Archief voor ‘Geschiedfilosofie’

18 oktober 2011

Behoren – over nationale trots en schaamte

.:.

Het is een misverstand dat mensen blanco ter wereld zouden komen. Ze worden altijd in bepaalde verbanden geboren en, meer nog, ze groeien in bepaalde omstandigheden op. Mensen kunnen zich misschien tot zoiets als zelfstandige persoonlijkheden of personen – dat lijken me betere termen dan het huidige individu, dat trouwens ook al een grotere samenhang veronderstelt die je tenslotte niet verder kunt opdelen dan in concrete mensen van vlees en bloed – ontwikkelen, ze groeien zonder dat ze daar wat over te zeggen hebben, op in een bepaalde omgeving.

'Onze' Tachtigjarige Oorlog in de ogen van de vijand

Ik kom hierop omdat Schreibfieber me gisteren attendeerde op een twitteruitwisseling die we ruim een jaar geleden hadden en die ik helemaal vergeten was. Ze heeft die destijds uitvoerig op haar weblog gedocumenteerd en er een commentaar aan toegevoegd. Men kan dat zelf nalezen. Ik meen dat ik destijds beloofd had te reageren en doe dat nu alsnog. Beter laat dan nooit, zullen maar hopen.

Het begon met een twittergrapje van me: ‘Ach ja, Duitsers, hè?’ waarna ik verwees naar een artikel op de site van de NRC, dat meldde dat Duitse politici ‘verontwaardigd’ reageerden op de steun die het toen nieuwe Nederlandse minderheidskabinet in aanbouw kreeg en nog krijgt van een zekere als populistisch getypeerde politicus, die ik nu maar eens niet wilde noemen, omdat we het al veel te vaak over hem hebben. Wat ik deed, was een toespeling maken op een in Nederland helaas nogal gangbaar vooroordeel, maar dan door het om te draaien: dat Duitse politici hogere normen aanleggen en voor bepaalde ontwikkelingen mede op historische gronden veel gevoeliger zijn. Uit het volgende wat daar staat, moge blijken dat ik het zo bedoelde.

Op de laatste twee punten uit het commentaar van Schreibfieber wilde ik dus nu niet uitgebreid ingaan. Ik zou alleen nog terloops op willen merken dat men het Nederlandse populisme, evenals bijvoorbeeld het Deense, niet primair moet verklaren uit ontevredenheid of onbehagen – dat is helaas bij velen nog levende het hardnekkige misverstand, dat goed verstaan belemmert – maar eerder uit een luxesituatie, waarin men het zich kan permitteren eens wat uit de band te springen. Nederland en Denemarken behoren tot de meest welvarende landen ter wereld met relatief zeer gelukkige bevolkingen, die heel weinig te klagen hebben en voor wie wat gemopper of geschreeuw meer een aardigheidje is, dat men zich wel veroorloven kan. Het heeft immers toch nauwelijks consequenties. Wat mij betreft heeft Schreibfieber gelijk als ze stelt dat het om een nieuw fenomeen gaat.

En dat minstens zeventig procent van de bevolking van een land dom is, dat geloof ik ook niet. Ik geloof wel dat veel mensen niet zo goed geïnformeerd zijn en vaak allerlei dingen roepen over zaken waar ze geen verstand van hebben, maar als je eens persoonlijk met ze doorpraat, dan zijn ze meestal de redelijkheid zelve. Over gezond verstand – Descartes merkte het al op en hij bedoelde dat niet ironisch – beschikt elk mens, nou ja vrijwel elk mens, wel. Maar het blijkt pas als men het redelijke gesprek aangaat en mensen vraagt zich nader te verklaren. Dan vallen ze, het is althans mijn ervaring, bijna altijd mee.

-

Het gaat me nu om iets anders. Dat je zonder dat je daar veel aan kunt doen, in de loop van je leven nu eenmaal allerlei bindingen oploopt. Je kunt die beamen, je kunt je ertegen afzetten, je kunt ze negeren, je kunt ze ontvluchten, maar altijd zijn ze er en altijd heb je er een verhouding tegenover. Je kunt emigreren naar een ver land en dan nooit meer een woord over je vroegere verleden spreken, maar als het om een belangrijk of interessant persoon gaat, zal een latere biograaf op zijn minst aansnijden waar het zwijgen of de vlucht uit voortkwamen.

