Archief voor ‘Mijmeringen’

6 januari 2012

Coleridge bij de waterval

.:.

Verheven of aardig
Toen ik hier gisteren een stukje over hedendaags subjectivisme en de aanspraak op geldigheid die besloten ligt in waardeoordelen, schreef, had ik aanvankelijk het plan om ook iets aan te halen van wat C.S. Lewis (1898-1963) in zijn boekje The Abolition of Man (1943 of 1944, de opgaven verschillen [zie reacties van Arend Smilde hieronder]) schrijft. Het was dan ook treffend dat Evert te Winkel in een reactie direct op dat boekje wees. Maar ook omdat ik me voorgenomen had te proberen de lengte van mijn stukjes niet nodeloos uit te breiden, had ik besloten om het te houden bij wat ik geschreven had.

Jacob More, The Falls of Clyde (Corra Linn), waarschijnlijk 1771 (National Galleries of Schotland)

Maar het is misschien wel aardig om afzonderlijk terug te komen op wat men het verhaal van Coleridge en de waterval zou kunnen noemen. Lewis begint zijn boek met een verwijzing naar een klein leerboek voor ‘boys and girls in the upper forms of schools’, waar hij inhoudelijk niet veel goede woorden voor over heeft. Lewis schrijft: ‘I do not want to pillory two modest practising schoolmasters who were doing the best they knew: but I cannot be silent about what I think the actual tendency of their work.’

Hij verborg dus de namen van de twee auteurs achter de aanduidingen Gaius and Titius en duidde hun boek aan als The Green Book. Dat was nog voor internet. Nu kun je gewoon op Wikipedia lezen dat het ging om The Control of Language. A Critical Approach to Reading and Writing (1939) van de hand van Alex King and Martin Ketley. Dit is hoe Lewis hun boek als uitgangspunt voor nadere eigen beschouwingen neemt:

‘In their second chapter Gaius and Titius quote the well-known story of Coleridge at the waterfall. You remember that there were two tourists present: that one called it ‘sublime’ and the other ‘pretty’; and that Coleridge mentally endorsed the first judgement and rejected the second with disgust. Gaius and Titius comment as follows: ‘When the man said This is sublime, he appeared to be making a remark about the waterfall … Actually … he was not making a remark about the waterfall, but a remark about his own feelings. What he was saying was really I have feelings associated in my mind with the word “Sublime”, or shortly, I have sublime feelings‘. Here are a good many deep questions settled in a pretty summary fashion. But the authors are not yet finished. They add: ‘This confusion is continually present in language as we use it. We appear to be saying something very important about something: and actually we are only saying something about our own feelings.’

-

Gevoelens
Deze manier van denken hing in die dagen in de lucht. Denk aan de wijze waarop A.J. Ayer (1910-1989) in zijn spraakmakende Language, Truth and Logic (1936) betoogde dat als hij tegen iemand zei dat die verkeerd handelde door geld te stelen, hij niet meer beweerde dan wanneer hij eenvoudigweg had gezegd ‘jij stal dat geld’. Ayer vervolgde onder meer (p. 110-111 in de gelinkte editie, p. 142-143 in de Penguin-uitgaven na 1946 met een lange, nieuwe inleiding):

‘If now I generalize my previous statement and say, “Stealing money is wrong,” I produce a sentence which has no factual meaning. It is clear that there is nothing said here which can be true or false. Another man may disagree with me about the wrongness of stealing, in the sense that he may not have the same feelings about stealing as I have, and he may quarrel with me on account of my moral sentiments. But he cannot, strictly speaking, contradict me. For in saying that a certain type of action is right or wrong, I am not making any factual statement. I am merely expressing certain moral sentiments. And the man who is ostensibly contradicting me is merely expressing his moral sentiments. So that there is plainly no sense in asking which of us is in the right. For neither of us is asserting a genuine proposition.’

Tja, ik geloof dat hier weinig commentaar bij nodig is. Alsof waar en onwaar de enige oordelen zijn die er toe doen, en goed of slecht niet zeker zo relevant kunnen zijn. Alsof feitelijke mededelingen alleen zo interessant zijn. Ik zou zeggen dat het onze waardering is die feiten boeiend maken, waarbij die waardering dus geen puur subjectieve toevoeging is, maar door die feiten opgeroepen wordt. En het is natuurlijk niet waar dat het bij morele oordelen alleen om individuele gevoelens gaat, juist bij een morele aanspraak verwachten we dat anderen die niet zonder reden (in meer of mindere mate) delen. Het lijkt me overigens dat het werkwoord stelen al genoeg zegt: waarom zouden we dat nodig hebben naast bijvoorbeeld meenemen, als waardeoordelen geen objectieve, gedeelde functie hadden? Of dacht Ayer alleen maar dat dat nu eenmaal de objectief door de wet gegeven definitie was en daarom eerder feitelijk dan evaluatief?

Maar terug naar C.S. Lewis. Die maakt allerlei kanttekeningen die u zelf maar eens moet nalezen. Hij merkt onder meer op dat omzetting van ‘dit is subliem’ in ‘ik heb sublieme gevoelens’ nogal ondoordacht is. Als het over de corresponderende gevoelens gaat, moet het zijn ‘I have humble feelings’. Sommige grote dingen roepen een gevoel kleinheid of misschien verering bij je op. Dan zijn de hedendaagse maardatvindjij-ers nog net iets slimmer. Maar de kern zal iedereen, denk ik zo wel zien. Iemand die bij een niet al te kleine waterval opmerkt dat hij onder de indruk is, lijkt gepaster te reageren dan iemand die langs zijn neus weg opmerkt dat hij het wel een aardig dingetje vindt. Er is een scala aan reacties mogelijk, maar niet alle reacties zijn even geëigend of zelfs redelijk.

-

Coleridge en Wordsworth
Maar nu dit. Tegenwoordig hebben we Google en niet alleen vind je dan dus direct de werkelijke namen van Gaius en Titius, maar als je Coleridge en waterfall invult, stuit je ook al gauw op een fragment uit Recollections of a Tour Made in Scotland A.D. 1803, pas in 1874 postuum gepubliceerd, waarin Dorothy Wordsworth (1771-1855) in dagboekaantekeningen beschreef hoe zij samen met haar broer William Wordsworth (1870-1850) en zijn al even dichterlijke vriend Samuel Taylor Coleridge (1772-1834) op zondag 21 augustus 1803 de waterval Cora Linn bezocht.

‘A lady and gentleman, more expeditious tourists than ourselves, came to the spot; they left us at the seat, and we found them again at another station above the Falls. Coleridge, who is always good-natured enough to enter into conversation with anybody whom he meets in his way, began to talk with the gentleman, who observed that it was a majestic waterfall. Coleridge was delighted with the accuracy of the epithet, particularly as he had been settling in his own mind the precise meaning of the words grand, majestic, sublime, etc., and had discussed the subject with William at some length the day before. “Yes, sir,” says Coleridge, “it is a majestic waterfall.” “Sublime and beautiful,” replied his friend. Poor Coleridge could make no answer, and, not very desirous to continue the conversation, came to us and related the story, laughing heartily.’

Dit moet het fragment zijn dat Lewis en vooral de beide door hem bekritiseerde leraren in hun hoofd hadden, maar dat hen dan ook niet accuraat voor de geest stond, dacht ik direct. In zo’n geval hoef je alleen maar even op de site Lewisiana van Arend Smilde, die alles van C.S. Lewis weet, te kijken en ja hoor, hij had dit allang gezien. Hij merkt op dat niemand de watervall ‘pretty’ noemt

‘and there does not appear to be any violent disagreement or disgust. If this is the only source for the story – i.e. if this is the story (??) – Lewis clearly failed to check both Gaius & Titius and his own memory.’

-

Majestueus of subliem
Voor de inhoud van het betoog lijkt me dat niet napluizen van de aanhaling overigens geen ramp. Ik weet alleen niet goed hoe ik de woorden van William Wordsworth [toevoeging: helemaal fout, zie naschrift] nu precies moet interpreteren. Coleridge zegt dat de waterval majestueus is. Als zijn vriend Wordsworth daarop zegt dat die verheven en mooi, is op welke wijze zinspeelt hij dan precies op de opvattingen van Coleridge? Met andere woorden zou die de termen op zich passend vinden of net niet? Het lijkt erop dat Dorothy Wordsworth wil zeggen dat Coleridge de in zijn eigen ogen meest geschikte typering gaf – accuracy en precise meaning zijn de woorden die vallen - en dat zijn vriend William Wordworth een grapje maakt door opzettelijk verwante of naburige, maar hier net iets minder passende termen te noemen.

De ironie zou dan dus willen dat het door Lewis op het schild geheven sublime door Coleridge in deze specifieke situatie juist licht afgekeurd zou zijn, al zal niemand ontkennen dat het tegen pretty altijd nog aangenaam afsteekt. Het komt mij wel voor dat majestic een betere term is, maar dat komt ook omdat ik met subliem of verheven nooit goed raad heb geweten. Ik heb heel wat uren op de afdeling Zeldzame en Kostbare Werken doorgebracht, gebogen over achttiende-eeuwse teksten, en het begrip van het verhevene kom je dan regelmatig tegen, omdat het destijds een modieus intellectueel onderwerp was, maar dat geeft meteen ook aan wat mijn probleem ermee is. Heel vaak lijkt het meer een theoretische constructie dan een werkelijk geleefd begrip.

-

Herinneringen
En dit zou vast en zeker verder uitgezocht kunnen worden, maar daar ga ik nu niet aan beginnen. Het lijkt mij dat de beide schooldocenten zoiets onthouden moeten hebben: dat de ene uitdrukking volgens Coleridge meer gepast was dan de ander. En dat zij vervolgens niet goed begrepen waarom dat nu zo was. Maar ik laat het hierbij. Meer dan even iets constateren wilde ik eigenlijk niet. Ook dit geval laat opnieuw zien welke fantastische mogelijkheden internet biedt.

Maar om op het idee te komen om iets op te zoeken, moet je natuurlijk ooit wel eens iets gelezen hebben waar je herinneringen aan hebt die je aanleiding geven tot verdere naspeuringen.

Naschrift (zaterdag 7 januari 2012, rond 11.35 uur)
Lezen is een kunst en dankzij de reactie van Sam Schulman hier beneden, waarvoor veel dank, besef ik dat ik één aanduiding verkeerd opvatte. Ik dacht dat met ‘his friend’ William Wordsworth werd bedoeld, maar ik zie nu dat dat niet kan kloppen en dat daarmee de vreemdeling werd aangeduid met wie Coleridge een praatje aanknoopte. Dorothy Wordsworth schrijft dat Coleridge na het gesprek weer bij hen kwam – ‘came to us’ – en aangezien het gezelschap uit slechts drie personen bestond, betekent dat dat William Wordsworth niet deelnam aan de conversatie, maar bij zijn zus bleef en dus ook niet de vriend kan zijn geweest aan wie ik de woorden toeschreef.

Het was dus inderdaad, zoals Sam Schulman schrijft, de gentleman die eerst de volgens Coleridge rake typering majestic gebruikte en de goede indruk die hij daarmee op de dichter maakte, vervolgens verknoeide door daar de niet bij elkaar passende woorden sublime and beautiful aan toe te voegen. Schulmans verwijzing naar het befaamde essay van Edmund Burke uit 1757 is zeer behulpzaam. En de tegenstelling tussen het verhevene of sublieme, dat een combinatie van afstoting en aantrekking, van vrees en bewondering aanduidt, en het schone of mooie, dat slechts het aangename aspect beschrijft, bepaalt dan wat de heren achteraf zo grappig vonden: dat de man dus argeloos begrippen combineerde, die volgens hun verfijnde opvattingen absoluut niet samengingen. Of zoals Sam Schulman hieronder opmerkt: ‘it sounded to their ears like someone saying, yes, the water in the waterfall is indeed extremely hot and icy cold…’

We kunnen ons dan nog wel afvragen hoe in Coleridges opvatting majestic zich dan verhield tot termen als grand, sublime en beautiful. Ik vermoed dat majestic met sublime wel het overweldigende deelt, maar minder het huiveringwekkende aspect benadrukt. In die zin zou het een uitvergroting van beautiful zijn in omstandigheden waar dat woord tekort schiet, maar zou de waterval weer te aangenaam aandoen en te weinig vrees inboezemen om die verheven of subliem te noemen. Waarschijnlijk zou dit wel degelijk uit te zoeken zijn, maar daar ga ik nu niet aan beginnen. En ik zou er best weer naast kunnen zitten.

Maar het moet de tegenstelling tussen het sublieme en het schone zijn geweest die men heeft onthouden, en vervolgens aan twee verschillende toeristen heeft toegeschreven, waarbij beautiful in de herinnering dan het gemeenzamere pretty werd.

