Archief voor ‘Geschiedenis’

5 mei 2012

‘Een eerste verbroederingsgedachte’ – Een burgervader in Vorden

.:.

Gisteravond ben ik weer eens naar de Nationale Herdenking op de Dam gegaan. Ik vond dat nodig. Vroeger ging ik met enige regelmaat, maar eigenlijk kun je via de tv het hele gebeuren veel beter volgen en maken de woorden dan nog meer indruk. Maar dit keer wilde ik erbij zijn. Er gewoon zijn. Op de Dam staan tussen een menigte mensen die twee minuten stil zijn, alleen maar stil zijn.

H.M. de Koningin opent het defilé bij de Nationale Herdenking van vorig jaar (© Nationaal Comité 4 en 5 mei)

En het was goed. Ik heb dus niets meer gezien of gehoord dan mensen die de plechtigheid thuis volgden. Wat mij vooral opviel, is de ingetogenheid en de soberheid. Er valt geen woord te veel. Zelfs het gedicht van Charlotte Fontijne ging nog over het spreken van de stilte. Er worden mensen, gedode en vermoorde mensen, herdacht. Publiekelijk, met zijn allen. En dat is alles en dat is goed zo.

-

Burgervader
Na alle commotie van de afgelopen week, wilde ik eigenlijk niets meer schrijven. Ik vond de stukken van Robbert Baruch en Coen Wessel erg goed en heb daar eigenlijk niets aan toe te voegen. Maar ik keek dus naar Nieuwsuur en zag daar het beschamende optreden van Henk Aalderink, de burgemeester van de gemeente Bronckhorst, waar Vorden onder valt, en daar wil ik toch iets over zeggen.

Natuurlijk, het geval Vorden trekt veel te veel aandacht. Het was beter als we er niets over gehoord hadden. Dan had men het lokaal uit kunnen zoeken. Het was ook veel beter geweest als er geen kort geding was aangespannen. Je kunt je ook afvragen of de rechter zich wel over dit soort dingen moet uitspreken en of zijn aanpak niet te activistisch of bemoeizuchtig is. Wie de uitspraak leest, zal het opvallen dat de kortgedingrechter geen enkele wetstekst aanhaalt. Hij baseert zich alleen op het begrip ‘onrechtmatige daad’ en dat is artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, maar hij vindt het niet eens nodig om dat te vermelden. Maar wie gewoon afgaat op wat de rechter zei, moet constateren dat zijn oordeel inhoudelijk wel verstandig is. Hij had gewoon gelijk dat herdenking van Duitse soldaten ‘passend’ kan zijn, ‘maar niet op 4 mei’ – en dat geldt ook voor zijn overige afwegingen.

Daar had burgemeester Henk Aalderink het mee moeten doen. Hij had – ook zo al – moeten inzien dat hij een ernstige inschattingsfout had gemaakt en hij had zich loyaal bij de uitspraak van de rechter neer kunnen leggen. Maar meneer besloot dus de kont tegen de krib te gooien en te gaan provoceren. In Nieuwsuur beklaagde hij er zich over ‘dat ik als burgemeester niet mijn burgervaderrol kon vervullen.’ En dat herhaalde hij nog eens: er was iets van hem ‘afgepakt’ als ‘burgemeester, als burgervader van deze gemeente’. Kom nou, het probleem was nu juist dat hij het vertikte om zijn rol als burgervader te vervullen.

-

Verbroederen
Ik denk dat dit zijn meest typerende uitspraak was:

‘En wat eigenlijk het 4 en 5 mei comité heeft willen doen, was een eerste verbroederingsgedachte.’

Ja, echt. Onbenulliger kun je jezelf niet neerzetten. Het is inmiddels 67 jaar na de oorlog, net zolang als het in 1985 was dat de Eerste Wereldoorlog voorbij was. En dan zou je nu beginnen aan een eerste – ik herhaal: een eerste – verbroederingsgedachte? O ja, en met wie verbroeder je je dan? Doden gedenk je, maar, dat is het eigenaardige van alle herdenken, die merken daar zelf niets van. Met doden verbroeder je je niet. Je verbroedert je met de levenden. O ja, echt? Door langs de graven van enkele in de oorlog omgekomen Duitse soldaten te lopen verbroeder je je met Duitsers van nu? Laat me niet lachen.

Is er in de Bondsrepubliek Duitsland een nationale dodenherdenking van de gevallenen in de Tweede Wereldoorlog? Niet dat ik weet en het is ook onmogelijk. Ja, de Duitsers hebben onnoemlijk geleden onder de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog. In vele gezinnen waren één of meer zonen of vaders te betreuren. Vele vrouwen leden zwaar en werden na de oorlog verkracht. De bombardementen op de steden waren gruwelijk. En tijdens de slotfase van de oorlog en direct erna zijn zo’n twaalf miljoen Duitsers van huis en haard verdreven en bijna twee miljoen van hen zijn daarbij om het leven gekomen. Er is na 1945 in vele Duitse gezinnen veel geschreid. Maar aanleiding voor een nationale dodenherdenking was er niet. Daarvoor was het bewind te misdadig geweest. Privé moest men herdenken, collectief als natie kon dat niet.

Met de Bondsrepubliek Duitsland hebben we al vanaf het begin, de oprichting in 1949, goede banden en we zijn er, via de NATO en de EU, en op vele andere wijzen mee verbonden. Het is een prachtig land, dat op een bewonderenswaardige wijze zijn geschiedenis verwerkt heeft en dat begon, anders dan de legende nog wel eens wil, niet pas onder Willy Brandt, maar al in de dagen van Konrad Adenauer. Het is een land dat ons tegenwoordig in veel opzichten tot voorbeeld kan strekken en de politieke cultuur is er heel wat hoogstaander dan in Nederland. Het is dan ook ronduit een belediging van Duitsers als burgemeester Henk Aalderink nu nog meent dat je je nu nog met hen moet ‘verbroederen’ en dan ook nog wel voor het ‘eerst’. Wat is dat voor waanzin? Wat voor een absurd wereldbeeld heb je dan? Dan interesseren echte, levende Duitsers je dus geen zier en ben je alleen maar met je eigen gekte bezig.

-

Nationale Herdenking
Op 4 mei gaat het gewoon om een Nationale Dodenherdenking. Het gaat dan niet om het leed van de hele wereld en om alle slachtoffers, het gaat om een gerichte herdenking. Wat mij betreft had David Barnouw gisteren in Nieuwsuur gelijk dat we ons beter kunnen beperken tot de gevallenen en de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Soldaten die later zijn gevallen, kunnen we bijvoorbeeld op Nationale Veteranendag gedenken, al moet ik erbij zeggen dat de teksten die tijdens de plechtigheid op de Dam worden gesproken, heel sober zijn en misschien is het maar het verstandigste er voorlopig niets aan te veranderen. Het zijn toch echt de doden uit de Tweede Wereldoorlog die centraal staan.