Dat die bindingen en de bijbehorende houdingen dus ‘uitwisselbaar’ of contingent zijn, daarover ben ik het volkomen met Schreibfieber eens. Als Nederlanders of Nepalezen hetzelfde meegemaakt hadden als Duiters in het Derde Rijk, zouden ze – mogen we althans hopen – precies zo reageren als Duitsers nu: veel gevoeliger voor wat ook maar in de verte aan die periode doet denken. Maar, dat is het punt, dat hébben ze niet. Zij hebben hun eigen verleden zoals Duitsers het hunne hebben. Dat dat op persoonlijk niveau volstrekt uitwisselbaar is, dat is dus juist. Mensen kunnen heel lang vlak bij elkaar een twee zijden van een grens een volstrekt gelijksoortig leven leiden, totdat omstandigheden, politieke vaak, hun leven zonder dat ze daar verder veel aan kunnen doen, een andere kant opstuurt. Ik ken dat soort verhalen wel uit de buurt van Bentheim, een gebied dat vanouds erg op Overijssel en Drenthe betrokken was. Ineens gingen de levens uit elkaar, maar na de oorlog konden mensen soms ook weer persoonlijk met elkaar spreken over het verdriet dat ze ervaren hadden.

Ik herinner me dat ook wel uit de jaren tachtig in Israël, waar ik met Duitse vrienden optrok. Soms zag je bij wijze van spreken al uit de verte dat je met een Jecke (of Jekke) van doen had. Maar de code was: eerst een paar woordjes Hebreeuws, om je goede wil te tonen, dan overgaan op Engels en dan wachten tot het moment dat de ander vroeg of we niet gewoon Duits konden praten. Die Duitse vrienden van me hadden persoonlijk uiteraard helemaal niets met het Duitse verleden te maken, maar ze kwamen nu eenmaal uit Duitsland, ze wisten hoe er tegen mensen uit dat land aangekeken kon worden en daarom houd je rekening met percepties en gevoeligheden. Op een onschuldiger wijze heb ik dat als jongeling fietsend in de Belgische Voerstreek, waarvan ik toen niet eens wist wat dat was en dat ze daar direct over de grens bij Eijsden al Frans spraken, ook wel meegemaakt: mensen wilden eerst weten of we uit Nederland kwamen en dan wilden ze ons best in het Nederlands te woord staan. Als we Belgische landgenoten met een andere moedertaal geweest waren, was hun houding kennelijk anders geweest.

-

Mijn punt is: dat verleden van een groep waar je toebehoort, is niet je eigen verleden, maar op een bepaalde wijze heb je het wel geërfd. Dat geldt ook voor Nederlanders in Indonesië: die stammen toch maar af van de vroegere kolonisator. Je wordt niet blanco geboren en je groeit al helemaal niet blanco op. Je draagt van alles met je mee, zowel in negatieve als in positieve zin, en ik denk dat dat laatste gelukkig het meest het geval is. Dat geldt wat mij betreft ook voor Duitsers, vooral in de huidige Europese constellatie. Je kunt zeggen wat je wilt, maar de Duitse politieke cultuur heeft zich sinds het ontstaan van de Bondsrepubliek in 1949, of eigenlijk al vanaf de Stunde Null vier jaar eerder, op een voorbeeldige wijze ontwikkeld (wat voor een kanttekeningen iemand op detailniveau wellicht ook wil plaatsen). Duitsland is het meest pacifistische land in Europa en het is een groot geluk dat de Europese Unie bepaald is door de as tussen eerst Bonn en later Berlijn en Parijs. Bij lieden als Helmut Kohl en François Mitterand zag je dat nog: dat nooit weer, dat dreef hen. En het is een even natuurlijke ontwikkeling dat de verhouding onder enerzijds Gerhard Schröder en Angela Merkel en anderzijds Jacques Chirac en Nicolas Sarkozy verder genormaliseerd is. De geschiedenis gaat verder en nieuwe generaties treden aan, die het verleden niet meer zo rechtstreeks met zich meedragen, maar er wel de erfgenamen van zijn – in positieve zin vooral.

Voor overdreven Nationalstolz is inderdaad geen plaats. Maar een zekere trots of schaamte is onherroepelijk met je land verbonden. Jij maakt er nu eenmaal deel van uit en in die zin is het ook van jou. Je kunt, als je als historicus doende bent, wel zorgvuldig proberen te vermijden om over ‘wij’ en ‘ons’ te schrijven als het over bijvoorbeeld Nederland tijdens de Opstand of in de Gouden Eeuw gaat – ik probeer consequent over de Nederlanders of zoiets te schrijven –, het is onvermijdbaar dat die geschiedenis of voorgeschiedenis van wat nu je land is, in zekere zin wel degelijk bij jou hoort. Je als Nederlander bezighouden met Amsterdam in de zeventiende eeuw is iets anders dan je verdiepen in de vast en zeker nog boeiender geschiedenis van Parijs of Londen – of Bagdad – in die dagen. Je verhoudt je anders tot het object van belangstelling, al zul je zeker iedereen recht moeten doen en al is het heel interessant om eens kennis te nemen van Spaanse visies op wat wij – daar heb je het al – de Tachtigjarige Oorlog noemen. Maar het is ook weer niet toevallig dat de auteur van De Tachtigjarige Oorlog in Spaanse ogen. De Nederlanden in Spaanse historische en literaire teksten (circa 1548-1673) (Nijmegen, Vantilt, 2003) Yolanda Rodríguez Pérez heet, al is het ook weer geen noodzaak. Als historicus, maar ook als hedendaags wereldburger zul je iedereen recht moeten doen, ook mensen met een ander perspectief, maar het is wel zo verstandig om jouw specifieke, door historische omstandigheden bepaalde perspectief te onderkennen en daar dan op een eerlijke wijze mee om te gaan.