Nogmaals veel dank aan Sam Schulman. Als ik beter gelezen had, had ik direct gezien dat de vreemdeling hier als vriend werd aangeduid en had ik ook beseft dat (in de toenmalige opvatting) het verhevene nooit argeloos tegelijk mooi kon worden genoemd.

Naschrift (maandag 9 januari 2012, rond 11.35 uur)
Naar aanleiding van dit stukje en vooral de commentaren heeft Arend Smilde op zijn pagina over Quotations and Allusions in C. S. Lewis, The Abolition of Man de passage over Coleridge en de waterval aangepast en uitgebreid. Het citaat dat ik hierboven aanhaalde, is nu vervangen, maar ik laat het hier staan, omdat het op het moment dat ik dit stukje schreef, wel klopte.

(51)

3 januari 2012

Tweede van der Helst

.:.

Tweede straten
Toen ik eergisteren na een even verfrissende als mijmerende zondagse nieuwjaarswandeling in het nabije Oosterpark – het Amsterdamse, vertel ik er maar even bij, want de naam roept ook onmiddellijk reminiscenties op aan de aanmerkelijk zuidelijker aandoende stad Groningen – naar aanleiding van een op de korte terugweg van daaruit opgedane en in meerdere opzichten herhaalde observatie mijn stukje over het ietwat detonerende witte, maar juist ook niet meer in alle opzichten volledig eenduidig gekleurde deurtje in de nok van een voormalig, honderdtien jaar geleden opgetrokken schoolgebouw voor lager onderwijs aan het nabije Amsterdamse’s-Gravesandeplein en de daaraan afleesbare eerste tekenen van verval en vergankelijkheid schreef, dat ik hier gistermiddag openbaar maakte en waarin ik naar aanleiding van de door het naar de arts en filantroop Samuel Sarphati (1813-1866) genoemde park in de naburige wijk De Pijp en de daarnaar vernoemde aanpalende straten van elkaar gescheiden Eerste en Tweede Jan Steenstraat, waar ik trouwens regelmatig door fiets zonder gemeenlijk op de straatnaamaanduidingen te letten, bijna terloops, althans tussen haakjes, aan wijlen Jan Blokker (1927-2010) de vraag toeschreef wie toch wel die Tweede van der Helst was, had ik echt wel even gezocht of ik die toeschrijving op die naam op internet kon vinden.

Gerard Andriesz Bicker, heer van Engelenburg (1622-1666), door Bartholomeus van der Helst (1613-1670) (foto: Rijksmuseum)

Maar dat lukte niet. (Waarbij, maar dat tussen haakjes, zoals u ziet, het ook altijd aardig is om een zin van exact tweehonderd woorden, die zonder veel moeite langer gemaakt had kunnen worden, af te wisselen door eentje van welgeteld vier woorden, maar dit terzijde.) Ik dacht: dan maar uit het hoofd. Lang niet al alles wat de befaamde columnist ooit schreef, staat op het wereldomspannende web. En het ging me in mijn aanvullende tussen haakjes opgetekende aanhaling van een vraag meer om de anekdote an sich dan om het al dan niet ondersteunende feit als zodanig en door mijn werkwoordskeuze (‘schijnt’) had ik me niet zonder opzet alvast ingedekt.

Ik moest trouwens eerst ook al nadenken over welke straat het nu alweer ging. Om de een of andere reden had ik aanvankelijk de Tweede Jan van der Heijdenstraat in mijn hoofd, maar dat kon niet kloppen, want er mocht geen voornaam in de naam van de straat voorkomen, zodat dat Tweede als zodanig opgevat kon worden. En zo kwam ik na enige peinzen alsnog uit op de Tweede van der Helststraat. Ook de twee naar Bartholomeus van der Helst genoemde straten, die in elkaars verlengde liggen, maar dan in noord-zuidrichting, worden overigens van elkaar gescheiden door de straatnaam Sarphatipark, die in dat geval de huizen aan de westzijde aanduidt.

-

Gerard Revestraat
Ik had het fout. Op Twitter meldde F. Zwaan dat hij zich het citaat herinnerde als zijnde afkomstig van Reve en dat Google hem gelijk leek te geven. Reve, dat besef je meteen, is in dit geval Gerard Kornelis (1923-2006), de Tweede van het Reve dus, en niet de Eerste van het Reve, de oudere geleerde broer Karel (1921-1999), die bovendien over een wat subtielere humor beschikte. Zwaan drukte zich erg bescheiden uit, want hij leverde de goede zin erbij. Hij wist het dus in feite wel zeker. Vreemd kwam de toeschrijving mij nu ook niet voor, want de passage is op zich vrij bekend en ik moet die zonder meer eerder en waarschijnlijk meer dan eens onder ogen gehad hebben. Ze komt uit een interview door Tom Rooduijn uit 1982, dat een jaar later gebundeld werd in het boek In gesprek. Interviews (Baarn 1983). Het ging over het voortleven van het literaire werk en Reve zei er dit over:

‘Wat blijft er uiteindelijk van over? Na mijn dood word ik op de scholen tien jaar vrijwillig gelezen en daarna nog eens tien jaar verplicht. Dan noemen ze een straat naar me. En dan ben ik helemaal vergeten. Niemand weet toch meer wie Tweede van der Helst was?’

Reve is nu bijna bijna zes jaar dood. Of zijn werk op de scholen momenteel nog driftig gelezen wordt, zou ik niet weten. Maar die straat, die is er, eerder dan hij zelf destijds verwachtte, al wel. In Haarlem nog wel.

Dat is opvallend, want aan befaamde Haarlemmers als Lodewijk van Deyssel (1864-1952), die wel een straat in Amsterdam en een laan in Driehuis kreeg, Godfried Bomans (1913-1971), naar wie in Almere, Culemborg, Heerhugowaard, Landgraaf en Nijverdal straten en in Heemstede, Kloetinge en Vogelenzang lanen werden vernoemd, en Louis Ferron (1942-2005), die het nog helemaal zonder moet doen, lijkt de Haarlemse straatnamencommissie nog geen resultatieve aandacht te hebben besteed. Harry Mulisch (1927-2010) kreeg trouwens wel weer een eigen straat, in Haarlem-Noord.

-

Harry en Bartholomeus
En over hem moet ik het nog even hebben. Want als op zijn minst één werk van Tweede van der Helst op ieders netvlies gebrand staat, dan is het wel door zijn toedoen. De goede man heette overigens Bartholomeus, een mooie naam, en het is op zich jammer dat die in 1872, toen het eerste stukje straat in de nieuwe buurt YY naar hem werd vernoemd, niet werd meegenomen, al was dit weblogstukje er dan nooit gekomen. Bartholomeus van der Helst leefde van 1613 tot 1670. Hij werd dus zes jaar na Rembrandt geboren en stierf, jonger dus, op 57-jarige leeftijd een jaar na hem. En net als Rembrandt, die ook trouwens ook wel eens wat anders deed, schilderde hij schutters- en regentenstukken.

Het was Harry Mulisch die Van der Helsts portret van Gerard Andriesz Bicker, heer van Engelenburg, uit ongeveer 1640 tot 1642 liet opnemen op de omslag van zijn Bericht aan de rattenkoning, dat hij in augustus 1966 tijdens een naar eigen zeggen ‘drie weken durende woede- en lachaanval’ schreef over de recente provocaties en omwentelingen in zijn woonplaats Amsterdam. Zo kent dus menigeen zonder dat altijd te beseffen op zijn minst één werk van Tweede van der Helst, dat menig bezoeker van het Rijksmuseum dan ook bekend zal zijn voorgekomen. Maar tevens zal menigeen dan vaag beseft hebben dat er iets niet klopte: de afbeelding op de boekomslag is in spiegelbeeld. Op het schilderij kijkt de jonge, hooguit twintigjarige toekomstige drost van Muiden, die de befaamde Pieter Cornelisz Hooft (1581-1647) in 1649 in die functie opvolgde, naar links, op het boek richt hij de blik naar rechts. Hij werd trouwens niet oud: op zijn 44ste stierf hij in 1666.

Ook wat Bartholomeus van der Helst betreft laat Haarlem het afweten. Judith van Gent, die op 11 februari 2011 op de schilder promoveerde, merkt op dat er in Amsterdam behalve de twee straten ook nog een naar de man vernoemd plein is, dat overigens de Tweede van der Helst met een verbreding onderbreekt, en dat er in Nederland drie steden zijn die een Bartholomeus van der Helststraat kennen, en er verder nog eens tien Van der Helststraten bestaan, maar dat ‘s mans geboorteplaats, en ja daar heb je het alweer, Haarlem dus, geen enkele naar de beroemde zoon vernoemde ‘straat, laan, plein of steeg’ telt.

-

Jan Frederik en Willem Frederik
En over genummerde straten gesproken: Willem Frederik Hermans (1921-1995) groeide op in een straat die naar Jan Frederik Helmers (1767-1813) was genoemd. Die schrijver was zo groot dat hij wel drie evenwijdige straten toegewezen kreeg. Een plaquette markeert de woning waar Hermans zijn eerste verhalen schreef. Het is op nummer 208 in de Eerste Helmersstraat.

Niet de derde of de tweede, de eerste.

Naschrift. Rond 12 .50 uur is de alinea over het ontbreken van een naar Bartholomeus van der Helst genoemde straat in Haarlem toegevoegd. Met opnieuw dank aan Jaap de Vries.

(48)

2 januari 2012

Het deurtje

.:.

Aan het uiteinde van de Ruyschstraat, die van de Amstel naar het Oosterpark loopt, ligt het ’s-Gravesandeplein. Als je vanuit de aangeduide richting komend linksaf zou slaan, ben je zo in de ’s-Gravesandestraat, die vervolgens via een wel heel klein stukje voorbij de Singelgracht dat in 1939 Korte ‘s-Gravesandestraat werd gedoopt, weer uitkomt op de Sarphatistraat, die Frederik van Eeden naar verluidt ‘de mooiste plek van Europa vond’, waarmee hij volgens Nescio een nog ‘wonderlijker kerel’ was ‘dan den uitvreter’, ene Japi, wiens achternaam verder niet bekend is. Laten we daarbij overigens niet vergeten dat, toen het Paleis voor Volksvlijt nog aan het begin van die straat prijkte (het brandde in 1929 af), het uitzicht bepaald niet lelijk was.

-

Gebouw van de voormalige Oosterparkschool, ‘s-Gravesandeplein 19 te Amsterdam (foto: Metro Centric)

Parken
Maar terug naar de ’s-Gravesandestraat. Je zou verwachten dat de straat en het plein die naar dezelfde natuurkundige, Willem Jacob ‘s Gravesande (1688-1742), zijn vernoemd, direct op elkaar aansluiten. Maar dat is niet het geval. Eerst krijg je namelijk nog een klein stukje straat dat officieel Oosterpark heet en waaraan de woningen dan ook nog rechtstreeks op het park uitkijken. Een eeuw geleden woonden deftige mensen – kijk de adreslijsten in bijvoorbeeld het Jaarboek (pdf) van het voorname Genootschap Amstelodamum van honderd jaar terug er maar op na – in buurten als deze wel aan de parken, maar niet in de meer eenvoudige straten.

Je ziet hetzelfde bij het Sarphatipark in de Pijp: de Ceintuurbaan wordt onderbroken door de straatnaam die identiek is aan die van het park, en aan de overkant wordt een naar Jan Steen genoemde straat verdeeld in een Eerste en een Tweede Jan Steenstraat, terwijl het dus over een en dezelfde schilder en niet over bijvoorbeeld een vader en een zoon gaat. (‘Wie was Tweede van der Helst?’, schijnt Jan Blokker ooit gevraagd te hebben. [Toevoeging 16.30 uur: Fout! Morgen een stukje over wie het wel was.])

-

Oosterparkschool
Maar het ‘s-Gravesandeplein dus. Aan dat plein liet de Vereeniging voor Gereformeerde Scholen in de Gemeente Amsterdam – op het fraaie tableau boven de deur heeft men dat maar iets afgekort, zonder dat gemeente snappen mensen het ook wel – kort na de vorige eeuwwisseling een mooi gebouw oprichten, dat de Oosterparkschool voor lager onderwijs ging heten. Op de steen helemaal bovenin staat het jaartal 1902, maar de school werd op 2 februari 1903 officieel in gebruik genomen, zo ontleen ik aan het werk van Dr C. Tazelaar uit 1948, dat de vaker bruikbare titel De geschiedenis van een eeuw draagt, met daaronder Samengesteld naar aanleiding van het eeuwgetij der “Marnixschool” te Amsterdam, op 23 augustus 1941. Het is altijd handig de relevante literatuur in huis te hebben.

