Archief voor ‘Politiek – Nederland’

5 mei 2012

‘Een eerste verbroederingsgedachte’ – Een burgervader in Vorden

.:.

Gisteravond ben ik weer eens naar de Nationale Herdenking op de Dam gegaan. Ik vond dat nodig. Vroeger ging ik met enige regelmaat, maar eigenlijk kun je via de tv het hele gebeuren veel beter volgen en maken de woorden dan nog meer indruk. Maar dit keer wilde ik erbij zijn. Er gewoon zijn. Op de Dam staan tussen een menigte mensen die twee minuten stil zijn, alleen maar stil zijn.

H.M. de Koningin opent het defilé bij de Nationale Herdenking van vorig jaar (© Nationaal Comité 4 en 5 mei)

En het was goed. Ik heb dus niets meer gezien of gehoord dan mensen die de plechtigheid thuis volgden. Wat mij vooral opviel, is de ingetogenheid en de soberheid. Er valt geen woord te veel. Zelfs het gedicht van Charlotte Fontijne ging nog over het spreken van de stilte. Er worden mensen, gedode en vermoorde mensen, herdacht. Publiekelijk, met zijn allen. En dat is alles en dat is goed zo.

-

Burgervader
Na alle commotie van de afgelopen week, wilde ik eigenlijk niets meer schrijven. Ik vond de stukken van Robbert Baruch en Coen Wessel erg goed en heb daar eigenlijk niets aan toe te voegen. Maar ik keek dus naar Nieuwsuur en zag daar het beschamende optreden van Henk Aalderink, de burgemeester van de gemeente Bronckhorst, waar Vorden onder valt, en daar wil ik toch iets over zeggen.

Natuurlijk, het geval Vorden trekt veel te veel aandacht. Het was beter als we er niets over gehoord hadden. Dan had men het lokaal uit kunnen zoeken. Het was ook veel beter geweest als er geen kort geding was aangespannen. Je kunt je ook afvragen of de rechter zich wel over dit soort dingen moet uitspreken en of zijn aanpak niet te activistisch of bemoeizuchtig is. Wie de uitspraak leest, zal het opvallen dat de kortgedingrechter geen enkele wetstekst aanhaalt. Hij baseert zich alleen op het begrip ‘onrechtmatige daad’ en dat is artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, maar hij vindt het niet eens nodig om dat te vermelden. Maar wie gewoon afgaat op wat de rechter zei, moet constateren dat zijn oordeel inhoudelijk wel verstandig is. Hij had gewoon gelijk dat herdenking van Duitse soldaten ‘passend’ kan zijn, ‘maar niet op 4 mei’ – en dat geldt ook voor zijn overige afwegingen.

Daar had burgemeester Henk Aalderink het mee moeten doen. Hij had – ook zo al – moeten inzien dat hij een ernstige inschattingsfout had gemaakt en hij had zich loyaal bij de uitspraak van de rechter neer kunnen leggen. Maar meneer besloot dus de kont tegen de krib te gooien en te gaan provoceren. In Nieuwsuur beklaagde hij er zich over ‘dat ik als burgemeester niet mijn burgervaderrol kon vervullen.’ En dat herhaalde hij nog eens: er was iets van hem ‘afgepakt’ als ‘burgemeester, als burgervader van deze gemeente’. Kom nou, het probleem was nu juist dat hij het vertikte om zijn rol als burgervader te vervullen.

-

Verbroederen
Ik denk dat dit zijn meest typerende uitspraak was:

‘En wat eigenlijk het 4 en 5 mei comité heeft willen doen, was een eerste verbroederingsgedachte.’

Ja, echt. Onbenulliger kun je jezelf niet neerzetten. Het is inmiddels 67 jaar na de oorlog, net zolang als het in 1985 was dat de Eerste Wereldoorlog voorbij was. En dan zou je nu beginnen aan een eerste – ik herhaal: een eerste – verbroederingsgedachte? O ja, en met wie verbroeder je je dan? Doden gedenk je, maar, dat is het eigenaardige van alle herdenken, die merken daar zelf niets van. Met doden verbroeder je je niet. Je verbroedert je met de levenden. O ja, echt? Door langs de graven van enkele in de oorlog omgekomen Duitse soldaten te lopen verbroeder je je met Duitsers van nu? Laat me niet lachen.

Is er in de Bondsrepubliek Duitsland een nationale dodenherdenking van de gevallenen in de Tweede Wereldoorlog? Niet dat ik weet en het is ook onmogelijk. Ja, de Duitsers hebben onnoemlijk geleden onder de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog. In vele gezinnen waren één of meer zonen of vaders te betreuren. Vele vrouwen leden zwaar en werden na de oorlog verkracht. De bombardementen op de steden waren gruwelijk. En tijdens de slotfase van de oorlog en direct erna zijn zo’n twaalf miljoen Duitsers van huis en haard verdreven en bijna twee miljoen van hen zijn daarbij om het leven gekomen. Er is na 1945 in vele Duitse gezinnen veel geschreid. Maar aanleiding voor een nationale dodenherdenking was er niet. Daarvoor was het bewind te misdadig geweest. Privé moest men herdenken, collectief als natie kon dat niet.

Met de Bondsrepubliek Duitsland hebben we al vanaf het begin, de oprichting in 1949, goede banden en we zijn er, via de NATO en de EU, en op vele andere wijzen mee verbonden. Het is een prachtig land, dat op een bewonderenswaardige wijze zijn geschiedenis verwerkt heeft en dat begon, anders dan de legende nog wel eens wil, niet pas onder Willy Brandt, maar al in de dagen van Konrad Adenauer. Het is een land dat ons tegenwoordig in veel opzichten tot voorbeeld kan strekken en de politieke cultuur is er heel wat hoogstaander dan in Nederland. Het is dan ook ronduit een belediging van Duitsers als burgemeester Henk Aalderink nu nog meent dat je je nu nog met hen moet ‘verbroederen’ en dan ook nog wel voor het ‘eerst’. Wat is dat voor waanzin? Wat voor een absurd wereldbeeld heb je dan? Dan interesseren echte, levende Duitsers je dus geen zier en ben je alleen maar met je eigen gekte bezig.

-

Nationale Herdenking
Op 4 mei gaat het gewoon om een Nationale Dodenherdenking. Het gaat dan niet om het leed van de hele wereld en om alle slachtoffers, het gaat om een gerichte herdenking. Wat mij betreft had David Barnouw gisteren in Nieuwsuur gelijk dat we ons beter kunnen beperken tot de gevallenen en de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Soldaten die later zijn gevallen, kunnen we bijvoorbeeld op Nationale Veteranendag gedenken, al moet ik erbij zeggen dat de teksten die tijdens de plechtigheid op de Dam worden gesproken, heel sober zijn en misschien is het maar het verstandigste er voorlopig niets aan te veranderen. Het zijn toch echt de doden uit de Tweede Wereldoorlog die centraal staan.

Natuurlijk verandert het karakter van de herdenking. Nog slechts één op de tweehonderd Nederlanders heeft de oorlog als volwassene meegemaakt, las ik gisteren in de krant. Het getal dat de oorlog als kind of tiener heeft meegemaakt, is nog heel wat groter. Velen zijn opgegroeid met de verhalen van hun ouders en grootouders. Maar zoals de Eerste Wereldoorlog nu echt geschiedenis is geworden, zal dat met de Tweede Wereldoorlog, die precies een kwart eeuw later begon, in de komende decennia dus ook gebeuren. Dertig of veertig jaar geleden zal het persoonlijk verdriet onder de aanwezigen op de Dam heel wat groter geweest zijn dan gisteren het geval was.

Maar mensen komen nog, juist veel jongeren ook, viel me gisteren weer op, de oorlog leeft nog en dat is ook een teken van ons geluk: dat er daarna niet iets nog veel ergers gebeurd is. Laten we de doden van de oorlog blijven herdenken, zolang mensen aan hen denken en zolang mensen dat willen. En daarna zien we wel. Of misschien: zien zij die dan leven wel. Het gaat hier om een nationale, officiële plechtigheid met een zeer specifiek doel. Laten we dat zo houden.

-

De doden
Alle mensen sterven een keer. En alle mensen verdienen het om door hun verwanten en geliefden herdacht te worden. Er zijn vele slachtoffers en ook aan hen mag gedacht worden. En ook de daders hebben mensen die om hen geven. Ja hoor, de nabestaanden van de sukkelige en trieste Dirk Siebe mogen best zorgen dat ze hem niet vergeten, maar daar gaat de Nationale Herdenking niet over. Die gaat over de doden die we samen, nationaal, officieel herdenken. Daarom zijn er die plechtigheden. Om samen te gedenken.

Velen lijken dat niet door te hebben. Ik zag gisteren op Twitter en elders allerlei mensen die trots kwamen melden dat zij heel andere mensen herdachten. Ook hun foute NSB-opa. Ook gevallen Duitse soldaten dus. Ook de mensen in Vietnam of Rwanda. Ja, de wereld is vol slachtoffers, maar de vraag is waarom ze dat nu uitgerekend op 4 mei kwamen vertellen. Laat ze dat op alle andere dagen van het jaar melden. Maar ja, hun eigen individuele wensen gaan natuurlijk voor en ze vinden die zo belangrijk dat ze die uitgerekend dwars door de Nationale Herdenking heen willen toeteren. Hun eigenzinnige wil, hun doelbewuste dwarsheid is immers wet…

En dan heb je ook de wijsneuzen die komen vertellen dat ‘wij’ dus echt niet beter zijn dan de nazi’s. Dat ook ‘wij’ maar zo aan de verkeerde kant hadden kunnen staan. En dat ook ‘wij’ dus maar zo bewaker in een kamp of wat niet al hadden kunnen zijn. Ja, dat had maar zo gekund. Wie zal zeggen dat hij wel de moed heeft die slechts weinigen tonen op het cruciale moment? Maar doet dat iets af aan het onderscheid tussen goed en kwaad, tussen daders en slachtoffers? Nee, natuurlijk niet. Het toont alleen maar aan hoe belangrijk het onderscheid is.

Op de Dam ging het om de doden. Het ging ook niet om de daders. Het kan zijn dat ik niet goed opgelet heb, maar er werd niet afgegeven op ‘de Duitsers’ of ‘de Japanners’ of op wie dan ook. Er heerst geen moment het idee dat wij het beter gedaan zouden hebben. Er heerst geen morele verontwaardiging. Er worden doden herdacht, in alle eenvoud, dat is echt alles. En lieden die tegen andere beelden strijden, die vechten alleen maar tegen hun eigen verzinsels en snijden het verkeerde thema op het verkeerde moment aan en begrijpen er niets, maar dan ook niets van. (Nee, ik noem geen namen, ook al jeuken mijn vingers.)

-

Individuele vrijheid
Zo zijn er meer afleidingsmanoeuvres. Over wie dat kort geding inzake Vorden aangespannen hebben. Over van alles en nog wat. Doet allemaal niet ter zake. Wat we op 4 mei doen, is onze nationale doden herdenken. Wie iets anders wil, heeft alle andere dagen van het jaar tot zijn beschikking.

De doden van de jaren tussen 1940 en 1945 leefden in een heel ander land. Velen van hen zouden het huidige vrijheidsbegrip ook niet herkend hebben. Ik ga niet klagen over de veranderingen. Mensen hebben nu eenmaal zo hun redenen om anders te denken dan het voorgeslacht. Maar ik geloof niet dat de essentie van vrijheid erin bestaat om vooral je eigen individuele zin door te drijven in de publieke ruimte, om de ‘gevoeligheden’ – het woord al – van anderen vooral niet te ontzien en om vooral anderen te beledigen en pijn te doen.

Burgemeester Aalderink van Bronckhorst denkt daar duidelijk anders over. Die is in zijn wiek geschoten omdat hij op 4 mei zich niet mocht ‘verbroederen’ met mensen die of dood zijn of die daar zo helemaal niet om vragen. Nee, meneer moest zich één avond in het jaar een keer naar de regels voegen en dat werd hem al te machtig. Vandaag is het Bevrijdingsdag en de vrijheid die mensen dan vieren, is conceptueel vrijwel altijd een geheel andere dan waar de bevrijden en de bevrijders van 5 mei 1945 aan dachten. Laten we dat mensen gunnen. Maar het zou een goed ding zijn als al die lieden die onder vrijheid vooral het aan anderen opdringen van hun eigen persoonlijke besognes verstaan, de handen van die paar minuten rond 8 uur op de avond van 4 mei af wisten te houden. Of is dat ook al te veel gevraagd?

(68)

14 april 2012

Met de rechtsstaat moet je geen spelletjes spelen

 .:.

Het stukje hieronder schreef ik precies een week geleden. Uitleg vindt men eronder.

-

Omkering
Sylvain Ephimenco is een meester der omkering. In zijn column in Trouw van zaterdag 7 april 2012 ondermijnt hij de rechtsstaatsgedachte met een beroep op de rechtsstaat. Je moet maar het lef hebben.

Pieter Bruegel de Oude, De verkeerde wereld, 1559 (Staatliche Museen zu Berlin)

Maar het begint met een andere omkering, waarbij Ephimenco zich een ware, zij het nogal kleinhartige leerling betoont van wat Paul Ricoeur ooit de meesters van het wantrouwen noemde. Als Els Boot, burgemeester van Giessenlanden, de politie verbiedt mee te werken aan een uitzetting of als Lodewijk Asscher, wethouder van Amsterdam, ‘illegale’ (volgens sommigen ‘ongedocumenteerde’) jongeren wel stage wil laten lopen, dan doen zij dat volgens hem niet vanwege het doel dat ze daarbij zelf aangeven, maar ‘om een kabinet politiek te destabiliseren’. Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten, zullen we dan maar denken.

Uiteraard kan men discussiëren over de wijze waarop deze bestuurders hun bevoegdheden gebruiken of beleid voeren, maar dat hun optreden tot ‘aantasting van de rechtsstaat’ zou leiden is een omkering van zaken. De spits van de rechtsstaat is namelijk precies andersom: de bescherming van burgers en ingezetenen tegen willekeur en tegen een overmaat aan staatsbemoeienis. De rechtsstaatgedachte staat vanouds tegenover de politiestaat en de totalitaire staat.

-

Kern
Er bestaan meer en minder uitvoerige omschrijvingen, maar over een harde kern bestaat een consensus en het is verstandig om in het maatschappelijk debat het beroep daartoe te beperken. Men kan dan drie hoofdelementen onderscheiden.

Allereerst het legaliteitsbeginsel of de ‘rule of law’: de overheid is zelf in haar handelen aan het recht gebonden. Vaak vormt een geschreven grondwet daarvan de basis, maar het begrip constitutie is breder en omvat ook fundamentele internationale verdragen. Belastende voorschriften horen geen terugwerkende kracht te hebben. De burger moet weten waar hij aan toe is.

Ten tweede is er het beginsel dat ‘machten’ en bevoegdheden gescheiden zijn. Men kan daarbij onder meer aan de befaamde trias politica denken, maar dat is zeker niet het enige. Het gaat erom dat bevoegdheden over verschillende organen verdeeld zijn, dat de opsteller en de uitvoerder van een regel bijvoorbeeld niet identiek zijn. In Nederland zijn de bestuurlijke en de wetgevende macht niet streng gescheiden – de vaststelling van wetten geschiedt immers door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk –, maar bevoegdheden zijn wel over allerlei organen verspreid. Hierbij hoort zeker de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, die in sommige gevallen ook de overheid in haar handelen tot de orde kan roepen.

Ten derde zijn er de klassieke grondrechten, die vooral vanaf de achttiende en negentiende eeuw als vrijheden werden geschonken en waar de burger zich ook in toenemende mate tegenover grensoverschrijdende overheidsbemoeienis kan beroepen. Met name na de Tweede Wereldoorlog hebben internationale verdragen als het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens daarbij voor een ruimere inbedding en meer rechtsbescherming gezorgd.

Dat is de kern. Deze drie punten hangen nauw samen en men kan er desgewenst enkele elementen afzonderlijk uithalen, maar daarmee verandert er inhoudelijk niets. Kern van de rechtsstaatgedachte is de bescherming van de burger tegenover de overheid, die aan het recht is gebonden.

-

Bescherming
Ephimenco zet de rechtsstaatgedachte echter precies andersom in: wat het kabinet wil, zal en moet gebeuren. Als Ephimenco schrijft dat burgemeester Boot ‘zich aan bestuurlijke ongehoorzaamheid jegens minister Leers schuldig maakt’, draait hij de zaken om. Nee, ze maakt alleen gebruik van haar bevoegdheid. Of ze dat op een juiste wijze doet, is een andere vraag, maar daarvoor bestaan voldoende controlemechanismen en dat geldt ook voor het optreden van wethouder Asscher. Helemaal bont maakt Ephimenco het als hij het zogenaamde Stoutfonds (dat boetes wil betalen die werkgevers krijgen als zij jongeren zonder verblijfsvergunning stage laten lopen) beticht van ‘bestuurlijke ongehoorzaamheid’: een dergelijke maatschappelijke actor vormt geen onderdeel van het bestuur en kan zich daaraan per definitie niet schuldig maken.

Ja, de wet is soms hard, maar de rechtstaat garandeert nu juist dat de wet binnen het ruimere kader van het recht, inclusief gescheiden verantwoordelijkheden en grondrechten, fungeert. Als Ephimenco stelt dat de Nederlandse rechtsstaat krachtig moet optreden tegen wat hij wel erg ruim ‘bestuurlijke ontwrichting’ noemt, gebruikt hij de rechtsstaatgedachte op een oneigenlijke wijze. De rechtstaat is een kostbaar bezit en met een dergelijk idee moet men geen spelletjes spelen. Kritiek kan men zakelijk verwoorden. Het geeft geen pas fundamentele begrippen naar eigen hand te zetten. Dat ondermijnt op den duur het draagvlak en is niet ongevaarlijk. Ephimenco zaait verwarring. Als de rechtsstaat, de bescherming van de burger tegen de overheid, niet in het geding is, moet je je er ook niet op beroepen.

Naschrift
Het stukje hierboven schreef ik vorige week zaterdag, 7 april 2012, op de dag waarop de column van Silvain Ephimenco waar ik op reageerde, verscheen, en ik stuurde het die dag ook op naar Trouw. Dinsdag deelde de opinieredactie mij mee dat ze ook al een stuk van de oprichter van het Stoutfonds, Jos Verhoeven, binnen hadden gekregen en dat ze dat woensdag gingen plaatsen. Onder de titel ‘‘De’ wet naleven is prima, maar welke van de drie?‘ is het die dag ook verschenen.

Als ik mijn stuk wat zou veralgemeniseren en dus los zou maken van het concrete stuk van Ephimenco en het ook iets zou inkorten, wilde men het donderdag wel plaatsen. Ik vond dat een zeer welwillend en begrijpelijk aanbod, maar het leek me verstandiger er geen gebruik van te maken. Los van de concrete aanleiding kwam mijn stukje naar mijn idee te veel in de lucht te hangen. Het betoog zou te  kunstmatig worden en ik had er geen behoefte aan een stukje geplaatst te zien dat in feite een gewrongen vraagstelling had.

Het uitgangspunt van mijn stukje was simpel: Ephimenco deed alsof ‘rechtsstaat’ betekent dat de staat zich van ‘boven’ tegen mensen doorzet, terwijl de werkelijke betekenis van dat begrip nu juist is dat mensen ‘beneden’ tegen de staat beschermd worden, omdat die aan recht is gebonden. Wel had ik er bewust voor gekozen om het middendeel, dat met die drie punten, met een positieve uitleg op te vullen en daarin had ik dan ook afgezien van polemiek. Die vormde vooral de aanleiding voor de stelling hoe het wel was en natuurlijk moest ik daarna daar ook nog wel iets over zeggen.

Overigens had Ephimenco diezelfde dinsdagochtend in een tweede stukje zijn foute voorstelling van zaken nog eens herhaald. Je vraagt je af of nou echt niemand hem in de tussentijd op zijn foute interpretatie heeft gewezen of dat hij zich van zoiets domweg niets aantrekt. Op donderdag 12 april plaatste Trouw in de rubriek Denktank overigens een brief van Bas de Gaay Fortaman,  getiteld ‘Lakmoesproef‘, waarin deze in kort bestek uitlegde wat het verschil is tussen de rechtsstaat en de rechtsorde, en bovendien iets stelliger dan ik deed, een verband legde met de zaken waar Ephimenco zich druk over maakte. ‘In publieke handhaving van de mensenrechten ligt de lakmoesproef van de rechtsstaat.’ Het was een nuttige bijdrage.

Ik zet mijn stukje hier maar neer, als is het nu een beetje mosterd na de maaltijd. Maar ach, foute interpretaties zullen wel niet onmiddellijk als sneeuw voor de zon verdwijnen en misschien heeft het toch nog enig nut.

(65)

9 april 2012

Vergrijst de macht? Enkele welwillende kanttekeningen bij de G500-beweging

.:.

Ik kan het niet helpen, of eigenlijk ook wel, maar toen ik hoorde van de nieuwe ‘generationele’ beweging G500 die door Sywert van Lienden en anderen is opgericht, moest ik toch even denken aan het boekje dat Jan Nagel in september 1966 publiceerde. Het heette Ha, die PvdA! en die titel mag dan sterke gelijkenissen vertonen met de gemiddelde aanhef van de hedendaagse e-mail, destijds was die nogal leukig en uitdagend bedoeld. Het hele boekje ademt die sfeer, die helemaal past bij de nu nogal vermoeiend aandoende jeugdcultuur van die dagen.