Natuurlijk verandert het karakter van de herdenking. Nog slechts één op de tweehonderd Nederlanders heeft de oorlog als volwassene meegemaakt, las ik gisteren in de krant. Het getal dat de oorlog als kind of tiener heeft meegemaakt, is nog heel wat groter. Velen zijn opgegroeid met de verhalen van hun ouders en grootouders. Maar zoals de Eerste Wereldoorlog nu echt geschiedenis is geworden, zal dat met de Tweede Wereldoorlog, die precies een kwart eeuw later begon, in de komende decennia dus ook gebeuren. Dertig of veertig jaar geleden zal het persoonlijk verdriet onder de aanwezigen op de Dam heel wat groter geweest zijn dan gisteren het geval was.

Maar mensen komen nog, juist veel jongeren ook, viel me gisteren weer op, de oorlog leeft nog en dat is ook een teken van ons geluk: dat er daarna niet iets nog veel ergers gebeurd is. Laten we de doden van de oorlog blijven herdenken, zolang mensen aan hen denken en zolang mensen dat willen. En daarna zien we wel. Of misschien: zien zij die dan leven wel. Het gaat hier om een nationale, officiële plechtigheid met een zeer specifiek doel. Laten we dat zo houden.

-

De doden
Alle mensen sterven een keer. En alle mensen verdienen het om door hun verwanten en geliefden herdacht te worden. Er zijn vele slachtoffers en ook aan hen mag gedacht worden. En ook de daders hebben mensen die om hen geven. Ja hoor, de nabestaanden van de sukkelige en trieste Dirk Siebe mogen best zorgen dat ze hem niet vergeten, maar daar gaat de Nationale Herdenking niet over. Die gaat over de doden die we samen, nationaal, officieel herdenken. Daarom zijn er die plechtigheden. Om samen te gedenken.

Velen lijken dat niet door te hebben. Ik zag gisteren op Twitter en elders allerlei mensen die trots kwamen melden dat zij heel andere mensen herdachten. Ook hun foute NSB-opa. Ook gevallen Duitse soldaten dus. Ook de mensen in Vietnam of Rwanda. Ja, de wereld is vol slachtoffers, maar de vraag is waarom ze dat nu uitgerekend op 4 mei kwamen vertellen. Laat ze dat op alle andere dagen van het jaar melden. Maar ja, hun eigen individuele wensen gaan natuurlijk voor en ze vinden die zo belangrijk dat ze die uitgerekend dwars door de Nationale Herdenking heen willen toeteren. Hun eigenzinnige wil, hun doelbewuste dwarsheid is immers wet…

En dan heb je ook de wijsneuzen die komen vertellen dat ‘wij’ dus echt niet beter zijn dan de nazi’s. Dat ook ‘wij’ maar zo aan de verkeerde kant hadden kunnen staan. En dat ook ‘wij’ dus maar zo bewaker in een kamp of wat niet al hadden kunnen zijn. Ja, dat had maar zo gekund. Wie zal zeggen dat hij wel de moed heeft die slechts weinigen tonen op het cruciale moment? Maar doet dat iets af aan het onderscheid tussen goed en kwaad, tussen daders en slachtoffers? Nee, natuurlijk niet. Het toont alleen maar aan hoe belangrijk het onderscheid is.

Op de Dam ging het om de doden. Het ging ook niet om de daders. Het kan zijn dat ik niet goed opgelet heb, maar er werd niet afgegeven op ‘de Duitsers’ of ‘de Japanners’ of op wie dan ook. Er heerst geen moment het idee dat wij het beter gedaan zouden hebben. Er heerst geen morele verontwaardiging. Er worden doden herdacht, in alle eenvoud, dat is echt alles. En lieden die tegen andere beelden strijden, die vechten alleen maar tegen hun eigen verzinsels en snijden het verkeerde thema op het verkeerde moment aan en begrijpen er niets, maar dan ook niets van. (Nee, ik noem geen namen, ook al jeuken mijn vingers.)

-

Individuele vrijheid
Zo zijn er meer afleidingsmanoeuvres. Over wie dat kort geding inzake Vorden aangespannen hebben. Over van alles en nog wat. Doet allemaal niet ter zake. Wat we op 4 mei doen, is onze nationale doden herdenken. Wie iets anders wil, heeft alle andere dagen van het jaar tot zijn beschikking.

De doden van de jaren tussen 1940 en 1945 leefden in een heel ander land. Velen van hen zouden het huidige vrijheidsbegrip ook niet herkend hebben. Ik ga niet klagen over de veranderingen. Mensen hebben nu eenmaal zo hun redenen om anders te denken dan het voorgeslacht. Maar ik geloof niet dat de essentie van vrijheid erin bestaat om vooral je eigen individuele zin door te drijven in de publieke ruimte, om de ‘gevoeligheden’ – het woord al – van anderen vooral niet te ontzien en om vooral anderen te beledigen en pijn te doen.

Burgemeester Aalderink van Bronckhorst denkt daar duidelijk anders over. Die is in zijn wiek geschoten omdat hij op 4 mei zich niet mocht ‘verbroederen’ met mensen die of dood zijn of die daar zo helemaal niet om vragen. Nee, meneer moest zich één avond in het jaar een keer naar de regels voegen en dat werd hem al te machtig. Vandaag is het Bevrijdingsdag en de vrijheid die mensen dan vieren, is conceptueel vrijwel altijd een geheel andere dan waar de bevrijden en de bevrijders van 5 mei 1945 aan dachten. Laten we dat mensen gunnen. Maar het zou een goed ding zijn als al die lieden die onder vrijheid vooral het aan anderen opdringen van hun eigen persoonlijke besognes verstaan, de handen van die paar minuten rond 8 uur op de avond van 4 mei af wisten te houden. Of is dat ook al te veel gevraagd?

(68)

6 maart 2012

Vietsen in het Vondelpark. IV. Eerst fietsen en dan pas op de fiets?

.:.

Kijk, dat is nou aardig, al op de avond dat ik mijn bevindingen aangaande de herkomst van het woord fiets bekend maakte, reageerde de grote fietsetymoloog Ewoud Sanders op mijn blog.

-

Bevindingen
Maar laat ik eerst nog resumeren wat ik gevonden heb.

  • Ten eerste heb ik het werkwoord vietsen in augustus 1885 gevonden, geschreven door een Amsterdammer.
  • Ten tweede heb ik twee verhaspelingen van vélocipède in juni 1886 geattesteerd, vieloziepee en viezepee, waarvan de tweede een tussenvorm op weg naar de afleiding viets of fiets zou kunnen zijn.
  • Ten derde heb ik aangewezen dat de vraag of de viets naar de Wageningse smid E.C. Viets genoemd was, al in 1886 werd opgeworpen (en dat de suggestie meteen ook werd verworpen).

Vroege vélocipèdes waren er in vele soorten en maten. In zijn 'kouterij' beval 'Who?' in augustus 1885 mensen die niet zo goed durfden, een driewieler aan. De zus van ANWB-penningmeester Everard Kol was naar verluidt de eerste Nederlandse vrouw die zich op zo'n driewieler vertoonde. Ik denk dat Kol en 'Who?' identiek zouden kunnen zijn.

