.:.
Verheven of aardig
Toen ik hier gisteren een stukje over hedendaags subjectivisme en de aanspraak op geldigheid die besloten ligt in waardeoordelen, schreef, had ik aanvankelijk het plan om ook iets aan te halen van wat C.S. Lewis (1898-1963) in zijn boekje The Abolition of Man (1943 of 1944, de opgaven verschillen [zie reacties van Arend Smilde hieronder]) schrijft. Het was dan ook treffend dat Evert te Winkel in een reactie direct op dat boekje wees. Maar ook omdat ik me voorgenomen had te proberen de lengte van mijn stukjes niet nodeloos uit te breiden, had ik besloten om het te houden bij wat ik geschreven had.
Maar het is misschien wel aardig om afzonderlijk terug te komen op wat men het verhaal van Coleridge en de waterval zou kunnen noemen. Lewis begint zijn boek met een verwijzing naar een klein leerboek voor ‘boys and girls in the upper forms of schools’, waar hij inhoudelijk niet veel goede woorden voor over heeft. Lewis schrijft: ‘I do not want to pillory two modest practising schoolmasters who were doing the best they knew: but I cannot be silent about what I think the actual tendency of their work.’
Hij verborg dus de namen van de twee auteurs achter de aanduidingen Gaius and Titius en duidde hun boek aan als The Green Book. Dat was nog voor internet. Nu kun je gewoon op Wikipedia lezen dat het ging om The Control of Language. A Critical Approach to Reading and Writing (1939) van de hand van Alex King and Martin Ketley. Dit is hoe Lewis hun boek als uitgangspunt voor nadere eigen beschouwingen neemt:
‘In their second chapter Gaius and Titius quote the well-known story of Coleridge at the waterfall. You remember that there were two tourists present: that one called it ‘sublime’ and the other ‘pretty’; and that Coleridge mentally endorsed the first judgement and rejected the second with disgust. Gaius and Titius comment as follows: ‘When the man said This is sublime, he appeared to be making a remark about the waterfall … Actually … he was not making a remark about the waterfall, but a remark about his own feelings. What he was saying was really I have feelings associated in my mind with the word “Sublime”, or shortly, I have sublime feelings‘. Here are a good many deep questions settled in a pretty summary fashion. But the authors are not yet finished. They add: ‘This confusion is continually present in language as we use it. We appear to be saying something very important about something: and actually we are only saying something about our own feelings.’
-
Gevoelens
Deze manier van denken hing in die dagen in de lucht. Denk aan de wijze waarop A.J. Ayer (1910-1989) in zijn spraakmakende Language, Truth and Logic (1936) betoogde dat als hij tegen iemand zei dat die verkeerd handelde door geld te stelen, hij niet meer beweerde dan wanneer hij eenvoudigweg had gezegd ‘jij stal dat geld’. Ayer vervolgde onder meer (p. 110-111 in de gelinkte editie, p. 142-143 in de Penguin-uitgaven na 1946 met een lange, nieuwe inleiding):
‘If now I generalize my previous statement and say, “Stealing money is wrong,” I produce a sentence which has no factual meaning. It is clear that there is nothing said here which can be true or false. Another man may disagree with me about the wrongness of stealing, in the sense that he may not have the same feelings about stealing as I have, and he may quarrel with me on account of my moral sentiments. But he cannot, strictly speaking, contradict me. For in saying that a certain type of action is right or wrong, I am not making any factual statement. I am merely expressing certain moral sentiments. And the man who is ostensibly contradicting me is merely expressing his moral sentiments. So that there is plainly no sense in asking which of us is in the right. For neither of us is asserting a genuine proposition.’
Tja, ik geloof dat hier weinig commentaar bij nodig is. Alsof waar en onwaar de enige oordelen zijn die er toe doen, en goed of slecht niet zeker zo relevant kunnen zijn. Alsof feitelijke mededelingen alleen zo interessant zijn. Ik zou zeggen dat het onze waardering is die feiten boeiend maken, waarbij die waardering dus geen puur subjectieve toevoeging is, maar door die feiten opgeroepen wordt. En het is natuurlijk niet waar dat het bij morele oordelen alleen om individuele gevoelens gaat, juist bij een morele aanspraak verwachten we dat anderen die niet zonder reden (in meer of mindere mate) delen. Het lijkt me overigens dat het werkwoord stelen al genoeg zegt: waarom zouden we dat nodig hebben naast bijvoorbeeld meenemen, als waardeoordelen geen objectieve, gedeelde functie hadden? Of dacht Ayer alleen maar dat dat nu eenmaal de objectief door de wet gegeven definitie was en daarom eerder feitelijk dan evaluatief?