Aan het eind verklaarde de toen 27-jarige auteur, die in maart 1965, ‘na felle kritiek tijdens het tweejaarlijkse kongres te hebben geoefend’, in het PvdA-hoofdbestuur was gekozen, dat hij termen als ‘sociale gerechtigheid, geestelijke vrijheid, maatschappelijke ordening enz.’ zoveel mogelijk had vermeden. ‘Het zijn vaak uitgeholde begrippen, die door praktische elke partij nagestreefd worden. De onenigheid begint pas, als we gaan praten over de manier waarop.’ De auteur was duidelijk op polarisatie uit en een maand later prijkte zijn naam dan ook op de lijst van hen die hun instemming betuigden met de ‘algemene strekking’ van het ‘Kort Begrip’ in het befaamde pamflet Tien over Rood. Uitdaging van Nieuw Links aan de PvdA.

-

Tienpuntenplan
De inzet van G500 is geheel anders. Daarin staat juist het verbindende centraal. De opstellers hebben een plan met tien punten opgesteld en elke jongere onder de 35 die daarmee kan instemmen, kan zich via G500 aanmelden bij een van de ‘centrumpartijen’ VVD, PvdA of CDA. Dat tienpuntenplan bevat vooral sociaal-economische onderwerpen in brede zin. Het gaat over het onderwijs, de zorg, de arbeidsmarkt, de woningmarkt, de pensioenen, de sociale zekerheid, duurzaamheid, een nationaal investeringsfonds, de staatsschuld en tenslotte de aanpassing van een grondwetsartikel over bestaanszekerheid en welvaartspreiding.

Daar zitten zeker zinvolle punten tussen, al kun je bij enkele onderdelen vraagtekens zetten. Zo lijkt het mij niet verstandig om de zorg in de laatste jaren van het leven vermogensafhankelijk te maken, hoe aantrekkelijk dat misschien ook klinkt. Het is waar dat het grootste deel van alle zorgkosten in de laatste levensjaren ontstaan, maar het lijkt me niet handig om bij keuzes die mensen dan maken, financiële overwegingen een rol te laten spelen. Het Nederlandse euthanasiebeleid is bijvoorbeeld mogelijk geworden – James Kennedy wees daar destijds in zijn studie over het thema, Een weloverwogen dood. Euthanasie in Nederland (2002), op – doordat de gezondheidszorg voor iedereen toegankelijk is en financiële zorgen geen invloed hebben. We moeten geen situatie krijgen waarbij erfgenamen zien dat hun erfenis door extra kosten verminderd wordt. Inkomensbeleid moet je niet met keuzes rond het ziekbed verbinden. En ook de introductie van generaties in een toch al weinig concreet verplichtend grondwetsartikel lijkt me weinig op te leveren. Parlement en regering zullen er zich in concreto weinig van aantrekken en hooguit zal het enige invloed kunnen hebben op adviezen van de Raad van State, maar daar trekt men zich, zoals onlangs bleek, toch al niet altijd wat van aan. Maar in het algemeen moet gezegd worden dat het tienpuntenplan getuigt van verantwoordelijkheidszin.

Het moet ook zeker toegejuicht worden dat de initiatiefnemers jongeren actiever bij de politiek willen betrekken. Ik wil dan ook vooral niet chagrijnig doen en de positieve inzet vooral waarderen. Maar op twee punten wil ik wel enige kanttekeningen zetten.

-

Grijze macht?
Allereerst is daar de vraag of het nu werkelijk zo is dat de macht in Nederland vergrijst, zoals de initiatiefnemers stellen. Jan Nagel presenteerde de jeugd in zijn schotschrift destijds als een ‘onderdrukte groep’, die ‘geëmancipeerd’ moest worden. Achteraf klinkt dat nogal overdreven en waarschijnlijk was dat toen ook al het geval. De jaren zestig waren nou net de jaren waarin de jeugd, mede door de stijgende welvaart, bijna vanzelf alle kansen kreeg en zijn pamflet was dan ook meer een uiting van de nieuwe mogelijkheden die jongeren toen in de schoot geworpen kregen dan van een noodsituatie. Jan Nagel is zijn generatie trouw gebleven en zet zich nu in voor een politieke partij die zich juist op de ouderen richt. Je zou kunnen zeggen dat het initiatief van G500 daar een nuttig tegenwicht tegen vormt. Het tienpuntenplan van G500 is vooral veel bescheidener: men constateert werkelijke problemen en probeert daar constructief over mee te denken. Maar toch lijkt het me de vraag of de nadruk op jongeren nu in alle opzichten zo gerechtvaardigd is.

De initiatiefnemers maken nogal een punt van de ‘vergrijsde macht’, waar ze een afzonderlijk betoog aan wijden:

‘G500 ziet dat de macht vergrijst in Nederland. Politiek gezien zijn oudere generaties zeer sterk vertegenwoordigd. Niet alleen omdat ouderen vaker naar de stembus gaan, maar ook omdat de partijen waarop zij stemmen dominant zijn. De mensen die de politieke leiders aanwijzen, verkiezingsprogramma’s opstellen en partijen controleren zijn nog grijzer. Een blik werpen in een gemiddelde congreszaal zegt genoeg. De macht is grijs en wordt enkel grijzer.’

Is het werkelijk zo dramatisch? De initiatiefnemers voeren gegevens aan die ontleend lijken te zijn aan het zogenaamde Leidse Partijledenonderzoek van 2008 en die door Josje den Ridder, Joop van Holsteyn en Ruud Koole handzaam op een rij gezet zijn in tabel 8.2. in het hoofdstuk ‘De representativiteit van partijleden in Nederland’ in het boek Democratie Doorgelicht. Het functioneren van de Nederlandse Democratie (2011) onder redactie van Rudy Andeweg en Jacques Thomassen. Daaruit blijkt onder meer dat de leden van partijen ouder zijn dan de kiezers. Bij de VVD zijn – of misschien moeten we inmiddels zeggen: waren – de leden gemiddeld 51 jaar en de kiezers 46 jaar, bij de PvdA zijn die getallen 58 en 50 en bij het CDA zijn ze 67 en 51. Dat klinkt op het eerste gezicht nogal dramatisch, maar is dat ook zo?

Allereerst kun je je afvragen of de mensen die werkelijk op congressen komen, net zo oud zijn als de leden. Bij het grote CDA-congres op 4 oktober 2010 kreeg ik toch de indruk dat de gemiddelde bezoeker wel iets onder de 67 was en verschrikkelijk grijs zien PvdA-congressen er naar mijn indruk nu ook weer niet uit. De initiatiefnemers concluderen ook dat het ledenaantal van partijen slinkt. Je kunt je afvragen of met name PvdA en CDA niet veel leden hebben die nog van ‘vroeger’ lid zijn. Veel ouderen zullen nog lid zijn uit een tijd toen men nu eenmaal lid werd omdat men tot een bepaalde bevolkingsgroep behoorde. Nu lijkt men veeleer alleen lid te worden als men ook politiek actief wil worden, en mijn indruk is dat partijen daar tegenwoordig ook een beetje vanuit gaan. Als iemand zich aanmeldt, vermoedt men al snel dat die wel wat wil gaan doen. Dat kun je enerzijds zorgelijk noemen, maar anderzijds zou het met de daadwerkelijke vergrijzing onder actieve partijleden nog wel eens mee kunnen vallen.

Maar zijn de verhoudingen nu zo scheef als je naar de bevolkingsopbouw kijkt? De gemiddelde Nederlander was op 1 januari 2011 40,3 jaar oud, stelde het CBS vast. Aangezien het kiesrecht pas vanaf 18 jaar geldt, moet de gemiddelde kiezer nog wel een stukje ouder zijn. Als je het daaraan afmeet, valt het nog wel mee. De gemiddelde leeftijd van de kiezers op de zeven partijen – naast de drie genoemde ook D66, GL, CU en SGP – die het Leidse onderzoek in 2008 onder de loep nam, lag tussen de 41 (SGP) en 51 (CDA en D66). Ik kon zo snel nergens een cijfer van de leeftijd van de gemiddelde kiezer vinden, maar de 12.524.152 kiezers die in 2010 een oproep kregen, moeten gemiddeld een behoorlijk eind in de veertig zijn geweest.

Als je daarnaast zet dat de leeftijd van het gemiddelde Tweede Kamerlid rond de 45 ligt, kun je eerder concluderen dat de Tweede Kamer de kiezers in dat opzicht vrij goed representeert. Nu vertegenwoordigt de Kamer niet alleen de kiezers, maar het gehele volk, maar het lijkt me ook voor de hand te liggen dat een zekere leeftijd in de politiek niet onhandig is. Men moet ook wat gedaan en opgestoken hebben, voor men in de Kamer komt. Er zijn nogal wat jonge Kamerleden, terwijl het oudste Kamerlid momenteel slechts 66 is. Op de site van Parlement en Politiek is een mooi overzicht te zien, waaruit blijkt dat leeftijd van Tweede Kamerleden in de loop der jaren nogal gedaald is. Bedroeg het aantal leden boven de zestig in 1960 nog 37, nu zijn het er nog maar 10. Er zitten 4 twintigers in de Kamer, 41 dertigers, 54 veertigers en 40 vijftigers.  Onder de tien zestigers is trouwens ook Kamervoorzitter Gerdi Verbeet. Je mag aannemen dat de partijleden in 1960, toen partijen nog veel meer leden telden, gemiddeld een stuk jonger waren.

Al sinds 1994 is de kiezersmarkt nogal volatiel, waardoor veel Kamerleden niet de kans kregen hun parlementaire loopbaan te vervolgen en bovendien was het ‘vernieuwingsstreven’ in veel partijen sindsdien niet van de lucht. Wat betreft het parlement is het probleem eerder dat er bij elke verkiezing te veel nieuwkomers zijn, waardoor het aantal ervaren, goed ingevoerde Kamerleden nogal is afgenomen. Het is niet onhandig als er ook parlementariërs zijn die zich nog wel eens iets herinneren en zich niet door de waan van de dag laten meeslepen. Ik weet dat de leden van het huidige kabinet gemiddeld nogal op leeftijd zijn, maar ik geloof niet dat je kunt stellen dat de politiek in Nederland nu zo vergrijsd is. Als er een probleem is, is dat eerder omgekeerd: dat er te weinig continuïteit is. Bijna de helft van de leden zit nog geen duizend dagen in de Tweede Kamer. De zes met de hoogste anciënniteit deden hun intrede in 1998.

Nu moet gezegd worden dat jongeren van G500 zich buitengewoon bescheiden opstellen. Ze stellen dat ze niet uit zijn op ‘functies, baantjes of anderszins’. Ze willen enkel lid zijn om hun ‘idealen’ – lees het tienpuntenplan – te realiseren en ‘zodra de plannen gerealiseerd zijn kan de G500 zichzelf opheffen’. Maar de vraag is of het zo werkt. Een aantal programpunten vergt nogal wat lange adem. En waarom zouden mensen die lid worden van een partij, geen functies aanvaarden? Dat ligt bij het huidige functioneren van politieke partijen immers nogal voor de hand. Je zou kunnen zeggen dat G500 probeert om de oude functie van partijen te herstellen: meelevende leden die hun stem laten horen zonder zelf naar politieke functies te streven, en als dat zou lukken, zou dat mooi zijn. Maar je kunt je afvragen of partijen zo nog functioneren.

-

Waarom slechts drie partijen?
Het volgende punt is waarom G500 zich alleen op VVD, PvdA en CDA richt. Ik zie geen goede uitleg. Het feit dat men denkt of hoopt dat eenzelfde kernprogramma in alle drie partijen een kans zou kunnen maken, geeft al aan dat men er in feite vanuit gaat dat de ideologische verschillen gering zijn. Dat is feitelijk ook het geval, maar het is de vraag of de aantrekkelijkheid van deze drie partijen, die vanouds een centrale rol in ons bestel spelen, er nu groter op wordt, als ze de verkiezingen ingaan met een op een aantal punten identiek program.

De initiatiefnemers laten ook zien, dat de totale sterkte van de drie partijen in de loop van de laatste jaren ernstig is afgenomen. Op dit moment hebben de drie samen 82 zetels en in de huidige peilingen komen ze niet veel verder dan ongeveer de helft van het electoraat. Richt men zich in een vermeende strijd tegen een ‘vergrijsde macht’ niet te veel op de ‘oude macht’? Ook van partijen als D66, GL en CU kun je zeggen dat ze zich juist op sociaal-economisch terrein behoorlijk in het centrum bevinden en juist deze drie partijen hebben in oktober 2011 gezamenlijk blijk gegeven van hun bereidheid constructief mee te werken aan noodzakelijke hervormingen.

Het is nogal in de mode om de ‘verbrokkeling’ of ‘versplintering’ van het partijenlandschap te betreuren, maar je zou er juist ook een hoopvol teken in kunnen zien. Terwijl vrijwel alle partijen zich constructief en pragmatisch opstellen en in de huidige situatie van een minderheidskabinet op allerlei thema’s gelegenheidsbondgenootschappen sluiten, heeft de kiezer de kans om eigen accenten te leggen. Juist in een situatie waarin ideologische verschillen niet groot zijn, is dat eerder een ideale situatie, zou ik zeggen. Lopen de initiatiefnemers niet achter de feiten aan en richten ze zich niet op de verkeerde partijen? Is het wel verstandig om een concreet programma met slechts drie partijen, waarvan er twee, CDA en PvdA, in een crisis verkeren en waarbij ook de VVD helemaal niet zo groot is, te verbinden? Worden er niet twee zaken – lidmaatschap en een hervormingsprogram – op een onhandige wijze verbonden? Zou het niet verstandiger zijn om beide zaken te scheiden? Moet men niet kiezen tussen beide? Zou het niet effectiever zijn om een programma van buitenaf voor te leggen? Of om juist steun te zoeken onder jongeren die al lid zijn van diverse politieke partijen?

En zou het niet verstandig zijn als politieke partijen zelf probeerden om meer jeugdige leden te werven? Je kunt niet zeggen dat de oproepen in de obligate tv-spotjes van de partijen nu zo werken. Ik heb nooit begrepen waarom de Nederlandse politieke partijen nooit een gezamenlijke actie gestart zijn om meer leden te werven. Je kunt je overigens afvragen of het wel zo verstandig is om nostalgisch naar het verleden terug te verlangen. Werkt de Nederlandse politiek nu echt zo veel slechter nu partijen veel minder tamelijk passieve leden tellen? Men kan wel opmerken dat het zorgelijk is dat zo’n klein deel van het electoraat lid is van partijen, maar is de werkelijke macht en invloed binnen de partijen nu slechter verdeeld dan in vroeger jaren? Ik vraag me dat af. De toegang voor wie zich politiek wil inzetten, is er niet minder om geworden.

-

Benieuwd
Maar goed, dat zijn slechts enkele kanttekeningen die absoluut niet chagrijnig bedoeld zijn. De inzet getuigt van grote verantwoordelijkheidszin. En de gerichtheid op een concreet verbindend programma is in feite het tegendeel van de houding die (een deel van) de luxeuze generatie van Jan Nagel tentoonspreidde, waarin het spel van de polarisatie nog wel eens om zichzelfs wille gespeeld leek te worden.

Ik ben vooral benieuwd.

(64)

20 maart 2012

Een linkse meerderheid. Of waarom D66 en GroenLinks de PVV dankbaar kunnen zijn

.:.

Zaterdag was het weer zover. Ik stond in Hoog Catharijne even naar wat kranten te kijken, toen een meneer naast me uit het niets begon te mopperen. Hij wees op een bericht over de verkiezing van een nieuwe voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de PvdA door de leden die partij (de fractie was, zoals bekend, te lamlendig om dat zelf te doen). Het was niet te hopen dat die lui weer aan de macht zouden komen, want dan zouden ze er alles doorjagen. Dat was ongeveer wat de man in de benauwde wereld van het Utrechtse winkelcentrum ongevraagd kwijt wilde.

-

Geen linkse meerderheid
Er schuilt een hele wereld van vooroordelen achter zo’n losse, eenzame, wrokkige opmerking, want zeker is dat de man niet origineel was, maar daar zal ik nu niet op ingaan. En ook de voor de hand liggende opmerkingen over wie gedurende de voorbije decennia werkelijk welke financiële politiek voerde, zal ik niet maken. Het gaat me namelijk om iets anders.

Huis ten Bosch in Japan. Het geheim van Noordeinde en Huis ten Bosch zal plaatsmaken voor dat van het Binnenhof: de politiek trekt zich steeds verder op beperkt terrein terug. (Foto: Radio Nederland Wereldomroep)

Ten eerste heeft in Nederland een enkele partij nooit in haar eentje de meerderheid in de Staten-Generaal verworven en dat zit er vooralsnog ook absoluut niet in. Dat moet voor mensen die menen dat er partijen zijn met heel erg snode plannen die ons rechtstreeks naar de ondergang zullen voeren, een troost zijn. Ook bij de samenstelling van kabinetten is er in Nederland een machtsbalans. Altijd moeten meerdere partijen het eens zien te worden. Altijd worden alle zaken vanuit meerdere perspectieven bekeken.

Ten tweede, en nu kom ik bij het punt waar ik het hier over wil hebben, heeft links in Nederland nog nooit de meerderheid gehad. Het zou wel eens kunnen zijn dat Nederland daarin zelfs een beetje atypisch is, maar ook dat zal ik nu niet in detail uitzoeken. Wie het handige overzicht met de zetelverdeling sinds 1946 op de onmisbare site Parlement & Politiek bekijkt, zal vaststellen dat er van de 31 partijen die er na de oorlog in de Tweede Kamer gezeteld zijn geweest (om het maar eens zo te zeggen), er slechts tien als ‘links’ golden, wat die aanduiding verder ook waard is. In de volgorde van optreden (en grootte): PvdA, CPN, PSP, D66, DS’70, PPR, EVP, GL, SP en PvdD.

En ook dan kun je het er nog hebben in hoeverre DS’70, D66 en de PvdD echt in dat lijstje thuishoren. Maar de partij van de jonge Drees kwam toch echt voort uit de PvdA en juist nogal wat oude socialisten, die Nieuw Links niet meer verdroegen, behoorden tot de oprichters. De naam van de partij was overigens duidelijk genoeg. D66 en de PvdD zijn in ieder geval, ook anders dan GL dat deels is, geen partijen met socialistische wortels, maar het begrip links is daar ook niet identiek aan. De PvdD geldt in ieder geval als gematigd links of progressief. D66 is misschien nog lastiger, maar zeker in de eerste jaren werd het als een linkse partij gezien. Men denke aan de samenwerking met PvdA, PPR en aanvankelijk ook de PSP in het zogenaamde Progressief Akkoord en het optreden in het kabinet-Den Uyl. Omdat het om een typische jojopartij gaat, die zich na de onvermijdelijke periodieke inzinkingen steeds weer opnieuw uitvindt, verandert de identiteit ook telkens en nu ze zich tegenwoordig wel als ‘liberaal’ presenteert – lange tijd was dat volstrekt ondenkbaar -, kun je wat vraagtekens bij de indeling zetten.

Wie de omvang van links in de loop van de jaren wil meten, doet er altijd verstandig aan om twee lijstjes te maken: met en zonder D66. Maar voor mijn betoog is dat nu niet zo van belang. Nooit hebben de genoemde partijen samen een meerderheid in de Staten-Generaal gehad. Als we D66 meerekenen, was 1998 het topjaar. Toen bereikten PvdA, D66, GL en SP met 75 zetels samen de helft van het aantal zetels, maar dat viel nauwelijks op, omdat de paarse samenwerking van PvdA, VVD en D66 werd voortgezet in het tweede kabinet-Kok. En de SP met vijf zetels werd als ‘tegenpartij’ trouwens nog niet zo serieus genomen door de rest. In de Eerste Kamer had dit links toen trouwens ook geen meerderheid en daar hadden PvdA en VVD, die in de Tweede Kamer samen een meerderheid hadden, D66 trouwens ook hard nodig.

-

Oude en nieuwe indelingen
Wie de zaken over een wat langere termijn beziet, moet er zich overigens over verbazen dat de samenwerking tussen PvdA, VVD en D66 met de mengkleur paars werd aangeduid. Voor de oorlog zou dit namelijk een typische linkse coalitie zijn geweest. Dat was immers de oude indeling: confessioneel was rechts en alles wat niet confessioneel was, gold als links. Voorlopers van de VVD als de LSP en de VDB werden altijd als linkse partijen gezien en Hendrik Colijn regeerde tussen in zijn tweede en derde kabinet tussen 1933 en 1937 naar toenmalige begrippen dan ook samen met links. Ik denk dat zelfs de VVD, opgericht in 1948, aanvankelijk nog als een linkse partij werd gezien en dat de aanhangers zich daar zeker toe rekenden. Maar daarna verschoof de indeling en werd de sociaal-economische politiek, grof gezegd de houding tegenover het kapitalistische systeem, het leidende beginsel bij de indeling in links en rechts. Tot 1967 golden volgens die zienswijze alleen de socialistische PvdA en PSP en de communistische CPN als links.

Maar helemaal lekker zat die indeling toch niet, want in de jaren zestig kwam meteen een nieuwe indeling tussen ‘progressief’ en de rest, die gemeenlijk niet conservatief wilde heten, op. D66 en de PPR, niet socialistisch, wel ‘links’, waren daarvan de eerste exponenten. Het oude rechts, dat terminologisch inmiddels uit de mode was, verloor trouwens al in 1967 de meerderheid: de vijf confessionele partijen behaalden toen niet meer dan 73 zetels. In die zin heeft links sinds dat jaar de meerderheid in de Nederlandse politiek, maar omdat andere tegenstellingen vooralsnog dominanter waren, zag niemand dat zo. Wel werd de sociaal-economische indeling dus aangevuld met een nieuwe immateriële, waarbij links ook iets als ‘progressief’ ging betekenen.