De derde bevinding is aardig, maar verder niet zo wereldschokkend. Iedereen die de literatuur doorneemt, zal zien dat een rechtstreekse verklaring vanuit de naam van de in de Wageningse Hoogstraat gevestigde ondernemer toch al niet waarschijnlijk is. De eerste bevinding is voorlopig aardig, maar nu steeds meer negentiende-eeuwse teksten digitaal beschikbaar komen, lijkt het me waarschijnlijk dat er binnen afzienbare tijd wel een oudere vindplaats opduikt.

De tweede bevinding acht ik zelf de interessantste, omdat ze aannemelijk maakt dat viets of fiets wel degelijk vanuit vélocipède gevormd kan zijn. Maar er moet bewust met het woord gespeeld zijn en, wat belangrijker is, het moet min of meer opzettelijk verspreid zijn. Het verhaal dat het woord vooral op een kostschool te Brummen in omloop is gebracht en door de jongens in hun thuissteden is verspreid, lijkt me het meest aannemelijk. En mijn bevindingen – Amsterdam 1885, Arnhem 1886, in Leeuwarden in 1886 al minstens enige tijd bekend – passen daar ook in. Ik kom daar mogelijk in een later stukje nog wel op terug.

-

Werkwoord
Nu echter, wil ik ingaan op de reactie van Ewoud Sanders, wiens boekje Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord (Den Haag/Antwerpen 1997, 2e editie) het uitgangspunt blijft voor iedereen die zich in deze materie verdiept. In zijn reactie – die hij trouwens onder mijn tweede stukje plaatste, hoewel hij op de melding van vietsen in 1885 in mijn derde weblogbijdrage reageerde – blijft hij bij de theorie die hij in zijn boek naar voren schuift. In mijn vondst ziet hij zelfs een nadere bevestiging. Ik denk dat het handig is, als ik de hele reactie hier even citeer:

‘Mooie vondst, het werkwoord ‘vietsen’ in 1885! Het lijkt erop dat het werkwoord er dus eerder was dan het zelfstandig naamwoord, dat we – althans op schrift – voor het eerst in 1886 hebben gevonden. Dit pleit voor de theorie van A.P. de Bont, die meende dat ‘fiets’ teruggaat op het Brabantse dialectwerkwoord ‘fietse’ (of ‘vietse’) voor ‘met een lichte en vlugge beweging zich verplaatsen’.’

Op het eerste gezicht lijkt dit op de vraag naar de kip en het ei. Wat was er het eerst, het werkwoord of het substantief? Komt viets van vietsen? Of komt vietsen van viets? Hoewel bijna alles wat Sanders in zijn boekje schrijft, mij overtuigde, was dat niet het geval met zijn verklaring van fiets en fietsen uit het Brabantse dialectwerkwoord vietse of fietse voor ‘met een lichte en vlugge beweging zich verplaatsen’. En nu ik er naar aanleiding van zijn reactie verder over nadenk, is dat nog minder het geval. Ik zal mijn overwegingen op een rijtje zetten.

-

Op de viets
(1) Het is waar dat de oudste vindplaats uit augutus 1885 nu een werkwoord is: vietsen. Maar wie goed kijkt, ziet dat de betekenis niet dezelfde is als die van het Brabantse dialectwoord. De anonieme schrijver, die zich ‘Who?’ noemt, heeft het over de vraag hoe je de nieuwe sport die zijn hart heeft, bevordert en dus mensen op een vélocipède krijgt. Hij schrijft dan:

‘Behalve moedige menschen bestaan er ook meer bescheiden dito’s. Deze laatsten zouden wel willen “vietsen”, maar …… ze durven niet.’

Het is duidelijk dat het werkwoord vietsen daar niet zoiets als ‘zich snel voortbewegen’ betekent. Nee, het gaat er om of mensen op een vélocipède durven te gaan zitten en het is volstrekt duidelijk dat vietsen hier zoiets als ‘op een vélocipède rijden’ betekent. Het gaat niet om de lichtheid of de snelheid van de voortbeweging, maar om het gebruikmaken van een nieuwe machine. De schrijver moet op dat moment nog niets hebben van de nieuwe lage tweewielers en de Kangaroo, een toen nieuw model, noemt hij zelfs een ‘gedrochtje’. Nee, hij beveelt een driewieler aan, die natuurlijk nog wel twee hoge wielen heeft.

Kortom, het werkwoord betekent hier iets heel anders dan het Brabantse dialectwoord en als het er al uit ontstaan is, veronderstelt het al dat daaruit al de viets ontstaan is en dat daar vervolgens weer een nieuw werkwoord van gemaakt is. Ook de aanhalingstekens zouden daarop wel eens kunnen wijzen. Het kan zijn dat de auteur het ongewone en informele van het woord vietsen als zodanig wil uitdrukken, al veronderstelt hij wel dat de lezers het begrijpen. Maar het zou ook wel eens kunnen dat hij zijn nieuwe vorming van een werkwoord uit een zelfstandig naanwoord door die aanhalingstekens markeert. Uit de eerste attestatie van viets in april 1886 kunnen we bovendien opmaken dat dat woord een maand of acht eerder echt al wel in omloop was: het is dan immers al tamelijk wijd verbreid. Het werkwoord veronderstelt het bestaan van de viets.

-

Dialect
(2) Dat wil allemaal nog niet zeggen dat de viets niet van dat Brabantse werkwoord afgeleid zou kunnen zijn, maar zijn daar concrete aanwijzingen voor? Wat opvalt, is dat er bij de discussie direct nadrukkelijk naar mogelijke dialectinvloeden gezocht wordt. De redacteur van Het Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage die op donderdag 29 april 1886 naar een nadere verklaring van viets zoekt, vraagt zich expliciet af of het niet iets met ’het Geldersch taaleigen’ te maken heeft en de Grolse correspondent die in de krant van maandag 3 mei reageert, gaat daar met zoveel woorden op in. Hij schrijft dat ‘volgens het Geldersch patois geen “fiets” zonder snelheid denkbaar is.’

Wie wil, zou in de volgende zin een referentie aan de betekenis van het Brabantse werkwoord kunnen zien: ‘Het is de snelheid zonder groot gedruisch.’ Dat gaat inderdaad over een lichte wijze van voortbewegen zou je zeggen, maar van een werkwoord maakt de man geen gewag en als hij vervolgens opmerkt dat de bliksem, een kogel die langs de oren suist, en een zweepslag, ook het geluid ‘fiets’ voortbrengen, blijkt in feite wel dat hij aan iets heel anders denkt: klanknabootsing. In feite slaat de man maar een slag in de lucht.

