ambt – burgemeester, president – vaak ook niet gelukkig, omdat ze de drager vanaf het begin op achterstand plaatsen. Voor grotere gremia werken ze beter, omdat dan vele mensen naast elkaar gekozen worden en de kiezer dus veel eerder al een zekere winst heeft binnengehaald. Wie bij de afgelopen verkiezingen tegen de 63 duizend Nederlanders aan zijn zijde had, had al iets gewonnen. Maar de bijna 60 miljoen Amerikanen die op 4 november 2008 op John McCain stemden, stonden vervolgens met lege handen. De legitimatie komt dan ook niet vanuit de handeling van het stemmen, maar vanuit de aanvaarding van het systeem. Als de wet gevolgd wordt, die ook het volk een zekere invloed verschaft, dan is de macht gelegitimeerd.

-

Altijd van boven
Kortom, de legitimatie komt niet van beneden, maar van boven. Ook het bestuur, ook de overheidsmachten, zijn onderworpen aan de wet en in het volgen van de wet ligt de legitimatie. De vraag is dan alleen waar je die wet in beide schemaatjes moet situeren. Staat de wet boven het bestuur? Of kun je zeggen dat de wet in feite de regeling van de regeringsmacht op hetzelfde niveau is, te meer daar die wet ook steeds weer door daartoe bevoegde instanties – regering en volksvertegenwoordiging samen in Nederland – gewijzigd kan worden?

Uiteindelijk doet het er misschien ook niet zoveel toe. Gezag en macht komen nu eenmaal van boven en in zekere zin is het dan logisch om de legitimatie nog weer verder van boven te laten komen. Het valt zo in ieder geval wel in te zien waar het idee dat de macht van God komt, vandaan komt. Het gaat niet alleen om een verhaal dat moet verklaren waarom sommigen – vroeger vorsten van vlees en bloed, nu vooral instituties die door steeds weer anderen bemenst worden – meer macht hebben dan anderen, het gaan tegelijk ook om normering en beperking. Dat is ook het idee van het Plakkaat van Verlatinghe: macht is met een bepaald doel gegeven en aan de hand van dat doel beoordeelbaar. Dat eerste is ook precies wat Paulus van Tarsus in zijn bekende Brief aan de Romeinen vaststelde, al liet hij het tweede in het midden. Het is niet voor niets dat het recht altijd met goddelijkheid omgeven is: het bevat namelijk een hogere norm.

Een bekend theoloog heeft ooit de formule gemunt dat alle spreken over boven van beneden komt, ‘ook de uitspraak dat iets van boven komt’, maar alle spreken dat van boven zegt te komen, komt vooral vanuit het verleden. Het is er al. Het gezag is – als zich recent geen omwentelingen hebben voorgedaan – gemeenlijk al gevestigd. Als het om macht en gezag gaat, is de ervaring wel degelijk dat er iets van boven komt, ook al weten we heel goed hoe dat systeem door mensen van gelijke beweging als wij is geschapen en in stand wordt gehouden. Het juridisch systeem is als vele sociale systeem meer dan de deelnemers en is vaak ook een langer leven beschoren. Het is meer dan de samenstellende delen en komt daarom in de menselijke ervaring van boven.

-

Legitimiteit en beoordeling
Ik denk eigenlijk dat het schema van Ullmann niet voldoet. De legitimatie van de macht komt niet van beneden, maar ook niet per se verder van boven. De legitimatie komt vooral vanuit het verleden. De macht is er al en als ze goed werkt, heeft ze erkenning weten te verkrijgen. Bij deze opvatting kunnen we ook de contingentie aanvaarden. Het ene land heeft een net iets ander systeem dan het andere en je kunt niet op voorhand zeggen dat het ene beter is dan het andere. Al die systemen zijn historisch gegroeid en worden steeds weer aangepast. Ze hadden ook anders kunnen zijn, maar zoals ze nu eenmaal zijn, zijn ze aanvaard.

Kortom, ik denk dat we bij de rechtsfilosofische vraag naar de legitimatie van de macht aan moeten sluiten bij de sociologische analyse van hoe macht werkt. Macht komt van boven en niet van beneden en in een democratie is die vaststelling belangrijker dan ooit: het is de wet, het is het systeem, het is niet de handeling van het kiezen, die de politieke macht legitimeert. Niet de verkiezingen zelf verschaffen legitimatie, wel het gegeven dat ze volgens de regels worden gehouden. Maar als machtsuitoefening berust op feitelijke aanvaarding en erkenning, veronderstelt dat ook een maatstaf. De macht kan ook tekort schieten, zoals het Plakkaat van Verlatinghe al vaststelde: als ze recht doet verkeren in onrecht, als ze onderdrukking in de plaats van bescherming stelt. Kortom, de bron van de macht ligt niet beneden, de beoordeling van de macht ligt daar nadrukkelijk wel. Ik kan dus nu met een betere formule eindigen.

Macht komt van boven, de erkenning en beoordeling komen van beneden.

(24)

10 november 2011

Nationale communicatiegemeenschappen

.:.

Nederland bestaat.

Wie daaraan mocht moet twijfelen, hoeft alleen maar te kijken naar de wereldkaart die cartograaf Eric Fischer op maandag 24 oktober 2011 publiceerde van de talen die twitteraars gebruiken. Hij visualiseerde daarbij de twitteractiviteiten tussen 14 mei en 20 oktober van dit jaar. En zelfs op een niet al te grote wereldkaart kun je daarbij Nederland nog zien, waarbij de wat fluorescerende groenblauwe kleur die hij aan het Nederlands toekende, niet onbehulpzaam is. Op de afzonderlijke uitsnede van Europa die Fischer maakte, kun je dat nog beter zien. (De wereldkaart en de Europese kaart kan men in verschillende groottes bekijken.)

Talengemeenschappen op Twitter (afbeelding: Eric Fischer)

-

Ik was natuurlijk nooit op zijn kaart gekomen als de site van de NRC die niet ontdekt had. Dinsdag 8 november schreef Marije Willems er een stukje over, waarbij ze verwees naar een publicatie door redacteur Cliff Kuang op de blog Co.Design van 4 november. Er doet zich daarbij een interessant interpretatieverschil voor. Cliff Kuang schrijft:

‘The real borders are created by language: Language is what makes someone addressable no matter where he is. Language is what you share with strangers above all else. Language is your passport into a new community of people.’

Dat klinkt op zich plausibel genoeg. Taal bepaalt de werkelijke grenzen tussen mensen. Nogal wiedes, zou je denken, als je iemand niet kunt verstaan of zijn woorden niet zonder hulp van Google Translate kunt lezen, dan wordt communicatie lastig. Maar dan vervolgt Kuang met deze zin:

‘Ergo, you can use language to map cultural barriers that transcend political boundaries.’

En daar gaat er dus iets mis. Geen twijfel: taal kán politieke grenzen overschrijden. Ik heb vandaag nog staan te praten met iemand van wie ik meen te weten dat hij in België is geboren, en we deden dat in het Nederlands en ik kon zelfs aan zijn accent – dat hij volgens de geldende normen niet had en ik overigens wel heb – niet horen dat hij een Vlaming was. Maar onze conversatie vond plaats in Nederland en hoewel we het over de politieke verwikkelingen in België hebben gehad, was er omtrent de lokalisatie van het gesprek geen twijfel mogelijk: vanuit Amsterdam keken we samen naar het zuiden. Wij met ons tweetjes over die daar. Objectiverend. Kuang heeft ongetwijfeld volkomen gelijk als hij stelt dat taal politieke grenzen kan overschrijden. Maar de vraag nu is: toont de twittertalenkaart van Eric Fischer dat? En dan denk ik dat het antwoord eerder ontkennend moet luiden.

-

In haar korte stukje voegt Marije Willems een wezenlijke observatie toe. Nadat ze eerst terecht vastgesteld heeft dat in een wereld ‘waar grenzen verdwijnen’, taalbarrières blijven bestaan en dat je dat op Twitter kunt constateren, merkt ze op (ik zet ‘meer’ stilzwijgend om in het kennelijk bedoelde ‘maar’):

‘Daarnaast zijn de landsgrenzen duidelijk zichtbaar, wat maar weer aantoont dat er weinig over de grenzen wordt getwitterd.’

Op Twitter zou iemand die deze uitspraak zou doorgeven, daar met wat inmiddels het gebruikelijke oneigenlijke gebruik van hashtags is, aan toevoegen: #spijker #kop. Het is namelijk exact wat de kaarten laten zien: binnen landsgrenzen gebruiken mensen in het algemeen de dominante taal, maar die gebruiken ze weinig over de grenzen heen, zo laat zich vermoeden. Een kleine afwijking van de eerste stelling kan men rond Barcelona waarnemen: hoewel de kleuren op mijn scherm ietwat onduidelijk zijn, krijg ik toch het vermoeden dat nogal wat lieden daar niet in het officiële Spaans of Kastiliaans, maar in het Catalaans twitteren. Maar het tweede punt waar het me nu om gaat, is: dat ook mensen met dezelfde taal niet zo bar veel over de grens twitteren.