In die gepolariseerde dagen verleende het etiket links een tamelijk duidelijke identiteit, maar rechts verloor in feite aan betekenis. Typerend was dat A.A.M. van Agt het nieuwe CDA bij de eerste verkiezingen waar die (toen nog toekomstige) partij aan meedeed, in 1977 als een typische middenpartij neerzette: hij boog niet naar rechts en hij boog niet naar links. Zei hij tenminste. Hoewel je uit de 31 na de oorlog in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen dus wel de tien linkse kunt halen, is het in feite onmogelijk om de overige 21 volgens de nu gangbare norm zonder meer rechts te noemen. Dat zou aan het zelfverstaan geen recht doen en zo zagen ook anderen hen vaak niet.

-

Nieuwrechts
Maar nu is het weer anders. En in zekere zin zou je misschien kunnen zeggen dat links nu wel een meerderheid heeft. Soms dan, niet altijd. Hoewel je dat in bepaalde opzichten al kon zeggen over de paarse coalities – euthanasiewetgeving, het zogenaamde homohuwelijk, en er valt vast wel meer te bedenken – is dat met het optreden van het populisme in de laatste tien jaar helemaal duidelijk geworden. De LFP snoepte in 2002 vooral kiezers bij links weg, maar door de moord op Pim Fortuyn werd dat zo’n zooitje dat er verder weinig zinnigs over gezegd kan worden. Met de strakker geleide eenmanspartij van Wilders, de PVV, is het wel zichtbaar geworden. De aanhangers van die partij noemen zich vaak trots rechts. Anderen, tegenstanders, hebben het over domrechts, maar voor een analyse is dat een wat al te partijdige aanduiding. Nieuwrechts lijkt me als neutrale, beschrijvende typering beter. Het doet recht aan het zelfverstaan en de term brengt een duidelijke onderscheid aan met traditioneel rechts, waarvan eigenlijk niet eens duidelijk is wat het precies betekent.

Maar wat zegt die vaak provocerende term rechts die aanhangers van de PVV zelf graag gebruiken eigenlijk? Dat men zich bij de oude machten van het behoud aansluit? Geenszins. Het is een term die vooral gebruikt wordt om zich af te zetten tegen links en die vooral ook de teleurstelling of de wrok tegen wat men als het linkse establishment ziet, moet uitspreken. Misschien was dat ook wel de achtergrond van die meneer in Utrecht, die me ongevraagd deelgenoot van zijn zieleroerselen maakte. Vaak wordt de leuze gebruikt door lieden die zichzelf vroeger als links beschouwden, maar zich door de progressieve ‘elite’ in de steek gelaten of bedrogen voelen. Het is een feit dat dát links nooit de meerderheid had of de dienst uitmaakte, maar de kiezers, nou ja sommige, voelen dat vaak anders. In een aantal grote steden had links immers wel de meerderheid en het ambtenarenapparaat en de spraakmakende intellectuele gemeente waar men zich tegen afzet, beschouwt men vaak ook als links.

In die zin is het nieuwe rechts een paradoxaal begrip: het is een soort anti-links, dat een merkwaardige mengeling bevat: de gewone rechtse man tegen de linkse elite. Ooit zou je dat de omgekeerde wereld hebben genoemd. In die zin vervult het in de veranderde sociaal-economische en culturele omstandigheden van de voltooide en zichzelf noodzakelijkerwijs steeds vernieuwende en hervormende welvaartstaat enigszins de oppositionele rol die links vroeger ook had: juist tegen de gevestigde machten of wat men daarvoor houdt. Het huidige rechts van nieuwrechts is een soort links in het kwadraat: de stem van het protest (ook al heeft dat protest weinig om het lijf en leidt het zelden tot gemotiveerde actie).

-

Toch een linkse meerderheid
De voorstellen die gisteren gepresenteerd werden om de koningin – staatsrechtelijk trouwens de Koning – haar rol bij de formatie van een nieuw kabinet te ontnemen, geven in feite aan dat er nu in de Tweede Kamer wel degelijk een linkse meerderheid is. Wat je ook van de erfelijke monarchie kunt zeggen, ze staat in ieder geval voor de gevestigde machten en juist dat symbool pakt men nu aan.

Als ik het goed zie, claimen zowel D66 als GroenLinks dit succesje. Wie op de site van D66 kijkt, leest daar dat een ‘ruime meerderheid van de Tweede Kamer’ instemt ‘met het voorstel van D66-Kamerleden Gerard Schouw en Boris van der Ham om de kabinetsformatie democratischer en transparanter te maken.’ Wie vervolgens bij GroenLinks te rade gaat, treft daar een belangrijke aanvulling aan: pas door een amendement van Ineke van Gent (GL) op een voorstel van Gerard Schouw en Boris van der Ham werd een meerderheid bereikt.

Het is ondertekend door vertegenwoordigers van de vijf linkse partijen GroenLinks, PvdA, SP, D66 en PvdD – Ineke van Gent, Pierre Heijnen, Ronald van Raak, Magda Berndsen, Esther Ouwehand – én, als derde, door een lid van de PVV-fractie, Andre Elissen. En dat is veelzeggend. De PVV past niet in de oude schema’s en door slechts op bepaalde punten een Gedoogakkoord met de VVD en het inmiddels wel rechtse CDA – het ‘radicale midden’ heft zichzelf terminologisch op – aan te gaan, heeft de club van Wilders zich de vrijheid verschaft om op punten als deze juist met links in zee te gaan. Maar het omgekeerde valt nog meer op: dat progressieve partijen als D66 en GroenLinks op een punt als dit gretig met de PVV samenwerken. In die zin heeft links nu op bepaalde punten voor het eerst een werkbare meerderheid in het parlement.

-

Het voorstel
Het voorstel om het Reglement van Orde aan te passen zal het wel halen. Of het ook echt gaat werken, moet bij de volgende kabinetsformatie maar blijken. Er is vaak op gewezen dat de Kamer al in 1971 een motie van de KVP-er Kolfschoten aannam waarin de Kamer werd aangespoord ‘in een openbare beraadslaging te onderzoeken of een oordeel kan worden uitgesproken omtrent een door het Staatshoofd te benoemen kabinetsformateur”. Toen dat even later in dat zelfde jaar werd uitgeprobeerd, kwam daar niets van terecht. Door voorzichtiger te werk te gaan en ook de mogelijkheid van het zelf aanwijzen van informateurs op te nemen en nog wat procedurele slagen om de arm te houden, lijkt de kans van slagen nu veel groter.

Of het voorstel tot ‘méér transparantie’ zal leiden, zoals Schouw en Van der Ham claimen, of dat de procedure ‘een stuk transparanter’ zal worden, zoals Ineke van Gent schrijft, valt nog te bezien. In hun toelichting wezen Schouw en Van der Ham er al op ‘dat besloten overleg nu eenmaal onontkoombaar is in ons stelsel van evenredige vertegenwoordiging, waarbij door overleg tot machtsvorming moet worden gekomen’. Het voorstel beoogt dan ook niet ‘volledige transparantie’, merkten ze zelf bescheiden op, en ook de formulering van Ineke van Gent is comparatief van aard.

Eigenlijk valt niet zo snel in te zien wát er dan werkelijk transparanter zal worden. Wat wel zeker is, is dat een mooi ritueel om zeep wordt geholpen. Het had iets plechtigs: al die fractieleiders die op paleis Noordeinde langs gingen en vervolgens volkomen transparant uitlegden wat ze geadviseerd hadden. Alleen wat de beide Kamervoorzitters en de vice-president van de Raad van State adviseerden, was niet volledig bekend. Het komt er nu op neer dat voorzitter van de Tweede Kamer een grotere rol krijgt en de Eerste Kamer en haar voorzitter en de Raad van State en zijn vice-president volledig buiten spel gezet worden. De Eerste Kamer kan aan een dergelijke wijziging van het reglement van de andere Kamer niets doen, maar het is wel een boeiende vraag of er van daaruit nog een reactie komt.

Het aardige van de tot dusver gangbare werkwijze was dat de partijpolitieke adviezen volledig transparant waren en voor het publiek ook op een aantrekkelijker wijze werden gepresenteerd dan in een Kamerdebat zal gebeuren. Juist bij de formatie vervulde de monarchie een politiek nuttige rol, zonder dat die partijpolitiek werd. Die was veel overtuigender dan het ceremonieel op Prinsjesdag waarbij al te duidelijk is dat de vorstin alleen maar de tekst van iemand anders voorleest. Alleen de uiteindelijke aanwijzing van een informateur was uiteindelijk soms een verrassing, maar dat lijkt me voor de partijen ook wel prettig. Ze hoeven zich dan in de eerste stadia nog niet zelf vast te leggen en over de uiteindelijke uitkomst, wie er met wie een meerderheid vormt en de feitelijke aanwijzing van de formateur, gaan ze toch echt zelf. De speelruimte voor de partijen neemt in het voorstel alleen maar iets af, zou ik zeggen. Ik zie eenvoudigweg niet waar er nog meer transparantie zou ontstaan.

-

Of toch?
Maar we zullen wel zien. Uit zakelijk oogpunt kun je je trouwens wel afvragen of dit voorstel juist voor de PVV nu zo’n geweldige stap is. Meer dan een uiting van rancune lijkt het niet. Als deze procedure bij de laatste formatie al gevolgd was, zou dit kabinet er dan ook gekomen zijn? Het was helder dat Mark Rutte, Maxime Verhagen en Geert Wilders op een gegeven moment per se dit kabinet wilden. De gang van zaken na het afscheid van Ab Klink maakt dat duidelijk. Maar als er vanaf het begin hoofdelijk gestemd was, hadden Kamerleden als Kathleen Ferrier en Ad Koppejan zich dan ook zo onder druk laten zetten? Het valt moeilijk te zeggen. Ook dan zou pressie vanuit de fractie immers mogelijk zijn geweest. Maar het is mogelijk dat op dit punt de nieuwe procedure tot iets meer doorzichtigheid zou hebben geleid. Maar op andere punten verwacht ik eerder iets minder transparantie.

De praktijk zal het leren. Het lijkt me op zich weinig waarschijnlijk dat de PVV ooit nog weer bij een formatie betrokken wordt. Het lijkt me duidelijk dat het CDA zich net als de ezel niet opnieuw aan dezelfde steen zal stoten. En ook al maakt links nu gretig gebruik van de PVV om een speeltje binnen te krijgen – een speeltje trouwens dat veertig jaar geleden helemaal niet typisch links was trouwens -, het lijkt me vooralsnog onwaarschijnlijk dat de linkse partijen déze linkse meerderheid werkelijk in een kabinet willen omzetten. Tenzij men natuurlijk zo de smaak van de huidige parlementaire sterkte te pakken krijgt en er dan een links minderheidskabinet komt. Maar vooreerst lijkt me dat uiterst onwaarschijnlijk.

Duidelijk lijkt me in ieder geval dat er op bepaalde punten nu voor het eerst in de Nederlandse geschiedenis een soort linkse meerderheid bestaat. Maar of dat veel betekent? En wat wel zeker is: juist voor mensen die niet zo veel met politiek hebben, wordt het een stuk minder aantrekkelijk. De laatste gelegenheid waarbij we politici overtuigend buiten de nauwe grenzen van het Binnenhof zagen optreden, verdwijnt. De magie van het koningschap verleende aan het politieke getouwtrek iets feestelijks. Dat is nu voorbij.

En de wrok zal toenemen.

Eerste naschrift (ongeveer 15.30 uur)
Of het vertrek van Hero Brinkman, ook zo’n vroegere PvdA-er trouwens, uit de PVV-fractie – ik zag tijdens het schrijven wat meldingen langs komen, maar wilde me niet te veel af laten leiden – gevolgen zal hebben voor bovenstaande beschouwing, valt nog te bezien. Het zal vooral van diens stemgedrag afhangen. Hij zegt dat hij de coalitie absoluut niet zal laten vallen en hij heeft daar, dunkt mij, ook geen enkel belang bij. Ik denk dat er voor het kabinet in principe weinig verandert. Men heeft alleen nog een extra inofficiële gedoogpartner. Of om het met Willem Aantjes te zeggen: het draagvlak van het kabinet in de Tweede Kamer is versterkt: het aantal gedoogpartijen is nu immers verdubbeld.
Het is trouwens interessant dat Brinkman als een van de eersten, vermoed ik, populisme als een positief etiket hanteert, maar dit terzijde.

Tweede naschrift (woensdag 21 maart ongeveer 9.30 uur)
Toen ik mijn stukje gisteren schreef, zag het er nog naar uit dat er ‘s middags een debat gevoerd zou worden over het voorstel van Schouw en Van der Ham. Dat ging niet door omdat de Kamer besloot een debat te houden over het vertrek van Hero Brinkman uit de fractie van de PVV. Dat debat leverde uiteraard niets op. Wat ik hierboven al beschreef, gebeurde opnieuw: de Kamer was vooral met zichzelf bezig. Ze trekt zich helemaal terug op de kleine wereld van het Binnenhof. Het was een nieuwe uiting van de hijgerigheid die de huidige politiek zo in zijn greep heeft.
Het paradoxale is dat deze navelstaarderij waarschijnlijk mede ontstaat doordat Kamerleden, ook via Twitter, zo in interactie met de maatschappij staan. Natuurlijk roept het vertrek van Brinkman allerlei reacties op bij het geïnteresseerde deel van het publiek en het is ook zeker niet onwaarschijnlijk dat het het begin is van belangwekkende ontwikkelingen. Zet hier het verval van de PVV in? Dat zou goed kunnen, maar we weten het nog niet. Het is een onderwerp waar iedereen nu rustig over kan speculeren, maar uitgerekend de Tweede Kamer zou zo verstandig moeten zijn om er even geen grote aandacht aan te besteden. Laat men dat doen op het moment dat er werkelijk iets duidelijk wordt. De oppositie probeert nu te scoren op een moment waarvan ze weet dat ze niets bereikt. Iets meer geduld zou verstandiger zijn.
Vooralsnog acht ik de constatering dat de grotendeels linkse oppositie zich afzet tegen het huidige kabinet, maar als dat zo uitkomt, net zo gretig als het gedecimeerde rechts samenwerkt met de nieuwrechtse en in feite onindeelbare PVV, belangrijker. Zowel het een als het ander is overigens niet onbegrijpelijk. Het gaat me vooral om de waarneming, minder om een oordeel.

(63)

16 februari 2012

De omstreden shariageleerde – wat hij zei en wat we willen weten

.:.

Alles begint altijd bij Aristoteles. Waar zouden we zijn zonder het onderscheid tussen vorm en materie? Maar eerlijk gezegd, het is zo’n fundamentele indeling dat we er anders vast ook wel op gekomen zouden zijn.

-

Hoofdgebouw van de Vrije Universiteit te Buitenveldert (Foto: MethoxyRoxy)

Aankondiging en afzegging
Ik heb natuurlijk over het aangekondigde, inmiddels afgelaste en toch nog steeds aangekondigde optreden van de Britse islamitische geleerde dr Haitham al-Haddad op een symposium dat komende vrijdag en zaterdag in het hoofdgebouw van de Vrije Universiteit zou worden gehouden. Als ik het goed zie, had de universiteit op zich met het optreden niets te doen. Ze had alleen een kille zaal op de vierde verdieping verhuurd of ter beschikking gesteld aan de Islamitische Studentenvereniging Amsterdam. Die kondigde de bijeenkomst op haar site aan als een ‘mooie activiteit’. Ze kondigt de bijeenkomst overigens nog steeds aan. Nog gisteravond werd op de facebooksite opnieuw een bericht geplaatst dat de inschrijfprocedure ‘nog steeds lopende’ is. We moeten dus nog maar afwachten of het symposium op een andere plek doorgang zal vinden. Het lijkt me waarschijnlijk.

De VU heeft conform haar reputatie ondertussen een nogal onhandige persverklaring uitgegeven:

‘Over dit symposium is zowel in de media als in de politiek grote ophef ontstaan omdat één van de sprekers is beschuldigd van antisemitische uitlatingen. Het beoogde debat over de positie van de moslim academicus in het Westen schiet daarmee voorbij aan de bedoelingen van de organisatie. Dit alles heeft ertoe geleid dat de universiteit heeft besloten dit debat niet te faciliteren. Uiteraard biedt de VU geen podium voor antireligieuze uitingen, de VU staat juist de dialoog over en tussen religies voor. De VU zal met ISA in overleg treden om het beoogde symposium op een andere manier vorm te geven, een vorm waarin wetenschappelijke kwaliteit, het academische debat en wederzijds respect voorop staan.’

Dat is groteske flauwekul. Nou, niet volledig, maar wel deels. Natuurlijk ging het niet om een ‘debat over de positie van de moslim academicus in het Westen’. Kom nou, wie de uitnodiging leest en iets van salafisten afweet, zal onmiddellijk beseffen dat hier een leraar aan een publiek dat begerig aan zijn lippen zal hangen, komt vertellen hoe het moet. Lees het programma:

‘Gezien de vele vragen die er leven onder moslim-academici over het leven, participeren, studeren en werken als moslim in Nederland, heeft ISA besloten een gehele dag te wijden aan dit thema. Aan het einde volgt een Q&A-sessie hierover. Shaykh Haitam al-Haddad is geautoriseerd om antwoord te geven op religieuze vraagstukken. Vragen aan de Shaykh kunnen tot woensdag 15 februari (bij voorkeur in het Engels) gemaild worden naar info@sv-isa.nl.’

Het toontje zegt alles: het gaat hier niet om open, kritisch debat, maar om het eerbiedig opdoen van de wijsheid van iemand die gezag heeft, die ‘geautoriseerd’ is, zoals het heet. De vragen kun je van tevoren indienen. In een bericht van Radio Nederland Wereldomroep wordt nu ineens gemeld dat al-Haddad vrijdag ‘in debat’ zou gaan met ‘universitair docent Yasser Ellethy van het Centrum van Islamitische Theologie van de Vrije Universiteit’, maar nergens was er iets aangekondigd dat op een werkelijke discussie leek.

En op zich is daar trouwens niets op tegen. Waarom zou een studentenvereniging niet mogen proberen om haar leden geestelijke leiding te bieden? Maar doe dan niet schijnheilig alsof het om ‘wetenschappelijke kwaliteit, het academische debat en wederzijds respect’ gaat. Daar heeft de universiteit ook niets mee te maken, als ze een zaal ter beschikking stelt. De enige vraag die ze zich dient te stellen of ze dat wil of niet. Met de inhoud heeft ze zich verder niet te bemoeien.

Helemaal schaterlachen moest ik trouwens om de bewering dat de VU ‘geen podium voor antireligieuze uitingen’ biedt: ‘de VU staat juist de dialoog over en tussen religies voor’. Dat is wel een heel radicale en plotselinge koerswijziging. Of ik moet natuurlijk verschrikkelijk in de war zijn als ik me verbeeld dat ik de afgelopen drie decennia naast godsdienstige uitingen toch ook wel eens antigodsdienstige uitlatingen opgevangen heb binnen de muren van de Buitenveldertse universiteit. Flauwekul dus, al is het voor het thema hier verder niet relevant. Iemand die kennelijk meent dat antisemitisme een antireligieuze mening is en daarom niet getolereerd kan worden, heeft in ieder geval weinig op een universiteit te zoeken.

-

Uitspraken
Laten we het eerst maar over de inhoud hebben. Het opvallende is dat de affaire zo laat begon. Vrijdag zou de man al komen, pas enkele dagen ervoor ontstond de commotie. Als ik het goed zie, begon het allemaal met een bericht van Carel Brendel dat hij maandag op zijn weblog plaatste en dat u beslist even moet lezenSjeik als extremist geweerd in Londen, als spreker welkom in Amsterdam. Pas daarna kwamen anderen in het geweer. Het CIDI riep de Vrije Universiteit en de Islamitische studentenvereniging bijvoorbeeld op om ‘geen podium’ te bieden aan de ‘extremistische shariageleerde’. De rest hoef ik hier niet te noemen. U zoekt zelf maar met Google. Alle gegevens, alle citaten die aan de man worden toegeschreven, gaan, voor zover ik kan zien, steeds terug op het bericht van Brendel.

De vraag is dan of dat klopt. Ik werd klassiek kantiaans uit mijn sluimer gewekt door twee tweets van Maarten Jan Hijmans, die ik nu samenvoeg:

‘Tijd voor Kamervragen naar betrouwbaarheid van de bronnen waaruit CIDI en Voordewind putten bij hun pogingen Haitham al-Haddad te weren. Ik kom alleen rechtse pro-Israel sites met onbetrouwbare weergave van preken tegen die elkaar allemaal napraten.’

Zijn scepsis kwam me niet vreemd voor. Haitham al-Haddad is geboren in Saoedi-Arabië en groeide daar ook op, maar hij heeft een Palestijnse achtergrond. En ik ken het verschijnsel dat zich dan soms of misschien wel vaak voordoet: uitspraken tegen Israël of tegen joden kun je vaak alleen in bronnen vinden van degenen waar ze zich tegen zouden richten. Allerlei vertekeningen komen voor. Zou dat ook hier het geval zijn?

Twee veelvuldig aangehaalde zinnetjes kwamen me verdacht voor. Ten eerste de bewering dat joden ‘the enemies of God, and the descendants of apes and pigs‘, of in het Nederlands ‘de vijanden van God en de afstammelingen van apen en varkens‘ zijn. En ten tweede de uitspraak: ‘They are one of the armies of the devil‘, die in het Nederlands concreet wordt ingevuld: ‘Joden zijn een van de legers van de duivel‘. Onder de twee uitspraken in de Engelse en Nederlandse weergave heb ik meteen maar een Googlelink gestopt. En ja hoor: het gaat steeds over onze imam en vaak gaat het inderdaad om bronnen die zichzelf als joods aanduiden. Maar dat zegt uiteraard nog niets over de vraag of ze kloppen.