En daarna komt hij dan nog wel expliciet op een dialectuitdrukking te spreken: een fietsken zou zoiets als een laatste restje zijn. Het is een verklaring die verder geen opgang gemaakt heeft, maar juist die geeft naar mijn idee aan dat de man geen meer voor de hand liggende dialectverklaring kende en dus nooit van het werkwoord vietse(n) in de zin die Sanders noemt, gehoord had. Nu kun je zeggen dat hij in de Graafschap woonde en dat is een eindje van de zuidelijke Veluwe waar het woord in 1886 in Arnhem werd aangetroffen. Maar ook Kampioen-correspondent L. die van de Wageningsche smid Viets gehoord had en mogelijk wel in die contreien woonde, komt niet met een dialectverklaring, terwijl hij de voorgaande overwegingen gelezen heeft.

-

Stam
(3) Ten derde zou ik willen vragen in hoeverre het waarschijnlijk is dat uit de stam van een onovergankelijk werkwoord dat vietse(n) in de zin van ‘zich licht voortbewegen’ nu eenmaal is, een zelfstandig naamwoord ontstaat. Vrijwel alle werkwoorden die op de menselijke en dierlijke voortbeweging duiden, zijn uit hun aard onovergankelijk: lopen, wandelen, rennen, rijden en ga zo maar door. Alleen via een prefix als be- kun je er soms een overgankelijk werkwoord van maken: je kunt een paard berijden en een weg bewandelen. Maar ik kan zo gauw geen voorbeelden verzinnen dat uit een dergelijk werkwoord een kort substantief zou ontstaan. Als dat al het geval zou zijn, zou ik een iets langere versie verwachte. Je maakt een maaksel. En ik zou me dan nog wel kunnen voorstellen dat je dan bijvoorbeeld op een fietsel zou fietsen, al lijkt iets als fietsmachine me dan nog logischer. Maar ontstaat een zo kort woord als fiets echt snel uit het intransitieve fietsen? Ik weet het niet, maar ik neem aan dat taalkundigen er wel meer over kunnen zeggen.

-

Van algemeen naar specifiek
(4) Daar komt nog een inhoudelijke overweging bij. Vietse(n) of fietse(n) zou een tamelijk algemene betekenis hebben: ‘met een lichte en vlugge beweging zich verplaatsen’. Maar hoe kan uit een dergelijke algemene aanduiding van voortbewegen dan een heel specifieke vorm ontstaan? We zien dat vietsen in 1885 al duidelijk ‘rijden op een viets’ betekent. En wat problematisch was, was de onhandige naam van het voorwerp, de vélocipède, en niet het werkwoord, want je kon gewoon op zo’n ding rijden, zoals op een paard. Of je kon erop wieleren. Er was behoefte aan een beter substantief, niet aan een beter werkwoord. Waarom zou men dan een tamelijk lokaal werkwoord met een meer algemene strekking specifiek gebruikt hebben voor het rijden op een vélocipède?

Natuurlijk komt het wel eens voor dat een meer algemeen woord een specifiekere betekenis krijgt. Bij de trein is dat in feite gebeurd, maar daar valt dat te begrijpen. De trein wagens die door de locomotief werd getrokken, werd een specifieke aanduiding. Maar daar valt het gebruik direct te verklaren.

-

Laat en ver weg
(5) Het grootste nadeel blijft naar mijn idee dat deze theorie pas in 1914 – door de Limburgse letterkundige L. Linssen – opgeworpen is, bijna drie decennia na de eerste signaleringen van viets en vietsen en dat bij alle tussenliggende discussies niemand op deze afleiding gewezen heeft. En toen, in 1914, ging het dan ook nog over het gebruik van dit verbum in Zuid-Limburg, ver weg van de gebieden waar het vietsen het eerst in zwang kwam. In Maastricht was weliswaar al snel een velocipèdeclub, maar wie de eerste jaargangen van De Kampioen doorneemt, zal zien dat het hier ging om een sport die vooral door onkerkelijke of niet al te kerkelijke protestantse jongelieden uit de steden boven de grote rivieren werd beoefend: men vergaderde veelvuldig op zondagmorgen of stapte dan al op de fiets. F
ietsen was toen nog geen katholieke plattelandssport en Sanders geeft dat zelf ook aan: waar het woord volgens hem werd gebruikt, werd er niet zo vroeg gefietst. Het woord ontstaat in kringen ver weg van het Zuid-Limburges platteland waarin geen dialect wordt gesproken. 

Als De Bont de theorie in 1973 op het Brabantse platteland toepast, geloof ik zonder meer dat hij ouder bewijsmateriaal heeft, maar van wanneer zijn de oudste bewijsplaatsen? Mijn vraag zou toch eerder zijn: is vietse(n) in deze betekenis ook voor 1885 geattesteerd of is de algemene dialectbetekenis van ‘zich snel voortbewegen’ misschien toch van fietsen afgeleid? Ik geloof best dat iemand als ‘Mie Fiets’, de boerin Marie Renders uit Oerle, zich rond de vorige eeuwwisseling nooit op een rijwiel voortbewoog, maar vanaf 1890 en zeker vanaf 1900 moet iedereen in Nederland wel eens van een fiets gehoord hebben. Een omgekeerde, uitbreidende ontlening lijkt me vooralsnog waarschijnlijker, maar ook als het Limburgse en Brabantse dialectwerkwoord aantoonbaar geheel op eigen benen kan staan, lijkt het me nog niet waarschijnlijk dat het tot de meest gangbare benaming van de tweewieler geleid heeft.

-

Tot slot
Ik denk dat Sanders met zijn verhaal over de kostschool Spaanschweerd te Brummen veel dichter bij de oorsprong zit. Het lijkt me alleszins aannemelijk dat viets door jongensachtig geknutsel via een tussenvorm als viezepee uit velocipede is ontstaan en vervolgens door de kostschooljongens in de steden van herkomst en met name via hun fietsclubs is verbreid. Maar misschien moet ik daar een volgende keer nog maar uitvoeriger op ingaan.

Andere theorieën zijn allemaal latere constructies, maar hier hebben we concrete getuigenissen voor. Waarom zouden we die niet geloven, zolang ze niet door andere concrete verhalen weersproken worden?

(62)

5 maart 2012

Vietsen in het Vondelpark. III. Over een oudere vindplaats (uit 1885)

.:.

Het is de zomer van 1885. Op een hoge vélocipède schiet iemand het Vondelpark binnen. De man ‘zit enigszins voorover; zijn wiel slingert vervaarlijk heen en weer’. Een groep kinderen stuift nog net op tijd voor hem uiteen. De man laat een zijpad in, schampt de schouder van een oudere heer, die rustig aan het wandelen is, rijdt een kinderwagen omver en botst tenslotte tegen een oude juffrouw aan. Beiden belanden op de grond.