Wie de kaartjes goed bekijkt, zal de grens tussen Nederland en Vlaanderen wel kunnen zien. In Nederland wordt meer getwitterd dan in het noordelijke, Nederlandstalige deel van België, dat kun je zien. Je kunt zien waar Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg liggen. Dat is opmerkelijk. En verder kun je ook zien dat Vlaanderen – wat dan tegenwoordig zo heet – toch iets meer een vlak, zij het dunner dan het Nederlandse, vormt dan het zuidelijke, Franstalige deel van België, waar de meeste activiteit rond Brussel en Luik geconcentreerd lijkt te zijn. In een eerste versie had ik geschreven dat Wallonië duidelijk onderscheiden kan worden van Frankrijk, waar men, gelijk bekend, dezelfde officiële taal spreekt en schrijft, maar eerlijk gezegd is het niet zo gemakkelijk om bij Lille de grens scherp te zien. Met dit alles is op zich nog niet bewezen dat Nederlandstalige Belgen niet met Nederlanders twitteren en Franstalige Belgen niet met Fransen, maar het lijkt me toch zeer aannemelijk dat ze het vooral onder elkaar doen. Wie naar andere grenzen kijkt, die tussen Duitstalige Zwitsers en Duitsland of tussen Franstalige Zwitsers en Frankrijk bijvoorbeeld, zal waarschijnlijk dezelfde vermoedens krijgen.

-

Ik denk dat deze gegevens – en dan is de Nederlands-Belgische grens het meest sprekend, maar in het algemeen vooral de vaststelling dat taalgrenzen in West-Europa vaak met die van staten samenvallen – weliswaar niet volledig bewijzen, maar wel aannemelijk maken wat ik hier onlangs al schreef in mijn stukje over Grondwettelijke orde: namelijk dat we nu meer dan ooit ‘één natie’ vormen, ‘die zich vooral uit in de vorm van een nationale communicatiegemeenschap’. Dat ‘we’ uit de vorige zin betekent wat mij betreft dan niet alleen Nederlanders, maar mag opgevat worden als een uitspraak die voor heel veel mensen op de wereld geldt: allemaal maken ‘we’ – in die algemene zin – deel uit van nationale communicatiegemeenschappen. Taal is het minimum dat we nodig hebben om met elkaar te praten, en hoewel velen van ons – alweer internationaal opgevat – een aardig mondje Engels of anders wel een ander tamelijk mondiale taal spreken, doen we dat toch het liefst of het vaakst in onze nationale taal, die vaak ook onze moerstaal (zij het net niet de mijne) zal zijn. Maar er komt dus nog iets bij: er moet ook een nationale verwantschap zijn. Mijn zicht op Twitter is uiteraard nogal door mijn interesses – politiek, filosofie, religie, geschiedenis en nog zo wat – beperkt, toch krijg ik de stellige indruk dat vooral Nederlanders met Nederlanders twitteren en vooral Vlamingen met Vlamingen, zelfs als het over onpolitieke zaken als literatuur of wijsbegeerte gaat. Ik zie niet zo bar veel transnationaal twitterverkeer, behalve dan met Nederlanders in den vreemde, of dat nu Egypte, Indonesië, Israël, Italië of de USA is.

Daar past overigens wel de kanttekening bij dat Engels op de kaart van Fischer bewust in een grijstint naar achteren is gedrongen. Veel mensen zullen in die taal wel degelijk informatie opdoen en zo af en toe internationaal uitwisselen, maar ik vermoed dat die internationale oriëntatie vooral een aanvulling vormt op de intensieve debatten die vooral binnen het eigen nationale gebied gevoerd worden. En dat ook is wat de kaart van Eric Fischer laat zien: dat mensen vooral binnen hun taalgebied en daarbinnen binnen hun staatsgebied communiceren. In die zin denk ik dus dat nog steeds klopt wat ik in mijn blog over Grondwettelijke orde schreef:

‘dat de natiestaat momenteel sterker is dan ooit en als impliciet idee krachtiger is dan ooit.’

Maar alleen in een bepaalde zin. Wat er zich nu voor onze ogen afspeelt, is nog steeds het gevolg van de succesvolle en in hoge mate noodzakelijke creatie van de negentiende-eeuwse en eerdere natiestaten – de vorming van de Nederlandse begon op zijn laatst in 1609, al had het er anders mee kunnen aflopen –, maar je kunt misschien ook zinvol betogen dat die natiestaten als zodanig nu lichtelijk verdwenen zijn, maar dat de nationale communicatiegemeenschappen die ze in het leven hebben geroepen, levendiger zijn dan ooit. Onze defensie en onze volkshuishouding hebben we in hoge mate in overstijgende verbanden – NATO, EU – ondergebracht en in die zin bestaat de Nederlandse natiestaat mogelijk niet meer in volle omvang. Maar die Nederlandse natie, die is overtuigender present dan ooit. Die natie is vooral een gemeenschap van mensen die voortdurend met elkaar in gesprek zijn, en daarvan is Twitter een prachtige indicatie. De kaart van Eric Fischer laat vooral zien hoe Nederland veel meer dan andere landen verdicht is en hoe het onderscheid tussen stad en platteland opgeheven lijkt. Maar dat is iets voor een volgende blog.

-

Voorlopig lijkt me de conclusie genoeg dat nationale – of binnennationale (België, Zwitserland) – communicatiegemeenschappen het sociale weefsel van de wereld vormen en dat Nederland daarbij waarschijnlijk een van de meest sprekende voorbeelden vormt.

(22)

3 november 2011

Grondwettelijke orde – Over een uiting van verlangen

.:.

Gisteren was op de televisie in het programma Nieuwsuur (vanaf ongeveer minuut 43) te zien hoe een voetballer, een zekere Douglas, tot Nederlander werd genaturaliseerd. Ik had eerlijk gezegd nog nooit van de jongeman, die bij een in het Overijsselse Enschede gevestigde club schijnt te spelen, gehoord. Ik vond voetbal altijd leuk om te doen, maar ik mis eenvoudigweg de Ausdauer om ernaar te kijken. Ik ben snel afgeleid; bij grote wedstrijden probeer ik, alleen al vanwege de gezelligheid, wel eens met anderen mee te kijken, maar ik betrap me erop dat ik toch binnen een mum van tijd in een boek of krant zit te lezen. Die Douglas was en blijft, denk ik, Braziliaan en zijn afkomst schijnt te verklaren dat men hem, net als dat bij vorsten de gewoonte is, alleen bij zijn voornaam aanduidt. Romário, Ronaldo, Ronaldinho, dat rijtje: ja, zelfs ik vang ongewild wel eens wat op.

De Grolsch Veste - naar een van origine uit Groenlo afkomstig biermerk vernoemd voetbalstadion te Enschede (foto: Angelo Romano)

Maar goed, het aardige – of gezien het volgende ook wel: onaardige – was dat we ineens beeldend met de voltooiing van de inburgering en de verkrijging van het Nederlanderschap geconfronteerd werden. De burgemeester van Enschede las de tekst van de zogenaamde ‘verklaring van verbondenheid’ voor, waarop de jongeling vervolgens moest zeggen dat hij wat daarin stond, verklaarde en beloofde. Ik citeer de tekst uit artikel 23 van de Rijkswet op het Nederlanderschap:

‘Ik zweer (verklaar) dat ik de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten respecteer en zweer (beloof) de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen.’

Degene die de verklaring aflegt, kan ter bevestiging kiezen uit ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’, of ‘Dat verklaar en beloof ik’. Bij de heer Texeira – hij heeft wel een achternaam – werd het dus de versie met het verklaren en beloven. Het gaat hier om een harde voorwaarde. Bij het aanvragen van het Nederlanderschap moet men al onderschrijven dat men bereid is de verklaring af te leggen en het besluit tot verlening daarvan wordt ‘niet bekend gemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd’, zoals de wet herhaalde malen stelt.

Wat hiervan te zeggen? Ik denk dat we vanzelfsprekend iets heel kritisch moeten stellen, maar dat in deze vreemde gang van zaken misschien ook wel iets ontroerends zit. Hoe het ook zij, de opname van de verklaring van verbondenheid en dan vooral déze tekst is een uiting van een staat en een natie – op dat verband kom ik nog te spreken – die verregaand in de war zijn, dat lijkt me wel helder.