Ik zal het maar direct verklappen: volgens mij kloppen de citaten. En ik zeg er direct bij dat alle gegevens in de blog van Carel Brendel naar mijn bevindingen feitelijk juist zijn. Alle links heb ik nagetrokken. Hier beperk ik me tot de twee genoemde zinnetjes. Ze komen uit een toespraak of een preek die Jawad al-Haitham al-Haddad op 24 safar 1422, 18 mei 2001 dus, in Londen hield. Brendel gaf die bron op Al Minbar al in het Arabisch. Hij gaf alleen niet de beste link naar de vertaling. Op dezelfde site waar hij naar linkte, werd op 4 februari van dit jaar een gedeelte vertaald. Ik citeer dat stuk:

‘[W]e must reflect on the reality of the conflict between us and the Jews, the enemies of God, and the descendants of apes and pigs.

O brothers! The conflict between us and the Jews is religious, historic, civilizational, and infinitely complex; it is not bounded by time or place, and it has more than one dimension.

Yes, o brothers, this is the nature of the conflict. It is not a military conflict for a limited period on the land of Palestine. The battle in Palestine, such as that underway at the moment and that which took place in the past, is but one small part of this conflict.

There is no better example of this, o brothers, than our recognition based on an investigation of reality, that although the Jews do not occupy all our land in Palestine, in time they will take over parts of the Arab countries indirectly in a manner perhaps worse than the military occupation. For example: political and economic control, and all their efforts to gain cultural control, as well as their hard work towards normalisation [of relations]. This is only part of their management of this battle, of which realise its importance and our ignorance.

We know that the Jews are using all that they can to end this conflict in their favour. They are doomed and will lose. They are one of the armies of the devil, of which Allah the Almighty said: And incite [to senselessness] whoever you can among them with your voice and assault them with your horses and foot soldiers and become a partner in their wealth and their children and promise them. But Satan does not promise them except delusion. [17:64]

Did Allah not commands us to seek refuge from the devils of mankind and the jinn? Indeed, the devils of mankind are perfectly represented by these Jews. Do their Protocols [of the Elders of Zion] not say: “We must seduce the world with women and wine, through gambling and recreation, and if this is not sufficient then their reality will testify to this.”

O brothers: their weapons in this battle are like the weapons of Satan: all kinds of desires, money, women, alcohol, games, media, so-called sports and art. All of these are amongst their weapons.”

O brothers: their weapons in this battle are like the weapons of Satan: all kinds of desires, money, women, alcohol, games, media, so-called sports and art. All of these are amongst their weapons.’

Het gaat om een klein stuk van de totale toespraak, niet meer dan een tiende deel. Dit gedeelte begint op ongeveer een kwart of een derde van de tekst. Nee, ik kan geen Arabisch, maar ik heb de gehele tekst in Google Translate gegooid en daaruit kon ik duidelijk opmaken dat het vertaalde fragment aaneengesloten is en de vertaling lijkt me ook tamelijk accuraat. U moet het anders zelf ook maar eens proberen. En mensen die Arabisch lezen, kunnen uiteraard het hele verhaal controleren.

Het gaat om een toespraak uit 2001 toen de Tweede Intifadah gaande was en de sjeikh geeft grafische beschrijvingen van het onheil en het leed dat Palestijnen treft. De joden in zijn toespraak zijn natuurlijk in de eerste plaats de joden die in Israël wonen. Laat ik dit zeggen: het is niet altijd onbegrijpelijk dat mensen in het Midden-Oosten soms over ‘joden’ in plaats van over ‘Israëli’s’ spreken. De meeste soldaten van dat land zijn nu eenmaal joden en het gaat om een staat die zichzelf als joods verstaat. Je hoeft niet op alle slakken zout te leggen. Maar ook al valt de tekst tegen de achtergrond van de persoonlijke levensgeschiedenis van de sjeich misschien wel enigszins te begrijpen, hij doet de uitspraken toch maar. En het gaat om meer dan een felle positiekeuze in een concrete strijd, het gaat wel degelijk om een algemeen wereldbeeld waarin zeer generaliserend en in vijandige termen over joden wordt gesproken. En het lijkt me dat je hem daar op aan mag spreken. Dit is wat wij antisemitisme plegen te noemen.

Voor het NOS Journaal ontkende al-Haddad gisteravond laat dat hij de aangehaalde uitspraken over de joden had gedaan. Arjen van der Horst hield hem elke uitspraak afzonderlijk voor. Het lijkt me dat al-Haddad niet de waarheid sprak, maar dat wil niet zeggen dat hij keihard loog. Het zit er dik in dat hij niet meer wist dat hij dit ruim tien jaar geleden gezegd had en dat zijn woorden gepubliceerd zijn. Anders had hij waarschijnlijk wel een slimmere uitweg gekozen. Botweg ontkennen is niet slim als je beter weet. Hij zal vast niet elke dag zulke dingen zeggen. In de samenvattingen worden verspreide uitspraken uiteraard verdikt. Maar waar het naar mijn idee op aankomt: er is ook niets verzonnen. De man heeft uitspraken gedaan die uiterst twijfelachtig zijn. En het gaat niet om wat losse flodders die helemaal uit de context gelicht zijn. Het gaat hier wel degelijk om uitwassen van een zeer merkwaardig en polemisch wereldbeeld. Het lijkt me niet verstandig om de dubieuze denkwereld van deze man te negeren.

-

Reacties
Dat was het materiële deel, nu het formele. Wat te zeggen van de reacties? Volgens een NOS-bericht probeerde een Kamermeerderheid woensdag om de man uit Nederland te weren. Dat lijkt misschien wat overdreven geformuleerd. Plenair is er met geen woord over de man gesproken. Het enige dat er gebeurd is, is dat Joel Voordewind (CU), gesteund door Kamerleden uit vier andere partijen, vragen aan twee ministers heeft gesteld. Maar hij presenteerde ze wel degelijk als een poging de man buiten de Nederlandse grenzen te houden. En samen vertegenwoordigen de vragenstellers inderdaad een Kamermeerderheid. Dit is het kwartet:

1. Heeft u kennis genomen van het artikel ‘VU moet extremistische shariageleerde weren’?
2. Is het juist dat sjeik Haitham al-Haddad bekend staat om antisemitische uitspraken als ‘Joden zijn een van de legers van de duivel’, dat joden ‘de vijanden van God, en de afstammelingen van apen en varkens’ zijn, dat het ‘noodzakelijk is om joden en christenen te haten’, dat hij gepleit heeft voor steniging en handen afhakken en dat hij van mening is dat het getuigenis van een vrouw slechts de helft waard is als een getuigenis van een man?
3. Bent u bereid om sjeik Haitham al-Haddad de toegang tot Nederland te ontzeggen? Zo nee, waarom niet?
4. Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden daar sjeik al-Haddad aanstaande vrijdag te gast is op een islamitisch symposium op de Vrije Universiteit in Amsterdam?

De antwoorden zijn tamelijk voorspelbaar. Op de eerste vraag luidt die altijd ja. Op de tweede vraag zullen ze deels bevestigend zijn en deels waarschijnlijk ietwat nuancerend. Het is me bijvoorbeeld niet helemaal duidelijk of de fatwa’s op de site van Islamic Sharia Council werkelijk van de hand al-Haddad zijn – Brendel beweert dat ook niet – en of de antwoorden niet net iets gecompliceerder zijn: islamitische wetsuitleggers moeten immers vaak wat manoevreren tussen de onfeilbaarheid van de tekst of de overlevering en de maatschappelijke werkelijkheid waar ze mee te maken hebben. Maar de eerste, antisemitische toeschrijvingen lijken me toch juist – als toeschrijvingen dan, haast ik me toe te voegen, niet inhoudelijk natuurlijk. Op de derde vraag zal het antwoord wel ontkennend zijn. De man is Brits staatsburger en een gevaar voor de nationale veiligheid lijkt hij nu niet direct. Er is waarschijnlijk geen enkele reden om de man niet het land binnen te laten. Of het antwoord op vraag vier bevestigend zal zijn, zullen we in de loop van de dag wel zien. Ik vermoed van wel.

Je kunt natuurlijk betogen dat vragen vrij staat, maar toch vind ik deze vragen niet verstandig. De suggestie die erin ligt opgesloten, is wel degelijk die die NOS erin las. Politici moeten niet te snel de indruk wekken dat ze iemand, hoe onsympathiek ook, met behulp van het staatsgezag de mond willen snoeren. Het was nu ook weer niet waarschijnlijk dat de man vrijdag en zaterdag gaat oproepen tot geweld. En bovendien, mocht hij de wet toch overtreden, dan kun je alsnog ingrijpen.

Veel verstandiger was naar mijn idee de reactie van het Kamerlid Martijn van Dam (PvdA). Die schreef een Open brief aan de Islamitische Studentenvereniging Amsterdam, waarhij hij de studenten vroeg om de uitnodiging in te trekken en hun naar hun verhouding tot gedeelde kernwaarden vroeg. Je kunt je natuurlijk afvragen of een dergelijk moreel appel primair een taak voor een politicus is, maar je ziet dat onze Kamerleden zich momenteel met allerlei morele kwesties bemoeien en dan is dit optreden heel normaal. Van Dam sprak in ieder geval de juiste mensen aan: niet de minister, niet de universiteit, maar de organisatoren.

De houding van de VU lijkt me – afgezien van de onhandige formuleringen – juist. Natuurlijk weet zo’n universiteit niet wat mensen die een zaal reserveren, allemaal doen. Maar ze heeft alle recht om geen medewerking te verlenen aan een bijeenkomst met een dergelijke man. Met wetenschap heeft het in ieder geval niets te doen, al babbelde Al-Haddad in het NOS-interview nog wat over academische principes. Het gaat om een initiatief van een groep studenten die het volste recht hebben om een religieus getinte bijeenkomst te organiseren, maar er is geen reden waarom de universiteit faciliteiten zou moeten verlenen. De studentenvereniging moet maar een ander zaaltje zoeken.

Buitensporig en ronduit verward was de reactie van de journalist Kustaw Bessems, die meestal zo nuchter analyseert en die ook wel weet wat voor een vlees hij in de kuip heeft. Dat hij pogingen van politici om het optreden van de sjeich te verijdelen, principieel kritiseert, dat kan ik goed begrijpen. Op dat punt ben ik het met hem eens. Maar politici hebben tot dusverre helemaal niets verhinderd en dat kunnen ze ook niet. Ze kunnen alleen voor ‘ophef’ zorgen en dat hebben ze ook effectief gedaan.

De beslissing van de VU was daar een eigen reactie op en die heeft met censuur niets te maken. Zoals maatschappelijke actoren als de studentenvereniging de vrijheid hebben om bijeenkomsten te organiseren, hebben andere maatschappelijke actoren als de universiteit het volste recht om hun medewerking te weigeren. Maar Bessems had, vertelde hij bij Pauw en Witteman, contact gezocht met directeur Joeri Albrecht van De Balie om de bijeenkomst daar door te laten gaan. Voor een journalist is dat wel een heel merkwaardige vorm van activisme. Het is ook nogal bevoogdend. Kunnen de bestuursleden van de Islamitische Studentenvereniging Amsterdam zichzelf niet redden? Kunnen zij niet zelf een alternatieve locatie zoeken? Kom nou. Bessems is de kluts flink kwijt.

-

Evenwicht: materieel en formeel
Het is altijd lastig om de verhouding tussen het formele en het materiële in evenwicht te houden. Op dat punt gaat er in hedendaagse maatschappelijke discussies dan ook voortdurend van alles mis.

Theoretisch is het niet zo moeilijk om iemands woorden materieel te veroordelen en tegelijk formeel voor zijn recht ze te uiten op te komen. Het is de kern van het bekende dictum dat altijd aan Voltaire wordt toegeschreven, maar dat in werkelijkheid in 1907 door Evelyn Beatrice Hall geformuleerd werd. Maar in de praktijk blijkt dat dat spreken met twee woorden vaak heel lastig is. De nadruk ligt al gauw op het ene of het andere. Je kunt zo snel de nadruk leggen op formele rechten dat je de materiële inhoud helemaal vergeet. Of omgekeerd. En als het om de islam gaat, valt bij een deel van zich progressief wanend Nederland de nadruk al gauw op de verdediging van de vrije ruimte.

Het is niet moeilijk om te begrijpen hoe dat zo gekomen is. Maar het is in feite ook heel bevoogdend. Katholieken en refo’s worden vandaag de dag niet gespaard, maar moslims neemt men graag in bescherming. Het is een uiting van ouderwets paternalisme, die nogal van minachting getuigt. Het doet de grote meerderheid van moslims bovendien onrecht.

Er is nog iets. Eind vorig jaar maakte ik me nogal druk – te druk, zullen velen waarschijnlijk terecht zeggen – over een blunderende NOS-reportage over de gebeurtenissen in een Egyptisch dorpje. Toen ik op een gegeven moment moest beschrijven hoe salafisten in Egypte de reportage van Lex Runderkamp voor hun eigen doeleinden gebruikten, kwam ik daarbij ook ene Sjeich Muhammad Al Zogbhy tegen, de geestelijk leidsman van het salafistische tv-station waar het om ging. Per mail had ik vanuit Egypte, uit islamitische bron overigens, wat informatie over de man gekregen, maar toen ik mijn stukje schreef, zocht ik of ik even een linkje naar bijvoorbeeld een Wikipedia-stukje kon vinden. In de gauwigheid stuitte ik vooral op rabiate sites als Frontpage Magazine van David Horowitz en Jihad Watch van Robert Spencer. En ik had even geen zin om daarnaar te linken.

Ik had ook geen tijd om de informatie die ik tegenkwam, te controleren. Ik had dus wel een excuus om niet te linken. En toch vond ik het van mezelf wat vreemd. Het was best mogelijk dat de informatie die ik over die radicale sjeich tegenkwam, wel degelijk klopte, al stond die op sites met een merkwaardig wereldbeeld. Maar waarom kon ik die dan niet elders vinden? Hier stuiten we volgens mij op een echt probleem.

-

Blinde vlek
Eigenlijk is niemand echt geïnteresseerd in radicale vormen van de islam. En hetzelfde – ik besef dat de verbinding riskant is – geldt ook voor uitingen van organisaties als Al Kaida. Je hebt tegenstanders die ijverig alles verzamelen en vertalen. Maar ze presenteren het in zo’n overtrokken kader dat geen zinnig mens ze serieus neemt. En, dat is me vaak opgevallen, ze zijn zelf in het algemeen ook niet werkelijk geïnteresseerd in al het materiaal dat ze verzamelen. Het dient alleen maar ter nadere bevestiging van een bestaand wereldbeeld. Maar anderen verdiepen zich ook niet in de zaak. Radicale moslims schrijven uitvoerig op wat ze denken, maar wie wil het weten? Alleen fervente aanhangers en rabiate tegenstanders, de rest negeert de informatie.

Ook hier gebeurt weer zoiets. Twee reacties overheersen en ze ontnemen het zicht op de zaak. De politici die willen verbieden, zijn dom bezig. Het is natuurlijk flauwekul dat zo’n man aan de lopende band tot geweld oproept. En het is zeer onwaarschijnlijk dat hij een gevaar voor de openbare veiligheid vormt. Het kan vervelend zijn dat jongeren radicaliseren, juist het vinden van een eigen niche kan een zekere waarborg tegen verdergaand extremisme bieden. Maar juist de verbodsneiging roept bij anderen dan weer de neiging op allleen maar over de rechten te beginnen en te vergeten dat het toch om wel heel ongure denkbeelden gaat.

Kortom, debatten als dit versterken naar mijn indruk de blinde vlekken alleen maar. Als maatschappij kunnen we echt wel leven met een kleine groep mensen die er zeer afwijkende denkbeelden op nahoudt. Maar in een maatschappij die zich steeds meer tot één nationale communicatiegemeenschap ontwikkelt, is het ook vreemd om aan zulke opvattingen voorbij te gaan. Het denken in verboden en rechten leidt alleen maar af. Laten we eens vragen wat de leden van die islamitische studentenvereniging nu eigenlijk beweegt. Waarom vinden ze zo’n man boeiend? Wat zoeken ze? Dat zijn de vragen waar het om gaat.

De houding van Joël Voordewind en Kustaw Bessems leidt ons op dwaalwegen. Die van Martijn van Dam wijst op zijn minst het begin van de weg die we moeten gaan.

Eerste naschrift (donderdag 16 februari, rond 10.15 uur)
Aan dit stuk had ik oorspronkelijk een kort naschrift toegevoegd waarin ik aankondigde dat ik het in de loop van de dag waarschijnlijk nog zou verbeteren. Het was grotendeels in nacht geschreven. En de pagina van WordPress liep vast, zodat ik een groot deel opnieuw moest schrijven. Daardoor werd het wel erg laat. Ik was bang dat ik veel zou moeten veranderen. Maar nu ik het stuk overlees, laat ik het maar zo staan. Ik heb er een paar foutjes uitgehaald en als ik nog meer foutjes zie, zal ik die er waarschijnlijk ook uithalen.

Wat de sjeich betreft, ben ik er niet helemaal uit, maar dat blijkt ook uit het stuk. Het lijkt me vooral zaak om de dialoog aan te gaan en dan doel ik niet op slappe praatjes. Het gaat er juist om uit te zoeken hoe de man werkelijk denkt en wat hij werkelijk leert. Het is goed mogelijk dat zijn denkbeelden in de populaire weergave nu al te simpel worden weergegeven. Of de verbinding met geweld, die nu gelegd wordt, bijvoorbeeld juist is, vraag ik me af.  Men moet dat soort dingen zorgvuldig uitzoeken en ik heb me in het bovenstaande tot enkele uitspraken beperkt. Maar er is alle reden om kritische vraagtekens te zetten bij de opvattingen van Haitham al-Haddad en dat is wat er moet gebeuren en dan zien we wel wat de antwoorden zijn. 

Morele paniek en verbodszucht zijn nergens voor nodig, maar alleen in de rechtenkramp schieten en aan de ideeën voorbijgaan is ook geen verstandige houding. Maar in feite staat dat ook in het stukje. En als ik meer te zeggen heb, schrijf ik wel een nieuw stukje of een extra naschrift.

Tweede naschrift (donderdag 16 februari, rond 18.25 uur)
Dit is ingewikkelde materie. Het is altijd moeilijk om tot een afgewogen oordeel te komen. De lezer heeft dat hopelijk ook uit mijn stuk opgemaakt: het gaat ook om een zoektocht waarbij ik op het moment dat ik begin te schrijven, nog niet weet waar ik precies uitkom. Ik probeer steeds deelvragen te stellen en daar antwoorden op te vinden.

De hoofdlijn lijkt me wel duidelijk: geen inzetten op onverheidsgrijpen, wel op maatschappelijk debat, juist ook als dat lastig lijkt. Waarbij elke actor zijn eigen initiatieven mag nemen en dus iets mag organiseren, maar ook medewerking mag weigeren.

Ik wijs nu nog even op drie heel verschillende stukken zonder nader commentaar te geven. Ook op de laatste reacties hieronder geef ik nog even geen commentaar.  Een van de reactie noem ik hier als vierde, omdat die afkomstig is van een betrokkene van de VU en daarom een iets ander karakter heeft dan een gemiddelde mening (waarbij ik uiteraard andere reacties niet achter wil stellen).

Ik heb nog geen definitief oordeel, maar een praktisch aspect is belangrijker: ik moet ook aandacht aan andere dingen geven. Misschien dat ik later nog wel wel een kort vervolgstukje kom.

1. Carel Brendel schreef gisteren een vervolgblog VU-bestuur overrompeld door rumoer rond shariageleerde Haitham al-Haddad

2. Marten Jan Hijmans publiceerde vanmiddag een blog Een omstreden sheikh en een uitnodiging die ten onrechte weer werd ingetrokken

3. Het CIDI publiceerde een rapport: Overzicht van de haatzaaiende uitspraken van sjeik Al-Haddad

4. Verder wijs ik op de reactie van Wim Haan van de VU hier beneden, die betrokken is bij de procedure voor zaalaanvragen en nadere achtergrondinformatie biedt.

Neem kennis van alles en oordeelt u vooral zelf.

(55)

[Gepubliceerd: donderdag 16 februari 2012, 7.29 uur. Naschrift gewijzigd op donderdag 16 februari, ongeveer 10.15 uur.]

15 februari 2012

De minister-president en de belletjestrekker

.:.

Rood vlees
Op zich had minister-president Mark Rutte gisteren best gelijk. Tijdens het zogenaamde vragenuur in de Tweede Kamer van de Staten-Generaal – in de wandeling liefkozend verkleind tot vragenuurtje – zei hij naar aanleiding van een interventie van Arie Slob:

‘Ik heb al eerder gezegd dat ik het onverstandig vind om, als er belletje wordt getrokken en stukken rood vlees naar beneden worden gegooid, daar meteen met zijn allen bovenop te springen. Het is echt mijn opvatting dat u dat met zijn allen aan het doen bent.’

Geografisch middelpunt van Europa in Litouwen. Midden-Europa ligt ten zuidwesten hiervan. (Afbeelding: Wikipedia)

Over de gecombineerde beeldspraak, belletjestrekkers die met stukken vlees gooien, moet je misschien maar niet te lang nadenken. En over dat springen al helemaal niet, zou ik zeggen. Rutte had daarvoor al opgemerkt dat de PVV regelmatig stukken rood vlees in de arena gooit. Ik ben toch bang dat als ik de volgende keer de trein naar Utrecht neem, ik daar net voor station Amsterdam Bijlmer Arena even aan zal moeten denken. Maar goed, het ging over het zogenaamde Meldpunt Midden en Oost Europeanen dat de genoemde ‘partij’ had opgericht. (Wat de naam betreft: zorgvuldige omgang met de Nederlandse taal schijnt in PVV-kringen geen prioriteit te hebben.) En Rutte heeft natuurlijk groot gelijk. Veel stelt die website met dat zogenaamde meldpunt niet voor. Het is vooral een kwestie van aandachttrekkerij, een tamelijk machteloze poging ook.