-

Ingang Vondelpark (foto: Johann Richard)

Vietsen
Zo moet het dus niet, betoogt een zekere ‘Who?’ in het augustusnummer van De Kampioen van 1885. Lieden als deze ‘woesteling’ nemen het publiek in tegen de geliefde sport die de leden van de ANWB zo’n warm hart toedragen. Het moet anders. En dan vervolgt de columnist:

‘Afwisseling van spijs doet eten; daarom zal ik eens wijzen op een middel om onze sport wèl te bevorderen. Behalve moedige menschen bestaan er ook meer bescheiden dito’s. Deze laatsten zouden wel willen “vietsen”, maar …… ze durven niet. Nu is’t een feit dat door ondervinding telkens weer wordt bevestigd, dat, wie niet durft niet moet wagen; en wie zenuwachtig en angstig op een tweewieler gaat zitten, haalt in den regel allerlei zotternijen uit, die hem ten slotte met het hoofd naar beneden en de beenen naar boven over zijn stuur naar den grond expediëeren.’

‘Who?’ beveelt vervolgens de driewieler aan, ook boven de ‘lage veiligheids-wieler’. Maar, u snapt het al, het gaat me niet niet om ‘s mans raadgevingen, maar om het woord dat in deze passage net viel en dat ik maar vet geaccentueerd heb: vietsen.

Dit is dus een oudere vindplaats dan tot dusverre bekend was. En het blijkt om een werkwoord te gaan. Maar de columnist gaat er kennelijk vanuit dat de lezers hem wel begrijpen, al zet hij het woord wel tussen aanhalingstekens, naar mijn idee een aanwijzing dat het om spreektaal gaat. Vietsen is rijden op een vélocipède, dat is wel duidelijk. En de nadruk ligt hier nadrukkelijk niet op de snelheid, maar op het gewone berijden.

-

Een jongenswoord in Amsterdam
Ik beperk me nu tot een enkele opmerking. In de loop van de komende week hoop ik nog wel meer te schrijven. Wie ‘Who?’ is, weet ik niet zeker, maar hij is een van de 51 leden van de Amsterdamsche Velocipède Club (AVC). Ik houd het momenteel voor mogelijk dat achter deze schuilnaam de al even korte naam van de penningmeester van de ANWB, Everard Kol, schuilgaat, maar daarvoor heb ik een uitvoerigere argumentatie nodig.

Wat deze passage in ieder geval aantoont, is dat het woord in 1885 kennelijk in Amsterdam bekend was en dan juist in kringen van lieden die vélocipèdes bereden, en dat men het niet nodig vond het uit te leggen. We hebben nu twee vroege attestaties van het woord: Amsterdam 1885 en Arnhem 1886. Ik denk dat deze gegevens de Brummense herkomst van het woord, die door Ewoud Sanders in Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord beschreven wordt, waarschijnlijker maakt.

‘Who?’ kende in ieder geval Frits Koenen, voluit Frederik Hendrik Koenen (1866-), een jongere broer van de met Herman Gorter (1864-1927) bevriende Jaap Koenen (1864-1907), die – lees maar na bij Ewoud Sanders – in 1901 beweerde dat hij het woord viets op de kostschool Spaanschweerd in Brummen gehoord had en vanaf het begin van de jaren tachtig in Amsterdam verspreidde. Het komt mij voor dat wat we maar de Brummense fietstheorie zullen noemen, veel waarschijnlijkheid in zich heeft. De rijke jongens die de opkomende wielersport beoefenden, moeten zelf het woord gebruikt hebben. En ze moeten het voor een informele afkorting van vélocipède gehouden hebben, denk ik.

-

Oudere vindplaats
Maar dat hoop ik later nog wel uit te leggen. Nu wilde ik alleen deze vroegere vindplaats even melden. Ik vertel er maar bij dat nu kranten digitaal steeds meer beschikbaar raken, de kans groot is dat binnenkort nog oudere plaatsen gevonden worden. Het probleem momenteel alleen is dat de woordherkenning nog onvoldoende is, zodat je bij zoekopdrachten enorm veel vervuiling krijgt: vaak blijkt het zoekresultaat fiets gewoon flets of zoiets te zijn.. En ook op de datering moet men scherp letten. Zo blijkt een vermelding die Google Books hier op 1884 dateert, in werkelijkheid uit 1908 te zijn. Maar ik hoop daar nog wel op terug te komen.

Wat overigens ook terloops uit de aangehaalde passage blijkt: wielertweewieler (vergelijk bicycle) en driewieler zijn in 1885 de nieuwe officiële Nederlandse ANWB-woorden, die juist dat jaar het vreemde vélocipède gaan vervangen. Niet rijwiel, al wordt dat wel als alternatief erkend. Maar ook daar kom ik nog wel op terug.

Woorden als viets, fiets, vietsen en fietsen worden vanaf 1885 steeds meer gebruikt en ze worden door velen, onder wie de eerbiedwaardige Nicolaas Beets in 1890, ook opvallend welwillend begroet. Dat viel overigens ook al op in de tot dusverre oudst bekende vermelding in de Arnhemsche Courant in 1886: ‘dat woord klinkt en staat’. Alles wijst erop dat het niet om een ‘vulgair’ jongenswoord ging, maar wel om een informeel woord dat vooral door welvarende jonge wielrijders gebezigd werd. Maar daar hoop ik in de komende dagen nog wel meer over te schrijven. Voorlopig wilde ik alleen de oudere vindplaats melden en hoop ik – in mijn vorige stukje – enigszins aannemelijk te hebben gemaakt dat de viets of fiets wel degelijk van de vélocipède afstamt.

Die titel heb ik nu in ieder geval uitgelegd.

Naschrift
Er valt nog veel meer uit te leggen. De eerste resultaten van mijn naspeuringen naar de oorsprong van het woord fiets wilde ik op mijn weblog vermelden. Maar ik wil dit best nog eens verwerken tot een of meerdere artikelen voor een krant of tijdschrift. En ik heb dus nog meer te vertellen.

(61)

5 maart 2012

Vietsen in het Vondelpark. II. Waarom fiets wel degelijk van vélocipède komt

.:.

Als het over de herkomst van het woord fiets gaat, valt steeds het jaartal 1886. Dat gebeurt nu in de journalistieke berichten en dat gaat terug op de wat de etymologische woordenboeken melden. De oudste vindplaats die tot dusverre bekend was, komt namelijk uit dat jaar.

-

De Wageningse smid E.C. Viets werd reeds in 1886 in verband gebracht met de fiets. Correspondent L. van De Kampioen meende dat het woord niet van deze maker van fietsen afgeleid was.

De discussie van 1886
Op woensdag 28 april 1886 bevatte de Arnhemsche Courant het volgende stukje:

‘De spraakmakende gemeente heeft gedaan wat de taalkundige congressen terecht niet hebben aangedurfd. Voor dat pedante vijfsylbige woord, dat boer noch burgerman begrijpt, vélocipède, heeft zij een ander geschapen. Geen vertaling met omzettingen op grammaticalen grond, zooals rijwiel en wielrijder, dat in de gesproken taal ook nog niet wilde wortelen. Neen, zij, die de taal maken, hebben de vélocipède viets gedoopt en dat woord klinkt en staat. Alle wijsgeerige philologische redeneeringen en beschouwingen zullen en kunnen nooit tot de conclusie viets leiden, maar het volk dat van velox noch pes weet, heeft dat snelrollende wielenstel een naam geschonken, kort en eenvoudig en in verband met zijne beweging. Als het woordenboek tot de v zal zijn gekomen, twijfelen wij niet of het zal aan viets de plaats geven, die het dan toekomt.’