-

De kritische noot ligt, dunkt me, voor de hand. Het tv-fragment trof me omdat het enigszins beschamend was. Dat men nieuwkomers dit verplicht laat verklaren, is – laten we het voorzichtig houden – bepaald geen uiting van fijngevoeligheid van overheidswege. Ik heb toch al mijn twijfels bij dat hele verplichte integratiegebeuren en volgens mij hadden we er nooit aan moeten beginnen – aan dat verplichte traject dan, tegen het aanbieden van scholing is helemaal niets en dat valt zelfs zeer toe te juichten -, maar er valt mogelijk nog iets voor te zeggen. Maar de eindfinale slaat alles. Alleen wie bereid is zich te lichtelijk laten beledigen, kan dus nog Nederlander worden. Dat is nooit goed voor het zelfrespect van een natie.

Ik zal dat uitleggen. Dat het Nederlanderschap – het woord verscheen voor het eerst in 1850 in een wet – zekere rechten en plichten met zich meebrengt, dat ligt, dunkt mij, voor de hand. Dat zal ook voor het Belgschap, Nepaleesschap of Chileenschap gelden. Maar waarom zou je iemand expliciet zelf laten verklaren dat ie dat erkent? Wie als Nederlander geboren wordt, heeft die rechten en plichten ook, en die heeft ook nooit hoeven te verklaren dat hij ze respecteert, of hoeven te beloven dat hij ze getrouwelijk zal vervullen. Nu kun je nog zeggen dat het natuurlijk anders is als iemand zélf Nederlander wil worden, maar uit het oogpunt van gelijke behandeling zou het dan nog meer voor de hand liggen om de kandidaat van naturalisatie gewoon de gevolgen van zijn aanvraag voor te houden. Uit het oogpunt van rechtsgelijkheid zou dat consequenter zijn: wat voor Nederlanders geldt, alle dus, kun je ze gewoon vertellen. Degenen die hier geboren zijn, komen er gaandeweg wel achter, nieuwkomers moet het misschien even uitgelegd worden.

Maar dit is nog tot daaraan toe. De saillante term in de verklaring van verbondenheid is: ‘grondwettelijke orde’ en wel die ‘van het Koninkrijk der Nederlanden’. Sinds 1 maart 2009 staat die in de wet. Dat is een regelrechte flauwekulterm en al helemaal in dit verband. Je kunt dat gemakkelijk laten zien. Dit is werkelijk de enige wet en het enige artikel waarin het begrip voorkomt. De term is dus voor de gelegenheid verzonnen. Ze verwijst naar niets dat wettelijk al bestond. In dat opzicht lijkt ze een beetje op ‘democratische rechtsorde’, die eigenlijk alleen in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (artikelen 6 en 13) en de daarmee samenhangende Wet veiligheidsonderzoeken voorkomt. Het gaat dan steeds om lieden en organisaties die een ‘gevaar’ voor – meestal: het voortbestaan van – de ‘democratische rechtsorde’ vormen. (Daarnaast is er dan in de Wet overige BZK-subsidies dan nog een keer sprake van ‘de ontwikkeling van de democratische rechtsstaat en rechtsorde in Aruba, Curaçao en Sint Maarten’.) Ook daar zie je dus dat men iets probeert te beschermen dat verder wettelijk nauwelijks gedefinieerd is, maar op zich kun je je nog wel voorstellen wat men onder een ‘democratische rechtsorde’ verstaat.

Met ‘de grondwettelijke orde van het Koninkrijk der Nederlanden, haar vrijheden en rechten’ die men – hier: letterlijk – nieuwe Nederlanders laat respecteren, ligt dat iets anders. Dat men verwacht dat die mensen, net als alle ingezetenen en allen die hier tijdelijk verblijven, de wetten en de rechtsorde zullen respecteren, dat ligt voor de hand. Maar wat is een grondwettelijke orde? En waarom moet die specifiek gerespecteerd worden? Ik vrees dat hier een ernstig misverstand in het spel is. Het doet allemaal een beetje denken aan het bekende verhaal over Ayaan Hirsi Ali die in een tv-uitzending ooit aan kinderen op een islamitische school vroeg om te kiezen tussen de Grondwet enerzijds en de Koran – of Allah of de Schepper, de weergaven variëren enigszins – anderzijds. Dat was natuurlijk een heel merkwaardige vraag, omdat het om heel verschillende grootheden gaat. Iemand die zou zeggen dat hij zich in zijn persoonlijk leven moreel door de Grondwet laat leiden, zou ik in ieder geval niet helemaal vertrouwen. Men mag van mensen verwachten dat ze een andere bron van ethiek of een goed leven hebben, hoe die ook precies luidt. De Grondwet is geen leidraad voor het leven van de burgers, het is het regelboekje waar de overheid zichzelf vrijwillig aan gebonden heeft en waar enkele essentialia van het staatsgebouw in opgetekend staan. De vraag van Hirsi Ali gaf vooral aan hoe slecht ze zelf in feite nog ingeburgerd was: ze begreep eenvoudig niet waar de Nederlandse Grondwet voor bedoeld is.

Dat is ook hier het grote bezwaar. De overheid dient de Grondwet te respecteren, het is onzinnig om dat van burgers te vragen. De Nederlandse Grondwet is op 24 augustus 1815 door de toen nog zeker soevereine vorst, koning Willem I, gegeven. Hij wilde ‘de inwoners van het nieuwe Rijk onder gelijke Staats-instellingen vereenigd’ zien. De Grondwet, kun je zeggen, is een wijze zelfbeperking van de soeverein of, meer abstract, de soevereiniteit. De inwoners weten waar ze aan toe zijn. En ze kunnen er rechten aan ontlenen. De Grondwet is in de 196 jaren die inmiddels verstreken zijn, vaak herzien – ook in het mythische jaar 1848 ging het slechts om een herziening, echt niet om een nieuwe grondwet – maar in principe geldt nog steeds hetzelfde principe: het gaat vooral om een openbare handleiding voor de interne organisatie van de overheid en verder kunnen burgers er zich op beroepen. Dat de verklaring van verbondenheid dus ‘vrijheden en rechten’ aan de ‘grondwettelijke orde’ toeschrijft, is helemaal terecht, maar dat zijn dingen waar je je als burger juist op kunt beroepen. Het valt niet in te zien hoe je ze zou kunnen respecteren. Alsof je ze ook niet zou kunnen respecteren. Het is de staat die ze moet handhaven, dat is geen rechtstreekse aangelegenheid van de burgers. Kortom, die hele frase over het respecteren van de grondwettelijke orde is een beetje flauwekul – en in die zin een belediging van iedereen die het Nederlanderschap verwerft. Je vraagt nieuwelingen iets waarvan niemand enig benul heeft wat het zou kunnen zijn. Maar veel kwaad kan het ook weer niet: er staan toch geen sancties op. Een loze frase is het, meer niet.

In de Grondwet worden diverse vrijheden of rechten geformuleerd, maar nauwelijks plichten. Als ik niets over het hoofd zie, wordt er met zoveel woorden alleen gesteld dat mensen voor de dienstplicht kunnen worden opgeroepen (artikel 99) of dat ‘ten behoeve van de civiele verdediging’ (artikel 99a) plichten kunnen worden opgelegd. Uiteraard volgen er materieel wel wat meer plichten uit de Grondwet. Dat de overheid belastingen kan opleggen, staat er bijvoorbeeld ook in (artikel 104). Op mogelijk nog andere zaken ga ik het document nu niet navlooien. Maar dat de overheid van alles kan opleggen, dat ligt voor de hand. De wet – en dat is heel wat meer dan een grondwettelijke orde – dient men toch al te respecteren. De verklaring van verbondenheid vraagt nieuwe Nederlanders om ‘de plichten die het staatsburgerschap met zich meebrengt getrouw te vervullen’. Dat klinkt heel vroom en menigeen zal onmiddellijk instemmend knikken, maar ook staatsburgerschap is wettelijk nauwelijks verankerd. Maar het is een mooi begrip en je kunt je er veel fraais bij voorstellen.

-

Dat was het zuur, nu het zoet. De verklaring van verbondenheid mag dan een beetje knullig zijn, in alle onhandigheid is ze ook een beetje ontroerend. Alleen dat woord al: verbondenheid. Men wil dus graag dat de nieuwkomers zich met onze orde en dus met ons verbonden weten. Dat was ook het schattige van de merkwaardige vraag van Hirsi Ali: ze dacht dus echt dat de Grondwet een norm, of beter een heel pakket aan normen en mogelijk zelfs waarden, aanreikt. En in indirecte zin is dat ook zo. De Grondwet mag dan ooit wel van bovenaf door de soeverein aan de onderdanen zijn gegeven, juist door de orde die ze schiep, zijn die onderdanen ook burgers geworden, die gaandeweg steeds meer in de melk te brokkelen kregen en in die zin is de Grondwet ook steeds meer een uitdrukking geworden van wat wij burgers van onze overheid verwachten. Indirect schept ze wel degelijk een orde waarin we ons bewegen kunnen en waarmee we ons verbonden kunnen voelen.