Het gebouw is al lang – of misschien ook niet zo heel verschrikkelijk lang, ik lees dat het eind jaren negentig nog een dependance werd van de openbare Linnaeusschool – niet meer als school in gebruik. Tegenwoordig zijn er een huisartsenpost en een dienstencentrum in gevestigd.

-

Oneffenheid
En, het moet gezegd worden, het gebouw ziet er weer pico bello uit. Maar er is één klein detail dat mogelijk zou kunnen storen, maar dat mij juist bijzonder bevalt: het witte deurtje op de zolder net onder de hijsbalk oogt net iets minder glanzend. Als je goed kijkt, valt het eigenlijk nog wel mee. Het zit op zich prima in de verf en toch vertoont het lichte tekenen van verval. Je ziet de zwarte onderkant van het deurtje, wat zwarte kieren en vooral de drempel is enigszins aangetast. Kennelijk is die licht beschadigd bij het naar binnen takelen van een of meer zware voorwerpen.

Ik vind dat eigenlijk wel mooi, zo’n kleine oneffenheid. Een kwart eeuw geleden zagen veel gebouwen in Amsterdam er nogal vervallen uit, maar de stad is de laatste decennia steeds verder opgepoetst, zoals je dat trouwens in steden overal in Nederland ook kunt constateren.

En daarom kijk ik, als ik er op een wandeling vanuit het Oosterpark langs kom, vaak met een zekere vertedering naar dat ene deurtje daar helemaal bovenin, dat ons voorzichtig iets vertelt van de vergankelijkheid der dingen.

Naschrift. Rond 17 uur is in de tweede zin het bestaan van de Korte ‘s-Gravesandestraat, in het verlengde van de overigens bepaald niet erg lange ‘s-Gravesandestraat, toegevoegd. Met dank aan Jaap de Vries. Op de onterechte toeschrijving aan Jan Blokker kom ik morgen in een afzonderlijk stuk terug.

(47)

1 januari 2012

Gelukkig Nieuwjaar! Over het persoonlijke als cliché

.:.

Taal en wereld
Aan het begin van de Philsophische Untersuchungen (1953) reageert Ludwig Wittgenstein (1889-1951) op een fragment uit de Confessiones (397/8) van Aurelius Augustinus (354-430), waarin de geleerde bisschop van Hippo beschrijft hoe de woorden van de taal voorwerpen aanduiden. Wittgenstein lijkt hier vooral in gesprek te zijn met zijn eigen oude afbeeldingstheorie uit de Tractatus logico-philosophicus (1921/22).

Haus Wittgenstein (ook wel Stonborough House), Kundmanngasse te Wenen, in 1925 in opdracht van Margarethe Stonborough-Wittgenstein ontworpen door de architect Paul Engelmann en de filosoof Ludwig Wittgenstein en voltooid in 1928 (foto: camera_obscura)

Wittgenstein stelt zich nu een primitieve taal voor waarin slechts vier woorden bestaan. Ik geef het Duitse origineel en (voor wie van vreemde talen houdt) de Engelse vertaling direct achter elkaar.

‘Denken wir uns eine Sprache, für die die Beschreibung, wie Augustinus sie gegeben hat, stimmt: Die Sprache soll der Verständigung eines Bauenden A mit einem Gehilfen B dienen. A führt einen Bau auf aus Bausteinen; es sind Würfel, Säulen, Platten und Balken vorhanden. B hat ihm die Bausteine zuzureichen, und zwar nach der Reihe, wie A sie braucht. Zu dem Zweck bedienen sie sich einer Sprache, bestehend aus den Wörtern: »Würfel«, »Säule«, »Platte«, »Balken«. A ruft sie aus; – B bringt den Stein, den er gelernt hat, auf diesen Ruf zu bringen. – Fasse dies als vollständige primitive Sprache auf.’

‘Let us imagine a language for which the description given by Augustine is right: the language is meant to serve for communication between a builder A and an assistant B. A is building with building stones: there are blocks, pillars, slabs, and beams. B has to pass the stones, and that in the order in which A needs them. For this purpose they use a language consisting of the words “block,” “pillar”, “slab,” “beam.” A calls them out; B brings the stone which he has learnt to to bring at such-and-such a call. – Conceive this as a complete primitive language.’

Het aardige is dat Wittgenstein zijn taal wel uit vier woorden laat bestaan die voorwerpen in de wereld aanduiden, maar dat die woorden hier al meer doen dan simpelweg beschrijven. Hij merkt dat iets verderop zelf ook op. Ze functioneren als vragen of bevelen. De bouwer geeft er aan een assistent mee aan wat hij wil. Wittgenstein heeft het in dit postume boek dan ook vooral over het gebruik van de taal en hoe die functioneert. Toch zie je aan dit beginvoorbeeld dat hij nog wel erg denkt vanuit de gedachte dat taal een verschijnsel is dat buiten of tegenover de wereld staat en die beschrijft of ‘representeert’, en pas tegen die achtergrond opmerkt dat taal nog wel iets anders doet.

-

Groeten
Neem nou alleen die twee bouwlieden. Het is wel een erg surrealistische wereld waarin mensen slechts vier woorden spreken. Maar er is meer. Het kan natuurlijk niet. Voor ze aan het bouwen gingen, moeten de beide bouwlieden toch bepaalde afspraken gemaakt hebben: ik ga dit doen, jij gaat dit doen. Ze hebben zich samen iets voorgenomen en iets afgesproken omtrent de rolverdeling. En daarvoor al moeten ze elkaar ontmoet hebben en daarbij zullen ze elkaar toch zeker begroet hebben.

Zelfs dieren groeten elkaar. Ik herinner me een hond en een kat die elkaar elke morgen als de eerste naar buiten kwam, in een uitvoerig ceremonieel begroetten. Dat werd weliswaar begeleid door klanken, maar was vooral een lijfelijk gebeuren, maar sommige dieren gebruiken wel degelijk geluiden om elkaar te begroeten. Als ik een ‘theorie’ over het ontstaan van taal zou opstellen, als zoiets al zou kunnen, zou ik, denk ik, bij de groet beginnen. Taal begint bij de ontmoeting.

Dat zie je ook bij baby’s. Wat zijn de ouders trots als het kind voor het eerst ‘papa’ of ‘mama’ zegt, terwijl een dergelijke uiting in beschrijvende zin toch weinig aan de wereld toevoegt. Het gaat om herkenning en erkenning. En volgens mij beginnen baby’s en kleine kinderen ook niet met woorden, maar met klanken, die al snel iets van zinnen krijgen. Ze weten niet wat losse woorden zijn. Ze willen iets duidelijk maken en dat doen ze in klanken die steeds meer samenhang gaan vertonen, en pas veel later leren ze wat afzonderlijke woorden zijn.

Om het maar eens scherp te zeggen: taal is niet samengesteld uit woorden. Pas later leer je om talige uitingen in woorden te ontleden. Woorden vinden hun plaats alleen in samenhangende gedachten en komen daaruit voort.

-

Dagelijks
In het tweede, jahwistische scheppingsverhaal in Genesis benoemt de mens eerst de dieren. Er wordt vaak de nadruk op gelegd dat het geven van namen een vorm van beheersing of macht is en dat zou heel goed kunnen, maar je kunt er ook meer nuchter een oefening in praktische ontologie in zien: de wereld van de dieren wordt ingedeeld in soorten: vee, vogels en wilde dieren. De indeling is nog gericht op het gebruik ook, gezien het onderscheid tussen huisdieren en de dieren buiten op het veld.

Er zit iets vreemds in het gebruik van taal door iemand die volgens het verhaal in zijn eentje is, maar juist bij het geven van de namen ontdekt dat mens dat hij geen helper heeft die bij hem past, terwijl dat toch de bedoeling was van het uit de aardbodem vormen van de dieren. Er klopt iets niet in de orde van de wereld, ontdekt hij zo. Vervolgens bouwt God dan uit een rib een vrouw, eindelijk iemand die bij hem past, van zijn eigen gebeente en zijn eigen vlees. Dat is erg fysiek uitgedrukt, maar het is wel iemand die hij kan groeten en die iets terug zal zeggen, die hij kan liefhebben en die hem zal liefhebben.

Taal is allereerst relationeel. Taal is niet primair een verhouding tussen een subject en de wereld, waarin het object afgebeeld wordt, taal is allereerst een kwestie van menselijke communicatie. In vorige stukjes, vooral in Taal en de orde van de wereld, maar ook wel in Vergankelijkheden en scheppingen, heb ik er vaak de nadruk op gelegd dat we gedoemd zijn om origineel te zijn. Als je ergens een beschouwing over schrijft, dan zal het overgrote deel van je zinnen voor de eerste keer en waarschijnlijk ook voor de laatste keer zo geformuleerd worden. Maar het opmerkelijke is dat dat niet geldt voor de dagelijkse omgang.

Juist in het persoonlijke verkeer overheerst het cliché. De meest persoonlijke uiting van alle, ‘ik hou van je’, is meteen het grootste cliché aller tijden dat in kleine variaties in allerlei liedjes en in wat meer varianten in goede poëzie bezongen wordt. Aan tafel vragen we of iemand de boter even wil doorgeven en daar zijn niet zo verschrikkelijk veel verschillende mogelijkheden voor en bij het arriveren op het werk volgen er bij de begroeting wat obligate opmerkingen over het weer van die dag of over de drukte op de weg of in de trein. Het zijn woorden die elke dag weer vallen en waar niets origineels aan is en die toch de onderlinge verstandhouding scheppen.

-

1 januari 2012
Ook vandaag wemelt het weer van één zo’n cliché dat we alleen op deze dag en de volgende dagen in de mond nemen en dat in vele talen vertaald kan worden:

Gelukkig Nieuwjaar!

(46)

9 november 2011

Taal en de orde van de wereld

.:.

Zo af en toe kom je de gedachte tegen dat de wereld één lange causale keten is. Alles zou zo zijn oorzaken hebben.

Ik heb dat altijd een onbegrijpelijke gedachte gevonden en vooral een gedachte die ernstig in strijd is met onze alledaagse ervaringen. We weten immers allemaal dat niet alleen de dingen zo hun oorzaken hebben, maar dat mensen ook zo hun redenen hebben – en anders geldt dat wel voor het menselijk hart, zoals een zekere Fransman – ‘Le coeur a ses raisons, que la raison ne connaît point’ – nu zo’n drieëneenhalve eeuw geleden opmerkte. Maar niet alleen het hart, ook de rede heeft – het woord zegt het al – zo zijn redenen. In onze alledaagse ervaring van de wereld gaan we er helemaal niet vanuit dat alles causaal verklaarbaar is, we gaan er tot aan het verkeer toe vanuit dat mensen beslissingen nemen en we vertrouwen erop dat ze dat meestal gewetensvol en empathisch doen.

Net als deze negentiende-eeuwse studenten uit Tübingen speelde David Hume (1711-1776) graag biljart: een prachtig voorbeeld van de combinatie van menselijke wil (het stoten) en causaliteit (de gang die de ballen nemen), maar de Schotse filosoof deed net alsof hij dat laatste niet doorhad. (foto: Wikipedia)

Nu weet ik niet of er echt veel mensen zijn die werkelijk denken dat de hele wereld één lange causale keten is. Het gaat, vrees ik, vooral om filosofen, waarbij je natuurlijk enerzijds een selecte groep positivisten hebt, en anderzijds waarschijnlijk nog meer antipositivisten die graag bestrijden wat vrijwel niemand beweert. En ook deterministen zullen niet beweren dat ze alles daadwerkelijk causaal kunnen verklaren, maar wel dat alles in principe causaal verklaarbaar is. Hoe ze dat dan weer kunnen weten, is een nadere vraag. Als een standpunt zozeer in strijd is met onze alledaagse ervaring, waarin mensen voortdurend keuzes maken, is er wel veel geloof voor nodig om daar een verklaring achter te zoeken die precies het omgekeerde stelt van wat we meemaken. Maar theoretisch is een dergelijke positie, hoewel onbewijsbaar, misschien wel houdbaar. Juist daarom trouwens: wat principieel niet bewijsbaar is, is ook niet weerlegbaar.

-

Gisteren had ik het hier over de geboorte van twee nieuwe woorden op één dag, of feitelijk misschien op twee achtereenvolgende dagen. In het Nederlands is het, merkte ik toen al op, niet moeilijk om nieuwe woorden te maken. We hoeven er zelfs niet eens specifiek over na te denken en waarschijnlijk gebruiken we allen elke dag wel een combinatie die nog nooit eerder over iemands lippen was gekomen en die dat misschien ook nooit weer zal doen. Alleen uit onwetendheid of suffigheid al, bijvoorbeeld omdat de gangbare term ons zo snel niet te binnen wil schieten, maken we steeds nieuwe woordcombinaties. Alleen omdat ‘wereldleiders’ kennelijk even niet in mijn brein op wilde komen, repte ik recent nog van ‘wereldpolitici’, overigens niet nieuw, maar in dat geval wel volkomen onbedoeld. Het ging om een vergissing, een kleine vergissing, maar eentje die niet onverklaarbaar, zij het niet causaal verklaarbaar, was en die verder ook volkomen begrijpelijk was – in twee opzichten: wat betreft het ontstaan en wat betreft het bedoelde.