Omdat de Arnhemsche Courant op de historischekrantensite van de KB nog maar tot 1850 is opgenomen, citeer ik dit stukje via het nuttige boekje dat Ewoud Sanders, Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord (Den Haag/Antwerpen 1997, 2e editie). (De eerste druk uit 1996 vindt men overigens hier en hier.) Dat boekje vormt bij alle discussies over de herkomst van het woord een onmisbare Fundgrube, die vaak ook de weg biedt naar oorspronkelijke bronnen en dus veel vaker impliciet aanwezig is dan dat het genoemd wordt.

De volgende dag, donderdag 29 april reageerde het Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage (op de KB-site van 1853 tot 1869, dus opnieuw via Sanders) aldus:

‘Misschien begaan we een groote domheid, of verraden onkunde van het Geldersch taaleigen, wanneer wij bezwaar opperen tegen dezen bastaard van vitesse, – en houden ons in dat geval voor terechtwijzing omtrent de herkomst van viets aanbevolen.’

Die oproep had snel resultaat. Al op maandag 3 mei 1886 kon het Haagsche Dagblad, zoals het in de wandeling wel werd genoemd, een reactie opnemen van zijn correspondent, of ‘berichtgever’ te Groenlo. Die schreef dit:

‘Hoewel ik niet kan voldoen aan de uitnoodiging om u aangaande de herkomst van het woord viets (beter fiets), met welken naam men in Arnhem het rijwiel heeft gedoopt, in te lichten, hoop ik u toch te kunnen overtuigen, dat deze benaming, gebezigd door een inwoner van Gelderlands hoofdstad, het begrip van snelheid volgens het Geldersen taaleigen zeer eigenaardig uitdrukt.
Fiets of viets is nl. geen bastaard van vitesse, hoewel volgens het Geldersch patois geen “fiets” zonder snelheid denkbaar is.
Het is de snelheid zonder groot gedruisch.
Zoo doet de bliksem “fiets”, even als de kogel die ons langs de ooren suist en de slag met de zweep door de lucht, zonder knal te veroorzaken. “Fiets” is een klanknabootsend woord, evenals boem bij het schot en rrrt bij het ratelen van den spoortrein. Evenals aan “fiets” dus onafscheidelijk verbonden is het begrip van een minimum van tijd, zoo wordt het zelfstandig-naamwoord, tot hiertoe slechts gebruikt als verkleinwoord: een “fietsken”, alleen gebezigd om een minimum van stof aan te duiden.
Het kleine is niet per se een “fietsken”; maar het groote is het nooit. Alleen een geringe en kleine rest, wat de Duitschers “einen winzig kleinen Theil” noemen, is een “fietsken”, bijv. een klein staartje in een glas.’

Dat ik deze tekst kan citeren, is omdat het Algemeen Handelsblad hem de volgende dag, dinsdag 4 mei 1886, op de voorpagina in de rubriek ‘Allerlei’ citeerde (hier de pdf). En vervolgens werd het bericht uit deze Amsterdamse krant integraal overgenomen in het meinummer (3,5, pagina 68-69) van De Kampioen, het maandblad van het Algemeen Nederlands Wielrijders-Bond (ANWB). Bondsvoorzitter en hoofdredacteur Edo J. Bergsma was er snel bij, want zijn blad verscheen elke maand tussen de zesde en de tiende. Hij voegde er één zinnetje aan toe:

‘Het woord “fiets” was als verkorting van Vélocipède reeds in 1871 in Leeuwarden in gebruik. (Red)

Dit was allemaal bekend, maar wat naar mijn waarneming tot dusverre over het hoofd gezien lijkt te zijn, is dat er twee nummers later, in het juninummer van De Kampioen (3,7, pagina 120) een kort vervolg verscheen:

‘Een onzer correspondenten schrijft ons:
“In een der vorige Kampioen-nummers zag ik eene verklaring van het woord fiets.
Als merkwaardigheid diene, dat een der eerste houten roode wielers geconstrueerd is door den Wageningsche smid Viets.
Ik houd het er echter voor, dat het woord fiets eene verbastering is van het woord velocipède. Hoe dikwijls hoort men niet vieloziepee, viezepee en dergelijke ongeoorloofde verdraaiingen.” L.
Dit laatste komt ons zeer waarschijnlijk voor. Red.’

-

Vijf vroege verklaringen
Enkele dingen vallen op. Het eerste is dat in deze weinige regels al minstens vier of vijf verklaringen, die soms later weer zullen opduiken, worden opgeworpen en deels meteen terzijde worden geschoven.
(1) De Haagse redacteur denkt aan een afleiding van het woord vitesse. Ook de Arnhemse redacteur dacht al dat de naam van de fiets ‘in verband met zijne beweging’ staat. Maar de Groenlose berichtgever verwerpt die verklaring: fiets is ‘geen bastaard van vitesse’.
(2) Hij houdt echter wel vast aan een verband met snelheid en dat zelfs op twee onderscheiden wijzen. Fiets zou volgens hem een ‘klanknabootsend woord’ zijn. ‘Het is de snelheid zonder groot gedruisch.’ Het zou het geluid zijn dat hoort bij de bliksem, de kogel en de slag van een zweep.
(3) De Grollenaar heeft nog een andere verklaring. Het verkleinwoord fietsken zou een ‘minimum van stof’ aanduiden, een ‘geringe en kleine rest’, bijvoorbeeld ‘een klein staartje in een glas’. En fiets zou dus zo ‘onafscheidelijk verbonden’ zijn aan ‘het begrip van een minimum van tijd’.
(4) Correspondent L. van De Kampioen noemt reeds de Wageningse smid E.C. Viets, die later nog vaak genoemd zou worden.
(5) Correspondent L. oppert dat fiets een verbastering is van vélocipède en noemt als tussenstadium ‘ongeoorloofde verdraaiingen’ als vieloziepee en viezepee.