Uiteraard is dat beperkt. En de overheid heeft er van alles aan gedaan om daarbij zelf verwarring te zaaien door bijvoorbeeld de Algemene wet gelijke behandeling zo nauw aan artikel 1 van de Grondwet te koppelen. Ik zou niet graag alle lieden voor de dis willen uitnodigen die echt denken dat er in artikel 1 van de Grondwet staat dat wij onze medemensen niet mogen discrimineren, terwijl het daar toch werkelijk alleen om een regel voor de overheid gaat. Alleen via de specifieke wet wordt ‘ter bevordering van de deelneming op gelijke voet aan het maatschappelijk leven’ bescherming geboden tegen allerlei vormen van onderlinge discriminatie. Dat is op zich een fraai streven, maar het was verstandig geweest om dat losser van de verticale bescherming door de Grondwet te zien.

De verklaring van verbondenheid wijst op het diepe verlangen samen een eenheid te vormen. Er wordt soms beweerd dat de natiestaat een typisch negentiende-eeuwse vinding zou zijn geweest, waar wij inmiddels bovenuit zijn gegroeid, maar ik geloof daar niets van. Het is waar dat we inmiddels ook in andere, ruimere verbanden zijn opgenomen, defensief in de NAVO bijvoorbeeld – het gaat hier om een oude kerntaak van de overheid: de bescherming ten opzichte van de buitenwereld -, economisch en anderszins in de Europese Unie, maar dat doet er niets vanaf dat de natiestaat momenteel sterker is dan ooit en als impliciet idee krachtiger is dan ooit. Juist omdat De eenwording van Nederland – zoals de bekende boektitel van Hans Knippenberg en Ben de Pater uit 1988 luidt – zo geslaagd is en vele verschillen – regionale, sociale, levensbeschouwelijke – in hoge mate overwonnen zijn, vormen we nu meer dan ooit één natie, die zich vooral uit in de vorm van een nationale communicatiegemeenschap.

Dat moet ook de achtergrond van de wat knullige formuleringen in de verklaring van verbondenheid zijn. Het is een uiting van het hedendaagse nationalisme en men wil dolgraag dat ook nieuwkomers erbij horen. In die zin kun je de verklaring ook als een uitnodiging lezen: kom erbij! Dat de Nederlandse Grondwet zich niet zo goed leent voor een rol als verbindend document moeten we daarbij maar een beetje over het hoofd zien. Het gaat om een zekere terugkeer naar de gedachte van het sociaal contract, zoals die ook in de befaamde unitaristische Staatsregeling voor het Bataafsche Volk van 1798 te vinden was. Daarin werd de staat als een product van ‘maatschappelijke vereeniging’ voorgesteld, werd er gerept van een ‘Maatschappelijk Verdrag’ – de letterlijke vertaling van contract social – en werd gesteld dat de ‘Oppermagt berust in de gezamelijke Leden der Maatschappij, Burgers genoemd’ (artikel 2 van de eigenlijke Acte van Staatsregeling). We zijn allen een en hebben samen iets dat ons verbindt, dat was toen en dat is ook nu de gedachte.

Het is op zich best een ontroerend streven, maar het nadeel is wel dat het keurslijf ook wat benauwend kan worden. Hoe meer we samen virtueel geacht worden te onderschrijven wat ons verbindt, hoe minder ruimte er komt om individueel en vooral groepsgewijze af te wijken. Dat is de tendens die we momenteel zien. Dat streven is nu tamelijk spontaan, maar het is wel de uitkomst van wat ooit een bewust streven was en dat nu vanwege het succes niet meer hoeft te zijn. Maar enig wantrouwen is ook op zijn plaats, met name voor minderheden die graag ook nog iets voor zichzelf willen overhouden.

-

Hoe het ook zij, momenteel doet de paradox zich voor dat nieuwkomers door middel van een formele verklaring over een niet-bestaande grondwettelijke orde iets meer met ons verbonden zijn, dan de rest van ons dat is.

Maar het verlangen is ontroerend

(17)

25 oktober 2011

Het aardige van de paus

.:.

Afgelopen vrijdag ontving paus Benedictus XVI de nieuwe Nederlandse ambassadeur, Joseph Weterings, die zijn geloofsbrieven kwam aanbieden. Daarover verschenen uiteraard wat korte nieuwsberichten over en op één ervan reageerde de theoloog Ruard Ganzevoort op Twitter met de volgende woorden (waarbij ik een evidente tikfout verbeter):

‘Als Vaticaan land is, gaat de Paus niet over onze moraal. En als het een kerk is, hoeft er geen ambassadeur heen.’

En op een vraag naar nadere toelichting, repte hij nog over ‘misbruik’ van een ‘dubbelrol’. Het lijkt me vooral een reactie die teruggaat op oude protestantse reflexen.

We weten allemaal dat er in november 1925 nog eens een Nederlands kabinet, het eerste van Hendrik Colijn, gevallen is over het gezantschap bij de Heilige Stoel, dat tien jaar eerder door het liberale, buitenparlementaire kabinet-Cort van der Linden hersteld was. Een amendement van de SGP-er G.H. Kersten op de begroting van Buitenlandse Zaken om de financiering van het gezantschap te schrappen werd toen met 52 tegen 42 stemmen aangenomen. Dat de gehele oppositie, bestaande uit – naar grootte – SDAP, Vrijheidsbond, VDB, SGP, HGSP, Plattelandersbond en CPH, een bont gezelschap van socialisten, liberalen, calvinistische antipapisten en enkele anderen, elkaar vond, was natuurlijk niet het probleem. Wat de doorslag gaf, was dat er onder de indieners ook drie leden van een coalitiepartij, de CHU, waren en dat op fractievoorzitter J.Th. de Visser na, die zich van stemming onthield, de hele christelijke-historische fractie voorstemde, waar nog bij kwam dat ook twee leden van de andere protestants-confessionele regeringspartij, de ARP, zich aan stemming onttrokken. De vier ministers die uit de RKSP kwamen, dienden daarop hun ontslag in.

Portret van paus Benedictus XVI in de Basilica di San Paolo fuori le Mura (foto: Sebastian Bergmann)

Misschien is het achteraf gezien de laatste belangrijke gebeurtenis waarbij de oude tegenstelling die Nederland zo lang verdeelde, zo pregnant aan het licht kwam. De situatie was toen overigens anders dan nu. De internationaalrechtelijke status van de Heilige Stoel was sinds de verovering van de Pauselijke Staat in 1870 immers nogal onduidelijk. Pas sinds 1929 is Vaticaanstad – dat is de meer informele aanduiding in de wandeling – weer een duidelijke gedefinieerde internationaalrechtelijke entiteit, een land of staat zo men wil. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de banden weer hersteld en niemand zal ontkennen dat je met andere staten in het algemeen diplomatieke relaties onderhoudt.

Vaticaanstad, om nu toch maar even de alledaagse aanduiding te gebruiken, blijft natuurlijk wel een afwijkende staat. Je kunt daar ook iets aardigs in zien. Het is een niet-erfelijke monarchie, in vroeger eeuwen een bekende figuur, maar tegenwoordig niet zeer gangbaar meer, en alleen in die zin heeft het bestaan al iets schattigs. Het staatshoofd wordt bovendien gekozen door een college van mensen die een andere nationaliteit bezitten. Het valt waarschijnlijk na te kijken, maar ik zou eerlijk gezegd niet weten of pausen hun oorspronkelijke nationaliteit behouden. Heeft Joseph Ratzinger nog een Duits paspoort? Vaticaanstad is bovendien een van de weinige katholieke landen waar kerk en staat niet gescheiden zijn, iets wat in protestantse landen trouwens weer tamelijk gebruikelijk is, maar daar zijn er niet zoveel van.

-

Het aardige is dat Joseph Ratzinger – ik ben protestants genoeg om een naamswisseling op achtenzeventigjarige leeftijd niet helemaal mee te maken – in zijn toespraakje juist inging op het uitzonderlijke karakter van de Heilige Stoel. Dat het niet om een natiestaat gaat en dat Vaticaanstad geen economische of militaire macht – onwillekeurig denken we even aan de bij meerdere gelegenheden aan Joseph Stalin toegeschreven vraag hoeveel divisies de paus heeft – heeft, voert hij juist op als een voordeel.