Maar terug naar C.S. Lewis. Die maakt allerlei kanttekeningen die u zelf maar eens moet nalezen. Hij merkt onder meer op dat omzetting van ‘dit is subliem’ in ‘ik heb sublieme gevoelens’ nogal ondoordacht is. Als het over de corresponderende gevoelens gaat, moet het zijn ‘I have humble feelings’. Sommige grote dingen roepen een gevoel kleinheid of misschien verering bij je op. Dan zijn de hedendaagse maardatvindjij-ers nog net iets slimmer. Maar de kern zal iedereen, denk ik zo wel zien. Iemand die bij een niet al te kleine waterval opmerkt dat hij onder de indruk is, lijkt gepaster te reageren dan iemand die langs zijn neus weg opmerkt dat hij het wel een aardig dingetje vindt. Er is een scala aan reacties mogelijk, maar niet alle reacties zijn even geëigend of zelfs redelijk.
-
Coleridge en Wordsworth
Maar nu dit. Tegenwoordig hebben we Google en niet alleen vind je dan dus direct de werkelijke namen van Gaius en Titius, maar als je Coleridge en waterfall invult, stuit je ook al gauw op een fragment uit Recollections of a Tour Made in Scotland A.D. 1803, pas in 1874 postuum gepubliceerd, waarin Dorothy Wordsworth (1771-1855) in dagboekaantekeningen beschreef hoe zij samen met haar broer William Wordsworth (1870-1850) en zijn al even dichterlijke vriend Samuel Taylor Coleridge (1772-1834) op zondag 21 augustus 1803 de waterval Cora Linn bezocht.
‘A lady and gentleman, more expeditious tourists than ourselves, came to the spot; they left us at the seat, and we found them again at another station above the Falls. Coleridge, who is always good-natured enough to enter into conversation with anybody whom he meets in his way, began to talk with the gentleman, who observed that it was a majestic waterfall. Coleridge was delighted with the accuracy of the epithet, particularly as he had been settling in his own mind the precise meaning of the words grand, majestic, sublime, etc., and had discussed the subject with William at some length the day before. “Yes, sir,” says Coleridge, “it is a majestic waterfall.” “Sublime and beautiful,” replied his friend. Poor Coleridge could make no answer, and, not very desirous to continue the conversation, came to us and related the story, laughing heartily.’
Dit moet het fragment zijn dat Lewis en vooral de beide door hem bekritiseerde leraren in hun hoofd hadden, maar dat hen dan ook niet accuraat voor de geest stond, dacht ik direct. In zo’n geval hoef je alleen maar even op de site Lewisiana van Arend Smilde, die alles van C.S. Lewis weet, te kijken en ja hoor, hij had dit allang gezien. Hij merkt op dat niemand de watervall ‘pretty’ noemt
‘and there does not appear to be any violent disagreement or disgust. If this is the only source for the story – i.e. if this is the story (??) – Lewis clearly failed to check both Gaius & Titius and his own memory.’
-
Majestueus of subliem
Voor de inhoud van het betoog lijkt me dat niet napluizen van de aanhaling overigens geen ramp. Ik weet alleen niet goed hoe ik de woorden van William Wordsworth [toevoeging: helemaal fout, zie naschrift] nu precies moet interpreteren. Coleridge zegt dat de waterval majestueus is. Als zijn vriend Wordsworth daarop zegt dat die verheven en mooi, is op welke wijze zinspeelt hij dan precies op de opvattingen van Coleridge? Met andere woorden zou die de termen op zich passend vinden of net niet? Het lijkt erop dat Dorothy Wordsworth wil zeggen dat Coleridge de in zijn eigen ogen meest geschikte typering gaf – accuracy en precise meaning zijn de woorden die vallen - en dat zijn vriend William Wordworth een grapje maakt door opzettelijk verwante of naburige, maar hier net iets minder passende termen te noemen.
De ironie zou dan dus willen dat het door Lewis op het schild geheven sublime door Coleridge in deze specifieke situatie juist licht afgekeurd zou zijn, al zal niemand ontkennen dat het tegen pretty altijd nog aangenaam afsteekt. Het komt mij wel voor dat majestic een betere term is, maar dat komt ook omdat ik met subliem of verheven nooit goed raad heb geweten. Ik heb heel wat uren op de afdeling Zeldzame en Kostbare Werken doorgebracht, gebogen over achttiende-eeuwse teksten, en het begrip van het verhevene kom je dan regelmatig tegen, omdat het destijds een modieus intellectueel onderwerp was, maar dat geeft meteen ook aan wat mijn probleem ermee is. Heel vaak lijkt het meer een theoretische constructie dan een werkelijk geleefd begrip.