Als ik met Duitse vrienden spreek, gebeurt dat in volle vriendschap, maar in alle openheid gaat het toch over ‘bei uns’ en ‘bei euch’. Ik weet nu eenmaal net iets meer van politiek Den Haag en kan dat uitleggen – zo gaat dat bij ons – en zij kunnen mij beter vertellen hoe het in Stuttgart of Berlijn verloopt – zo gaat dat bij hen. En ondanks mijn pogingen om vooral maar geen het eigen land verheerlijkende nationalist te zijn, kon het me dus toch wel eens overkomen dat ze mij, die alleen maar vol vuur vertelde hoe bepaalde zaken Nederland aangepakt werden – vroeger was dat vaak het zogenaamde ‘gedoogbeleid’, wat mij betreft overigens een uiting van nogal conservatieve praktische zin (zowel de norm als de praktische afwijking erkennen) – ineens gekscherend toevoegden: ‘Jan Dirk, du bist ein Patriot’. Je hoort nu eenmaal ergens bij.

Op een onschuldig niveau merkt men dat ook wel als men in het buitenland ineens geconfronteerd wordt met landgenoten die nogal luidruchtig en ongemanierd zijn. Dan denk je toch al gauw: daar wil ik niet bijhoren, ik houd mijn mond zorgvuldig dicht en laat niet merken dat ik ze versta. Ja, dat is een vorm van schaamte, lichte weliswaar, maar toch. Onvermijdelijk. Er is nu eenmaal iets dat je daar met die mensen verbindt, de taal, de afkomst, terwijl je ze in Nederland zelf dus niet eens zou opmerken. Een zekere schaamte en een zekere trots zijn onvermijdelijk verbonden met de groep waar je bijhoort. En dat kunnen uiteraard allerlei verschillende groepen op allerlei niveaus zijn. Wat men tegenwoordig wel een identiteit noemt – ook zo’n ietwat misleidend woord dat suggereert dat je iets ‘bent’, terwijl het in feite over relaties en toebehoren gaat – is gelukkig niet enkelvoudig. Mensen hebben allerlei identiteiten omdat ze tot allerlei groepen behoren. Daar hoort ook de hoedanigheid van mens of voor mijn part wereldburger bij, die ons met alle mensen op de wereld verbindt. Die is er gelukkig ook, maar die wist niet uit dat we ook Chileen of Duitser of Iraniër of Nederlander zijn, zoals we daarnaast ook nog Zeeuw of Saks of wat dan ook kunnen zijn. Het een sluit het ander niet uit. Het gaat om relationele verhoudingen en in verschillende contexten spelen ze een andere rol, soms belangrijk, soms ondergeschikt.

-

Wat mij betreft mogen Duitsers best wel een beetje – een beetje, meer niet – trots zijn op de politieke cultuur met hoge normen die ze ontwikkeld hebben, zoals Nederlanders zich tegenover buitenlanders best een beetje – opnieuw: een beetje – mogen schamen voor de toestanden die we hier de laatste tien jaar beleefd hebben, al denk ik echt niet dat Nederlanders en Duitsers op persoonlijk niveau nu zo verschrikkelijk anders in elkaar zitten. Collectieve identiteiten zijn nu eenmaal een onderdeel – meer niet – van complexe persoonlijke identiteiten. Het is niet verstandig om al die bindingen of ‘identiteiten’ te ontkennen, het is wel verstandig om ze niet te verabsoluteren. Als het erop aankomt, ben ik het dus, denk ik, helemaal met Schreibfieber dat wij ons als mensen beter maar niet ‘national abgrenzend entwerten oder loben’ kunnen. Maar ik ben het niet met mezelf uit de conversatie eens dat ‘kosmopolitisme’ beter is. Je kunt het een beetje proberen, maar het is veel te pretentieus en iets proberen te zijn dat je niet kunt waarmaken, dat is niet verstandig. En dat geldt misschien ook voor die ‘wereldburger’ die ik hiervoor argeloos opvoerde. We zijn die we zijn mede door de erfenis die we hebben meegekregen. We kunnen ons wel op onze eigen, persoonlijke wijze daartoe verhouden.