‘Yet as you yourself have indicated, its moral voice exerts considerable influence around the world. Among the reasons for this is precisely the fact that the Holy See’s moral stance is unaffected by the political or economic interests of a nation-state or the electoral concerns of a political party. Its contribution to international diplomacy consists largely in articulating the ethical principles that ought to underpin the social and political order, and in drawing attention to the need for action to remedy violations of such principles.’

Daar heb je dus die moraal, de ethische beginselen, waar Ganzevoort het over had. Op zich is dat beroep erop in de internationale verhoudingen ook niet vreemd. Landen spreken elkaar voortdurend aan in morele termen, het meest helder als het gaat om mensenrechten. Het enige verschil is dat de Heilige Stoel daarnaast niet over fysieke machtsmiddelen kan beschikken.

Ratzinger legt vervolgens uit waar die ethische principes op gebaseerd zijn:

‘It does so, evidently, from the standpoint of the Christian faith, but as I observed in my recent address to the German Parliament, Christianity has always pointed to reason and nature as the sources of the norms on which a state of law should be built (Address to the Bundestag, 22 September 2011).’

Ook dat konden we verwachten. Rede en natuur, daar legt de katholieke leer vanouds een sterke nadruk op en dan met name in de dialoog met de buitenwereld. Het is tevens een funderingsidee dat in onze dagen niet meer algemeen gangbaar of niet onomstreden is. Dat is niet alleen een gevolg van Romantiek en vooral historisme – uitvoerig besproken in Leo Strauss’ bekende Natural Right and History (1953) – maar een ontwikkeling die al in de Verlichting begon. Enerzijds had je toen nog een sterke en invloedrijke stroming die zich, materieel in een wat andere zin, op het natuurrecht baseerde en moraal als vanouds nog op de rede wilde baseren, maar anderzijds legden David Hume en anderen juist alle nadruk op gevoel en emoties (reden waarom Hume en geestverwanten er bij Jonathan Israel, die im Grunde genommen niet veel met de Verlichting heeft, dan ook slecht vanaf komen, maar dit terzijde). En dat is de tendens die de historische ontwikkeling achter zich kreeg en die in onze dagen in feite overheersend is. De gangbare moraal heeft niet de pretentie een redelijke basis te hebben, al speelt de redelijke dialoog als instrument bij de onderlinge afstemming nog wel een grote rol. Toch zou je nog wel degelijk een zekere naturalistische invalshoek waar kunnen nemen, maar natuur en rede worden niet meer zo vast op elkaar betrokken als in de een meer dan twee millennia omspannende westerse denktraditie gangbaar was. En vooral is de opvatting van wat natuur is, dan meestal minder statisch dan wat de katholieke opvatting er via Thomas op Aristoteles teruggaande onder verstaat. Op dat punt doen zich ook de bekende hedendaagse botsingen voor.

-

Overigens heeft Ratzinger dat zelf ook wel eens geconstateerd. Menigeen zal zich nog de verbazing herinneren die ontstond over wat hij in januari 2004 in München tijdens zijn befaamde gedachtewisseling met Jürgen Habermas opmerkte:

‘Das Naturrecht ist – besonders in der katholischen Kirche – die Argumentationsfigur geblieben, mit der sie in den Gesprächen mit der säkularen Gesellschaft und mit anderen Glaubensgemeinschaften an die gemeinsame Vernunft appelliert und die Grundlagen für eine Verständigung über die ethischen Prinzipien des Rechts in einer säkularen pluralistischen Gesellschaft sucht. Aber dieses Instrument ist leider stumpf geworden, und ich möchte mich daher in diesem Gespräch nicht darauf stützen. Die Idee des Naturrechts setzte einen Begriff von Natur voraus, in dem Natur und Vernunft ineinander greifen, die Natur selbst vernünftig ist. Diese Sicht von Natur ist mit dem Sieg der Evolutionstheorie zu Bruche gegangen. Die Natur als solche sei nicht vernünftig, auch wenn es in ihr vernünftiges Verhalten gibt: Das ist die Diagnose, die uns von dort gestellt wird und die heute weithin unwidersprechlich scheint. Von den verschiedenen Dimensionen des Naturbegriffs, die dem ehemaligen Naturrecht zugrunde lagen, ist so nur diejenige übrig geblieben, die Ulpian (frühes 3. Jahrhundert nach Christus) in den bekannten Satz fasste: “Ius naturae est, quod natura omnia animalia docet.” Aber das gerade reicht für unsere Fragen nicht aus, in denen es eben nicht um das geht, was alle “animalia” betrifft, sondern um spezifisch menschliche Aufgaben, die die Vernunft des Menschen geschaffen hat und die ohne Vernunft nicht beantwortet werden können.’

De intellectuele opwinding was groot en sommige van de aanwezige theologen en filosofen konden hun oren bijna niet geloven. Het toenmalige hoofd van de Congregatie voor de Geloofsleer dat bijna achteloos constateerde dat de natuurrechtsidee als gereedschap bot was geworden! Merk trouwens op dat hij de breuk vooral door toedoen van de natuurwetenschappen, de evolutietheorie, ziet ontstaan.

Toch hoef je niet direct te constateren dat Ratzinger als paus en hoofd van Vaticaanstad nu op zijn schreden is teruggekeerd – en wel moest, zou je dan onwillekeurig denken. Hij vervolgde destijds namelijk als volgt:

‘Als letztes Element des naturrechts, das im Tiefsten ein Vernunftrecht sein wollte, jedenfalls in der Neuzeit, sind die Menschenrechte stehen geblieben. Sie sind nicht verständlich ohne die Voraussetzung, dass der Mensch als Mensch, einfach durch seine Zugehörigkeit zur Spezies Mensch, Subjekt von Rechten ist, dass sein Sein selbst Werte und Normen in sich trägt, die zu finden, aber nicht zu erfinden sind.’

Dat lijkt me een volkomen juiste constatering. Mag het dan juist zijn dat voor de alledaagse, persoonlijke moraal het idee van een rationele fundering aan kracht heeft verloren, in het idee van de mensenrechten – en in de rechtsfilosofie – spelen traditionele opvattingen omtrent natuur en rede tot op heden wel sterk door. En juist daar kan de paus als de internationaal politicus die hij ook is, bij aanknopen. In zijn rede in september in de Duitse Bondsdag, waar hij vrijdag naar verwees, deed hij dat dan ook. Ook daar stelde hij eerst vast dat de gedachte van het natuurrecht vandaag de dag als ‘eine katholische Sonderlehre’ geldt, waarvoor men zich bijna zou schamen die nog te berde te brengen. Vervolgens legt hij dan uit hoe dat zo gekomen is, en uiteindelijk doet hij toch een poging, ook in aansluiting bij de ecologische beweging – een product van de Romantiek, zou je meer dan schertsend kunnen stellen – toch een zeker eerherstel voor het natuurrecht, het beroep op natuur en rede, te bepleiten. Ik moet daar nog maar eens afzonderlijk naar kijken, want wijsgerig is dat allemaal niet oninteressant. Hier laat ik het maar bij de vaststelling dat Ratzinger dus wel degelijk consistent is. Het is duidelijk dat hij het niet wil laten bij een herhaling van de oude aristotelische en thomistische opvattingen, maar naar een nieuwe omgang met oude kernideeën van onze westerse traditie zoekt. Ratzinger, sterk beïnvloed door Augustinus, is al sinds zijn jonge dagen beslist geen hardcore neothomist, vertelt men altijd, zoals zijn voorganger Karol Wojtyla, een eigenzinnig fenomenoloog, dat trouwens ook niet was.

-

Toch zal men in de woorden die hij tot de Nederlandse ambassadeur richtte, die oude Griekse en Romeinse traditie van het natuurrecht of natuurlijk recht wel herkennen. Of beter, Ratzinger verwijst er met zoveel woorden naar:

‘In acting as a voice for the voiceless and defending the rights of the defenceless, including the poor, the sick, the unborn, the elderly, and the members of minority groups who suffer unjust discrimination, the Church seeks always to promote natural justice as it is her right and duty to do.’

En ook in de passage die deels ook in het korte berichtje op Nu.nl werd geciteerd, zal men onmiddellijk Aristoteles door zien schemeren:

‘While your nation has long championed the freedom of individuals to make their own choices, nevertheless, those choices by which people inflict harm on themselves or others must be discouraged, for the good of individuals and society as a whole. Catholic social teaching, as you know, places great emphasis on the common good, as well as the integral good of individuals, and care is always needed to discern whether perceived rights are truly in accordance with those natural principles of which I spoke earlier.’