Taal is misschien wel het mooiste voorbeeld om te laten zien dat mensen gedoemd zijn origineel te zijn. Natuurlijk, niet elke gedachte die mensen uiten, is oorspronkelijk. Gelukkig ook maar niet, we zouden horendol worden als we de hele dag door met volstrekt nieuwe ideeën overladen werden. Maar de meeste zinnen die we horen of onder ogen krijgen, zijn wel degelijk nieuw. Het is heel moeilijk om een stukje te verzinnen dat volledig uit clichés bestaat die allemaal al eens uitgesproken of opgeschreven zijn. Daarentegen is het absoluut niet moeilijk om een stukje te schrijven dat stuk voor stuk bestaat uit zinnen die nog nooit eerder zo opgeschreven zijn. Dit stukje is er trouwens net geen voorbeeld van: onder elke punt na elke zin heb ik een link naar een Google-zoekopdracht naar die zin verstopt en u kunt ze allemaal aanklikken: slechts drie zinnen zijn eerder zo opgeschreven – probeert u ze maar eens te vinden – en die had ik gemakkelijk zo kunnen veranderen dat ook zij uniek werden. Alle overige eenenzestig zinnen hebt u zo nog nooit gezien, terwijl de zesentwintig letters toch allemaal bekend zijn en het overgrote deel van de woorden ook niet nieuw is. Ik zou zelfs niet weten of er in dit stukje wel een nog nooit gebezigd woord voorkomt. Aangezien de spellingcontrole niet moeilijk deed, verwacht ik van niet.

-

Taal is, denk ik, wel de mooiste illustratie van het gegeven dat mensen steeds iets nieuws aan de wereld toevoegen, iets dat er nog nooit was en vaak ook iets dat nooit terug zal keren. De meeste woorden die mensen spreken, verwaaien. Ook internet legt maar een fractie vast. Maar eigenlijk laat taal zien dat de doorbreking van een causale orde nog fundamenteler is dan op het punt van bewuste keuzes en van menselijke redenen. Want onze taaluitingen zijn grotendeels een onbewuste vormgeving van min of meer bewuste gedachten. Natuurlijk zijn talige uitingen niet volstrekt willekeurig. Je herkent iemand aan zijn stijl. Je weet dat je bepaalde uitspraken van iemand kunt verwachten en andere beslist nooit. Als op Twitter iemand ineens onverwachte dingen schrijft, vraag je je dan ook al snel af of zijn account niet gehackt is. Kortom, ook de talige uitingen van mensen zijn beperkt, door de regels van de taal, maar ook door hun psychische, sociale en mentale habitus. Maar daarbinnen gebeuren dus steeds – letterlijk – onverwachte dingen. Ook een spreker weet niet wat hij gaat zeggen, voor hij het gezegd heeft. Ook een schrijver weet niet wat hij gaat opschrijven, voor zijn handen het toetsenbord losgelaten hebben.

Taal is een regelgerichte activiteit. En we volgen regels die we voor het overgrote deel niet eens kennen. We weten impliciet alleen hoe we ze toe moeten passen. En we kunnen ze breken. En dat gebeurt ook voortdurend. Taalverandering kan bewust zijn, maar is deels vooral een onbewuste activiteit, een kwestie van vergissingen. Men beweert dat het ook evolutionair zo gaat. Dat door kleine varianten in het DNA nieuwe soorten ontstaan. Ook dan zouden foutjes dus de motor van verandering zijn. Zou kunnen. Maar in taal kunnen we dat dagelijks zien. Uit elk weblogstukje moet ik achteraf wel kleine foutjes vissen. Dan is de regel waar ze vanaf wijken, dus aanwijsbaar. Maar net zo goed schrijf ik dus ook voortdurend dingen op die ik niet had kunnen voorzien.

Taal laat zien dat de wereld niet uit een causale natuurlijke orde bestaat, maar telkens opnieuw herschapen wordt. Telkens wordt er iets aan toegevoegd. En die toevoegingen beperken zich niet tot de wereld van de taal of van de ideeën of van de boeken, want die woorden oefenen invloed uit op de wereld, ook op de fysieke wereld waarvan we veronderstellen dat die door causaliteit gekenmerkt wordt. Op grond van wat mensen met elkaar bespreken en bedenken, veranderen ze de wereld en de orde van de dingen. Natuurlijk kunnen ze daarmee de fundamentele orde van de dingen niet doorbreken. Bakstenen blijven met dezelfde valsnelheid vallen. Maar mensen kunnen ze wel zo op elkaar stapelen en met specie aan elkaar vastplakken dat ze een gebouw vormen en het idee daarvoor is toch ooit in taal – en daarvoor in de onbestemdheid van een menselijk brein – begonnen.

-

Juist omdat taal als regelgerichte activiteit – en regels kunnen anders dan natuurwetten gebroken worden – en als deels onbewuste uiting van het menselijk bewustzijn zo onder het maken van keuzes doorduikt en nog voor het terrein van de bedachte redenen ligt, vormt ze als verschijnsel het beste bewijs dat de wereld meer is dan een causale keten.

(21)

8 november 2011

Minder kans voor vonnismijders en vonnisvluchters

.:.

Present at the Creation luidde de titel die Dean Acheson in 1970 aan zijn memoires meegaf. Hij was, onder meer in zijn rol als secretaris van een genootschap van toen nog achtenveertig staten, dat zich bescheiden de Verenigde Staten van Amerika noemt en dat destijds voorgezeten werd door Harry S. Truman, aanwezig bij de geboorte van de Koude Oorlog. Het is maar wat je onder scheppen verstaat.

Amsterdamse banpaal in Sloten. In vroeger tijden was verbanning, de plicht om een stad te mijden, een gebruikelijke straf (foto: jpmm)

Hoe het ook zij, een soortgelijk gevoel bij de geboorte van iets nieuws aanwezig te zijn, maar dan heel erg in het klein, overviel mij dertien dagen geleden, op woensdagmorgen 26 oktober 2011. Ergens tussen negen en tien uur die ochtend opende ik de Nederlandse versie van Google News en op de voorzijde – niet dat er een achterzijde is (daar staat bij mij alleen ‘Toshiba’) – viel mijn oog onmiddellijk op de kop ‘Teeven zet in op vonnismijders’. Het bleek om een klein berichtje op de site van het Eindhovens Dagblad te gaan, dat om 8.46 uur geplaatst was en dat meldde dat de staatssecretaris ‘meer werk’ ging maken van ‘mensen die een straf opgelegd hebben gekregen, maar die ontlopen.’ De bewindsman, die vanuit een eerder leven een reputatie als crimefighter hoog heeft te houden, wilde de mogelijkheden om enkele tienduizenden ‘vonnismijders alsnog te pakken, aanzienlijk verruimen.’ Het was niet zozeer de daadkracht van Fredrik Teeven, de eerste staatssecretaris die zich, sinds het ministerie een paar staatsvormen terug in 1798 werd opgericht, expliciet om onze veiligheid bekommert (je moet er maar op komen), als wel dat woord, vonnismijders, dat mijn aandacht trok. Dat had ik bij mijn weten nog niet eerder gezien.

-

De geboorte van een woord
En dat was ook zo. Even wat goochelen met Google bevestigde dat het woord goed een uur oud was, althans pas die ochtend aan het licht was gekomen. Slechts enkele vermeldingen waren er te vinden, alle van na acht uur, en alle gingen terug op hetzelfde ANP-berichtje over onze voortvarendheid uitstralende stas van veiligheid en gerechtigheid. Ook Google had, kon je toen nog goed zien, tot die ochtend nog nooit van het woord gehoord. De vraag was alleen wie het woord had uitgevonden. Of waar dat gebeurd was. Ik ging er, net als Trouw-taalrubriekverzorger Jaap de Berg, die het woord dezelfde dag signaleerde en er op zaterdag 29 oktober een stukje aan wijdde, eigenlijk vanuit dat het woord wel op het ministerie verzonnen zou zijn.

Woorden aan elkaar plakken is in het Nederlands niet moeilijk en elke dag ontstaan zo achteloos en veelal onopgemerkt nieuwe samenstellingen, die even gemakkelijk weer verdwijnen, maar dit leek toch een ander, meer specifiek geval, mogelijk een onderdeel van een uitgekiende campagne. Wie een nieuw probleem ziet, of misschien ook wel een oud probleem, en dat eens goed onder de aandacht wil brengen, doet er verstandig aan een nieuwe term te munten, die de geest van de hoorder of lezer er automatisch op richt. Woorden scheppen begrippen, delen onze wereld in en geven die vorm. Ze kunnen zelfs een nieuw partje aan de wereld toevoegen. Ook in die zin kon ik het terechte gevoel hebben aanwezig te zijn bij de schepping van een nieuwe begrip en een nieuwe realiteit

De behoefte aan een specifieke term kan men ook wel begrijpen: wie de tenuitvoerlegging van zijn straf vermijdt, is nog niet direct aan voortvluchtige in de volle zin des woords. Het zal er immers om gaan dat een sanctie ten uitvoer kan worden gebracht en dat kan ook een taakstraf of een geldboete zijn. Daar heeft men de veroordeelde wel even voor nodig, maar ook weer niet blijvend. Vandaar dat men kennelijk een ander woord zocht dat een hele groep kan omvatten. Helemaal vlekkeloos is het woord volgens Jaap de Berg overigens niet. Nadat hij ons uitgelegd heeft dat er meer mijders zijn, waaronder zorgwekkende zorgmijders – men ziet het Suske en Wiske-album al voor zich – en dat het Engelse avoiders wel model zal hebben gestaan, schrijft hij ter onderbouwing van zijn oordeel:

‘Wat de delinquenten mijden, is immers niet zozeer het vonnis, de rechterlijke uitspraak, als wel de tenuitvoerlegging van de straf. De voorkeur verdient daarom een synoniem dat al enkele jaren in omloop is: strafontlopers.’

Hij had die conclusie al verraden in het zeker adequate opschrift: ‘Straftontlopers nu opeens vonnismijders’. Merk overigens op dat het ANP-stukje ook expliciet sprak over ‘mensen die een straf opgelegd hebben gekregen, maar die ontlopen.’ Maar juist dat maakte het vermoeden dat vonnismijders van de staatssecretaris of zijn departement afkomstig was, des te plausibeler. De vraag was dan vooral in welke context en met welke specifieke invulling de term geïntroduceerd werd.

-

Op zoek naar een brief
Uit andere versies van het ANP-bericht – hier die bij De Pers, die volledig lijkt te zijn en waar geen zinnen of alinea’s uit zijn gehaald, zoals her en der het geval is – bleek dat de staatssecretaris ‘een brief met zijn plannen aan de Tweede Kamer gestuurd’ had. Op zoek naar dat document dus. Maar hoe ik die woensdagmorgen tussen negen en tien ook zocht op overheidssites als Rijksoverheid en Officiële bekendmakingen, nergens kon ik ook maar een spoor vinden van een brief die over dit onderwerp zou kunnen gaan. Het is op zich geen onbekend verschijnsel: de pers blijkt vaak veel eerder over officiële overheidsdocumenten te beschikken dan dat ze door ministeries aan het publiek beschikbaar gesteld worden. Ik ben dan altijd wel benieuwd of zo’n brief op het moment dat journalisten erover schrijven, al wel ouderwets fysiek bij de leden van de Tweede Kamer is beland. Of moeten die net als wij, eenvoudige burgers, ook maar geduld betonen?