En soms kunnen we er grapjes over maken. Want ik noemde weliswaar Duitsers, maar ik had het natuurlijk over Nederlanders en hun houding.

(8)

17 oktober 2011

Het gezag van de geschiedenis

.:.

Mensen hebben het verleden nodig, al was het alleen maar ter bevestiging.

Neem nou dit. Gisteren twitterde Arend Jan Boekestijn, bekend van Twitter en van zichzelf: ‘Adam Smith was groot voorstander van toezicht op banken,’ waarna een verwijzing naar een al wat ouder stukje ‘Adam Smith On Banking Regulation’ op de weblog Adam Smiths’ Lost Legacy volgde. Daar konden we lezen dat de bekende econoom Paul Krugman begin vorig jaar schreef dat zelfs – of misschien beter: ook – Adam Smith betoogde dat regulering van banken even noodzakelijk is als brandweervoorschriften dat zijn voor gebouwen in steden.

Uil van Minerva - door Gaia Azzaroli (Gazza)

Smith had natuurlijk gelijk, maar daar gaat het hier niet om. Wat is het nut van een dergelijke verwijzing? En dan bedoel ik zowel door Krugman als door Boekestijn. Dat Smith iets betoogde dat we anders nooit gezien zouden hebben? Nee, dat niet. Zijn woorden moeten gezag bijzetten aan het betoog dat overheden uiteindelijk altijd zullen besluiten om omvallende banken te redden en dat regulering alleen al nodig is om te voorkomen dat het zover komt. Krugman keert zich tegen lieden waarvan hij veronderstelt dat ze zich wel eens op de vrijemarktprincipes van Smith zouden kunnen beroepen. Een dergelijk beroep wil hij bij voorbaat uitschakelen. Dat wat hij nu ziet, dat zag Adam Smith ook al en het wordt door de hele geschiedenis sindsdien bevestigd. En dat Arend Jan Boekestijn juist hiernaar verwees, moet een soortgelijke functie hebben. Zo van: je kunt nu wel denken dat alles op zijn beloop laten liberaal is, maar dat is helemaal niet zo en zelfs Adam Smith zag dat al.

Geschiedenis verleent hier dus gezag. Zakelijk gesproken zou je natuurlijk kunnen stellen dat dat helemaal niet nodig is. Je hebt een probleem en daar zoek je een oplossing voor. Uit zichzelf gaat het soms niet goed met de banken en daarom moet je wel regels stellen. Als er nooit eens kinderen van speeltoestellen vielen en een gat in hun hoofd opliepen, was het niet nodig om regels omtrent de veiligheid te stellen, maar nu dat wel gebeurt, is het wel zo verstandig dat wel te doen. Zoals kinderen kunnen vallen, kunnen banken dat ook en in beide gevallen kun je beter maar voorzorgsmaatregelen treffen. Zo werkt politiek en zo werken overheden: het gaat om het oplossen en liever nog voorkomen van problemen die een algemeen belang dragen. Op zich zou een systematisch antwoord zou voldoende moeten zijn. Waarom dan toch nog een beroep op de geschiedenis? Omdat die dus gezag verleent.

In dit geval gebeurt dat op twee manieren: indirect en rechtstreeks. In feite gaat het er primair niet om dat Krugman zich zelf argumentatief op Smith beroept, hij wil een ander mogelijk beroep op het gezag van Adam Smith bij voorbaat uitschakelen. Anderen, vrijmarktideologen, zouden zich wel eens op Smith kunnen beroepen, maar in dit geval zal ze dat niet lukken. Als Smith per ongeluk het omgekeerde betoogd had, zou Krugman zijn eigen opvattingen echt niet gewijzigd hebben, vermoed ik zo. Hij zet gezag in tegen vermeend gezag. Maar er is nog iets. Hij beroept zich ook op de ervaring sinds Smith. Steeds weer heeft de geschiedenis hetzelfde laten zien: de les die Adam Smith al getrokken had, is daarna telkens weer bevestigd. In die zin verleent de geschiedenis wel degelijk rechtstreeks gezag: we beweren niet maar zo wat, mensen hebben dat steeds al gezien – en vooral aan den lijve ervaren.

Het gaat om de wijsheid der eeuwen.

Afbeelding door Gaia Azzaroli (Gazza): ‘Die Eule der Minerva beginnt erst mit der einbrechenden Dammerung ihren Flug.’ G.W.F. Hegel, Grundlinien der Philosophie des Rechts (1821). 

(7)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.456 other followers