Men kan dergelijke ideeën uiteraard verschillend uitwerken, maar het lijkt me dat ze ook nu nog vruchtbaar zijn. Lange tijd ben ik in mijn oppervlakkigheid nogal onder de indruk geweest van het waardenpluralisme van Isaiah Berlin en het idee dat je tussen doelen – ‘ends’ – een tragische keuze moet maken, maar het is natuurlijk de vraag of dat echt zo is, of het wel om ultieme waarden gaat of toch eerder om relatieve, en of de keuze tussen waarden uiteindelijk toch niet meer in een rationele afstemming onder het gezichtspunt van het bonum commune kan plaatsvinden. In die zin kun je Berlins ideeën waarschijnlijk wel breder inkaderen.

Hoe het ook zij, de traditie met haar beroep op natuur en rede verdient naar mijn idee ook in de hedendaagse politiek-filosofische discussie wel aandacht. En ik moet dan zeggen dat ik het persoonlijk heel aardig vind dat er tenminste nog één staatshoofd is met wijsgerige diepgang die parlementen en machthebbers met meer fundamentele ideeën kan benaderen en die de principes van de rede hoog houdt. Niet voor niets typeerde Marc De Kesel hem in Goden breken. Essays over het monotheïsme (Amsterdam 2010) met een ietwat gekunstelde term al als antimisoloog, iemand dus die zich tegen de haat tegen de logos keert. Ik moet hier later nog maar eens uitvoeriger op terugkomen

-

Laat ik met een lichtere noot eindigen, waar trouwens het hele idee voor dit stukje mee begon. Ik zat vorige week te lezen in The Peace Process (2010) van Afif Safieh, de Palestijnse diplomaat die ook de Palestijnse missie in Den Haag in Nederland een tijdlang heeft geleid en die ook ‘ambassadeur’, hoofd van de missie, bij de Heilige Stoel is geweest. In het boek staat een foto van hem en paus Johannes II uit 1995, toen hij net als de Nederlandse ambassadeur nu zijn geloofsbrieven kwam aanbieden. Ik kan die helaas niet op het web vinden. Safieh, een katholiek, staat er bedachtzaam, maar ook trots en onder de indruk bij met de bekende Palestijnse sjaal bijna als een liturgisch attribuut over zijn pak. De paus, de vorige dus, staat er naast in zijn witte gewaad met een wat bezorgde, priemende blik, die ik niet goed kan doorgronden.

Ik dacht toen: dat is toch ook wel aardig. Dat zo’n man, het hoofd van een groot geestelijk instituut, een filosofieprofessor van beroep, zich tussendoor ook voortdurend om allerlei aardse, politieke zaken moet bekommeren. Hij kan het zich niet veroorloven alleen op ijle hoogte te verkeren, steeds moet hij terugkeren naar de alledaagse politiek en de mundane realiteit van deze wereld. Dat is nu juist het aardige: steeds weer wordt hij door zijn ‘dubbelrol’ gedwongen met beide benen op de grond te blijven.

Maar het omgekeerde is natuurlijk nog aardiger: dat er tenminste één staatshoofd is dat fundamentele, diepgravende verhandelingen houdt.

(12)

14 oktober 2011

Seculier – twee opvattingen

.:.

Er zijn van die woorden waar ik maar nooit goed aan kan wennen. Seculier is er een van. Ik weet echt wel wat het tegenwoordig zo ongeveer betekent, namelijk wereldlijk of in de hedendaagse opvatting – maar daar kom ik zo op – vooral niet-religieus en het heeft de connotatie van aards, in de zin dat de aarde de horizon van het bestaan is, maar ik hoor onontwijkbaar steeds de oorspronkelijke Latijnse betekenis meeklinken.

Een seculier priester en een seculier filosoof in gesprek: Joseph Ratzinger (rechts) en Jürgen Habermas (links)

In de huidige opvatting is seculier vooral een ruimtelijke metafoor: de aarde, niet de hemel, hier beneden, niet boven. Maar oorspronkelijk was het een temporele aanduiding. Voor de zekerheid heb ik het woordenboek van Harm Pinkster er nog maar eens op nageslagen en voor saeculum of saeclum hij geeft betekennissen als: mensenleven, generatie, tijd, tijdperk, eeuw, lange periode tot aan zeden en gewoonten van een bepaalde tijd. Seculier zou in die zin verder gedacht een aanduiding zijn van de tijd zoals die tegenover de eeuwigheid staat. Pinkster noemt vervolgens de Kerklatijnse betekenis waarin de overgang naar een meer ruimtelijk verstaan al besloten ligt: vergankelijkheid, werelds bestaan. En hij noemt de bekende uitdrukking in saecula saeculorum – het zijn die woorden die steeds in mijn hoofd meezingen – en daarin wordt de tegenstelling tussen het tijdelijke en eeuwige overbrugd: in eeuwen der eeuwen, of met andere woorden, voor altijd, eeuwig. De temporele en de ruimtelijke betekenis hangen samen, dat is duidelijk: het tijdelijke is aards, het aardse tijdelijk.

-

Ik sloeg vervolgens mijn Van Dale uit 1976 even op – van de woorden die daarna opkwamen, heb ik het ontstaan meegemaakt en daarvoor heb ik gemeenlijk geen woordenboek nodig – en daar kwam ik twee afleidingen – alfabetisch rond het vanouds bekendere secularisatie en seculariseren geschikt – tegen, die beide aspecten uitdrukken: seculair en seculier. Seculair betekent onder meer honderdjarig en in een eeuw of per eeuw plaatsvindend. Kusten kunnen seculair dalen en rijzen, lees ik daar. Seculier staat echter voor wereldlijk, in een zeer specifieke zin overigens. Want, wat blijkt?

Wat ik eigenlijk wel dacht, namelijk dat de huidige invulling van seculier heel nieuw is, wordt daar namelijk onverwacht helder bevestigd. Naar mijn gevoel is het een woord dat pas de laatste paar jaar een sterke opgang gemaakt heeft, maar de aanloop zal langer geweest zijn. Het huidige gebruik geeft een in feite wel komische draai aan de oorspronkelijke betekenis. Het is namelijk een van origine bij uitstek kerkelijk woord en alleen in die zin kent mijn Van Dale uit 1976 het dan ook. Ik tik even het volledige lemma over:

Seculier’ (sekulier) ( <Fr.), I. bn. Wereldlijk, niet tot een orde of congregatie behorend (van kath. geestelijken); – II. zn. gemeensl. (-en), wereldlijk geestelijke.

Dat bn. voor een bijvoeglijk naamwoord staat en zn. voor zelfstandig naamwoord – trouwens ook twee van die termen waar ik maar nooit helemaal kan wennen kan, maar dan om heel andere redenen, namelijk omdat we op school altijd gewoon over adjectiva en substantiva spraken – zullen de meesten wel weten, maar misschien is het aardig en noodzakelijk om te vermelden dat gemeensl. aangevuld moet worden tot gemeenslachtig, hetgeen dus wil zeggen dat de aanduiding zowel op mannen als vrouwen kan slaan en dus zelf beide geslachten kan aannemen.

Het lemma laat dus mooi zien dat de wijze waarop seculier heden ten dage gebruikt wordt, enerzijds aansluit bij het traditionele kerkelijke gebruik en in zekere zin nog precies hetzelfde betekent, niet-religieus (in de zin van niet-regulier, niet gebonden aan een kloosterregel of gelofte) namelijk, maar dat anderzijds het kader volkomen veranderd is: van de kerk naar de maatschappij en vooral de politiek. Wat vooral een indeling van de staat van katholieke geestelijken was – seculier versus religieus – , is nu een indeling van alle mensen geworden, maar dan naar overtuiging – opnieuw religieus tegenover seculier. Seculiere geestelijken waren, mogen we aannemen, wel degelijk godsdienstig, van een seculier politicus weten we dat op voorhand niet.

Dat mensen in het algemeen religieus zouden kunnen zijn, is overigens een vrijwel even nieuwe opvatting. Mensen waren vroeger niet religieus, maar katholiek of hervormd of gereformeerd of zo. Soms waren ze christelijk, maar zelfs dat was een term die in Nederland veel vaker protestantse, en dan vooral gereformeerde, instellingen aanduidde dan katholieke. Christelijke scholen waren protestants, katholieke scholen waren wat in de volksmond rooms heette. Je had de K van KRO en de C in NCRV. Religieus is vooral een woord geworden dat nodig was, toen ook andere religies dan het christendom een belangrijkere plaats in het debat – meer nog dan in de maatschappelijke werkelijkheid – gingen innemen: de komst van de islam is daarbij wel de belangrijkste factor. En daardoor won dus ook de aanduiding seculier aan betekenis.