Een paar dagen later besloot ik nog eens te kijken of de brief inmiddels wel te vinden was, en ja hoor, in de loop van woensdag 26 oktober bleek het Ministerie van Veiligheid en Justitie twee Kamerstukken op Rijksoverheid gezet te hebben. Het ene, bestaande uit enkele Kamervragen – kijkt u zelf maar even – was een treffende invulling van het sartreaanse néant, het andere werd omschreven als ‘Brief Tweede Kamer: Uitvoeringsketen strafrechtelijke beslissingen’. Dát moest het schrijven zijn waar ik naar zocht. Het vervelende was alleen dat geen enkele link naar een pdf was bijgevoegd, zoals dat gebruikelijk is. Ik besloot daarop navraag te doen en zo’n vraag via de site komt dan automatisch bij Postbus 51 terecht. Op maandag 31 oktober om 12.39 – de tijd doet er in dit geval toe, zal zo blijken – kreeg ik een ontvangstbevestiging. Twee en vier dagen later meldde men mij dat men er nog niet uitkwam, maar gisteren, 7 november 2011, precies na een week dus, ontving ik een e-mail van de directie voorlichting van het ministerie, waar een pdf van de brief als bijlage bijgevoegd was. Ook toen bleek de brief nog steeds niet op Rijksoverheid te staan, maar inmiddels is het erratum hersteld. Als je eenmaal over de tekst beschikt, is het ook veel gemakkelijker om door bijvoorbeeld een zin in te vullen – de meeste zinnen in onze taal, ook de meest clichématige, zijn uniek – te zoeken of een document ook elders staat. Welnu, het bleek dat de brief op maandag 31 oktober om 16.10 uur tien op Officiële bekendmakingen was geplaatst (en vervolgens ook elders was overgenomen). Ik had dus inderdaad gezocht naar een brief die toen nog onvindbaar was.

-

De brief gevonden
Ik was dus benieuwd. Het is, dat zie je al na een paar zinnen, geen brief van het type dat je met rode oortjes uitleest en de elf keer, meest in het meervoud gebezigde term ketenwerkproces vormt daar in zijn eentje al een aanwijzing voor, maar gebruik van de zoekfunctie liet binnen een oogwenk zien dat de vonnismijder in dit schrijven in ieder geval niet zijn opwachting maakt. Het verbum mijden komt er trouwens sowieso niet in voor, en ook alle varianten met ontlopen ontbreken. Kortom, wat ik – en ook Jaap de Berg – tot dusverre bij aan gebrek bij documentatiemateriaal veronderstelde, bleek niet te kloppen. De vonnismijders moesten een andere oorsprong hebben dan het brein van Fred Teeven of een zijner ambtenaren. Verrassend.

Het leek me goed nog eens weer naar een paar versies van het ANP-berichtje van woensdagochtend 26 oktober te kijken. Wat veel kranten kennelijk graag wegknipten, maar het Eindhovens Dagblad in zijn summiere versie wel liet staan, was dat een woordvoerder van het ministerie een en ander meldde ‘naar aanleiding van berichtgeving in De Telegraaf’. Daar had ik eerder op moeten letten. Even zoeken en ja hoor, om 5.30 uur die morgen – wakker Nederland, hè – was er een berichtje op de site verschenen over de ‘Jacht op onvindbare ‘veroordeelden’’ en daarin werd gesproken over ‘ruim 6500 criminelen die al meer dan drie jaar onvindbaar zijn’. Dat zijn inderdaad gegevens uit de genoemde brief. Ik geloof trouwens dat 6500 onder de tienduizenden van het ANP ligt, maar dit terzijde. Belangrijker was de toevoeging dat de papieren krant die dag meer over dit onderwerp bevatte. En inderdaad, het bleek dat het omstreden dagblad er zelfs groot mee opende: ‘Jacht op vonnisvluchter’. Groot is dan overigens vooral een aanduiding voor de kop – het is een krant die je, weet ik uit ervaring, uitstekend mee kunt lezen vanaf een balkon op driehoog – niet voor het bericht, want dat blijkt – hier is het overgenomen – nogal beknopt te zijn. Maar wat nu belang is, ook daarin zal men geen vonnismijders aantreffen, niets met mijden trouwens, maar wel worden deze lieden die ‘de dans ontspringen’ en hun straf of boete ‘met succes ontlopen’, ‘weglopers’ genoemd.

-

Vonnisvluchters
Het wordt tijd op een ander woord te letten dat ondertussen al gevallen is: vonnisvluchter, het woord uit de Telegraaf-kop. Het ziet er naar uit dat de openbaring daarvan van dezelfde ochtend is, wat alleen al ondersteund wordt door het gegeven dat een zoekopdracht naar teksten met dat woord, maar zonder het begeleidende ‘jacht’ niets oplevert. We kunnen nu een plausibele gang van zaken reconstrueren. Het ziet er naar uit dat het ongeveer als volgt is gegaan. Op dinsdag 25 oktober besloot De Telegraaf de volgende dag te openen met de op zich tamelijk saaie brief van de staatssecretaris. Het was een koppenmaker van die krant die de term vonnisvluchter bedacht om de lieden achter ‘de 6500 zaken die langer dan drie jaar in het OPS geregistreerd staan’ – OPS is opsporingsregister – een gezicht te geven. In het bericht zelf valt de term nergens.

De volgende ochtend kreeg een wakkere of misschien ook nog niet zo wakkere redacteur van het ANP de grote krant onder ogen en die dacht: daar moeten we even achteraan. Het zal trouwens wel in overleg zijn gegaan. In alle vroegte werd een voorlichter van het departement van justitie getraceerd, en die kon wel bevestigen dat wat in De Telegraaf stond, klopte. Zo ongeveer de gehele inhoud van het ANP-bericht is afkomstig uit de grote ochtendkrant, zodat men de woordvoerder alleen nog maar als officiële bron nodig had. Overigens komt de advocaat van de verdachte, die in de laatste zin opduikt, zo niet in De Telegraaf voor en die staat zo ook niet in de staatssecretariële brief. Men heeft na het gesprek met de woordvoerder zelf nog een kleinigheid kunnen toevoegen. De vonnisvluchter van De Telegraaf zette de ANP-redacteur in zijn weergave vervolgens om in vonnismijders.

En vervolgens ging het bericht het land in. Kennelijk werden er twee suggesties voor een kop meegeleverd. Een deel van de media publiceerde het bericht net als het Eindhovens Dagblad, waar ik het het eerst zag, onder het hoofd ‘Teeven zet in op vonnismijders’. Een ander deel koos voor ‘Justitie maakt jacht op ‘vonnisvluchter’’, waarin de verwijzing naar de uitvindende krant dus beter behouden werd. Maar in alle versies wordt in het bericht zelf alleen over vonnismijders gesproken. Uiteraard kan het allemaal net iets ander gegaan zijn, maar dit lijkt een tamelijk plausibele reconstructie, zou ik zeggen.

-

Nieuws maken
Het bleek dus allemaal net iets anders te zijn dan ik verwacht had. Wat ik die woensdagmorgen zag, was achteraf gezien al de tweede geboorte van een nieuw woord op één dag. Het jonge vonnisvluchter had binnen enkele uren vonnismijders gebaard. Enerzijds was het dus nog boeiender en gecompliceerder dan ik toen besefte, anderzijds bevat deze uitkomst ook wel iets teleurstellends. Direct toen ik de vonnismijders zag, dacht ik dat de levensduur van dit woord weliswaar wel eens tamelijk beperkt kon zijn, maar dat het wel een goede kandidaat voor op zijn minst de eindjaarlijkse lijsten met nieuwkomers zou zijn. Maar nu blijkt dat er geen departementale strategie achter zit, maar het een journalistieke vinding is, is de kans dat het in de Tweede Kamer en andere debatten opgepikt gaat worden, veel geringer. Het woord zou dus wel eens een eendagsvlieg kunnen blijven, ook al wekt de huidige vermenigvuldiging van zelfs het onbeduidendste nieuwsbericht op internet niet die indruk. Maar erg te treuren hoeven we ook niet. Jaap de Berg heeft immers gelijk dat straftontlopers veel bruikbaarder is dan vonnismijders of, voeg ik daar maar aan toe, vonnisvluchters.

Blijft nog wel een andere bevinding over, waar ik eigenlijk niet naar op zoek was: de vraag hoe nieuws werkt. Hoe is de opening van De Telegraaf tot stand gekomen? Kregen werkelijk alle media tegelijk de verder nog ongepubliceerde brief van de staatssecretaris toegezonden en dacht alleen bij De Telegraaf iemand: hé, dit is interessant, hier moeten we werk van maken? Of was er iets ingestoken en heeft Teeven of hebben zijn medewerkers de krant benaderd met de vraag of men hier niet iets groots van kon maken? Beschikte werkelijk iedereen over dezelfde tekst of had de ochtendkrant een streepje voor? En waarom duurde het dan tot zes dagen na de datering dat de brief ook daadwerkelijk op het wereldwijde web gepubliceerd werd? Al kan ik me ook voorstellen dat het weglaten op Rijksoverheid niet meer dan een eenvoudige slordigheid was.

-

Minder kans
Hoe het ook zij, als het beleid van de staatssecretaris slaagt, maken vonnismijders en vonnisvluchters voortaan wat minder kans hun straf te ontlopen. En omdat het woord niet beleidsmatig is uitgevonden, maken de vonnismijders en vonnisvluchters ook wat minder kans het woordenboek te halen.

Het is niet anders.

(20)

4 november 2011

Altijd hetzelfde – Over een stukje dat ik niet meer hoef te schrijven

.:.

Vandaag wilde ik het maar eens rustig aan doen.

-

Ik had me voorgenomen om te kijken of het elke werkdag, van maandag tot vrijdag dus, zou lukken een stukje op deze nog vrije nieuwe weblog te schrijven. Over het waarom van iets dat me in feite niets oplevert, heb ik het dan maar even niet. Dat komt nog wel eens. Of niet. En als ik schrijf dat ik het nog maar eens ergens over moet hebben, weet ik meestal wel wat er gebeurt. Inderdaad.

Dit is geen illustratie (foto: calmansi)

Op zich is elke dag een paar alinea’s schrijven niet zo moeilijk, maar vaak lopen mijn stukjes nogal uit de hand en dat wil me vanwege het tijdverlies – en trouwens ook het besef dat minder mensen ze dan uit zullen lezen – nog wel eens ergeren. Op zich gaat het overigens heel simpel. Ik schrijf een ideetje op, soms zoek ik wat dingetjes uit, ik noteer een paar steekwoorden of enkele losse flarden die niet aan de spellingregels voldoen, min of meer in de volgorde waarin ze naar mijn idee een argumentatie of een ordelijke associatieve reeks vormen, en ik begin te tikken, waarbij ik de aantekeningen beneden de cursor langzaam, stuk voor stuk, verwerk in het betoogje dat zich vrijwel vanzelf ontwikkelt.

En dan wil het nog wel eens gebeuren dat die paar vaagheden die nog maar net in enkele losse, chaotische woorden gevat konden worden en die verder nog vrijwel woordeloos in mijn brein zweven, uitgroeien tot een stuk dat ver boven de duizend of soms zelfs de tweeduizend woorden uitgaat. (Er staat zelfs al anderhalve week een aus einem Guss geschreven stuk van zesduizend woorden, dat ik eerst maar eens ga uitwieden en opknippen. Er bestaan dingen die ik echt niemand aan wil doen.) Al schrijvende verbaas ik me daar – dat uitgroeien – vaak over, omdat ik me voor aanvang bijna standaard afvraag of ik eigenlijk wel genoeg voor pakweg driehonderd woorden heb. Het verband tussen de onruimtelijkheid van het denken en de zichtbare uitbreiding op scherm of papier blijft raadselachtig. Ik zal dat nooit begrijpen. Maar tegelijk heb ik de lijn van het betoog meestal wel in mijn hoofd en dat dwingt me om het verhaal dan toch maar af te maken. Dwang, dat is het goede woord: ik weet wat er nog moet komen, en meestal twijfel ik ook niet erg over de volgorde. Die blijkt er al te zijn, zelfs als ik dat van tevoren niet zo goed kan uitdrukken. Daarvoor schrijf je dingen immers ook op: om te ontdekken wat je al weet, maar toch niet wist. Of omgekeerd: om te ontdekken wat je wel wist, maar toch niet weet – daar kom ik zo snel even niet uit.

Als schrijvende kijk ik soms wel vertwijfeld naar de aantekeningen beneden de cursor. Zonder de zinnen al te kennen die me naar ze toe moeten brengen, besef ik soms dat ik nog wel wat alinea’s nodig heb. Dat stemt vanwege de tijd die het kost, niet altijd vrolijk. Als schrijvende schrap ik trouwens ook hele alineablokjes, die met een beetje geluk aan de kant gezet kunnen worden om daar later nog eens iets afzonderlijks van te maken. En bijna altijd heb ik aan het eind nog woorden en flarden over die ik maar niet behandel. Soms gooi ik het restmateriaal weg, meestal zoek ik uit of er iets tussen zit dat als kern voor een later stukje dienen, en dat zet ik dan weer weg voor de toekomst.

-

Maar vandaag wist ik dus dat het heel simpel kon. Ik heb weliswaar nog tientallen ideetjes – minstens zestig – in evenzovele documenten klaar staan, ik heb ook enkele stukken staan die alleen nog maar voltooid hoeven te worden, ik vroeg me zelfs af of ik nog niet een korte nabeschouwing moest schrijven over een zaak die deze week nogal wat aandacht trok, vandaag besloot ik dat het wel aardig zou zijn om het bij enkele eenvoudige observaties te houden. Eindelijk eens een kort stukje. Ik bedacht namelijk dat we zulke rustige tijden beleven en daar had ik wel iets, maar niet bar veel over te zeggen.