-

Problemen signaleren
Gisteren werd er op gewezen dat de SP al in 2005 een soortgelijk meldpunt geopend zou hebben. Die partij bood althans de mogelijkheid om ‘gevallen van concurrentievervalsing op de arbeidsmarkt die wordt veroorzaakt door de toestroom van Polen en andere Oost-Europeanen’ te melden. Dat gebeurde trouwens onder het kopje ‘enquête’. De journalist Kustaw Bessems formuleerde het verschil treffend:

‘Verschil tussen SP-meldpunt en dat van de PVV is precies het verschil tussen reële problemen aanpakken en hetze voeren om het hetze voeren.’

Zo is het. Bij het SP-onderzoek ging het om zakelijke problemen, op het PVV-meldpunt gaat het eerst over overlast in het algemeen en over specifieke vormen als geluidsoverlast, parkeeroverlast, dronkenschap en verloedering. En pas daarna kun je dan ook nog aangeven of er sprake is van baanverlies.

Mogen zaken als overlast dan niet genoemd worden? Natuurlijk wel. Maar die problemen zijn allang bekend en worden ook gesignaleerd. Juist de krantenkoppen die de website laat zien, tonen dat al aan. En wat nog veel belangrijker is: vorig jaar heeft de Tweede Kamer al onderzoek gedaan. Een Tijdelijke commissie Lessen uit recente arbeidsmigratie onder leiding van Ger Koopmans (CDA) presenteerde op 29 september 2011 het eindrapport Arbeidsmigratie in goede banen. (Zie hier een tv-reportage over de aanbieding.) Dat rapport vormt de basis voor de verdere politieke discussie rond arbeidsmigratie. En dat rapport schuwt echt geen enkel onderwerp. Alle concrete vormen van overlast die de PVV-meldpuntsite noemt, worden er openlijk in besproken.

PVV-woordvoerder Ino van den Besselaar was lid van die commissie. Voorzitter Ger Koopmans (CDA) wees daar gisteren in een interview nog eens op. Kortom, de PVV vraagt naar dingen die men al weet. In Trouw van vandaag beweert Ino van den Besselaar dat er twee dingen ontbreken: ‘de overlast die arbeidsmigranten veroorzaken en verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt’. Wie even met de zoekfunctie door het rapport gaat, zal zien dat dat niet waar is. Alleen het woord overlast komt 34 voor, verdringing 41 keer en verdringen 2 keer. En die woorden worden echt niet gebruikt om te zeggen dat er helemaal niets aan de hand is. Kortom, het gaat bij het meldpunt niet om een serieus onderzoek naar zaken waar nog niets over bekend is. Het gaat puur om aandachttrekkerij, waarbij het persoonlijke en niet het zakelijke aspect voorop wordt gesteld. En men is nogal laat.

-

Ruttes gelijk
Kortom, Rutte heeft met zijn typering groot gelijk. Geert Wilders, Ino van den Besselaar en de PVV zijn inderdaad belletjestrekkers. Het is een houding die Rutte vrij consistent tentoonspreidt. Ik herinner me een uitzending van Pauw en Witteman – bijna een jaar geleden inmiddels, op 28 februari 2011 – waarin de minister-president Wilders zakelijk gesproken ook als een quantité negligeable afdeed. Veel uitingen van Wilders en de PVV neemt hij overduidelijk niet serieus.

Rutte heeft gelijk. Je kunt de PVV minimalistisch of maximalistisch benaderen. Je kunt de meest gekke uitingen op een rij zetten, inclusief het fantasieën over schieten op knieschijven of het deporteren van meer moslims uit Europa dan er in de EU wonen – die formulering is bewust zo gekozen, meld ik er maar bij -, je kunt ook meer minimaal beperken tot officiële en doordachte uitingen zoals het verkiezingsprogramma. Ik heb altijd aan de laatste optie de voorkeur gegegeven. Het is dan volstrekt helder dat de gezindheid van de PVV antirechtsstatelijk is, maar tegelijk kun je ook vaststellen dat de ‘partij’ weinig pogingen doet om haar programma door te voeren. Heeft ze bijvoorbeeld ooit een wetsvoorstel ingediend om een belasting op hoofddoeken in te voeren? Nee, het is vooral loos geroep.

Je zou aan zo’n club inderdaad niet veel aandacht moeten besteden en aan zo’n meldpunt, dat niets voorstelt, al helemaal niet. Het is inderdaad niet de moeite waard. Maar waarom is die aandacht er toch? Ja juist, omdat Rutte welbewust met deze ‘partij’ in zee is gegaan. Zijn kabinet steunt via het Gedoogakkoord deels op de fractie van de belletjestrekker. En uit vrije wil heeft hij anderhalf jaar geleden een zogenaamde gedoogverklaring getekend waarin de drie deelnemende partijen spreken over ‘acceptatie van elkaars verschillen van mening en het volledig aan elkaar gunnen van de vrijheid van meningsuiting over bestaande verschillen van inzicht’.

Het is een zotte formulering die tekenend is voor het gebrek aan niveau van de drie ondertekenaren: vrijheid van meningsuiting is door de Grondwet gewaarborgd en die kun je elkaar in feite niet eens ‘gunnen’. Die hebben mensen namelijk al. Maar wie samenwerkt, bindt zich meestal aan afspraken, ook over wat hij wel of niet zegt. En met een grondrecht heeft dat niets te maken. Logisch betekent de afspraak overigens dat Rutte zich nu wel degelijk zou kunnen uitspreken. De afspraak geeft ook hem immers dat recht. Maar hij doet het niet.

-

Buitenland
En daarin vergist Rutte zich. Niet omdat de website zelf de aandacht waard zou zijn, maar omdat het hier om een initiatief gaat van een ‘partij’ die wel degelijk met het kabinet-Rutte wordt geïdentificeerd, en dat vooral in het buitenland. ‘Voor Brussel behoort PVV wel tot de regering’, luidt de kop van een uitstekend artikel van Leonoor Kuijk vanuit Brussel. Het aardige is overigens dat het artikel laat zien dat juist de veranderingen die Nederland op instigatie van de PVV wil, bijvoorbeeld inzake strengere regels voor gezinsherenigingen, nu nog minder kans maken. Het toont tevens aan dat de PVV totaal niet op resultaten gericht is.

Het buitenland heeft natuurlijk al heel lang met verbazing naar Nederland zitten kijken. Overal heeft Uri Rosenthal rare praatjes moeten verkopen over een onzinthema. En nu is het moment aangebroken dat de maat een keer vol is. De brief van zeven ambassadeurs en drie zaakgelastigden van tien landen uit het midden en oosten van Europa die zich vroeger aan de andere kant van het IJzeren Gordijn bevonden – Wenen ligt heel wat oostelijker dan Praag, maar Oostenrijk past toch (nog) niet in dit rijtje – is een belangrijk teken. Het is een brief die aan de hele Nederlandse samenleving en haar politieke leiders is gericht. Ik citeer uit een vertaling:

‘Decennialang hebben Nederland en de Nederlandse maatschappij in onze landen als voorbeelden van vrijheid en tolerantie gegolden. Wij geloven dat Nederland dit positieve imago zou moeten vasthouden en, om deze reden, nodigen wij de Nederlandse samenleving en haar politieke leiders uit om zich te distantiëren van het verwerpelijke initiatief.’

Terecht trekken Nederlanders zich dat schrijven dan aan. Vandaag opent het onvolprezen Eurotopics met de kop ‘Wilders’ Osteuropa-Hetze bringt EU auf’. Het kan best zijn dat actie van Wilders in het buitenland inhoudelijk overschat wordt, maar het is niet onbegrijpelijk dat Oost-Europeanen zich vernederd voelen. Het is Rutte geweest die door zijn passieve houding deze reactie veroorzaakt heeft. Het is Henk Kamp die zich als minister van sociale zaken de waardigheid van zijn ambt niet bewust lijkt te zijn door geen afstand te nemen van dit initiatief: hij had er op kunnen wijzen dat hij door het rapport van de commissie-Koopmans al voldoende op de hoogte is. Zou hij nu echt zitten te wachten op de aanbieding van de resultaten door de PVV?

Als mensen opmerken dat het om een hype gaat, lijken ze inhoudelijk gelijk te hebben en toch hebben ze dat politiek niet. De aanleiding is op zich vrij onschuldig, maar het is de druppel die de emmer doet overlopen. Het is de zoveelste schoffering van hele groepen door Wilders en de PVV. Maar het is ook een uiting van zwakte. Het momentum voor Wilders is voorbij. Het CDA heeft inmiddels wel ingezien dat het een ernstige blunder van Maxime Verhagen, de eeuwige drammer, is geweest om met Wilders in zee te gaan. Uiteindelijk bereikt Wilders in dit kabinet heel weinig en nooit zal hij de kans krijgen om nog bij de vorming van een volgend kabinet betrokken te raken. De neergang van de PVV is ingezet.

-

Belletjestrekker
Inhoudelijk zouden we aan de PVV en de gektes van die partij inderdaad geen aandacht moeten besteden. Het is ook de reden waarom ik de laatste maanden er bijna nooit meer over geschreven heb en me er zelfs op Twitter zelden over uitgelaten heb. De PVV deugt niet, maar dat weten we onderhand wel en soms werd ik van lieden die dat voor de zevenduizendzeshondervijfenveertigste keer meenden te moeten melden, net zo iebel. Doodzwijgen zou het beste zijn. Maar het lukt niet omdat de PVV nu eenmaal door Mark Rutte en Maxime Verhagen doelbewust in het middelpunt is gesteld en bij de macht is betrokken.

Ondertussen heeft de minister-president de samenleving een grote dienst bewezen door zo openlijk uit te spreken dat de PVV zich schuldig maakt aan belletjestrekkerij. Al te grote woorden helpen niet, niet omdat het gebruik op zich ontactisch zou zijn, maar omdat ze zakelijk niet kloppen en dan dus een uiting van overkill zijn. Precies zeggen wat Wilders en de PVV zijn, werkt wel: belletjestrekkers – vervelende kwajongens die je niet serieus moet nemen.

Alexander Pechtold nam zelfs in een boektitel het frame van de PVV over. Dat moet je niet doen, zoals ook zijn verwijzing gisteren naar het eerste artikel van de Grondwet gisteren over the top was: het gaat hier niet om de overheid, waar die bepaling betrekking op heeft. Maar minister-president Mark Rutte heeft de perfecte aanduiding voor de opstelling van Wilders en de PVV aangeleverd. Laten we die voortaan dan ook gebruiken.

En laten we het verder vooral maar over andere dingen hebben.

(54)

18 november 2011

Regels zijn regels – Over schikken en plooien

.:.

Het is nu ruim elf jaar geleden, dat op de dag voor Prinsjesdag, maandag 18 september 2000, een stuk in NRC Handelsblad verscheen, waarbij – die formulering is bewust, zal zo blijken – de tweede zin luidde:

‘Regels zijn regels en die moeten worden nageleefd.’

Ik heb de laatste tijd vaak aan dat stuk moeten denken en voor de gelegenheid heb ik het maar eens opgezocht. Dat regels regels zijn, hebben we het afgelopen decennium nogal eens gehoord. Het is een bekende mantra geworden, die – ik vermoed soms door dezelfde lieden afhankelijk van het onderwerp – op twee wijzen kan worden aangehaald. De ene keer om te vertellen dat regels dus écht regels zijn en nageleefd dienen te worden, zoals het er staat dus. En de andere keer om te vertellen dat de opvatting dat regels regels zijn, tekortschiet en van onbarmhartigheid of anders wel gebrek aan inzicht getuigt.

-

In 1994 verscheen in Der Spiegel (28 februari, nummer 9) een kritisch artikel van Erich Wiedemann over het einde van het Nederlandse gedogen.

Regels handhaven
Het artikel waar het om gaat, heette ‘Stop met het gedoogbeleid’. Het opiniestuk was ondertekend door voorzitters of vertegenwoordigers van zeven politieke jongerenorganisaties, die gelieerd zijn aan VVD, PvdA, CDA, D66, GL, CU en SGP. Bewust heb ik hier anachronistisch voor een ordening naar de huidige omvang van de fracties in de Tweede Kamer gekozen. Die laat namelijk zien dat het om het aanstormend talent van zeven partijen ging die ook nu nog een grotere of kleinere, maar allen zeker een opvallende, rol spelen. (Als ik het rijtje zo overzie, denk ik eigenlijk dat van al die partijen de PvdA relatief de minst opvallende rol speelt en dat kon wel eens haar probleem zijn, maar dit terzijde.) Twee van de partijen van heden bestonden toen nog niet. Waarom de SP ontbreekt, weet ik niet. De huidige jongerenorganisatie was toen nog niet meer dan een initiatief binnen de partij; misschien is dat de verklaring.

Veel belangrijker is echter de volgorde van de namen onder de brief, want de eerste twee waren de initiatiefnemers en zij hebben het stuk kennelijk ook samen geschreven en besproken en het vervolgens aan de anderen voorgelegd: Boris van der Ham – hé, die kennen we nog – die destijds voorzitter van de Jonge Democraten, gelieerd aan D66 dus, was, en Jelmer Uitentuis, die lid was van de jongerenfractie van Dwars, de jongerenclub van GroenLinks. Het opvallende is dat toen ik zocht naar een openbare versie van het stuk in NRC Handelsblad, dat daar in het archief zit en alleen voor abonnees toegankelijk is, ik het uitgerekend op sites van de jongeren van de SGP en de ChristenUnie volledig aantrof. Hoe je het wendt of keert, het was een knappe prestatie van deze twee voorlieden van gematigd links om jeugdige vertegenwoordigers van het hele politieke spectrum achter zich te krijgen, van links tot, alleen getalsmatig al, vooral rechts.

De zinsnede die ik aanhaalde, was overigens niet uit het stuk zelf afkomstig. Je weet dat als lezer nooit helemaal zeker, maar gelukkig is het artikel ook terug te vinden op de sites van Boris van der Ham, die ons een versie voorschotelt met alleen maar regels en dus zonder witlijnen – die is echt recht in de leer – en Jelmer Uitentuis, die gelukkig de alinea’s wel dwars met wit onderscheidt – en daar blijkt duidelijk dat het stuk pas na de intro echt begon. Maar op de redactionele lead valt weinig aan te merken, denk ik. Kennelijk had de Rotterdamse redactie bij de tweede zin van haar samenvattende introductie deze passage op het oog:

‘Regels zijn er echter niet voor niets. Soms kan een regel legitiem zijn terwijl een (ogenschijnlijke) meerderheid het nut hier niet van inziet. Identificatie met regels is van belang, maar uiteindelijk zal de overheid wel de knoop door moeten hakken. Dat is juist een van de belangrijkste taken van de overheid: het opstellen van regels en het zorgdragen voor de naleving daarvan.’

Volgens mij is ‘de knoop doorhakken’ daar inderdaad een soort eufemisme voor ‘opleggen’. Vereenzelviging is mooi, maar ook als mensen er niet aan willen, zal de overheid de regels moeten vaststellen en handhaven. Dat betekent inderdaad dat regels regels zijn.

-

Gedogen en geloofwaardigheid
Het is bekend dat mensen nogal eens de neiging hebben om te doen alsof zij altijd al dezelfde verstandige inzichten koesterden die ze ook nu nog naar voren brengen, en dat hoeven we niet altijd te geloven en ik geloof het ook van mezelf niet immer, maar in dit geval herinner ik me tenminste nog wel scherp dat het betoog me destijds al een ongemakkelijk gevoel bezorgde en dat ik het met de strekking regelrecht oneens was, en nu ik het opnieuw bestudeer, is dat nog precies zo.

Wat de zeven jongerenorganisaties – ik denk dat we alle ondertekenaren gelijkelijk aan moeten spreken en het gaat me echt niet specifiek om de eerste ondertekenaar, die thans het meest bekend is, en van wie ik niet zou weten hoe hij nu over dit soort aangelegenheden denkt – destijds wilden, lijkt wel duidelijk: een eind aan gedoogpolitiek en daarvoor in de plaats een politiek die duidelijke keuzes maakt. ‘Willen de regering en het parlement oprechte politiek bedrijven, dan gedoogt zij niets meer.’ Dat is inderdaad: regels zijn regels. Maar waarom eigenlijk? Wat was eigenlijk het probleem waar het betoog een antwoord op probeerde te geven? Daar valt nog niet zo gemakkelijk achter te komen. Misschien is het het beste hier te beginnen:

‘In haar bereidwilligheid om compromissen te sluiten, gaat de Nederlandse polderpolitiek soms een stap te ver. Deze stap heet ‘gedoogbeleid’ en holt systematisch de geloofwaardigheid van de Nederlandse politiek en het democratisch rechtssysteem uit.’

Dat moet de gedachtegang ongeveer zijn: als je regels maakt, moet je ze ook handhaven, en als je dat niet doet, dan ben je niet geloofwaardig. Met name jongeren zouden daardoor ‘hun affiniteit met de politieke besluitvorming’ verliezen. Ze willen, zoals dat aan jeugdigen eigen is, duidelijkheid: wat mag, wat mag niet?

Als erom gaat wat de auteurs onder gedoogbeleid verstonden, komen we uit bij een tamelijk kleine, maar wel bonte verzameling: wetshandhaving door de Amsterdamse politie, vliegbewegingen rond Schiphol, softdrugs, euthanasie en tenslotte ‘Europese besluitvorming’ en samenwerking in de Verenigde Naties, waarbij zelfs het feit dat de Verenigde Staten intern wel eens iets uitspoken dat wij niet goed vinden, onder het Nederlandse gedoogbeleid geschaard werd – dat ging wel een beetje ver. Ik vraag me wel af of ook destijds al die voorbeelden wel onder één noemer geschaard konden worden. Voor een deel ging het om gewone ietwat gebrekkige wetshandhaving, niet per se om een heel doordacht beleid. Dat in Amsterdam sommige regels sinds de jaren negentig weer wat strenger gehandhaafd worden, is soms niet onprettig. Ik herinner me dat ik vroeger wel eens uitgescholden werd als ik gewoon voor een rood verkeerslicht stopte: dat hinderde andere fietsers maar die er doorheen wilden fietsen. Als regels zoals nu het geval is, wat meer gehandhaafd worden, is dat dikwijls ook ontspannener: je hoeft niet telkens allerlei overwegingen te maken, je volgt de regels en klaar is kees.

-

Norm en praktijk
Maar ik weet niet goed of alle voorbeelden wel goede voorbeelden waren. En wat belangrijker is: of wat we werkelijk gedoogbeleid noemen, wel zo verfoeilijk is als de politieke jongeren in 2000 deden voorkomen:

‘Het gevolg van het gedoogbeleid is een slappe vertoning, die het midden houdt tussen lafheid en laksheid. Het imago van de politiek komt het in ieder geval niet ten goede. Het gedoogbeleid toont dat regels blijkbaar arbitrair zijn. Feitelijk worden burgers opgeroepen om de wet te overtreden. Dat is een slechte zaak.’

Ik geloof daar niks van. Het tegendeel lijkt me namelijk waar. Er zit ook een merkwaardige omkering in de redenering: gedoogbeleid roept burgers niet op om de wet te overtreden, burgers doen dat al en dat wordt door de vingers gezien en hooguit dan kun je zeggen dat ook andere burgers zo hun conclusies trekken. Maar om nou over een oproep te spreken? Gedogen is gewoon een ander woord voor tolereren of verdragen, wat je ook onmiddellijk merkt als je een en ander in een andere taal moet uitleggen, waarbij het begrip wel een specifieke bijklank en toepassing heeft.

En wat gedoogbeleid juist helemaal niet laat zien, is dat regels arbitrair zijn. Het tegendeel, zou ik zeggen. Gedoogbeleid laat juist zien dat je regels laat bestaan ook op het moment dat je ze niet volledig kunt handhaven. Je past ze niet maar zo aan aan de praktijk, nee, als norm blijf je ze hooghouden, en je accepteert dat het geleefde leven daar wel eens wat vanaf kan wijken. Soms verschaft de regel de overheid namelijk wel de mogelijkheid om in te grijpen als het echt uit de hand loopt. Prostitutie was lange tijd een praktijk die gedoogd werd. Eind jaren negentig besloot men de zaak nu eens flink te gaan regelen door een mooie wettelijke regeling. Maar is daardoor vrouwenhandel en vrouwenmishandeling uitgebannen? Nee, het volhardende werk van Lodewijk Asscher in Amsterdam laat zien dat er nog heel wat te verbeteren valt. Ik zeg hiermee niet dat je alles maar via gedogen moet aanpakken en dat een heldere wettelijke regeling soms niet beter kan zijn. Maar het is nu eenmaal niet zo dat de werkelijkheid zich altijd onmiddellijk aan een wettelijke norm aanpast en omgekeerd is het ook niet altijd verstandig je dan in de wet meteen maar bij de praktijk neer te leggen, omdat je je dan meteen de kans op een betere aanpassing aan het ideaal in de toekomst ontzegt.