De kandidaat uit de jaren veertig en vijftig, humanistisch, is in feite met de ontkerkelijking en ontzuiling mee ten onder gegaan, althans ze had nauwelijks kans meer om te groeien – ze duidde te specifiek en te positief een bewuste levensopvatting aan. Seculier is eerder de meer positieve vervanging van onkerkelijk of ongelovig geworden. Die termen veronderstelden immers een soort impliciete norm – dat mensen vanouds wel kerkelijk of gelovig waren – en kreeg bij het groeien van de groep ook een te negatieve lading. Seculier is geen expliciete ontkenning, maar een bevestiging: wij horen bij de aarde. Het is het oude wereldlijk. Het Engels zal wel een handje geholpen hebben.

Je zou kunnen zeggen dat seculier als algemeen gebruikte aanduiding de logische uitkomst is van het secularisatieproces. Over secularisatie ging het vanaf de jaren vijftig of zestig immers veelvuldig. En om het even heel schetsmatig te zeggen: theologen vonden dat vaak prachtig, filosofen zorgelijk, tot aan Ad Verbrugge’s bezorgde beschouwingen in Tijd van onbehagen. Filosofische essays over een cultuur op drift uit 2004 aan toe. Mijn enige constatering nu is dat de uitkomst van het proces eigenlijk wel vanzelf moest leiden tot mensen die zichzelf en anderen seculier noemen, al viel de exacte term van tevoren uiteraard niet te voorspellen. De huidige sluit in ieder geval mooi aan.

-

Van de kerk naar de maatschappelijke en vooral politieke arena dus. Van lange verhalen over de historische oorsprong van de tweedeling – van keizer en paus, wereldlijk en geestelijk regiment tot aan heden toe – zie ik nu even af. Vooreerst is de vaststelling voldoende dat seculier tegenover religieus staat. Het betekent negatief niet-religieus, veel meer dan positief wereldlijk. In die zin staat de negatieve inhoud – wat het niet is – nog steeds veel meer voorop dan de positieve: het wereldlijke, aardse en tijdelijke. In weerwil van wat ik net opmerkte, is de transformatie van het negatieve prefix naar een term die op zichzelf kan staan, inhoudelijk dus nog niet voltooid. De woorden die het moest vervangen, spelen nog steeds mee, maar het woord getuigt van meer zelfbewustzijn. Maar wat is dat, niet-religieus? Daar begint de verwarring die momenteel in het publieke debat vaak meespeelt.

Naar mijn idee staan er twee opvattingen tegenover elkaar: een meer verbindende en een meer polemische, een insluitende en een uitsluitende. Seculier kan betekenen dat iemand of iets – een organisatie, een politieke partij – simpelweg niet religieus is. Religie speelt geen directe rol. Er is geen religieuze grondslag. Maar seculier kan ook betekenen dat men meer bewust niet religieus is, religie actief buiten de deur wil zetten of houden of zelfs zich tegen godsdienst afzet. Allerlei gradaties zijn mogelijk, verwarring ook.

Wie bijvoorbeeld opmerkt dat het wenselijk zou zijn dat in Egypte een seculiere grondwet zou worden ingevoerd, zal er in het algemeen niet voor zijn dat die anti-islamitisch is. Zo iemand pleit voor een politieke orde waarin voor iedereen gelijkelijk plaats is, voor moslims, voor kopten, voor mensen die zich als seculiersecular – in de hedendaagse betekenis beschouwen, en voor anderen. In die zin, maar alleen in die zin, is Nederland ook een seculier land: onze Grondwet kent aan iedereen, wat zijn levensovertuiging ook is, dezelfde rechten toe. Seculier is hier vooral een overkoepelend, verbindend begrip: een dak voor iedereen. Het is, denk ik, ongeveer deze opvatting van seculariteit waar Charles Taylor in zijn befaamde A Secular Age (2007) vooral op doelt: dat wat we samen delen als gemeenschappelijke basis. (Men ziet, ik ben snel weer beneden: van de nok naar de fundamenten. Voor het begrip maakt het niet zoveel uit.) De seculariteit is de uitgangspositie, die vervolgens verschillende opties biedt: ook geloof is anders dan vijf eeuwen geleden een mogelijkheid voor seculiere mensen, geen vanzelfsprekendheid of noodzaak.

Daar staat een meer uitsluitende opvatting tegenover waarin seculariteit in feite andere opties uitsluit. Dat is de betekenis die in de Nederlandse politiek soms ook opduikt. In die zin gebruikt Tofik Dibi vandaag in De Pers, in een dubbelinterview samen met Mirjam Sterk, de term ook, niet om zijn eigen overtuiging te beschrijven – het gaat er juist om hoe hij als moslim in zijn partij staat – maar om een houding aan te duiden die hij binnen zijn partij wel aantreft:

‘Religie beleven ligt heel moeilijk binnen GroenLinks. Ik krijg heel vaak de vraag: ‘Ben je echt gelovig. Ben je echt moslim?’ Heel veel GroenLinksers hebben zoiets van: dat kan niet hoor. Seculiere GroenLinksers kijken je dan altijd drie keer aan. De partij is seculier en religiekritisch.’

Dat laatste is dus niet zijn opvatting, maar zo denken sommige mensen kennelijk: seculier en dus religiekritisch. Nou is kritiek iets anders dan tegen iets zijn en hij heeft het vervolgens dan ook over een haat-liefdeverhouding in zijn partij. In het algemeen – ik stap nu van die ene partij af – kan de nadruk op het niet sterker en minder sterk zijn. In het uiterste geval kan het betekenen dat iemand tegen godsdienst is en daar ook een politiek programma van maakt, maar dat is zeker geen vast gegeven.

-

In feite bevinden de twee invullingen zich op verschillende niveaus. Het is een beetje als met het – historisch samenhangende – verschil tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Men weet dat het eerste, dat van de overheid uitgaat, voor iedereen bedoeld is, ongeacht achtergrond of levensopvatting, en dat het tweede gericht is op specifieke doelgroepen, die een bepaalde grondslag, die echt niet per se godsdienstig hoeft te zijn, delen. Maar toch heb ik iemand wel eens in volle ernst horen beweren dat openbaar onderwijs atheïstisch was. Dat getuigde uiteraard van ernstige ongeïnformeerdheid, maar op grond van de praktijk is dit misverstand ook weer niet helemaal onbegrijpelijk: als alle kerkelijke kinderen in een dorp naar een bijzondere school gaan, zitten de onkerkelijke al gauw bij elkaar op de openbare school. Maar zo was die natuurlijk niet bedoeld. Die was en is er juist voor iedereen.

Zo is het ook enigszins in het Nederlandse politieke landschap. Omdat er partijen zijn die als christelijk worden aangeduid, nemen sommige mensen daarom aan dat de andere partijen dan wel expliciet niet-christelijk of niet-religieus moeten zijn. Overigens is ook die benaming voor partijen als het CDA – dat overigens instemming met een ‘politieke overtuiging’ vraagt en niet vergt dat iemand zelf een christelijke achtergrond heeft –, CU en SGP tamelijk nieuw. Vroeger noemden we die partijen vooral confessioneel. Een CHU’er stond maatschappelijk uiteraard veel dichter bij een vrijzinnige Vrijheidsbonder, VDB’er of VVD’er of zelfs een onkerkelijke SDAP’er of PvdA’er dan bij een rooms-katholiek van de RKSP of KVP. Maar omdat er specifieke religieuze partijen zijn, denken sommigen dat andere partijen dan wel op dezelfde manier seculier moeten zijn, op hetzelfde indelingsniveau dus.

Dat was uiteraard, net als bij het onderwijs, niet de bedoeling en trouwens ook niet de praktijk. Iedereen zal zich nog herinneren dat de PvdA bij de Doorbraak de antithese juist wilde doorbreken, een ideaal dat overigens aansloot op het oude protestantse, met name hervormde, streven naar volkseenheid en in die zin vooral een herleving van oude praktijken en opvattingen was. De PvdA was een samenvoeging van een socialistische, een liberale en een confessionele partij van ongelijke omvang – SDAP, VDB en CDU, waarvan ook de eerste twee grote groepen kerkelijk meelevende leden kenden – met daarbij nogal wat mensen die overkwamen uit de CHU, en andere loslopende protestanten en katholieken. Het lijkt er op dat het verbindende perspectief waar de partij in 1946 op uit was, tegenwoordig soms ietwat uit het zicht raakt.

En GroenLinks, de partij van Tofik Dibi, is helemaal een interessant geval. Uiteraard was de oudste fusiepartner, de CPN, vanouds antigodsdienstig – met een historisch-materialistische grondslag kan het niet anders –, maar zelfs daar doken in de slotfase nog wel eens gelovigen op, die het onmogelijke combineerden. En de andere drie fusiepartijen kennen allen een sterke kerkelijke inbreng. Bij de oprichting van de PSP in 1957 waren nogal wat linkse dominees en progressieve christenen betrokken. De PPR ontstond in feite vanuit het christenradicalisme in de KVP, al was de toonaangevende voorman, Bas de Gaay Fortman, afkomstig uit een antirevolutionair geslacht; de man heeft nog steeds een preekbevoegdheid. En de kleine EVP – de naam zegt het al – was wat men vandaag de dag een christelijke partij zou noemen.