Vanmorgen kwamen al twitterend de herinneringen aan mijn geboortepolder – dat was het en sociologisch gezien is dat iets heel anders dan een geboortedorp, meer iets met kleine autonome eilandjes, om het bij een korte aanduiding te houden – naar boven en toen bedacht ik ook dat de eerste herinnering, die van landelijke rust, niet helemaal klopt. Ik herinner me ook hoe in de jaren zestig en zeventig, toen er nog veel minder snelwegen en zelfs tweebaanswegen waren dan nu, op vrijdagmiddagen een lange stroom van auto’s en vrachtverkeer over de smalle polderwegen denderde, zozeer zelfs dat we ons het beeld herinneren van een buurman die met zijn tractor er gedurende twintig minuten of zo – dit ga ik niet kapot navragen – maar niet in slaagde vanuit het land de weg op te komen. Meer herinneringen kwamen op: hoe allerlei plaatsen dertig of veertig jaar geleden veel drukker waren dan nu.

Langzaam vormden zich tussen de bedrijven door enkele ideetjes, die ik optikte. Ik kon beginnen bij mijn straat, die nu veel rustiger is dan pakweg een decennium geleden, vervolgens de blik naar de Wibautstraat richten, waar in de jaren tachtig, voor de opening van de Zeeburgertunnel in 1990, vaak lange files stonden, waar je je op de fiets of als voetganger maar doorheen moest zien te wurmen, iets wat je je nu niet meer voor kunt stellen, en dan een handjevol situaties in de Amsterdamse binnenstad beschrijven: de auto’s die vroeger op de grachten schots en scheef op de bruggen stonden, de vrachtauto’s die in de Jordaan bochten niet haalden en panden ramden, het vrachtverkeer op de Nieuwezijds Voorburgwal, waar tot in de jaren zestig kranten voor heel Nederland gemaakt werden, terwijl het me nu kan overkomen dat ik ook op een doordeweekse dag als voetganger daar zo ongeveer de enige op straat ben, tot aan het vertrek van papiergroothandel Proost en Brandt van het Rusland.

En zo nog het een en ander. Meer voorbeelden schoten me te binnen. Maar ook bedacht ik ineens dat een stukje over toegenomen rust alleen aan de hand van het verkeer, van de wegen in mijn geboortepolder en van de straten in het naburige stadje Hasselt, waar in mijn jeugd een vrijwel permanente file van auto’s, grote vrachtwagens en autobussen vol scholieren zich door het hele stadje slingerde, tot aan de heerlijke en vriendelijke oases van rust en orde die je nu overal in de Amsterdamse binnenstad vindt en die er dertig jaar geleden zo niet waren, wat mager zou zijn. Ik zou meer voorbeelden van de rust die ons huidige leven kenmerkt, moeten geven. Ik dacht aan de postkantoren of de bankfilialen waar je je vroeger op vrijdagmiddag nog snel naar toe moest spoeden omdat je anders niet genoeg geld voor het weekend in huis had (en waar je dan vervolgens vijfentwintig minuten in een eindeloze, slingerende rij stond). Ik dacht aan de supermarkten waar je je vanuit je werk komend nog snel voor zes uur naartoe haastte of waar je op zaterdagmiddag wel voor vijf uur geweest moest zijn – lastig als je ook ergens een vergadering of symposium of gewoon een verjaardag had – om op zondag niet zonder eten te zitten (waarbij dan de volgende dag steevast bleek dat je uitgerekend de koffie of de lucifers, die op waren, vergeten had).

Langzaam tekenden de contouren voor een klein stukje zich af. Heerlijk, eindelijk simpel. Dit keer zou het echt in driehonderd, hooguit vijfhonderd woorden lukken. En toen begon me iets te dagen. Had ik hier al niet eens over geschreven? Mijn oude web-log – met dat irritante streepje dus – met alle pakweg 500 stukjes is door de nu al tweeëneenhalve maand aanhoudende problemen bij Sanoma nog steeds voor het grootste deel onvindbaar, maar gelukkig is er nog Google Cache. En ja hoor, even zoeken leverde direct resultaat op. Op 1 februari 2007 had ik al eens een stukje geschreven, Rustiger getiteld. Dat een aantal voorbeelden ongeveer dezelfde waren als waar ik nu op kwam, dat verbaasde me niet zo erg. Maar dat ik ook toen meende aan het eind van de beschouwing der ruimtelijke rust nog even de toenmalige tegenstelling tot de huidige ongehaastheid van bezoeken aan geldautomaat en levensmiddelenwinkel te moeten noemen, dat trof me wel. Ik schrijf dus kennelijk altijd hetzelfde. Of ik bedenk steeds hetzelfde als nieuw, dat kan ook. Het is iets dat me bij het doornemen en verwerken van briefjes met ideetjes trouwens ook regelmatig opvalt: ik noteer in een week tijds rustig zes keer hetzelfde volstrekt nieuwe idee dat me ineens treft.

-

Wat me vooral opviel, was dat ik het toen eigenlijk veel beter opschreef. Dat stelde me gerust. Daarom krijgt u vandaag geen stukje van me.

Wel zo rustig.

(18)

2 november 2011

William Spark leefde echt

.:.

Vroeger, toen er nog geen internet was, kon je nog heerlijk onwetend door het leven gaan.

William Spark (1823-1897), componist, dirigent en organist te Leeds

Maandag presenteerde een commissie onder leiding van Pim Levelt de eerste resultaten van een onderzoek naar de wetenschappelijke vervalsingen die de Tilburgse hoogleraar Diederik Stapel gepleegd heeft. Het viel niet mee. Jarenlang heeft de man zich aan structureel bedrog schuldig gemaakt, begeleid door een combinatie van raffinement en machtsmisbruik. Dit is geen geval van iemand die onder druk, publicatiedruk, een eenmalige noodsprong maakte, hier gaat het om welhaast pathologisch gedrag, zou je zeggen. Ondertussen is het natuurlijk ook een tragedie voor de man en zijn naasten.

Het is niet het eerste geval en het zal ook wel niet het laatste blijven. Wie Valse vooruitgang. Bedrog in de Nederlandse wetenschap (1993) van Frank van Kolfschooten wel eens gelezen heeft – en dit is toevallig nou eens een boek dat ik ooit wél helemaal gelezen heb –, zal beseffen dat er altijd weer mensen rondlopen die zich door hun fantasie of door vreemde motieven op een doodlopende weg zullen begeven, zonder dat daar een rationele verklaring voor is. Het lijkt onwaarschijnlijk dat er op dit moment geen andere bedriegers onder ons zijn.

-

Bij Stapel draaide het om verzonnen data, zoals dat heet. Maar er zijn natuurlijk ook aardige vormen van ‘bedrog’ of beter, van het spelen met de grens tussen feiten en fictie. Ik dacht aan een specifiek geval en maakte daar maandag deze tweet van:

‘Er gaan overigens geruchten dat Wolfgang Hildesheimer voor zijn biografie van Andrew Marbot (1801-1830) ook feiten uit de duim zoog. #Stapel’

Men zal zich het geval herinneren. Nadat zijn literaire biografie Mozart uit 1977 een bestseller was geworden, kwam Wolfgang Hildesheimer (1916-1991) in 1981 met een nieuw boek in dezelfde stijl, Marbot. Eine Biographie geheten. Het was het verhaal van de jong overleden Engelse kunstpsycholoog Sir Andrew Marbot (1801-1830), zelf weliswaar in de vergetelheid geraakt, maar die wel met groten als de schilder William Turner en de dichter Samuel Taylor Coleridge omging en die op zijn reizen figuren als Lord Byron, Arthur Schopenhauer en Johann Wolfgang van Goethe ontmoette. Het verhaal, dat ik nu maar eens niet kapot ga checken, wil dat menig recensent met de handen in het haar zat en niet wist wat ervan te denken. Of er zelfs intuinde. (Het zal in ieder geval wel niet voor niets zijn dat de recensie in Der Spiegel van de hand van Peter Wapneski, die na vele feiten gecontroleerd te hebben, aanroert dat het wel fictie moet zijn, in de zoekresultaten zo hoog eindigt.)

Op mijn tweet reageerde Bas Paternotte met:

‘Zorgelijk. Las onlangs ook zoiets over de biografie van de hand van publicist G. Bomans over Thomas Robert Spoon’

Ik heb hem geantwoord dat het in dat geval om laster moest gaan. Wat Bomans schreef, was immers altijd waar, zelfs als het verzonnen was. In mijn jeugd hadden we een huisarts die altijd zei: ‘Waar? Wat is er nou waar in de krant? Alleen Panda is waar.’ Panda was de hoofdfiguur in de gelijknamige strip van Marten Toonder, waarin ook ene Joris Goedbloed figureerde. Zo is het. Fictie kan meer waar zijn dan pure berichtgeving, mits men even omschrijft hoe men het normatieve adjectief aanwendt.

-

Van het een komt het ander. Deze twee gevallen brachten me op een nog sprekender geval van fictie die de realiteit binnendrong. Op donderdag 24 juni 1943 werd in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel, waar diverse Nederlandse prominenten geïnterneerd waren in het gebouw en op het terrein van het kleinseminarie Beekvliet, een herdenking gehouden van de grote Britse componist William Spark, die die dag precies een eeuw geleden overleden was. Er werden inleidingen over zijn betekenis gehouden en uitvoeringen van zijn werk op de piano ten gehore gebracht. Sommige aanwezigen schijnen opgemerkt te hebben dat ze de componist altijd al enorm bewonderd hadden. Het bleek dus een grap te zijn. De naam was afgeleid van de Amsterdamse Willemsparkweg, die als Willem Sparkweg werd opgevat.

Ik kende het verhaal uit De gijzelaars van Sint Michielsgestel. Een elite-beraad in oorlogstijd (1979) van Madelon de Keizer, maar voordat ik me uit mijn stoel verhief en mijn boekenkast opzocht, tikte ik, zoals dat vandaag de dag gaat, eerst even ‘William Spark’ in Google in. Ik had per ongeluk Google Books open staan, en wat schetst mijn verbazing? Als eerste zoekresultaat kwam het boek Musical Memories van William Spark uit 1888 naar boven! En direct daaronder verscheen een tweede titel: Musical Reminiscences. Past and Present uit 1892 van dezelfde auteur. Ik raakte echt even in de war en dacht: heb ik het dan verkeerd onthouden? Zat het verhaal over William Spark dat ik vaak opgehaald had of waaraan een referentie soms genoeg was, omdat velen het immers blijken te kennen, dan helemaal anders in elkaar? Bestond er dan wel degelijk een Britse musicus met die naam, doelde men ook wel degelijk op hem en was de grap met de Willemsparkweg dan anders van opzet?

Nu haastte ik me met des te meer spoed naar de planken die de boeken over de Nederlandse twintigste eeuw dragen, en pakte het vertrouwde en druk onderstreepte boek van Madelon de Keizer. De passage was niet moeilijk terug te vinden, omdat op bladzijden ervoor zelfs afbeeldingen van William Horace Lawrence Spark en diens echtgenote Amalia opgenomen waren. Het verhaal bleek zo te zijn als ik me herinnerde en zoals ik het hierboven kort naverteld heb – zo’n datum heb ik uiteraard niet in mijn hoofd. Ook een werk dat er net naast stond, Een ruwe hand in het water. De gijzelaarskampen Sint-Michielsgestel en Haaren (1993) van Saskia Jansen, Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel en J.C.H. Blom – de een heeft achternamen, de ander initialen, zullen we maar zeggen – bevatte hetzelfde verhaal, iets soberder verteld en met een klein detailverschil. Terwijl bij De Keizer de aanwezigen woedend worden als ze na afloop van de plechtigheid te horen krijgen dat het een grap was geweest die door de naam van de Amsterdamse straat was ingegeven, krijgen ze in het verhaal van Saskia Jansen zelfs nog niets door als die straatnaam al tijdens het programma genoemd wordt. Toen ik hierna nog eens verder op internet keek, zag ik dat er zelfs een speciaal Wikipedia-lemma over Willem Spark bestaat. Men vindt daar ook de verwijzing naar de na de oorlog uitgegeven The Spark Papers en nog meer aardige details, zoals dat de grap dus inmiddels een heuse Willem Sparkweg in het leven heeft geroepen, waar ik dan zelf nog maar aan toevoeg dat er tegenwoordig zelfs een kinderdagverblijf is dat Willem Sparkje heet. Op Wikipedia is de bewering overigens dat Spark op 24 juni 1843 geboren zou zijn, mijn twee boeken houden het op zijn fictieve overlijdensdatum en dat geloof ik vooreerst meer. Ook in fictie heb je meer en minder waar.