Hier kunnen we kort over zijn.
(1) Het abstracte zelfstandig naamwoord vitesse lijkt inderdaad geen waarschijnlijke bron voor de aanduiding van een concreet voorwerp, een ‘machine’, zoals men destijds vaak zei.
(2) Dat het woord fiets een zekere snelheid suggereert, is naar mijn idee nog zo (denk ook aan woorden als flits of foetsie), maar dat wil nog niet zeggen dat het om een klanknabootsing gaat. Het zegt hooguit dat het woord goed in het gehoor ligt.
(3) Aan de verklaring dat fietsken op een laatste restje zou betekenen en dus op een minimum aan tijd bij de verplaatsing per rijwiel zou bieden, is bij mijn weten nooit veel aandacht besteed. In het Woordenboek van de Drentse dialecten komt bijvoorbeeld de betekenis ‘zier’ voor: ‘Ik doe der gien fiets meer of’ zou ‘daar kun je niet veel mee’ betekenen. Het kan dus goed zijn dat het woord in de betekenis van ‘laatste restje’ bestond, maar een verband met een rijwiel valt moeilijk te zien.
(4) Aardig is dat de Wageningse smid E.C. Viets hier door L. al vroeger dan tot dusverre in de literatuur bekend was, met de fiets in verband wordt gebracht, maar dat hij een verband meteen ook afserveert. Men leze het betoog van Ewoud Sanders erop na. Het is niet waarschijnlijk dat het rijwiel de naam aan deze fietsenmaker ontleende. Daarvoor was de man te onbekend. En als het verband duidelijk was, was dat destijds al vaker overtuigend gemeld.
(5) Blijft over de afleiding uit vélocipède. Die blijft naar mijn idee het meest overtuigend. En ik denk dat de hier geopperde tussenvorm viezepee de missing link is. Ik kom daar op terug.

-

Verspreiding en duur
Laten we eerst nog eens naar de verspreiding en de duur van bestaan letten. Betekenisvol is dat de Arnhemsche Courant er vanuit gaat, dat het woord fiets al behoorlijk verbreid is. De ‘spraakmakende gemeente’, het ‘volk’ gebruikt het. De krant gaat er zelfs vanuit dat het Woordenboek der Nederlandsche Taal het te zijner tijd wel zal opnemen. Dat wil zeggen dat het naar de waarneming van de betreffende redacteur veel breder verspreid moet zijn dan in Arnhem of directe omgeving. Hij ziet het als een nieuw Nederlands woord.

Maar tegelijk blijkt dat de redacteur van een krant uit Den Haag wel denkt dat het woord mogelijk vanuit het ‘Geldersch taaleigen’ verklaard moet worden. Het is niet helemaal duidelijk of hij het al kent, maar hij maakt er wel bezwaar tegen. De twee verklarende reacties komen vervolgens kennelijk ook uit Gelderland. De correspondent van het Dagblad van Zuid-Holland en ’s-Gravenhage woont in Groenlo, waarmee hij aangeeft dat het woord niet alleen op de zuidelijke Veluwe, maar ook in De Graafschap kennelijk bekend is. Correspondent L. van De Kampioen noemt de smid Viets te Wageningen en dat maakt het waarschijnlijk dat hij ergens in die omgeving woont.

Maar Kampioen-hoofdredacteur Edo J. Bergsma, die nog maar kort geleden vanuit Leeuwarden naar Grouw was verhuisd, meldde dat hij het woord ook kende. Tweemaal geeft hij aan dat hij denkt dat fiets een verkorting of een verhaspeling van vélocipède is. Bergsma meldt ook dat het woord al in 1871 in Leeuwarden circuleerde. Bergsma, geboren in 1862, werd dat jaar negen. Het is natuurlijk mogelijk dat de 23-jarige Bergsma zich nauwkeurig herinnerde wat hij op acht- of negenjarige leeftijd had gehoord, maar het is natuurlijk net zo goed mogelijk dat hij het woord pas wat later hoorde. Het lijkt me zeer waarschijnlijk dat een tongbrekend woord als vélocipède vanaf het begin tot allerlei verhaspelingen en inkortingen leidde en dat Bergsma zich dat al uit zijn jongen jaren herinnerde. Maar of daarmee gezegd is dat we zijn vroege datering van fiets ook zonder meer dienen te aanvaarden. Tegelijk is echter wel duidelijk dat het woord hem in 1886 bekend is. Hij kent het en hij is het eens met de verklaring vanuit vélocipède. Dat is een belangrijk gegeven. Als er andere voor de hand liggende verklaringen waren, zou Bergsma die vast en zeker ook gekend hebben.

-

Op de viezepee
In de literatuur is de afleiding van viets of fiets uit vélocipède vaak geopperd en verdedigd – onder meer door K. Heeroma en C.B. van Haeringen – en even vaak verworpen. Wie de verklaringen van fiets en fietsen die op Etymologiebank zijn verzameld, bestudeert, zal dat al zien.

Een bezwaar tegen de afleiding van fiets uit vélocipède is wel dat de verhaspelingen die een tussenvorm zouden moeten vormen, te laat geattesteerd zijn. Zo acht het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (2003-2009) van M. Philippa het minder waarschijnlijk dat fiets is ontstaan uit vormen als fieselepee en fietsepee:

‘Waarschijnlijker is echter het omgekeerde: dat fietsepee een contaminerende vorm is onder invloed van fiets. Gedurende lange tijd, zeker nog tot aan de Tweede Wereldoorlog, zijn namelijk beide woorden vélocipède en fiets, naast elkaar gebruikt (vélocipèdeuiteindelijk nauwelijks nog anders dan schertsend).’

En ook het Van Dale Etymologisch woordenboek (1997) van P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997) stelt:

‘Een verbastering uit frans vélocipède ligt minder voor de hand, omdat de vele verbasteringen hiervan, zoals vielesepee, pas zijn aangetroffen nadat fiets werd gebruikt.’

Het lijkt me dat dit bezwaar nu door de attestatie van vieloziepee en viezepee in juni 1866 enigszins uit de weg is geholpen. We hoeven nu niet alleen af te gaan op de jeugdherinneringen die taalkundigen en anderen pas veel later optekenden, we weten nu dat dergelijke verbasteringen destijds ook al bestonden. Nu kan men natuurlijk veronderstellen dat ook L. in 1886 pas achteraf een verband legde, maar het lijkt me toch tamelijk waarschijnlijk dat hij de beide vormen werkelijk wel eens gehoord heeft en dat ze niet van viets of fiets afstammen. Daar geeft zijn spelling al geen aanleiding toe.

Laten we nog eens naar vélocipède kijken. Dat is echt een onhandig woord en de taalkundige Matthijs de Vries verwachte al in 1869 verbasteringen. De laatste lettergreep kan gemakkelijk verdwijnen. Men houdt dan iets als velocipee over. De klemtoon ligt dan op de laatste lettergreep –pee. Het blijkt vooral dat de opvolging van klanken (ee, oo, ie, ee) niet gemakkelijk bekt. Als er voorafgaand aan het beklemtoonde slot drie lettergrepen worden gehandhaafd, verandert het woord al snel in iets als vielesepee of het nu in juni 1886 geattesteerde vieloziepee. Opvallend is dat een verandering van de eerste lettergreep in een ie kennelijk vrij natuurlijk gaat.