Zo rond de jaren zeventig en tachtig heerste in het buitenland, met name Duitsland, vaak het beeld dat Nederland zo verschrikkelijk progressief en tolerant was en de Nederlandse en vooral Amsterdamse omgang met drugs en de openbare orde – de lange haren van militairen kunnen er zo bij en er valt waarschijnlijk nog van alles te verzinnen – werden dan gezien als een uiting daarvan. Ik vond dat beeld toen al overtrokken. Het is uiteraard waar dat het in Amsterdam vaak om progressieve bestuurders ging, maar elders in Nederland en op nationaal niveau was dat lang niet altijd of zelfs meestal niet het geval en zoveel verschil in benadering was er niet. (Duitsers vermoedden er overigens vaak calvinisme achter: zij hebben een veel gunstigere opvatting van die stroming dan in Nederland gebruikelijk is.) En er is ook weinig specifiek progressiefs aan gedogen. Je kunt eerder betogen dat het om een oude, bij uitstek regenteske bestuurspraktijk gaat. Soms buig je wat mee en soms haal je de teugels weer wat aan. Dat is juist de ruimte tussen de norm en het leven die gedoogbeleid biedt. En het een kan even verstandig zijn als het ander. De tijdgeest verandert. Soms is het heel verstandig om zaken even op hun beloop te laten en twintig jaar later kan het net zo wijs zijn om de regels even weer wat fermer te handhaven.

-

Prinzipienreiterei
Er zat een merkwaardige tweeslachtigheid in de oproep uit 2000. Aan de ene kant verklaarden de jongeren dat ze niet terugverlangen naar de oude polarisatie en prezen ze het compromis. Maar aan de andere kant brachten ze het gelaakte gedoogbeleid wel erg nauw in verband met een politiek van het sluiten van compromissen. Alsof het zoeken naar een mogelijkheid om samen ergens uit te komen, meteen maar betekent dat je slap beleid voert. En alsof gedogen dus een uiting van laksheid is. Ik denk dat het vaak juist van een uiting van kracht is: van een overheid die dingen rustig aanziet en niet overal meteen op losgaat. Juist overdreven handhaving kan soms tot vormen van illegaliteit leiden, die veel schadelijker effecten hebben en veel moeilijker aan te pakken zijn.

Ik dacht de laatste tijd niet primair aan het jongerenbetoog omdat zoiets als gedoogbeleid momenteel zo in het middelpunt zou staan, maar wel vanwege de mentaliteit die er uit sprak, inderdaad die van regels zijn regels, de hang naar duidelijkheid, die naar mijn idee een verlangen toonde naar simpele vragen. We hebben gekregen waar de jongeren van vrijwel alle politieke partijen toen in hun mijns inziens jeugdige onbezonnenheid om vroegen, en ik ben er niet blij mee. Ik heb eens even in Picarta gekeken en de titel Regels zijn regels blijkt meer dan eens aan een boek of beschouwing mee te zijn gegeven. Een jaar voor het betoog van de jongeren, in 1999, verscheen een kinderboek onder die titel, dat in 2002 nog eens herdrukt zou worden. Het ging over een jongen, Tarik, die met zijn ouders al een paar jaar in Nederland woont en met de hele familie een uitwijzingsbevel krijgt. Deze context is ons vertrouwd. In 2006 verscheen een klein boekje onder dezelfde titel van het gesprek dat Paul Witteman in Buitenhof met de juriste Dorien Pessers had gevoerd over de daadkracht van de toenmalige minister voor vreemdelingenzaken en integratie. Als juristen de uitdrukking aanhalen, willen ze al snel uitleggen dat regels niet altijd regels zijn, maar dat ook dingen als redelijkheid en billijkheid een belangrijke rol spelen.

Maar asielzaken zijn niet de enige waarbij het adagium klinkt. En, zoals ik in het begin al opmerkte, het opvallende is dat dezelfde mensen die de ene keer betogen dat regels lang niet altijd regels zijn, dat in een ander geval maar al te graag naar voren brengen. Ik verwijs nu alleen even naar een beschouwing van Hans Goslinga, nu bijna twee weken geleden in Trouw, over het verdwijnen van het politieke midden. Ik was het toen niet helemaal met hem eens, omdat in de asielzaak waar toen alles om draaide, de minister naar mijn idee het vooral zichzelf moeilijk maakte en de verwijten aan een Kamerlid, dat in de titel werd genoemd, me niet helemaal terecht leken, maar even afgezien daarvan klopt de strekking van het artikel behoorlijk, zelfs als je niet echt gelooft dat een politiek midden volledig aan het verdwijnen is. Wat Goslinga hekelde, was het zwart-witdenken. Je kiest óf dit óf het tegendeel. Alle politiek is wellicht symboolpolitiek en het woord is misschien wel een pleonasme, maar wat me momenteel vooral verbaast, is dat wel heel veel op zich kleine dingetjes, die zo pragmatisch te regelen zouden zijn of soms al geregeld zijn, tot principiële aangelegenheden worden gebombardeerd. En dan hoor je dus ook politici die zichzelf ruimdenkend of liberaal of progressief wanen, ineens zeggen dat regels nou eenmaal regels zijn. Ik zie dat ook in mijn tijdlijn op Twitter, hoe verbeten mensen waar je gezien hun zelfbeschrijving toch enige ruimdenkendheid van zou verwachten, ineens uit de hoek kunnen komen. Er is veel Prinzipienreiterei.

-

Schikken en plooien
Naar mijn uiteraard beperkte waarneming gaat de werkelijke tegenstelling in de maatschappij daarbij door alle partijen heen, maar in Den Haag zie je dat minder. Daar zie je dat bepaalde politieke partijen tegenwoordig regelmatig opkomen voor vrijheid, ruimte en liberaliteit, terwijl andere partijen steevast voor de begrenzing en de inperking kiezen, maar het zijn geen scheidslijnen die vanouds altijd al zo lagen. Concreet belang, minderheid, meerderheid spelen daarbij een grote rol, verhoudingen en houdingen zijn soms recent regelrecht omgedraaid en we zien dat huidige meerderheden vaak niet zoveel begrip meer voor minderheden hebben, zoals huidige minderheden dat vroeger niet immer toonden toen zij tot een meerderheid behoorden. Maar als ik op Twitter kijk, het maatschappelijk debat volg, zo eens met mensen praat, dan ligt het in werkelijkheid genuanceerder. Het gaat om twee verschillende mentaliteiten, waarbij de ene groep anderen graag maximale vrijheid gunt, en de andere groep vooral meent dat andere mensen soms maar aan de eigen normen moeten worden onderworpen. Regels zijn immers regels, nietwaar? Waarbij er dan ook nog weer allerlei tussenvormen zijn, want het gaat er juist om dat zaken niet zo digitaal vastgelegd zijn.

Misschien zit er toch iets meer in het verband tussen compromisbereidheid en gedogen dat de jongeren in 2000 zagen, dan ik direct zag. Bij gedogen gaat het om schikken en plooien, om de bereidheid dan eens wat te geven en dan weer wat te nemen. Het gaat om een pragmatische houding die rekening houdt met het gedrag en de wensen van mensen en ze niet alleen maar voorhoudt dat ze zich aan de wet moeten onderwerpen, maar soms ook begrip toont als ze dat net niet doen of als hun dat soms niet lukt. De houding, dat is het punt. En als het om de houding gaat, dan betekent dat soms ook dat je een vraagstuk net iets anders moet formuleren voor je ermee verder gaat. De vraag maakt veel uit. Mag je liegen? Nee. Mag je een vriend verraden? Ook nee. Er zijn situaties denkbaar waarin beide vragen toepasbaar zijn, maar wel tot tegengestelde uitkomsten leiden. Zo is het ook in de huidige politiek. Soms ligt een vraag voor en graven beide zijden zich met een keur aan argumenten in voor een eenduidig ja of nee. Maar bij wat meer bereidheid samen een uitweg te vinden, zou het wel eens zo kunnen zijn dat de vraag anders geformuleerd zou moeten worden en dat men het dan ineens wel eens is of elkaar redelijk kan naderen.

-

Afstand
In dit stukje ben ik op een aantal punten bewust niet al te concreet geworden. Maar lezers zullen misschien zelf aan een paar thema’s gedacht hebben en ik vermoed dat ze er dan vaak niet zo ver naast zaten. Maar ik wilde nu even wat afstand creëren. Ik merk dat de noodzaak daartoe ook bij mezelf. Er ligt een vraag voor. Ik vind het ene antwoord niet overtuigend, en dat is vaak het meer vrijheidsbeperkende antwoord, maar het gevaar bestaat dan ook al gauw dat ik me te veel met de tegenovergestelde optie vereenzelvig, terwijl als ik een stukje wegloop en het dilemma – als het dat al is – eens van een afstandje overschouw, ik al gauw denk: maar zo moet je het ook helemaal niet aanpakken. In werkelijkheid gaat het om heel andere keuzes. Ik besef daarbij overigens best dat het helemaal niet tegenstrijdig hoeft te zijn om de ene keer tegen het regels zijn regels te protesteren en het de andere keer als norm te hanteren, want als regels nooit regels zouden zijn, zouden het geen regels meer zijn, maar het is vaak wel de vraag om welke regels het gaat. Welke regels zijn de meest verdraaglijke?

Waar het momenteel op aankomt, is of we in dit land pragmatisch met verschillen kunnen omgaan en iedereen zoveel mogelijk recht kunnen doen.

(28)

11 november 2011

Verdwijnt het politieke midden? En wat was dat dan?

.:.

Geschiedenis is als was in onze handen. Zelfs als alle feiten kloppen, kunnen we dezelfde gebeurtenissen en ontwikkelingen toch steeds weer vanuit een ander perspectief ordenen.

-

Drie stromingen
Zo is er de afgelopen decennia vaak betoogd dat Nederland vanouds drie politieke hoofdrichtingen kent. Ik hoef alleen maar even naar de boekenkast te lopen en er een paar titels uit te wurmen om die stelling te illustreren. Hier, De ideologische driehoek. Nederlandse politiek in historisch perspectief, waarin Jos de Beus, Jacques van Doorn en Piet de Rooy respectievelijk de liberalen (‘oorsprong en wederkeer’), de confessionelen (‘onvermijdelijke presentie’) en de sociaaldemocraten (‘passie voor politiek’) onder handen nemen. Kenners zullen onmiddellijk vastgesteld hebben dat ik de herziene tweede druk uit 1994 op mijn schrijftafel heb liggen. In de eerste druk uit 1989 was het Percy B. Lehning die de socialisten onder de loep nam. En ik ontdek pas nu dat boek teruggaat op de bijdragen van het drietal aan het boek De interventiestaat. Tradities, ervaringen, reacties dat De Beus en Van Doorn in 1984 redigeerden (en dat er in de stapel pal onder bleek te liggen – ik zei toch al dat ik even wrikken moest). Merk trouwens op hoe de socialisten van Lehning uit 1984 en 1989 door De Rooy in 1994 in sociaaldemocraten werden omgetoverd.

Wie brede rivieren traag door oneindig laagland ziet gaan, zal zich waarschijnlijk in Gelderland bevinden. Hier de Waal bij Bemmel, de middelste van de grote rivieren die het driestromenland van het oude Gelderse kwartier van Nijmegen bepalen. (foto: Puntlicht)

En hier nog zo’n titel, Driestromenland, een boekje dat in 1993 werd uitgegeven door Stichting Burgerschapskunde, die later opging in het Instituut voor Publiek en Politiek, dat op zijn beurt inmiddels weer bij ProDemos onder dak is gebracht, en waarin Paul Lucardie, Maarten Brinkman en Dick Kuiper respectievelijk – ik voeg nu de ondertitel toe – Liberalisme, socialisme en christen-democratie in Nederland beschrijven. Het gaat om drie historische overzichten: de heren beginnen hun relaas allemaal in de negentiende eeuw en soms zeggen ze ook nog wat over de voorgaande eeuwen.

-

Een nieuwe stroming en een nieuwe indeling
De kneedbaarheid van de geschiedenis is voor wie bepaalde traditionele criteria aanlegt – waarheid, werkelijkheidszin bijvoorbeeld – ook weer niet oneindig. Hoe begrijpelijk de driedeling ook is, in feite balanceert ze op het randje van geschiedvervalsing. En als we het woord dat de titel van het laatstgenoemde boekje vormt, in Picarta intikken, zien we ook meteen waarom. De oudste vermelding stamt uit 1977; het gaat om een artikel van Bert Middel, later PvdA-Kamerlid, in het decembernummer van Intermediair, getiteld ‘Driestromenland in de Nederlandse politiek. Vernieuwing, stabilisatie of restauratie in ons partijstelsel?’ en pal daarop – althans in de catalogus – volgt een stuk van september 1978 van Pieter Kooijmans, die toen net vier jaar staatssecretaris van buitenlandse zaken was geweest en later nog eens minister op dat departement zou worden, in het antirevolutionaire tijdschrift Nederlandse gedachten, geheten ‘Mogelijke ontwikkelingen in driestromenland’. Ook zonder de betogen ingezien te hebben lijkt het me niet zo moeilijk om te raden waarom de auteurs juist toen voor deze typering kozen: omdat dat driestromenland zich net begon af te tekenen. In 1977 had het CDA voor het eerst met één lijst aan de verkiezingen deelgenomen en in 1980 werd de partij officieel opgericht. Er waren nooit drie hoofdstromingen in de Nederlandse politiek geweest. Een nieuwe – of in zekere zin misschien hernieuwde – stroming deed voor het eerst haar intrede: de christendemocratie.

Hoe radicaal nieuw die vanuit een iets langer perspectief gezien was, kun je alleen al door een simpel gedachte-experiment vaststellen. Het ontstaan van die ene fractie en van die ene partij is nu 34 en 31 geleden. Tel vanuit beide jaartallen eens even ver terug. Je komt dan uit in 1943 en 1949, in de oorlog, even na de oorlog dus. Laten we daar tussenin gaan zitten: was er in de tijd net na de Tweede Wereldoorlog ook maar iemand die serieus dacht dat de RKSP maar moest fuseren met de ARP en de CHU of die in feite dacht dat die partijen toch al bijna onverbrekelijk bij elkaar hoorden? Ik denk het niet. Alleen over een mogelijk samengaan tussen de twee genoemde protestantse partijen werd door sommigen wel even gesproken. Maar juist in die dagen bleek dat bijvoorbeeld een deel van de CHU-ers veel dichter bij de sociaaldemocraten stond en die leden gingen dan ook over naar de nieuwe PvdA. Voor de oorlog had men kunnen vaststellen hoe goed liberalen het met de antirevolutionaire premier Hendrik Colijn konden vinden.

-

De late ontdekking van confessionele verwantschap
Hoewel de KVP, die eind 1945 de oude RKSP afloste, zich in principe openstelde voor alle Nederlanders en dus niet vroeg dat men katholiek was, bleef het toch in werkelijkheid de partij van en voor katholieken. De grote, onoverbrugbare scheidslijn was die tussen grote minderheidscultuur van de katholieken en de vanzelfsprekende en daardoor onopvallende meerderheid van protestanten, kerkelijk, onkerks en onkerkelijk, die in allerlei verschillende politieke richtingen uiteen waren gevallen. En lange tijd kon geen van die groepen, wilde ze de macht verkrijgen, om samenwerking met de katholieken heen. In de negentiende eeuw hadden de katholieken eerst even samengewerkt met de liberalen, die de reputatie hebben dat ze kerkelijk vaak vrijzinnig waren, daarna waren ze een monsterverbond met de antirevolutionairen aangegaan, die weliswaar alle sociale lagen bereikten, maar toch een sterke achterban onder de middengroepen hadden, om vervolgens net voor de oorlog een samenwerkingspartner opnieuw een stapje lager op de sociale ladder te zoeken en ook de socialisten, met vooral een aanhang van al dan niet uitgeschreven hervormde arbeiders, bij de uitoefening van de regeringsverantwoordelijkheid te betrekken. Dat verbond met de antirevolutionairen en later ook christelijk-historischen, soms de Coalitie met een hoofdletter geheten, had een praktisch doel gediend – de gelijkstelling van het bijzonder onderwijs – en was na 1925 – de Nacht van Kersten, ik refereerde er onlangs nog aan – in feite wel ten einde, al bleef men nog samen regeren, zij het vooreerst in een extraparlementair kabinet dat naar toenmalige begrippen bestond uit bewindslieden van ‘rechts’ en (een deel van) ‘links’. Maar niemand zou op het idee komen om de drie belangrijkste confessionele partijen als dragers van één ideologische stroming te zien. Daarvoor waren de verschillen, politiek en cultureel, veel te groot. Daarvoor was men ook bij de vorming van kabinetten te weinig hecht: men haalde er of anderen bij of de twee kleinere deden lang niet altijd mee.

Het is geen toeval dat een boekje waarin de confessionele partijen samen werden beschreven, De Confessionelen, met bijdragen van L.W.G. Scholten, J.A. Bornewasser, I. Schöffer, A.F. Manning en J.L.J. Bosmans, juist in 1968 verscheen. Het waren ‘de huidige ontwikkelingen in het partijenstelsel’, vertelt de eerste zin, die de ‘directe aanleiding’ voor het tot stand komen van dat historische overzicht vormden. En als dit al niet de eerste poging was om de confessionelen sowieso in één kleine geschiedenis samen te nemen, dan was het vast en zeker wel het eerste boek waarin de confessionele partijen vanaf 1918 niet in afzonderlijke hoofdstukken per partij, maar telkens in één kader werden beschreven. De inleiding doelde natuurlijk op de electorale verschuivingen in de jaren zestig en impliciet vooral op het feit dat de vijf toentertijd in de Tweede Kamer vertegenwoordigde confessionele partijen – naast de drie waren en ook nog twee kleinere partijen, SGP en GPV – bij de verkiezingen van 1967 voor het eerst samen onder de helft gedoken waren: 73 zetels. Het verlies – in 1963 waren het er nog 80 geweest – kwam trouwens geheel voor rekening van de KVP. De vier protestantse partijen wonnen samen een zetel: de CHU ging er wel eentje achteruit, van 13 naar 12, maar de ARP won er twee en was met 15 zetels weer net zo groot als in 1956.

De paradox is een beetje dat juist door de deconfessionalisering die aanvankelijk slechts de KVP trof, maar een aantal jaren later ook de CHU bereikte, de nadruk juist meer op het gezamenlijke confessionele karakter van KVP, ARP en CHU kwam te liggen. Toen pas ontdekte men dat er iets gemeenschappelijks was dat bond, en begon de KVP, wier teruggang dramatische vormen aan begon te nemen, aan te dringen op nadere samenwerking, die uiteindelijk gestalte zou krijgen in één partij, die onder een vanouds typisch katholieke vlag zou gaan varen: die van de christendemocratie. Dat was oorspronkelijk de benaming van de meer ‘linkse’, sociaalgerichte katholieke stroming binnen de rooms-katholieke politiek geweest, maar na de oorlog was de Duitse CDU in staat gebleken om het bereik van het katholieke Zentrum uit te breiden naar groepen protestanten. (In bepaalde streken van Duitsland heeft de tweedeling trouwens nog lang geleefd. Ik ben dat wel tegengekomen. Er ist evangelisch, also SPD. Sie ist katholisch, also CDU.)

-

Twee groten en twee kleintjes
Er waren nooit drie hoofdstromingen in de Nederlandse politiek geweest, er waren er altijd minstens vier geweest. Voor de praktische invoering van het representatief en algemeen kiesrecht in 1918 (mannen) en 1922 (ook de vrouwen erbij) kon je nog een zekere tweedeling zien: die tussen links en rechts. Rechts, dat waren dus de confessionele partijen en links de anderen, vooral liberalen en socialisten. Abraham Kuyper had voor die scheidslijn zelfs ooit een naam bedacht, de Antithese, die vooral moest verdoezelen dat hij gemene zaak met de oude aartsvijanden van de calvinisten maakte. In het spraakgebruik zette die levensbeschouwelijke indeling zich zeker tot de oorlog of iets daarna door, maar omdat men nu bij de verkiezingen geen pacten meer hoefde te sluiten, kwam de eigenheid van de verschillende stromingen en vooral van de verschillende partijen – juist groeperingen die dicht bij elkaar staan, hebben nog wel eens de neiging hard naar de nabije geestverwant uit te halen – steeds meer tot uiting.

De vier hoofdrichtingen die men toen kon onderscheiden, bleven tot meer dan een halve eeuw na 1918 bestaan. Maar ze waren niet alle even groot. Je had in feite twee grote partijen: de RKSP/KVP en de SDAP/PvdA. En daarnaast had je de kleinere protestants-christelijke partijen, met ARP en CHU als belangrijkste, en de liberale partijen als LSP, VDB en na de oorlog de VVD. Het kleinere grut laat ik nu even ongenoemd.

Ergens na de oorlog is een nieuwe indeling in links en rechts in zwang geraakt, die vooral uitging van sociaaleconomische criteria. En als je die indeling eens op de indeling van het partijenlandschap sinds 1918 terugprojecteert, dan kom je op een heel aardig schema. Links heb je dan één grote partij, de SDAP en later de PvdA, met kleinere satellieten daarnaast. Ik noem die op de CPN na nu even niet, omdat de meeste eigenlijk pas in het laatste decennium tot volle wasdom zijn gekomen of anders vooral flipfloppend door het leven gingen. Tot rechts kun je dan de antirevolutionairen en christelijk-historischen rekenen, maar ook de liberalen en vrijzinnig-democraten. Met vertegenwoordigers van al deze politieke richtingen regeerde Colijn ook in de jaren dertig en sinds 1918 zaten er vrijwel altijd partijloze liberalen in de kabinetten. En in het midden houd je dan de RKSP en later de KVP over.

(Ik zeg hier meteen maar even bij dat typeringen als links en rechts als materiële zelfaanduiding vaak niet al te veel zeggen en dat ik er in die zin ook een zekere aversie tegen heb. Maar als analytisch instrument kunnen we niet buiten de indeling: ze helpt om partijen ten opzichte van elkaar te situeren en kan in die meer formele zin soms ook uitstekend dienst doen als zelftypering binnen het politieke krachtenveld.)