Ondertussen blijkt er dus wel degelijk een Engelse musicus genaamd William Spark (1823-1897) geleefd te hebben. Hij was componist, dirigent en organist en moet een groot man te Leeds zijn geweest. En hij schreef dus meerdere boeken. Men kan dat desgewenst allemaal opzoeken, maar mij interesseert dat nu niet in detail. De Britste componist William Spark die werkelijk geleefd heeft, en de verzonnen Britse componist William Spark die stierf toen de ‘echte’ negentien was, blijken bij nader inzien niets met elkaar te maken te hebben. Maar dat moest ik eerst wel even uitzoeken. Sinds internet horen we ook van dingen die we niet eens willen weten.

-

Gelukkig kan men zich heden ten dage niet goed een gijzelaarskamp in Nederland voorstellen, maar onder dergelijke condities waar iedereen volledig van de buitenwereld is afgesloten, zou men zich een vergelijkbare grap waarschijnlijk nog wel kunnen voorstellen. Maar sinds iedereen elementaire feiten in Google kan intikken of intoetsen, kun je sommige dingen zo uitzoeken. Van een boek als Marbot zou geen enkele recensent nu nog langdurig in de war raken.

Toch is het nog niet zo lang geleden dat dat wel kon. Ik herinner me dat ik in 1999 voor Trouw het boek Zaraffa. De geschiedenis van een giraffe van Michael Allin besprak. Dat dat gebeurd is, kan men nog vinden, maar op internet is het stukje ernstig in het ongerede geraakt. Het kan best een kortje van 400 woorden geweest zijn, maar ook een langer stuk; ik weet het niet meer (en mijn stukjes uit die tijd heb ik nooit structureel bewaard). Het kan zijn dat ik toen thuis net internet had, of misschien ook niet, op het werk in ieder geval wel. Maar dat was de begintijd waarin nog niet erg veel informatie beschikbaar was. Of je kwam eenvoudig nog niet op het idee om alles automatisch op te zoeken in Altavista of Yahoo, ik weet het niet meer. Maar ik herinner me nog wel dat ik dat boek wat wantrouwend las. Het was mooi, literair, gedetailleerd, maar ook zonder literatuuropgaven, en steeds vroeg ik me af of de auteur in een raamwerk van historisch kloppende feiten niet een fraai fantasieverhaal in elkaar had geflanst. Destijds kon je zoiets heel moeilijk op grond van je boekenkast uitzoeken, nu kon ik zo in een paar klikken vaststellen dat het verhaal wel degelijk op werkelijkheid is gebaseerd.

Data kon Stapel kennelijk nog wel uit zijn duim zuigen, maar er zijn vormen van bedrog, zoals plagiaat, die enerzijds door internet gemakkelijker begaan kunnen worden, maar anderzijds ook eerder op zullen vallen en daarom door een geraffineerd oplichter niet zo snel meer toegepast zullen worden. En er wordt op internet ongetwijfeld ook veel onzin verteld en vooral doorverteld (waarbij het kritiekloze kopiëren vaak een goede eerste indicatie vormt). Maar het medium maakt het je soms ook onmogelijk om dingen niet te weten.

En dat is een geruststellende gedachte.

(16)

20 oktober 2011

Technologie is verlangen

.:.

Wie wil weten hoe mensen in elkaar zitten, moet niet naar binnen kijken, maar naar buiten. In de buitenwereld zoals die zich voor onze ogen ontvouwt, de wijze waarop mensen hun wereld ingericht hebben, zien we wat er in het menselijk hart leeft.

Met buitenwereld bedoel ik in dit geval uiteraard alles wat er buiten de mens als zodanig is en dat kan zowel buitenshuis als binnenshuis zijn. Technologie markeert de overgang van behoefte naar verlangen. Technologie is verlangen. Dat we allen regelmatig in de Albert Heijn of een andere supermarkt aan te treffen zijn, is een uiting van behoeften. We moeten wel eten. Maar dat we als we uit het raam kijken, auto’s zien, en dat we, als we s’avonds in huizen naar binnen kijken, grote televisieschermen zien oplichten, dat is een uiting van verlangen. Zonder zouden we ook kunnen overleven. Overigens komen de meeste mensen ook in de supermarkt voor meer dan het strikt noodzakelijke, als ik afga op de vele meldingen op Twitter van lieden die ’s avonds laat gezellig een wijntje inschenken.

Sinclair C5 - zo verlangen mensen er niet bij te zitten (foto: Wikipedia)

Technologie is een kwestie van dingen maken, maar dan op grond van kennis, uitgebreide kennis, wetenschappelijke kennis vaak. Uiteraard valt er van tevoren vaak niet te voorspellen wat er mogelijk is en wat er gevonden wordt. Wetenschappers en technologen zijn op zoek naar het ene en vinden dan het andere. Serendipiteit heet dat. Niet alles wat mensen verlangen, kan ook. Tijdreizen bijvoorbeeld, een verlangen dat direct geuit werd toen het nieuws over de mogelijk te snelle neutrino’s naar buiten kwam. Maar het omgekeerde is ook waar, niet alles wat mensen kunnen, verlangen ze ook. En men kan wel maatschappijkritisch tegenwerpen dat de moderne industrie en de reclame allerlei behoeften die we niet hebben, creëren, als al die producten toch niet aansloten op een latent verlangen van mensen, zouden ze geen schijn van kans maken.

Een geschiedenis van mislukte producten van techniek en technologie is zeker zo inzichtgevend als eentje van geslaagde doorbraken. De Concorde is een voorbeeld van een supersonisch vliegtuig dat het vooralsnog niet gehaald heeft. Daar zijn misschien concrete verklaringen voor: wat er misging met het toestel, de milieuonvriendelijkheid, de hoge kosten. Maar ik denk ook: de geringe tijdwinst ten opzichte van het reizen van en naar luchthavens en de tijd die nodig is voor het inchecken en vanwege de veiligheidsmaatregelen. Het verlangen naar snelheid is op een gegeven moment wel gestild. Ook de Fyra tussen Amsterdam en Rotterdam schijnt het nog niet zo goed te doen, omdat lang niet iedereen de extra kosten voor de relatieve tijdwinst over heeft.

Een ander voorbeeld – ik heb het vaker genoemd en moet eens een beter verzinnen – is de beeldtelefoon of videotelefoon die volgens mijn feilbare herinnering zo in de jaren tachtig door Wim Bosboom via de Tros al gepusht werd. Het ding was misschien toen nog te imperfect, de beeldjes te traag, maar als het product aan een werkelijke behoefte had voldaan, was het er wel overal gekomen. Maar dat deed het niet. Je wilt niet elke keer dat je de telefoon opneemt, met je verwarde kop, net vanonder de douche, in beeld. Maar de beeldmogelijkheden op mobieltjes hebben het wel gehaald. De gebruiker kan nu zelf richten, op het moment dat hij zelf iets wil tonen, of dat nu zichzelf is of de omgeving. Skypen heeft het wel gehaald voor mensen die elkaar uit de verte bij speciale gelegenheden willen zien. Die laatste opties sluiten wel aan bij menselijke verlangens, de eerst bedachte statische optie niet.

Ondanks dat we tegenwoordig bezweren dat mannen en vrouwen gelijk zijn, in de zin van gelijke rechten en mogelijkheden, denk ik nog steeds dat de wereld buitenshuis vooral door mannen bepaald is. Er komen steeds meer vrouwelijke architecten, maar tot dusverre is onze gebouwde omgeving vooral door mannen bepaald, vermoed ik. En hoewel zowel vrouwen als mannen zich per auto verplaatsen, zijn auto’s tot op heden typische mannendingen gebleven. Als alleen vrouwen erin reden, zou het wagenpark er anders uitzien. Of het echt waar is, weet ik eigenlijk niet, maar het is een soort volkswijsheid dat veel technologische nieuwigheden uit de militaire industrie voortkomen, en hoewel er tegenwoordig ook vrouwen in legers dienen, is dat nog steeds een mannenwereld, waarin mannelijke fantasieën – steeds sneller, steeds harder, steeds vernuftiger – tot uiting komen.

En hoewel mensen ongetwijfeld samen hun woning inrichten, vermoed ik dat vrouwen nog steeds de meeste invloed hebben op wat er bij de Ikea en de Blokker te vinden is. Er wordt wel eens neerbuigend gedaan over wat er in dergelijke winkels te koop is, maar ik geloof dat dat niet terecht is. Het gaat niet alleen om het vervullen van praktische behoeften – je moet een bed hebben om in te slapen – maar ook wel degelijk om smaak, om wat mensen mooi vinden. De betrekkelijke leegheid van moderne woonkamers, de ruimte, is trouwens ook een uiting van rijkdom. Een generatie of twee geleden hadden ook arbeidershuisjes in Utrecht een speciale voorkamer, waar men nauwelijks zat, maar waar de mooie meubels stonden, en stonden kamers in de Jordaan vol met allerlei snuisterijen – een teken van opkomende welvaart: men had wat en men bewaarde het. De leegheid van nu is een teken van rijkdom: men kan weer eens wat nieuws kopen, als dat zo uitkomt.

De versnelling van de wereld, waar ik het gisteren over had, de mogelijkheid om met iedereen overal snel te communiceren, is wel bij uitstek een uiting van menselijk verlangen. Daarom kun je ook voor internet en wat daarmee samenhangt, de communicatietechnologie, voorspellen dat die technieken toekomst zullen hebben, die voldoen aan elementaire menselijke verlangens: die van wederzijdse communicatie en misschien wel geborgenheid. Second Life was misschien een leuk speeltje, maar meer was het niet. Het stond letterlijk buiten de gewone leefwereld. Mensen zoeken geen tweede leven, behalve dan in de verstrooiing van amusement of film of wat we maar hogere cultuur zullen noemen, waar ze trouwens vaak samen, al dan niet op de bank, van genieten. Mensen zoeken nabijheid in het echte leven. Twitter en Facebook zullen ongetwijfeld veranderen, transformeren, opgaan in iets nieuws of erdoor vervangen worden, maar ze voldoen aan de elementaire menselijke behoefte aan gesprek en communicatie. Ze zijn sociaal, zoals dat heet, en dat zegt alles.

Een Vertrouwde Wereld noemde Henri Baudet in 1986 zijn boek over 100 jaar innovatie in Nederland, zoals de ondertitel luidt. Daarmee gaf hij precies aan waar het om gaat. Het ging om nieuwe dingen, die toegeëigend werden, omdat ze aan menselijke verlangens beantwoordden. Hij had het over de ballpoint – zo schreef hij dat nog – de fiets, de elektrificatie van de wereld en de radio. Hij had het over de televisie en de fonograaf en de grammofoon – de CD was toen net in opkomst – en de auto, maar ook over de wasmachine, de koelkast, de stofzuiger en nog veel meer. Ik ga nu de inhoudsopgave niet overschrijven. Hij had het in ieder geval over dingen in het huishouden en daarbuiten. Al die dingen werden vertrouwd, omdat ze niet alleen aan menselijke behoeften, maar ook aan menselijke verlangens voldeden. Hij liet ook dat malle karretje van Sir Clive Sinclair zien, dat het niet haalde: geen auto, te klein en je zat er te laag en te hulpeloos bij. Sinds de wetgeving veranderd is en een bromfiets niet langer een rijwiel met hulpmotor hoeft te zijn en dus geen trappers meer hoeft te hebben, heeft de scooter wel weer enorme opgang gemaakt: daar zit je tenminste soeverein op – zie hoe zelfbewust jonge vrouwen op zo’n ding er uitzien – en heb je overzicht.

Technologie heb ik in dit stukje misschien wel erg breed opgevat. Ik had het ook over de producten van menselijke cultuur. Soms vereisen die veel kennis, wetenschappelijke kennis ook, soms nauwelijks meer dan waar de mensheid vijf of tien eeuwen geleden ook al over beschikte. Maar wat blijft staan, is dit: wie wil weten wat er in menselijke harten leeft, moet kijken naar de wereld die ze scheppen.

(10)

Tags:
19 oktober 2011

Hoe de tijd zich verdicht

.:.

Wat is het leven toch haastig! De ontwikkelingen in de wereld gaat steeds sneller. Dat zijn opmerkingen die men vaak hoort en die kennelijk het levensgevoel van veel mensen weergeven.

Het zijn wel verzuchtingen die men naar idee gevoel al ruim een eeuw hoort, langer zelfs. Ik zou nu even in Johan Huizinga’s In de schaduwen van morgen (1935) kunnen gaan graven, maar ik denk dat u me zo ook wel gelooft. Ik heb eigenlijk de indruk dat de opmerking al sinds het begin van de Industriële Revolutie en dan vooral sinds de introductie van de trein, dus zo ongeveer het midden van de negentiende eeuw, toen het spoorwegnetwerk in veel landen serieuze vormen begon aan te nemen, veelvuldig geplaatst werd.