Ik loop nu niet alle partijen af, maar merk alleen nog op dat de VVD, in feite de partij van de min of meer vrijzinnig-protestantse, vooral hervormde, burgerij, bij haar oprichting in 1948 in het programma schreef dat de Nederlandse samenleving op een ‘christelijke grondslag’ berustte. Ook met terugwerkende kracht zou men al deze partijen seculier kunnen noemen in de zin dat ze geen expliciet religieuze grondslag hadden, maar voor iedereen met dezelfde politieke beginselen openstonden.

-

Seculier kan dus verschillende dingen betekenen. De een verstaat er iets anders onder dan de ander en een ‘dus’ is meestal niet logisch dwingend. Politiek en maatschappelijk kan het woord kan aanduiden wat allen of velen verbindt, maar het kan ook meer polemisch gebruikt worden. Het ligt vooral aan het niveau waarop het gebruikt wordt: overkoepelend en verbindend of juist voor een bepaalde, exclusieve groep en opvatting. Een meer formele of ‘lichte’ invulling staat in feite tegen meer materiële of ‘zware’ interpretatie.

Het probleem zit ook in de verschillende toepassingen of contexten: van het persoonlijke leven naar het politieke of maatschappelijke bereik. Iemand die zegt, dat hij niet religieus is, kan niet tegelijk toch wel religieus zijn – Aristoteles, het principe van de uitgesloten tegenspraak, we herinneren het ons nog. Maar als een partij of een organisatie niet religieus is, wil dat nog niet zeggen dat de leden dat niet kunnen zijn. Als ze dat wel zijn, nemen alleen ze deel aan een verband dat als zodanig religieus is. In een groot deel van hun leven doen ze niet anders. Als je als dat niet religieus zijn van maatschappelijke of politieke verbanden en van individuele personen allebei seculier noemt, bedoel je op beide niveaus iets anders.

Maar je kunt met Taylor seculier dus ook breder, algemener, opvatten, als de basale condition humain, die we met zijn allen delen. Dan kun je dus wel degelijk tegelijk seculier en religieus zijn, zonder in de door de filosoof verboden tegenspraak te vervallen. Seculier heeft dan wel de denotatie van iets als wereldlijk of aards, maar niet die van niet-religieus. In feite heeft het dan een veel positievere betekenis, heeft het ter invulling geen contrair begrip nodig en kan het meer op eigen benen staan

Maar, hoe iemand het begrip ook gebruikt, altijd gaat het om een erfenis van de wijze waarop de Latijnse christenheid de wereld indeelde.

Ik wilde vooral uitleggen, maar het zal duidelijk zijn waar mijn voorkeur ligt.

(6)

10 oktober 2011

De monarchie als symbool van de rechtsstaat

.:.

Heeft het bestaande een rechtvaardiging nodig? Als iets bestaat, bestaat het, zou je tautologisch kunnen zeggen. Niet het bestaande, maar het toekomstige, dat wat nog niet bestaat en aan de huidige werkelijkheid toegevoegd wordt, heeft een rechtvaardiging nodig. Wie iets gaat creëren, moet daar zo zijn redenen voor hebben. Maar dat geldt ook voor wie iets van de hand gaat doen of vernietigen. Wie over het bestaansrecht van het bestaande begint, denkt er dus mogelijk aan dat bestaande om zeep te helpen. Het staat in ieder geval ter discussie.

Dat is precies wat er met de monarchie aan de hand is. Telkens wordt de vraag gesteld of de monarchie nog wel bestaansrecht heeft. Is ze nog wel van deze tijd?, luidt steeds weer de geschiedfilosofische vraag, die uiterst diepzinnige geesten opwerpen. We zouden de monarchie, althans de erfelijke monarchie – de combinatie is uiteraard niet noodzakelijk -, nu immers niet meer uitvinden, is gedachte. Dat klopt, maar niet het bestaande behoeft een rechtvaardiging, de wijziging vraagt daarom. Je zou dus moeten verzinnen waarom er iets anders zou moeten komen en waarom dat zóveel beter is dat de monarchie afgeschaft zou moeten worden. Daar hebben de meesten geen goed antwoord op en daarom zal de monarchie het nog wel even uithouden. De verwijzing naar de tijd heeft bij nader inzien weinig overtuigingskracht (maar ik geloof dat de ironie wel duidelijk was).

Kortom, de vraag naar het bestaansrecht is stomvervelend. En ook aan de dezer dagen druk besproken vraag naar de ‘modernisering’ van het koningschap ga ik voorbij. Andere overwegingen zijn veel interessanter. Ik zou voor de gelegenheid een stelling op willen werpen. Deze:

De monarchie is bij uitstek het symbool van het gegeven dat de rechtsstaat boven de democratie gaat.

Het is een probeersel, meer niet. Een korte uitleg. Onze Grondwet zegt wél dat Nederland een koninkrijk is en behandelt dat thema uitvoerig; dat Nederland een democratie is, staat er nergens in. Terecht: dat blijkt uit de staatsinstellingen. Het koninkrijk en de grondwet zijn van 1815, de democratie is van 1917 of 1919, al naar gelang de maatstaf die men aanlegt (of algemeen mannenkiesrecht voldoende is voor de betiteling of dat het even algemene vrouwenkiesrecht de doorslag geeft). Democratie wordt dan streng opgevat; in meer ruime zin was het democratische of eigenlijk beter democratiserende element uiteraard al veel langer aanwezig.

Hoe het ook zij, de democratie is slechts het toefje slagroom op de taart van de rechtsstaat. Of, misschien is dat net iets te minnetjes gesteld: het is de sluitsteen van de rechtsstaat, een tamelijk klein element, maar wel een uiterst belangrijk. Alleen daarmee is het gebouw af. Maar een ieder beseft dat dat grote gebouw van de rechtsstaat, met de vele instellingen, veel belangrijker is dan dat ene element: de wijze waarop we volksvertegenwoordigers kiezen. In de wandeling wordt democratie dan ook wel veel ruimer gebruikt, om het hele systeem aan te duiden. Soms fungeert het als een slordige, alledaagse aanduiding voor de rechtsstaat. Dat is niet erg, maar als het er echt op aankomt, heb je dat meer fundamentele, afzonderlijke begrip toch nodig.

En dan zou je kunnen stellen dat het ‘ondemocratische’ element van het koningschap – dat in populariteit juist het meest ‘democratische’ is – dus heel treffend laat zien dat de instellingen boven de act van het kiezen staan. Nogal wat mensen hebben tegenwoordig het merkwaardige idee dat hun wil de doorslag moet geven. Zij willen het staatshoofd kiezen, poneren ze parmantig. Maar op 10 miljoen kiezers stelt onze individuele wil niets voor en een volonté générale komt zo ook al niet tot stand. Bij verkiezingen gaat niet om onze wil, maar om onze kleine bijdrage aan het welzijn van het geheel. Dat gaat voor. En de monarchie is bij uitstek een symbool van dat wat aan onze wil vooraf gaat, meer nog dan de rest van de executieve, die uiteraard ook niet gekozen wordt. De rechtsstaat is meer dan wat door een voluntaristische act tot uitdrukking gebracht kan worden. Juist het element van geboorte, de erfelijkheid, benadrukt het aspect van het gegevene – of geworpenheid, maar ik weet even niet hoe ik dat heideggeriaanse begrip hier betoogsmatig handig inpas. De monarchie symboliseert dat het bestaan aan de wil vooraf gaat, zoals de rechtsstaat aan de democratie vooraf gaat.

Uiteraard is de monarchie een contingent symbool. De Europese monarchie heeft met name overleefd in de noordwestelijke, protestantse, progressieve staten die een tamelijk vreedzame, geleidelijke evolutie naar de moderniteit hebben doorgemaakt. Elders hebben revoluties en oorlogen het koningschap verdreven. En in landen als Duitsland of Italië komt men ook uitstekend uit met een president, maar dan wel omdat die niet rechtstreeks door het volk gekozen wordt. Kiezen tast altijd gezag aan. Democratie en legitimiteit staan dialectisch op gespannen voet. Daarom worden gemeenlijk vooral de controleurs van de macht gekozen en slechts weinig of geen leden van de uitvoerende macht.

De rechtsstaat kan ook best met andere symbolen toe. Maar de monarchie is het symbool bij uitstek, zou ik zo zeggen.

Het is maar een gedachte.

(2)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.456 other followers