-
Herinneringen
En dit zou vast en zeker verder uitgezocht kunnen worden, maar daar ga ik nu niet aan beginnen. Het lijkt mij dat de beide schooldocenten zoiets onthouden moeten hebben: dat de ene uitdrukking volgens Coleridge meer gepast was dan de ander. En dat zij vervolgens niet goed begrepen waarom dat nu zo was. Maar ik laat het hierbij. Meer dan even iets constateren wilde ik eigenlijk niet. Ook dit geval laat opnieuw zien welke fantastische mogelijkheden internet biedt.
Maar om op het idee te komen om iets op te zoeken, moet je natuurlijk ooit wel eens iets gelezen hebben waar je herinneringen aan hebt die je aanleiding geven tot verdere naspeuringen.
♦
Naschrift (zaterdag 7 januari 2012, rond 11.35 uur)
Lezen is een kunst en dankzij de reactie van Sam Schulman hier beneden, waarvoor veel dank, besef ik dat ik één aanduiding verkeerd opvatte. Ik dacht dat met ‘his friend’ William Wordsworth werd bedoeld, maar ik zie nu dat dat niet kan kloppen en dat daarmee de vreemdeling werd aangeduid met wie Coleridge een praatje aanknoopte. Dorothy Wordsworth schrijft dat Coleridge na het gesprek weer bij hen kwam – ‘came to us’ – en aangezien het gezelschap uit slechts drie personen bestond, betekent dat dat William Wordsworth niet deelnam aan de conversatie, maar bij zijn zus bleef en dus ook niet de vriend kan zijn geweest aan wie ik de woorden toeschreef.
Het was dus inderdaad, zoals Sam Schulman schrijft, de gentleman die eerst de volgens Coleridge rake typering majestic gebruikte en de goede indruk die hij daarmee op de dichter maakte, vervolgens verknoeide door daar de niet bij elkaar passende woorden sublime and beautiful aan toe te voegen. Schulmans verwijzing naar het befaamde essay van Edmund Burke uit 1757 is zeer behulpzaam. En de tegenstelling tussen het verhevene of sublieme, dat een combinatie van afstoting en aantrekking, van vrees en bewondering aanduidt, en het schone of mooie, dat slechts het aangename aspect beschrijft, bepaalt dan wat de heren achteraf zo grappig vonden: dat de man dus argeloos begrippen combineerde, die volgens hun verfijnde opvattingen absoluut niet samengingen. Of zoals Sam Schulman hieronder opmerkt: ‘it sounded to their ears like someone saying, yes, the water in the waterfall is indeed extremely hot and icy cold…’
We kunnen ons dan nog wel afvragen hoe in Coleridges opvatting majestic zich dan verhield tot termen als grand, sublime en beautiful. Ik vermoed dat majestic met sublime wel het overweldigende deelt, maar minder het huiveringwekkende aspect benadrukt. In die zin zou het een uitvergroting van beautiful zijn in omstandigheden waar dat woord tekort schiet, maar zou de waterval weer te aangenaam aandoen en te weinig vrees inboezemen om die verheven of subliem te noemen. Waarschijnlijk zou dit wel degelijk uit te zoeken zijn, maar daar ga ik nu niet aan beginnen. En ik zou er best weer naast kunnen zitten.
Maar het moet de tegenstelling tussen het sublieme en het schone zijn geweest die men heeft onthouden, en vervolgens aan twee verschillende toeristen heeft toegeschreven, waarbij beautiful in de herinnering dan het gemeenzamere pretty werd.
Nogmaals veel dank aan Sam Schulman. Als ik beter gelezen had, had ik direct gezien dat de vreemdeling hier als vriend werd aangeduid en had ik ook beseft dat (in de toenmalige opvatting) het verhevene nooit argeloos tegelijk mooi kon worden genoemd.
♦
Naschrift (maandag 9 januari 2012, rond 11.35 uur)
Naar aanleiding van dit stukje en vooral de commentaren heeft Arend Smilde op zijn pagina over Quotations and Allusions in C. S. Lewis, The Abolition of Man de passage over Coleridge en de waterval aangepast en uitgebreid. Het citaat dat ik hierboven aanhaalde, is nu vervangen, maar ik laat het hier staan, omdat het op het moment dat ik dit stukje schreef, wel klopte.
♦
(51)