-

Het katholieke centrum
In feite alleen door haar electorale omvang en aanhang zat de RKSP/KVP al bijna automatisch in het midden. Het was een partij die een complete deelcultuur, met daarin alle lagen van de bevolking, van een grote massa van arbeiders via middenstanders en boeren tot aan een kleine, vooral zuidelijke elite, vertegenwoordigde. De partij was een soort Nederland in het klein, maar dan alleen het katholieke Nederland. De compromissen moesten al binnen de partij gesloten worden. Maar alleen de aanhang maakte een meer sociale koers al noodzakelijk. Het ging om een halve arbeiderspartij; de aanhang had voor een groot deel maatschappelijk veel weg van die andere grote partij, de SDAP en later de PvdA.

Maar ook omdat de partij zo groot was, kon eigenlijk niemand om haar heen. De protestants-christelijke en liberale partijen op rechts bleven ver af van een meerderheid. Op 1933 na toen ze samen precies de helft van de zetels behaalden, 50 dus, hadden RKSP/KVP en SDAP/PvdA vanaf 1918 tot en met 1967 samen altijd een meerderheid in de Tweede Kamer, een Tweede Kamerverkiezing langer dus dan de confessionelen opgeteld over de majoriteit beschikten. Aangezien niet alle partijen op rechts dol waren op socialisten, geeft alleen dat al aan dat ze niet om de katholieke fractie heen konden. En juist omdat de katholieken de arbeiders onder eigen vleugels konden organiseren, kon socialistisch links in Nederland nooit een meerderheid behalen. Als ze wilde regeren, moest ze dus wel aanklampen bij de RKSP en later vooral de KVP. De centrale positie was juist gegeven met het buitenbeentjeskarakter van de grote katholieke minderheid. De naam van de Duitse geestverwant was in Nederland feitelijk nog raker geweest.

Het is dit katholieke midden geweest dat de Nederlandse politiek zo lang beheerst heeft, maar ook de ontwikkeling van de verzorgingsstaat enorm bevorderd heeft. En het is dit midden dat de laatste decennia aan het afbrokkelen is. Laten we dat nog eens iets nauwkeuriger bekijken. (Ik maak daarbij vooral gebruik van gegevens die men vindt op de sites Verkiezingsuitslagen en het onvolprezen Parlement & Politiek.) Voor de oorlog had de feitelijk onmisbare RKSP op 100 Kamerzetels bijna altijd 30, 31 of 32 zetels; alleen in 1933 werden het maar 28. Het stemmenpercentage lag tussen 27,88% (het genoemde 1933) en 32,26% in 1925. Na de oorlog zien we bij de KVP tot aan de verkiezingen van 1963 in feite een voortzetting van het patroon. Alleen in 1952, toen men hinder ondervond van een kleine katholieke concurrent, zakte het stemmenpercentage even tot 28,97%, dat overigens altijd nog 30 van de honderd zetels opleverde. Verder schommelde het tussen 30,80% in 1946 en 32,69%, de beste uitslag aller tijden, in 1956. De 31,88% van 1963 (50 zetels) was zelfs nog de op twee na beste uitslag sinds 1918.

Maar dan gaat het grondig mis. De kiezers lopen weg. Katholieken kiezen voortaan op grond van instemming met een program of politieke houding, niet meer op grond van loyaliteit aan een bepaalde groep. Althans, dat geldt voor een deel van de katholieke bevolkingsgroep, die bij de volkstelling van 1971 de omvang van 1960, toen de magische veertigprocentsgrens voor het eerst doorbroken werd handhaafde op 40,4% . Ik geef alleen de korte reeks even: 1967 (26,50%, 42 zetels op inmiddels 150 Kamerleden), 1971 (21,84%, 35 zetels) en 1972 (17,65%, 27 zetels). Op grond van recente gebeurtenissen kunnen we ons de dramatiek wel enigszins voorstellen. In negen jaar tijd, van 1963 tot 1972, gaat het bijna om een halvering: de partij heeft nog maar 55% van het oorspronkelijke stabiele electoraat over. Dan wordt dus overgegaan tot een noodgreep. Men haalt twee van origine veel kleinere protestants-christelijke partijen, ARP en CHU, weg bij rechts om het afbrokkelende midden, en dat is meteen ook een machtspositie, te versterken. (Voor wie denkt dat de ARP linkser was: nee, dat was niet zo, alleen op het eind had je een aantal antirevolutionairen die wat op drift waren geraakt en ineens deden alsof zij altijd al radicaler dan die slappe roomsen van het machtscentrum waren geweest. De mythe die toen ontstaan is, vertroebelt het totale beeld tot op heden.) Niet voor niets positioneerde de eerste lijsttrekker van het CDA, Dries van Agt, de eerste Nederlandse katholieke politicus die grote groepen protestanten aan zich wist te binden, zijn partij met zoveel woorden in het midden. In de rede waarmee hij op 22 oktober 1976 het lijsttrekkerschap van het nieuwe CDA aanvaardde, zei hij met zoveel woorden: ‘Wij maken geen buigingen naar links en wij maken geen buigingen naar rechts.’ Het waren woorden die hij in wat andere varianten nog met graagte zou herhalen. In die jaren van sterke polarisatie was het ook een heel slimme strategie, die goed aansloot bij het sentiment van het gematigde deel van de bevolking.

-

Een christendemocratisch panacee
Het CDA slaagde wonderwel. Het werd de grote partij in het centrum, wat positie betreft de voortzetting van de oude centrale rol van de KVP, maar wel veel nadrukkelijker aanwezig. Men richtte zich immers op een zeer verdeelde kiezersmarkt. Er bestonden vanouds geen christendemocraten in Nederland. Men had de twee (of drie) groepen die maatschappelijk altijd het verst van elkaar stonden, verenigd. Merk op dat nu ARP en CHU in feite aan rechts waren onttrokken, de vanouds liberale VVD daar nu in zijn eentje de grote speler werd. De VVD was altijd de partij geweest van de zindelijke, bedaagde, fatsoenlijke, vrijzinnig-protestantse burgerheren, maar nu kreeg men ineens allerlei ander volk over de vloer, tot nota bene roomsen aan toe. Onder leiding van Hans Wiegel was de partij in de jaren zeventig gegroeid tot een factor van enig belang (22 zetels, meer dan ooit tevoren, in 1972, 28 zelfs in 1977) en onder uitgerekend de katholiek Ed Nijpels haalde de partij in 1982 zelfs het fenomenale aantal van 36 zetels, een prestatie die alleen in 1998 nog door Frits Bolkestein, meer een representant van de oorspronkelijke burgerlijke aanhang, zou worden overtroffen. Vanaf de vorming van het CDA kon men dus inderdaad over drie politieke hoofdstromingen spreken: aan de socialisten en de nieuwe christendemocraten werden de voorheen tamelijk marginale liberalen als derde hoofdrichting toegevoegd.

De rest van het verhaal is bekend. Aanvankelijk leek het goed te gaan met het CDA. Bij de eerste vijf landelijke verkiezingen waar het CDA vanaf 1977 aan meedeed, scoorde de partij tussen 29,39% (45 zetels) in 1982 en de 35,32% van Lubbers in 1989, toen de partij net als drie jaar eerder 54 zetels kon uitzoeken. De uitslagen van Lubbers waren hoger dan de KVP ooit behaald had. Ook in die jaren hadden CDA en PvdA samen ruim de meerderheid van het aantal Kamerzetels. In drie jaren namen de twee partijen samen zelfs tweederde van alle zetels in, met als uitschieter 1986, toen de twee opgeteld 67,78% van de kiezers wisten te overtuigen en 106 plekken in wat toen nog de Kamerbankjes waren, voor de leden van hun fracties gereserveerd werden. Die gegevens geven dus aan dat het CDA weer net zo onmisbaar was als de KVP dat in vroeger dagen was geweest. De socialisten konden voorlopig niets buiten het CDA om beginnen en wie niets met de socialisten wilde, kon ook niet om de partij heen.

En toen bleek dus ook het CDA op zand gebouwd te zijn. Men kon er niet structureel meer op vertrouwen dat er een achterban was die automatisch op de partij zou stemmen. Jacques van Doorn had in 1994 net het verkeerde, maar tot dan maar al te begrijpelijke opschrift aan zijn beschouwing meegegeven. In dat jaar bleek dat de aanwezigheid in het centrum van de macht ineens niet meer onvermijdelijk was. In 1994 dook het percentage naar 22,23% en in 1998 ging het verder omlaag naar 18,37%. Jan Peter Balkende leverde een grootse prestatie door bij drie verkiezingen vanaf 2002 tussen de 26,51% (in 2006) en 28,62% (in 2003) van het electoraat achter zijn partij te krijgen, het was geen aanhang die altijd trouw zou blijven, zoals in 2010 bleek toen dezelfde Balkenende zijn partij niet meer dan 13,61% van de stemmen wist te bezorgen. Het lijkt sterk op het echec van de KVP in 1972. Zelfs de structureel tamelijk kleine ARP waar hij van huis uit uit voortkwam, had wel eens beter gescoord: 16,41% in 1937 bijvoorbeeld.

-

Alles kan
Het is de vraag hoe het verder gaat. Anders dan in 1972 heeft het institutionele midden nu geen optie meer om nog eens andere partijen erbij te halen en zo als gezamenlijk bondgenootschap weer een centrale machtsfactor te vormen. Het is duidelijk waar de kiezers te halen zijn: bij die ene populistische partij waar men nu mee samenwerkt. Ook met die andere grote partij, de PvdA, gaat het structureel niet goed, maar op links is de differentiatie, de verspreiding over een stuk of wat partijen met een eigen accent, op zich tamelijk succesvol verlopen. Links is in zijn totaliteit al jaren vrij stabiel en vergeleken bij enkele decennia geleden structureel iets gegroeid (waarbij links zelf waarschijnlijk weer minder links is geworden, zo gaat dat). Op rechts is het proces niet goed verlopen. De VVD is momenteel wel de grootste partij, maar zij is er niet in geslaagd om het gat op – gepercipieerd – uiterst rechts, waar Hans Wiegel al sinds jaar en dag voor waarschuwde, niet te laten vallen. Het is juist een dissident uit die gelederen die geradicaliseerd is en een aanzienlijk, zij het structureel zowel in bereik als tijd beperkt deel van het electoraat weet te verleiden. (En het is, denk ik, ook niet toevallig dat hedendaagse extremisten juist uit het huidige liberalisme voortkomen, maar misschien moet ik het daar nog maar eens afzonderlijk over hebben). Voorlopig ziet het er niet naar uit de VVD of CDA dat gat dat de zogenaamde populisten – politiek als koopwaar, snoep, die juist van bovenaf wordt voorgehouden, een vorm van elitisme dus waarin kiezers zelf niets meer in te brengen hebben – gegraven hebben, kunnen vullen.

Alles kan. Het is echt niet ondenkbaar dat een vernieuwd CDA onder een nu nog onbekende lijsttrekker in 2015 of eerder weer meer dan 40 zetels haalt. Een CDA-Kamerlid werd afgelopen weekend enorm uitgelachen toen hij dat opmerkte – en dat hij de wel zeer onkatholiek handelende pathologische drammer Maxime Verhagen als leider ziet, pleit weer niet voor zijn realiteitszin -, maar volgens mij moet elke onpartijdige waarnemer beamen dat hij best gelijk kan hebben. De partij mag dan in de peilingen wel op een dieptepunt staan, ook nog nooit hebben zoveel mensen partijcongressen met spanning gevolgd en dat soms wat meesmuilende meeleven kan ook een keer in zijn tegendeel omslaan. Maar het is net zo goed denkbaar dat de partij bij de volgende verkiezingen nog verder verliest en op 15 of misschien zelfs wel 10 zetels uitkomt. Men doet zijn best, zullen we maar zeggen. Een vaste aanhang heeft het CDA nauwelijks meer. Dat was het grote voordeel van de KVP tot 1963: dat ze van aanhang verzekerd was. Het leek het voordeel van het CDA tot eind jaren tachtig, maar achteraf bleek het gezichtsbedrog. Het was vooral de aansprekende politiek van Van Agt en Lubbers die kiezers bij de partij hield, en het optreden van Balkenende die ze deels weer terugbracht.

De KVP vormde lang wel het midden van de Nederlandse politiek, maar het was ook een midden waar kiezers in feite niet bewust voor kozen. Protestanten hadden deze optie niet. Die kozen gewoon socialistisch, antirevolutionair, christelijk-historisch of liberaal of iets anders. Het was dus ook een midden in de zin van een centrum van de feitelijke macht. Pas bij de vorming van het CDA kon je als kiezer bewust voor een nieuw geformuleerde optie tussen socialisme en liberalisme in kiezen. Een structureel georganiseerd midden is er inmiddels niet meer in de Nederlandse politiek. Maar of daarmee ook het politieke midden verdwijnt, is een andere vraag, waar ik het eigenlijk over wilde hebben en waar het voorgaande alleen maar een inleiding op was. Maar voor vandaag lijkt dit trekken van enkele grote lijnen me wel genoeg.

Misschien dat ik later nog eens aan die vraag toekom: of het politieke midden echt verdwijnt. En of dat erg is.

(23)

7 november 2011

Een compromis? Ja, maar met wie? – Voorbij de mauromoeheid

.:.

‘Ben ik de enige die beetje #Mauromoe is? De kwestie verdringt mijn andere morele verontwaardigingen op disproportionele wijze’, twitterde de Utrechtse ethicus en moralist – de omschrijving is de zijne – Theo Boer afgelopen woensdag. Hij was niet de enige die het woord bedacht, maar de grote Van Dale zal het wel niet halen. Daarvoor was het gebeuren te eenmalig. Het gevoel zullen velen echter herkennen.

-

Elberta Alijda Haars (1913-1997). Als staatssecretaris van justitie (1977-1981) voerde zij een restrictief toelatingsbeleid (Collectie SPAARNESTAD PHOTO/NA/Anefo/H. van Dijk)

Twee zienswijzen
Vorige week woensdag belde Sjoerd Mouissie van het Nederlands Dagblad mij op om mijn commentaar op het optreden van CDA en SGP in de affaire rond de jongeling van Angolese herkomst te vernemen. Elke vraag is altijd net iets anders en hardop denkend heb ik het een en ander gerateld, waar hij de volgende dag iets uit gedestilleerd had, dat zeker recht deed aan wat ik zoal gezegd moet hebben. Ik citeer de passage maar even:

‘Historicus Jan Dirk Snel denkt dat deze redenering aan het electoraat voorbij zal gaan. ‘De verwikkelingen in de Tweede Kamer over Mauro zijn desastreus voor het imago van de christelijke politiek. Met name het CDA is dit aan te rekenen, omdat die partij erg draaierig overkomt.’ Dat het CDA voor een vergunning zou zijn, maar ertegen stemt, is volgens Snel niet uit te leggen. ‘De SGP is de imagoschade veel minder toe te rekenen, want die partij kan haar keuzes uitleggen. Die keuzes overtuigen me niet, maar ze zijn wel consequent.’
Wat het imago betreft, zit het CDA daarom in een uitzichtloze situatie, vindt de historicus. ‘Achteraf legt iedereen dit debat op de eigen manier uit. De een noemt het een overwinning, de ander een nederlaag. En beiden hebben gelijk. Op die manier krijgt de ‘nieuwsconsument’ alsnog geen duidelijkheid.’’

De vraagstelling – het imago van de christelijke politiek – is die van de krant en bij het artikel stond een illustratie waarin de C en de G uit de logo’s van CDA en SGP gescheurd zijn. Persoonlijk vind ik dat álle politieke partijen zich om hun geloofwaardigheid dienen te bekommeren en dat men aan VVD en PVV – en bij andere gevallen dus ook aan alle andere partijen – dus precies dezelfde redelijke eisen kan voorleggen als aan de twee partijen waar het artikel, gezien de ligging van de krant overigens terecht, op focust. De achtergrond is kennelijk dat veel mensen, zowel aanhangers als anderen, voor deze partijen strengere maatstaven aanleggen, gebaseerd op de uitgangspunten waar beide groeperingen zichzelf op beroepen. Persoonlijk acht ik dat iets minder relevant. De vraag is wat mij betreft of een gedragslijn als zodanig goed uit te leggen valt.

Ik had het misschien bij mijn uitlatingen van vorige week gelaten als pal voor mijn woorden geen andere redenering, waar de eerste zin uit het citaat hierboven naar verwijst, had gestaan, en wel van Willem Aantjes. Soms doet gezag er wat mij betreft wel degelijk toe en Aantjes behoort tot onze allerbeste politiek analisten. Het is een man die zijn bevlogen reputatie zum Trotz altijd een scherp oog heeft voor de reële machtsverhoudingen. Aantjes’ argumentatie is dat Ad Koppejan en Kathleen Ferrier in feite het onderste uit de kant hebben gehaald. Mauro mag blijven en de ‘zelfstandigheid van de CDA-fractie binnen het kabinet is toegenomen’. Kortom, het CDA heeft bereikt dat ‘de hoogst haalbare barmhartige oplossing werd gevonden’, zoals de krant Aantjes’ woorden samenvat. De SGP daarentegen valt wel degelijk aan te rekenen dat ze niet stemde voor een ‘barmhartige oplossing’ voor Mauro. Die partij is immers niet aan een akkoord gebonden.

-

Aantjes’ gelijk
Het punt is dat ik het in feite met Aantjes’ analyse eens ben, maar mijn kanttekeningen daar grotendeels – niet geheel, zoals nog zal blijken – compatibel mee acht. Wat betreft het bereikte heeft Aantjes volkomen gelijk. Toen hij dinsdag (1 november 2011) twitterde

‘Hoe dan ook, Mauro mag blijven. Voorlopig? Welnee. Dat was alleen nodig om Wilders gerust te stellen. Niets is zo blijvend als tijdelijk’

was ik dan ook, zie ik nu, de eerste die deze pregnante analyse retweette en dat niet alleen omdat ik het een interessante uiting vond, maar in dit geval ook omdat ik het er volkomen mee eens was. Voor Mauro Manuel en de mensen om hem heen blijft de zaak begrijpelijkerwijs nog even zenuwslopend, voor wie zich de luxe van wat meer afstand kan veroorloven, is het echter volstrekt duidelijk dat de jongeman nooit meer naar Angola zal worden uitgezet. Geen minister zal dat nog aandurven. Er zal, hoe dan ook en via welke juridische kronkelwegen ook, een oplossing worden gevonden. Wat betreft de praktische uitkomst ben ik het dus met Willem Aantjes eens.

Degenen die zich met name om het specifieke geval van Mauro bekommerden, doen er dan ook goed aan, om de verdedigingen die Kathleen Ferrier en Ad Koppejan publiceerden, eens grondig te lezen. Ferrier schreef ondermeer dat ‘de voltallige CDA Tweede Kamerfractie vindt dat

1. Mauro hier moet kunnen blijven,
2. dat we na alles wat er gebeurd is van hem niet kunnen vragen dat hij nu naar Angola reist om een studievisum aan te vragen, dus dat de minister zijn discretionaire bevoegdheid aan moet wenden om hem hier te houden en
3. dat de regelgeving rond AMA’s, kinderen zoals Mauro, aangepast moet worden.’

Daar heeft ze volkomen gelijk in. Ad Koppejan schreef woensdag in zijn column in NRC Handelsblad en daarna in een gepubliceerde e-mail soortgelijke dingen. Terecht wijst hij erop dat hij en Ferrier daarbij echt niet alleen staan:

‘De hele CDA-fractie is van mening dat Mauro moet kunnen blijven. Mijn Limburgse collega’s Raymond Knops en Ger Koopmans zetten zich hier al tijden voor in.’

Zo is het. Maar hij en Ferrier zorgden er wel voor dat de fractie de eenmaal ingezette lijn praktisch ook bleef volgen. In die zin heeft Trouw-columnist Hans Goslinga dan ook gelijk als hij schrijft:

‘Die uitkomst was niet het resultaat van politiek gokken, maar van politieke strijd en vasthoudendheid van de CDA-Kamerleden Koppejan en Ferrier.’

En praktisch had dus ook Willem Aantjes gelijk in een volgende tweet (die ik, hier niet beperkt tot 140 tekens, even aanvul):

‘Uitkomst Maurodebat mager? Ja, maar was niet mogelijk geweest zonder vasthoudendheid Kathleen F[errier] en Ad K[oppejan], taai geduld V[an] H[aersma] B[uma] uitspraak congres’

-

Compromis
Allemaal juist. Dat was het gelijk van Aantjes, Ferrier, Goslinga en Koppejan. Maar nu de andere kant van de zaak. Minder overtuigend is namelijk waarom de CDA-fractie – maar dit geldt dus in feite ook voor de overige 57 leden uit drie andere fracties die dezelfde keuze maakten – tegen de twee moties stemde die dinsdag voorlagen. Ferrier schrijft er bijvoorbeeld over dat ze

‘overtuigd niet voor wilde stemmen, omdat ze eerder de minister binden dan hem de ruimte te bieden een en ander snel op te lossen. Ik vind dat de minister de ruimte moet hebben snel met structurele oplossingen te komen voor de groep kinderen die net als Mauro goed participeren in onze samenleving omdat ze beter hier ingeburgerd zijn dan in hun land van herkomst.’