Er is zelfs een denker, Paul Virilio, die zijn hele oeuvre, of althans een groot deel daarvan, gebaseerd heeft op het verband tussen technologie en snelheid. Hij heeft daar zowaar een speciale naam voor bedacht: dromologie, de wetenschap of, misschien beter, de beschouwing en bestudering van de versnelling van de wereld. Ik heb daar slechts zijdelings iets over opgevangen en het oeuvre van Virilio niet gelezen. Wel kwam bij mij naar aanleiding van wat inleidende literatuur over de man – die ik ook al weer even geleden tot me genomen heb – de verdenking of de vraag op of het ook niet om een trucje gaat. Als je eenmaal een vast thema hebt, van waaruit je de wereld kunt bezien, kun je het ene na het andere onderwerp vanuit dat perspectief behandelen.

Het is een beetje hetzelfde gevoel dat ik ook krijg als ik de laatste reeks titels van de socioloog Zygmunt Bauman, over wie het gisteravond in Felix & Sofie ging, bekijk. Sinds zo ongeveer de eeuwwisseling schrijft hij het ene boek over vloeibare moderniteit: Liquid modernity (2000), Liquid Love (2003), Liquid Life (2005), Liquid Fear (2006), Liquid Times (2007) – dat nu dus net in het Nederlands is verschenen: Vloeibare tijden. Leven in een eeuw van onzekerheid –, 44 Letters from the Liquid Modern World (2010) en Culture in a Liquid Modern World (2011). Het is misschien niet netjes van me, maar dan komt bij al gauw de gedachte bij me op dat ik zo nog wel een paar titels kan bedenken. Virilio liet het tenminste bij, als ik goed gekeken heb, twee titels die het begrip snelheid in de titel droegen: het beroemde en grondleggende Vitesse et politique (1977) en La vitesse de libération (1995). Maar deze opmerking wil niet zeggen dat beide mannen geen behartigenswaardige zaken aan de orde zouden stellen. Als ik de tijd had – daar heb je het al, de haast en het tijdgebrek – zou ik hun werken graag nader bestuderen.

Niet helemaal toevallig noem ik beide denkers tegelijk. Ze hebben het beiden over de huidige samenleving en de huidige moderniteit, die Bauman in tegenstelling tot de oudere, vaste of solide vorm van moderniteit dus vloeibare moderniteit noemt. Heel grof getypeerd beschrijft hij de fase van wat in Nederland de verzuiling heet – waarbij de vaste kaders overigens meer in de beeldvorming dan in de historische werkelijkheid bestonden – en de tijd van na de ontzuiling: de differentiatie in allerlei thematische bewegingen, de overgang van wat Peter van Dam zware naar lichte gemeenschappen noemt. De oude sociologische tegenstelling tussen traditie en moderniteit is bij Bauman nu dus vervangen door die tussen de eerste en de latere fase of vorm van de moderniteit. De viriliaanse snelheid van het huidige leven en de baumanteske onvastheid hangen ongetwijfeld samen.

-

Maar er is ook nog een andere kant: die van de verdichting van de tijd. In zekere zin zou je kunnen zeggen dat met name internet de vluchtigheid die gegeven is met ons bestaan als wezens die aan de tijd zijn onderworpen, zo niet uitschakelt dan toch ietwat neutraliseert. Snelheid is gericht op het overbruggen van afstanden, de ruimte. Duurde het enkele eeuwen geleden enkele maanden voordat een bericht uit Batavia over was, nu lees je binnen een seconde op Twitter wat een correspondent daar opvalt. De moderne communicatietechnologie omspant de hele wereld. Als het om informatie gaat, zijn afstanden in feite uitgeschakeld. Daarmee is ook een vorm van gelijktijdigheid geïntroduceerd: de hele wereld – althans dat welvarende deel dat toegang heeft tot informatie en de tijd ervoor heeft en niet behoort tot de arbeiders die zich in Chinese fabrieken afsloven om al dat fraais voor ons voor een prikkie te maken – kan direct met elkaar communiceren. In dat opzicht is met de afstand ook de tijd uitgeschakeld.

Maar de verdichting van de tijd gaat verder. Ook het verleden blijft dichterbij en komt dichterbij. Alles wordt digitaal vastgelegd. Nou ja, niet alles, veel. Je hoeft radio- en tv-uitzendingen niet meer live te volgen, als je achteraf hoort dat iets interessant was, kun je het alsnog bekijken. Dat heeft trouwens als nadeel – ik hoorde daar pas een concreet voorbeeld van – dat sommige mensen niet meer willen of van hun werkgevers niet meer mogen opdraven: ook als je iets ongelukkigs of onhandigs zegt, ligt dat immers ook voor de eeuwigheid vast – maar dit terzijde. Het heden vervluchtigt niet meer, het wordt vastgelegd. Als je vroeger iets in een obscuur blaadje schreef of zelfs in een grote, door honderdduizenden gelezen krant, dan hadden na een paar jaar enkele mensen daar misschien nog een vage herinnering aan, maar vrijwel niemand had die tekst nog bij de hand. Men moest er voor naar een grote bibliotheek of documentatiecentrum.

Nu blijft alles vindbaar en in die zin ook bij je. Ik ben wel eens aangesproken op een tekst uit de jaren negentig, waar ik het lang niet in alle opzichten meer mee eens was. Maar iemand die die nu leest, kijkt je er nu op aan. Iemand die vroeger het tijdschrift uit die jaren op een leeszaal inkeek, was zich alleen door de gedateerde opmaak en door de afnemende kwaliteit van het papier al bewust van het tijdsverloop. Maar op een scherm is alles in zekere zin even actueel. Uiteraard bleef er ook vroeger wel oude informatie in moderne vorm beschikbaar. Ik heb Locke of Hegel echt niet in zeventiende- of negentiende-eeuwse uitgaven staan, maar gewoon in blauwe of groene paperbacks van Cambridge University Press of Felix Meiner Verlag. Maar dan ging het om een selectie van teksten die het verloop van de tijd, de gang der eeuwen overleefden en die we daarom terecht klassieken, of tegenwoordig ook wel klassiekers, geloof ik, noemen. Nu blijft rijp en groen in zekere zin even dichtbij.

En het gaat niet alleen om teksten die je ooit gepubliceerd hebt, het gaat ook om mensen die je gekend hebt. In bepaalde perioden van je leven kom je bepaalde mensen tegen, die je later uit het oog verliest. Je bent dan – meestal, hoop ik – blij verrast als je ze ineens op straat of op een bijeenkomst weer tegenkomt of ze op een dag in de krant ziet staan (waarbij ik dan even afzie van overlijdensberichten). Maar nu wijst de vriendenzoeker van Facebook je ineens op hun bestaan, als zij al geen verzoek van hun kant doen. Kortom, je hele verleden blijft present of wordt in ons geval weer present. Het maakt ook niet meer uit waar mensen wonen. Iemand die naar Brazilië of Zuid-Afrika verhuist, is weliswaar fysiek ver weg, maar via internet en andere media kun je de wederwaardigheden nog steeds volgen.

De tijd verdicht zich. Wat er was, blijft. Dingen gaan niet meer voorbij. Er komt nog steeds wel van alles bij: elke dag nieuwe teksten, regelmatig nieuwe mensen. Ze worden toegevoegd aan wat er al was. Maar onze levens veranderen: minder gaan we van de ene fase naar de andere, meer wordt er aan het bestaande of blijvende iets toegevoegd. Je kunt je verleden minder ontkennen, als je daar al behoefte aan zou hebben. Je kunt het in ieder geval minder vergeten. De technologie heeft met haar versnelling niet alleen afstanden overbrugd, maar ook de tijd dus verdicht. Het vroegere wordt gelijktijdig. Het heden heeft geen alleenrecht meer. Het verleden, vooral het recente verleden, dringt zich aan ons op.

-

Uiteraard is dit slechts een betrekkelijk verhaal. Het verleden is er niet uit zichzelf. Hoe bereikbaar het ook is, vaak moet het bewust opgezocht worden naar aanleiding van een vraag die zich nu aandient. Er is leven buiten het scherm en buiten internet en iPads en andere communicatiemiddelen die mensen overal en soms permanent bij zich dragen. De fysieke wereld blijft ons overweldigen. Het blijkt uit de verhalen van emigranten. Vroeger was iemand die naar Canada of Australië verhuisde, echt weg uit Nederland. De nieuwe omgeving was het enige directe referentiekader. Nu kan iemand in contact blijven met familieleden, vrienden en kennissen in het land van herkomst en gemakkelijker op en neer reizen. Maar nog steeds zie je dat de concrete leefomgeving de meeste indruk maakt.

Als het over de zogenaamde ‘integratie’ van immigranten gaat, wordt wel eens gevraagd of die niet vertraagd wordt doordat mensen geestelijk ook in hun oude omgeving blijven wonen. Maar uit alle ervaringen blijkt dat ook Marokkanen die elke zomer teruggaan naar Marokko, daar vooral op vakantie zijn, als vertrouwde vreemdelingen dus. Hun gewoonten en houdingen zijn primair Nederlands geworden, zij het soms misschien in de vorm van een specifiek Nederlandse deelcultuur, waarbij elementen gemengd zijn. De school, het werk, de mensen van vlees en bloed waar men mee omgaat, hebben veel meer invloed op het gedrag en het denken. Het is niet zo dat de virtuele wereld een parallelle eigen wereld is, een platoonse verdubbeling binnen onze wereld, ze is onderdeel van onze alledaagse fysieke wereld en wordt daarin ingepast. Ze verandert die wel, maar het concrete leven blijft voorgaan.

Maar ook in dat concrete leven praat je dan toch weer over de contacten en de informatie die via schermen en andere communicatiemiddelen deel van je leven zijn. Het bestaan kan dan soms vluchtig lijken, de snelheid van Virilio en de vloeibaarheid van Bauman kunnen ons soms overweldigen, tegelijk biedt de overbrugging van afstanden en de (recente) tijd ook een nieuw soort vastigheid. Al die gesprekken via mobieltjes die meestal nergens over gaan, geven wel structuur aan de levens van mensen: geliefden en vrienden zijn dichtbij. Niks vloeibaarheid, vastheid. Niks jachtigheid, vertrouwdheid.

De tijd verdicht zich. Maar het alledaags leven, van dag tot dag, gaat gelukkig voor.

.:.

Kort naschrift. Het kernidee van dit stukje, de verdichting van de tijd, stond al sinds afgelopen zaterdag – 15 oktober, volgens mij was het trouwens vrijdagavond laat, maar daar houdt digitale tijdbepaling geen rekening mee – toen ik de kern in een korte tweet, met een woord (zich) te weinig, samenvatte. Daar reageerde Roel Kuiper – de volgende ochtend, dezelfde kalenderdag – op met een belangstellende vraag, waarop ik in twee tweets - een, twee – een korte uitleg gaf.

De inhoud is mede bepaald door de genoemde avond in Felix & Sofie waarop de inspirerende Rotterdamse socioloog Willem Schinkel in een interview het werk van Zygmunt Bauman belichtte. Twee opmerkingen gaan terug op wat hij daar zei: die over mobiele telefoontjes, waar hij ongeveer hetzelfde over opmerkte als wat ik nu betoog, maar het was een gedachte die ik zelf ook al lang koesterde, en de terloopse over de Chinese arbeiders. Je kunt niet elk idee afzonderlijk toeschrijven en het zijn observaties die door menigeen gedaan worden.

Maar toch wilde ik dit nog even noemen, ook om een punt uit het stukje te illustreren: fysieke presentie blijft in veel opzichten prevaleren. Een bijeenkomst bijwonen en met je volle aandacht zijn bij wat daar te berde gebracht wordt, geeft veel meer aanleiding tot eigen gedachten dan alleen maar iets lezen via een scherm of in de krant of zelfs hetzelfde op radio of televisie horen. Mensen reageren op elkaar. Maar dat geldt ook, zij het in iets mindere mate, voor de technologische middelen die ons in staat stellen van afstand op elkaar te reageren. De vraag van Roel Kuiper dwong me om nog iets nader toe te lichten wat ik kort opschreef.

Met name Twitter is niet primair een medium van mensen die ‘zenden’, maar van mensen die op elkaar reageren. Dat verschaft er de levendigheid aan en dat maakt het ook onderdeel van ons alledaagse leven. Mensen zijn interacterende wezens, om het maar eens lelijk te zeggen. Of gewoner: ze praten met elkaar, tegenwoordig ook op afstand.

(9)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.456 other followers