Wie de tekst van de motie-Gersthuizen/Dibi en de gewijzigde motie-Voordewind/Spekman – de tekst is vooreerst gemakkelijker te vinden in het voorlopig verslag – bekijkt, zal dit zakelijk gesproken een ongerijmde redenering achten. Beide moties drukken namelijk precies uit wat ze zelf optekende in haar drie punten die het standpunt van de hele fractie zouden weergeven: dat Mauro moet blijven en dat er op zijn minst een aanvang met het vinden van een structurele oplossing gevonden moet worden. Over de motie-Gersthuizen/Dibi kun je in zoverre nog zeggen dat die de minister zou binden, dat die namelijk de meest voor de hand liggende weg, die de minister wel degelijk zou kunnen kiezen, voorstelde: het gebruik van de discretionaire bevoegdheid – waarmee deze concrete zaak dus met een pennenstreek, zonder verder toekomstig gedoe, uit de wereld zou zijn. Merk overigens op – je zou er bijna overheen lezen – dat Ferrier die in haar tweede punt trouwens wel degelijk noemt. Over de motie-Voordewind/Spekman, waar elke verwijzing naar één concreet geval uit was gehaald, kun je alleen maar zeggen dat die in wel zeer ruime termen een meer algemene oplossing aanduidde, waar de CDA-fractie inhoudelijk niets tegen kon hebben.

Hier hebben we dus het punt waar ik in mijn commentaar op duidde: hoe leg je iets uit dat niet uit te leggen valt? Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan? Waarom omwegen kiezen als de rechte weg open voor je ligt? Daar moet je dus een goed verhaal over kunnen houden. En dat is het probleem hier. Dat je in de politiek compromissen moet sluiten, dat weten we allemaal en dat is ook onvermijdelijk. Het hoort erbij. Er zijn vele actoren die allemaal iets willen. De een wil dit, de ander dat en heel vaak zijn er heel wat meer partijen in het spel die allemaal iets nastreven, en dat de uitkomst er dan vaak niet zo fraai uitziet, dat valt dan ook goed uit te leggen: niemand helemaal zijn zin, iedereen iets dat van belang is, bij elkaar niet mooi, maar het meest haalbare voor alle betrokkenen. Dit hebben we verloren, maar dat hebben we binnengesleept. Zo werkt politiek, geen enkel probleem.

-

Muisstil
Maar met wie werd hier eigenlijk een compromis gesloten? Met welke andere wensen moest men rekening houden? In zijn NRC-column duidde Ad Koppejan het probleem haarscherp aan:

‘Zelfs de meest geharnaste voorstanders van een streng asiel- en immigratiebeleid hielden zich muisstil.’

Exact, de spijker op zijn kop! Maar hier begint dus ook de schimmigheid. Er was geen tegenstander zichtbaar tegen wie men het opnam en met wie men een compromis moest sluiten. Met wie hadden Ferrier en Koppejan en het CDA-congres nu eigenlijk iets te stellen? Met de eigen fractie? Maar die was eigenlijk altijd al voor een oplossing voor Mauro en bij implicatie alle ‘gevallen’ als de zijne. Met de minister? Ja, in zekere zin wel, omdat die de meest voor de hand liggende aanpak ook onder druk niet wenste te verkiezen, waarbij ik overigens best besef dat het voortdurend zwaaien met ‘discretionaire bevoegdheid’ ook niet altijd een panacee is, al zou die hier de hele ophef in een keer uit de weg geruimd hebben. Maar waarom lag de minister dwars, ja waarom eigenlijk? In die zin geloof ik nog steeds dat mijn analyse in een eerder stukje, dat het namelijk de gedoogpartner is, die voor de druk zorgde, nog staat als een huis. Het is een gedachtegang die ook door Wouter Beekers in Trouw en door Frank Verborg op zijn eigen website naar voren is gebracht. Zeker is in ieder geval dat de discretionaire bevoegdheid wel degelijk in het Gedoogakkoord genoemd wordt. Daar staat dat ‘terughoudendheid’ uitgeoefend zal worden. Dat is het begin van de politieke druk op de minister, daar gingen Kamerfracties dus al op de stoel van de minister – om de uitdrukking van Kees van der Staaij te gebruiken – zitten. Dat mag politiek misschien best, maar dan kun je je vervolgens niet meer beklagen als ook andere leden van de Tweede Kamer zich met de uitoefening gaan bemoeien.

En hier ligt ook het structurele probleem: de vaak vrijwel onzichtbare aanwezigheid of zelfs zichtbare afwezigheid van de gedoogpartner. Er was op enigszins de minister na niemand zichtbaar met wie men openlijk een compromis kon sluiten, waarna men dus in de woorden van Koppejan in alle openheid kon uitleggen waarom het belabberde te verkiezen viel boven het allerbelabberdste. Als men de PVV had kunnen dwingen of in ieder geval bewegen om zich zeer open uit te spreken voor het uitzetten van Mauro en tegen elke poging om voor lastige gevallen een humane uitweg te vinden, als er van de andere kant zichtbaar hard spel was gespeeld, dan had men de huidige lijn kunnen verklaren, dan had iedereen kunnen zien dat er nu eenmaal een compromis moesten worden gesloten, nu niet. Het structurele probleem ligt in de gedoogconstructie en de onzichtbaarheid van Wilders en zijn club. Sommige waarnemers worden er wel eens boos over dat Nederlandse journalisten de man nooit zo kritisch zouden benaderen als de BBC en CNN wel kunnen doen, maar de verklaring is eenvoudig: hij en de zijnen laten zich nauwelijks kritisch ondervragen. Ze ontlopen de publiciteit als het lastig wordt. Ik ben er daarom ook niet van overtuigd dat de CDA-fractie er het uiterste uitgesleept heeft. Wat was er gebeurd als men nu eens wél voor beide moties of alleen voor de meer algemene motie-Voordewind/Spekman had gestemd? Was het kabinet dan gevallen? Bij een meerderheid voor de motie in de Kamer? Ik geloof er niets van. De CDA-fractie had dan nog meer zelfstandigheid verworven, om Aantjes aan te halen, dan nu het geval was. Dan had de andere kant eens duidelijkheid moeten verschaffen. Nu bleef die uitdaging achterwege.

Kortom, er is wel degelijk materieel iets bereikt, maar ook niet veel meer dan het meest voor de hand liggende, en het veld waarin dat gebeurde, is enorm diffuus en daarin ligt dus het presentatieprobleem. Waarbij ik de moeilijkheden ook weer niet overdrijven wil. Dit was op zich inderdaad een opgeklopte zaak – vooral door de halsstarrigheid van de minister – en deze zaak ebt wel weer weg en meer mensen zullen op den duur inzien dat Ferrier, Koppejan en de CDA-fractie wel degelijk bereikt hebben wat ze willen. Daarin ligt trouwens ook meteen de reden dat Hans Goslinga en anderen geen gelijk hebben in hun kritische houding ten opzichte van de oppositie. Die had, nu de buit materieel, maar wel erg halfslachtig, binnen was, geen enkele reden om bij zoveel gekluns ook nog eens coulanter te zijn. Moeten de coalitiepartijen zichzelf maar niet zo in de nesten werken.

-

Individuele gevallen
Over de houding van de SGP moet ik mijn mening wel herzien. Aantjes had meer gelijk dan ik. In het verhaal dat men niet over individuele gevallen wil beslissen, zit iets, al overtuigt mij dat ook niet: soms liggen er namelijk concrete keuzes voor, die je kunt verfoeien en waarvan je misschien terecht kunt zeggen dat die je zo niet voorgelegd hadden mogen worden, op het moment dat ze voorliggen, zul je toch moeten kiezen. Wegblijven is dan naar mijn idee principiëler dan toch stemmen. En ik geloof ook niet dat het standpunt vol te houden valt. Echt nooit over individuele gevallen debatteren of stemmen? Nooit? Niet over de Drie van Breda destijds, niet over Menten, niet over Hirsi Ali? Nooit? Dat valt nooit vol te houden. Maar het punt was dat de SGP ook tegen de motie-Voordewind/Spekman stemde en dat in 2010 ook al gedaan had tegen de motie-Spekman/Anker, die in ieder geval dit gedoe beoogde te voorkomen. Kortom, ik geloof best in de oprechtheid van de verdediging, maar logisch overtuigend is de opstelling niet.

Alleen roepen dat je nooit over individuele gevallen wilt beslissen, is trouwens sowieso niet overtuigend. Ik bedoel dit nu als algemene opmerking, die de hele Kamer betreft. Als een algemeen probleem door misschien vrij toevallige omstandigheden een concreet menselijk gezicht krijgt, dan is de logische weg om achter dat gezicht de algemene problematiek weer op te zoeken en daar een eerste aanzet voor een oplossing voor te zoeken. De weg van de motie-Voordewind/Spekman was in dat opzicht dan ook de juiste. En het was juist de CDA-fractie die donderdag voor een week (27 oktober 2011) met de motie-Knops over een studievisum voor Mauro dus precies de tegengestelde weg insloeg, waar overigens alle andere fracties, ook de SGP dus, terecht tegen stemden. Dat was echt een geval van pontificaal met je achterwerk op de zetel van de minister plaatsnemen. Het was dus zeker niet alleen de oppositie die te veel op één geval focuste, het was vooral een regeringspartij die dat deed.

-

Eindeloos
Ik begon dit stukje met de ‘morele verontwaardigingen’ – ik zie het er wel van komen dat het Groene Boekje het meervoud nog eens opneemt – van Theo Boer, maar ik geloof niet dat ik van morele verontwaardiging zoveel last heb gehad, al heb ik me soms wel opgewonden, maar dan vooral over het gekluns en het onvermogen om helder te denken en te handelen. Dat is het punt waar de minister en de CDA-fractie het meest door de mand vielen. Simpele zaken los je op door scherpe vragen te stellen en even duidelijke antwoorden te geven, niet door alles zelf in de mist te laten verdwijnen en dan uiteindelijk triomfantelijk uit te roepen dat de lucht weer opgeklaard is.

Ik koester trouwens absoluut niet de illusie dat gevallen als deze structureel te voorkomen zijn. Je kunt kleine verbeteringen doorvoeren, die voor concrete mensen een kwestie van levensgeluk kunnen zijn, altijd zullen er weer nieuwe grensgevallen opduiken. Dit was naar mijn idee duidelijk en als iets duidelijk is, moet je een heldere keuze maken en daar de logische consequenties, die hier overzienbaar zijn, uit trekken. Maar alleen de getallen in de motie- Voordewind/Spekman al: jonger dan elf jaar, langer dan acht jaar hier. Hoe dan als het om een leeftijd van twaalf jaar, een termijn van zeven jaar gaat? Of om een paar dagen? Eindeloos. En ik geloof ook niet in opmerkingen als dat je een hele procedure in een half jaar geregeld moet kunnen hebben. Kan dat binnen het bestuursrecht, waar termijnen ook uit het oogpunt van rechtsbescherming ingebouwd zijn? Kun je rechtbanken verplichten zo snel te werken? Zal er dan niet toch weer een beroep op andere rechtswegen gedaan kunnen worden?

Dit blijven lastige zaken. Een definitieve oplossing zal nooit gevonden worden. Maar je kunt wel proberen om het beter te doen, stukje bij beetje. En je kunt vooral proberen om heldere vragen helder te beantwoorden, zodat je het vervolgens over de dan overblijvende lastige gevallen kunt hebben.

Mauro Manuel en de mensen om hem heen zullen het de eerstkomende tijd nog niet gemakkelijk hebben, maar die jongen redt het wel. Maar CDA en SGP, de twee partijen waar ik het op verzoek over had, hebben voorlopig nog wel wat uit te leggen. Maar zij worstelen tenminste openlijk met de zaak. VVD en PVV, die zich zo angstvallig in de luwte ophouden, hebben nog heel wat meer uit te leggen.

Misschien dat daar het debat eens over zou moeten gaan.

(19)

31 oktober 2011

The Right Thing To Do

.:.

Soms is het heel simpel.

Er ligt een keuze voor, en dat kan een keuze zijn die je zelf niet gezocht hebt, en je moet ja of nee zeggen. En dan weet je gewoon wat het juiste antwoord is. Ja, ik kom nog even op de zaak-Mauro terug, want dit is zo’n simpel geval. Nee, dat was zo’n simpel geval, tot de minister besloot om niet te doen wat hij wist dat hij moest doen. Daardoor is dit schijnbaar een ingewikkeld geval geworden.

Ja, er zijn vele zaken waarbij de keuze tussen ja of nee heel lastig kan zijn. En ik behoor tot het soort mensen dat het meestal niet weet of dat vaak probeert zich zo lang mogelijk van een oordeel te onthouden, en soms helemaal, als het toch niet nodig is. Ik mag graag de dingen van enige afstand bekijken. Als ik dus zie dat één individueel geval in het middelpunt van de belangstelling komt te staan, is mijn eerste wantrouwige reactie: is dat nou wel nodig? Zijn er niet veel meer andere, vergelijkbare gevallen? Moeten we dit niet algemener benaderen? Een vraag die ook al vaak gesteld wordt, is of er niet meer even schrijnende of schrijnender – ik hoorde op tv iemand beweren dat de comparatief niet bestond, maar mijn Van Dale kent die wel – gevallen zijn. O ja, vast en zeker wel, maar dan zegt dit ene geval, dat ons door omstandigheden zo beroert, kennelijk ook daar wat over.

Charles-Louis de Secondat, baron de La Brède et de Montesquieu (1689-1755), aan wie de leer van de 'trias politica' wordt toegeschreven, al gebruikte hij de term nooit.

En dit geval is duidelijk. Is er ook maar één concreet belang bij gediend om deze in alle opzichten Nederlandse jongen na ruim acht jaar uit dit land te verwijderen, hem los te rukken uit het gezin waar hij toe behoort – en dat vooral nu hij ruim acht maanden lang, van oktober vorig jaar tot juni van dit jaar, mocht leven met de belofte dat hij hier wel mocht blijven? Nee. Maar zou hem hier houden hem, zijn naasten en vrienden veel verdriet besparen? Ja. Nou dan. En daarbij weet ik ook wel dat grensvragen lastig zijn. Als acht jaar de doorslag geeft, waarom dan zeven of zes niet? Of vijf of vier? En, is er niet bij elke uitzetting, ook na een jaar, verdriet? Lastig, lastig, maar in dit geval vinden de meeste mensen de casus op zichzelf bezien wel helder en dat geldt zelfs voor velen die andere overwegingen menen te moeten laten prevaleren, waarover zo meer.

-

De minister heeft, zo hebben twaalf asielrechtdeskundigen, op eentje na allemaal hoogleraren, in de Volkskrant betoogd en heeft Jan de Visser, een van de zes die begin dit jaar om het voorzitterschap van het CDA streden, op zijn weblog even overtuigend laten zien, alle ruimte om alsnog gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid. De twaalf geleerden betogen trouwens dat de precedentwerking gering zal zijn, en Jan de Visser stelt dat er uit de toepassing van discretionaire bevoegdheden ‘nooit beleidsregels afgeleid’ worden. Ik vraag me dat wel een beetje af. Maar indien wel, so what? Uiteraard dien je die andere gevallen ook zo te behandelen. Dat hoort sowieso al. En als je consequenties voor de toekomst vreest? Dan zorg je maar dat die niet meer voorkomen. (Dat hele idee van een aanzuigende werking is trouwens toch al kwestieus.) Waarbij ik wel wil aantekenen dat het idee dat je sommige dingen definitief kunt regelen, illusoir is, een overdreven geloof in de maakbaarheid van de samenleving.

Kortom, eenvoudig geval en de minister kan een eenvoudig antwoord geven. Hij vindt zelf eigenlijk ook dat Mauro hier moet blijven en probeert daar via bijvoorbeeld een studievisum wegen voor te vinden. Maar niets belet hem om Mauro gewoon een verblijfsvergunning te geven. Hij kan wel, maar hij wil niet. Ten onrechte verschuilt hij zich achter de ‘regels’. De wet geeft hem juist de volle mogelijkheid om de zaak met één pennenstreek op te lossen en die pen kan hij dan vervolgens ook voor andere, mogelijk vaak veel schrijnender gevallen gebruiken. Dat maakt het ook zo ernstig: de onoprechtheid van de minister. Stellen dat hij de zaak aan de geldende regels getoetst heeft, terwijl hij gewoon zelf kan doen wat er gedaan moet worden. Wie over discretionaire bevoegdheid, (enige) vrije beleidsruimte dus – geen willekeur, ook al betekent het adjectief dat in het Frans wel degelijk – beschikt, dient per definitie hogere normen aan te leggen dan die van het geldende, positieve recht; daar is die bevoegdheid namelijk voor: om zelf een afweging te maken. De minister kan gewoon doen wat rechtvaardig is. Barmhartigheid is in dit verband een misleidend woord. Het gaat om the right thing to do. Dat is niet met de hand over het hart strijken, dat is gegeven de voorliggende keuze een kwestie van recht en gerechtigheid.

-

Wat mij het meest opvalt, is dat de verdedigers van de minister zich in de meest vreemde bochten wringen. Tijdens het CDA-congres van zaterdag bestond Elco Brinkman, voorzitter van de fractie in de Eerste Kamer, het zelfs om een tegenstelling te creëren tussen mensen die ‘emotie en geweten’ lieten prevaleren, en mensen die van het ‘verstand’ zouden uitgaan. Die man zou dus echt enige filosofische bijscholing kunnen gebruiken. Het geweten staat dus tegenover de rede? Oei! Het is natuurlijk flauwekul. Het geweten is juist een redelijke zelfbinding aan normen die je erkent. En gevoelens en emoties kunnen redelijk zijn, maar soms ook onredelijk, wat alleen al gegeven is door de – soms juiste, soms onjuiste – informatie die ze bewerkstelligt. Het gewone rechtsgevoel staat niet tegenover het verstand, maar komt op hetzelfde neer. Zonder emoties zouden we trouwens helemaal niet kunnen denken. Zuivere semantiek bestaat voor mensen gelukkig niet. Wat opvalt, is juist de irrationaliteit van degenen die de weigering van de minister om het juiste antwoord op de voorliggende vraag te geven, verdedigen. Eindeloos en velerlei – ik zag het ook op Twitter – zijn de uitvluchten, niet alleen over de zogenaamde ‘regels’ en nog van alles en nog wat, maar ook over wat er in het verleden had moeten gebeuren. Had staatssecretaris Albayrak – alles draait, zie de overzichtelijke tijdlijn bij Krapuul, om haar besluit van 19 november 2009, dat door de rechtbank op 4 oktober 2010 eerst vernietigd werd en door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 juni 2011 vervolgens gebillijkt werd – dan in november 2009 niet al een verblijfsvergunning moeten geven? Ja, misschien wel. Maar alle mogelijke gelijk inzake het verleden verandert niets aan de kristalheldere vraag die zich nu aandient. Rede, rechtsgevoel, natuurrecht, waar men maar vanuit gaat, spreken helder.

Een misverstand dat ook vaak opduikt, is dat de trias politica hier in het geding zou zijn. De rechter heeft toch immers gesproken? Jazeker, maar het gaat hier echt niet om een inbreuk op het gezag van de rechterlijke macht. Zoals dat meestal gaat, wordt de Vreemdelingenwet 2000 vooral uitgevoerd door – het werkwoord kondigt het al aan – de uitvoerende macht. De rechter voert primair niks uit. Die is er om nadat je bezwaar bij het bestuursorgaan hebt gemaakt, bij in beroep te gaan. De rechter corrigeert het bestuur hooguit, als dat alle grenzen overschreden heeft. Het is, als je het scherp wilt stellen, dus eerder zo dat de rechterlijke macht, overigens geheel volgens de wet en rechtsstatelijke vereisten, ‘inbreekt’ op de uitvoerende macht. En juist daarom oordeelt de bestuursrechter in het algemeen marginaal: dus of men binnen bepaalde grenzen dit had kúnnen doen, wat dus niet wil zeggen dat het tegendeel niet ook gekund had, zoals ook het deskundigendozijn opmerkt. In dit geval oordeelden de rechtbank en de Afdeling Bestuursrechtspraak dus tegenovergesteld en een van de argumenten van de laatste instantie was dat de rechtbank te snel tot een ‘zelfstandige belangenafweging’ was overgegaan en niet de ‘vereiste terughoudendheid’ had betracht. Alleen daaruit blijkt al dat ze dat zelf wel probeerde. De rechter oordeelt niet inhoudelijk wat het beste of meest rechtvaardige is en dat is ook niet zijn taak. Maar juist daarom heeft de minister zijn eigen discretionaire bevoegdheid. Achter de rechter of de wetten kan hij zich niet verschuilen, de wet legt de laatste verantwoordelijkheid juist in zijn handen. En tja, dat de Staten-Generaal zich daar dan mee bemoeien, dat kan gebeuren, zoals ik in mijn vorige blog al betoogd heb. (Ook een raar misverstand: mensen denken dat de regering uitvoerende macht is en het parlement wetgevende macht. Maar volgens artikel 81 van de Grondwet stellen regering en Staten-Generaal samen de wetten vast. Over de controlerende taak van het parlement of over wat het verder maar kan, staat vrijwel niets in de Grondwet. De beide Kamers bepalen uiteindelijk zelf wat ze op grond van hun bevoegdheden en rechten doen.)

-

Nog steeds geeft het een ongemakkelijk gevoel dat een individueel geval, dat waarschijnlijk echt niet het meest schrijnende is dat er bestaat, zo het nieuws beheerst. Het lijkt een beetje hysterisch. Men kan lange verhalen houden hoe dat zo is gekomen, hoe de pleegouders en andere sympathisanten de media gezocht hebben en hoe politici verwachtingen gewekt hebben. Men kan er ook op wijzen dat het een uiting is van de hoge normen die onze samenleving, althans op het moment dat ze met foutieve beslissingen geconfronteerd wordt – en dat is waarschijnlijk vrij toevallig en veel ontgaat ons – aanlegt. Maar het hele punt blijft ook dat het zover allemaal niet had hoeven te komen. De minister had hier allang een einde aan kunnen maken door gewoon te doen wat recht en rede hem ingeven.

Soms is het heel simpel.

(14)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.456 other followers