Maar ritmisch ligt het zeker zo voor de hand dat de vier overblijvende lettergrepen tot drie worden teruggebracht. Het accent blijft op de laatste lettergreep liggen en op de eerste past dan de bijklemtoon. De v blijft aan het begin, maar de l en de c moeten of samen worden gevoegd of een van beide moet verdwijnen. In het eerste geval krijg je iets als vielsepee. Allerlei varianten daarop zijn ook daadwerkelijk geopperd. Als de l blijft en de c verdwijnt, krijg je iets als vielepee. Maar dat is geen zeer waarschijnlijke variant. De l klinkt duidelijk zwakker dan de c en zal die niet snel overvleugelen. Het derde geval is veel waarschijnlijker: de l verdwijnt en de scherpe c blijft. Dan krijg je dus iets als vicepee of het nu in juni 1886 geattesteerde viezepee.

Zonder de nodeloze omweg van het Vizeperd (of Viceperd, Vizepferd of Vicepferd), uit de Gentse fietstheorie, zijn we hierbij toch bij hetzelfde begin. Het is zeker niet de enige mogelijkheid, maar ze kwam kennelijk voor en het lijkt me zeker niet ondenkbaar dat als vicepee of viezepee eenmaal bestaat, het in de uitspraak, net als dat in het Duits met vize gebeurt, aangescherpt kan worden tot iets als vietsepee. En dat woord kan op een gegeven moment wel degelijk speels afkort worden tot viets, dat al snel vooral als fiets werd geschreven. Een hard bewijs valt uiteraard niet te leveren, maar de mogelijkheid blijft de meest waarschijnlijke, zou ik zeggen. En het lijkt me daarbij alleszins aannemelijk dat er met de verschillende opties bewust gespeeld is en in een bepaalde kring voor viezepee, vietsepee en viets gekozen is. Daarover een volgende keer meer.

De afleidingen die aan de l een prominente plaats toekennen, leidden naar mijn idee van de hoofdzaak af. Een l verandert niet snel in een t of in ts en uit iets als vielsepee kan fiets dan ook niet ontstaan zijn. Alleen uit de verhaspelingen waarin de l al geloosd werd en waarin de c de hoofdrol kreeg kan fiets zich ontwikkeld hebben.

-

Nog iets
De meeste andere opties – ik noemde de bekendste hierboven al kort – zijn door Ewoud Sanders en door anderen naar mijn idee voldoende weerlegd. De enige variant die ik nog moet noemen, is de optie waar Ewoud Sanders zonder al te veel uitleg zelf voor kiest en die ook in enkele etymologische woordenboeken wel wordt vermeld, namelijk dat fiets af zou stammen van een Limburgs of Brabants werkwoord vietse(n), dat ongeveer ‘snel bewegen’ zou betekenen.

Het probleem lijkt me dat deze mogelijkheid pas in 1914 naar voren werd gebracht. Alle vroege vindplaatsen komen van boven de grote rivieren: Arnhem, Leeuwarden misschien en, daar kom ik in de volgende blog over te spreken, Amsterdam in 1885. Men kan bij Sanders uitvoerig nalezen hoe de eerste verspreiding van het woord met name met een kostschool in Brummen, net ver van Arnhem, in verband wordt gebracht. Als in die streken vietsen een bekend werkwoord was geweest, waarom noemde niemand dat dan bij de discussie die tussen 1886 en 1901 over de herkomst van het woord woeden? Merk op dat er direct gevraagd werd naar het ‘Geldersch taaleigen’.

Juist degenen die bij de opkomende wielersport betrokken waren, meenden dat fiets van vélocipède kwam. Ik denk dat ik met de attestatie van viezepee in juni 1886 een mogelijke tussenfase aangeduid heb.

En de volgende keer ga ik het dan echt hebben over vietsen in het Vondelpark.

(60)

5 maart 2012

Vietsen in het Vondelpark. I. Het korte leven van de Gentse fietstheorie

.:.

Zo, dat ging snel. Op donderdag 23 februari 2012 begon Jaap de Berg zijn taalrubriek in Trouw zo:

‘Het heeft zo’n 125 jaar geduurd, maar nu lijkt het dan opgelost te zijn: het raadsel waar het woord fiets vandaan komt.’

Acht dagen later, op vrijdag 2 maart 2012, eindigde De Berg zijn rubriek echter met deze woorden:

‘En zo zijn [we] weer terug bij af oftewel bij de traditionele conclusie van etymologen: de herkomst van fiets is onbekend.’

-

De opkomst en ondergang van de Gentse fietstheorie
Het tussenliggende verhaal laat zich snel vertellen. Twee Gentse hoogleraren, Luc de Grauwe (Duits) en Gunnar de Boel (vergelijkende taalkunde) meenden dat ze de oorsprong van het woord fiets eindelijk ontrafeld hadden en in het vierde nummer van de 127e jaargang van het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (TNTL) – het tijdschrift bestaat sinds 1881 onder dezelfde titel, waarin alleen de ch in ‘Nederlandsche’ onderweg gesneuveld is – publiceerden ze een artikel, waarin de titel de clou al weggeeft: ‘Fiets “ersatzpaard”. De etymologische kwestie revisited en beslecht?’ De volledige tekst is inmiddels in pdf beschikbaar.

Op dinsdag 21 februari 2012 werd hier nieuws van gemaakt. De Universiteit Gent publiceerde een persbericht. Het ANP maakte daar een berichtje van. En dezelfde avond mocht stukjesschrijver Wim Daniëls er zelfs iets over vertellen in het amusementsprogramma Pauw & Witteman. Maar ook serieuze media, waaronder een krant als De Standaard, maakten hier aardig wat werk van. De VRT legde in het Journaal keurig de essentie van de nieuwe theorie uit. Het originele vélocipè (1) werd in het Duits verbasterd tot Vice-Pferd (2), dat werd ingekort tot Vice (3), en dat werd in het Nederlands vervolgens fiets (4). De nieuwslezer eindigde met de woorden:

‘En zo is een heel oude discussie beslecht.’

-

Een hypothese zonder onderbouwing
Ik dacht het niet. En dat dacht in ieder geval ook de taalkundige Jan Stroop die op maandag 27 februari korte metten maakte met de Gentse fietstheorie. ‘Ga toch fietsen‘ luidt de titel van zijn reactie. Hij gelooft er niets van dat fiets een Duits leenwoord is, alleen omdat een woordenboek in 1931 vaststelde dat men in Wipperfürth, een plaats in het oude hertogdom Berg op de rechteroever van de Rijn en tachtig kilometer van de Nederlandse grens, kennelijk wel eens iets als das Fits of das Vits in plaats van das Fahrrad zei. Hij denkt dat het toch heel wat waarschijnlijker is dat woorden die op het Nederlandse fiets lijken, in de Duitse grensstreek – en in één geval dus heel iets verderop – overgenomen zijn uit het Nederlands (waarbij ik dan nog graag opmerk dat de neutrale aanduiding van een Vits of Fits heel goed te verklaren valt vanuit de onzijdigheid van het gangbare Duitse woord, zoals je ook Nederlandse journalisten hebt die rustig over het CDU babbelen). Afin, leest u zelf wat Stroop schrijft.

Ik heb zelf het artikel ook nog eens gelezen, maar wat het meest opvalt. is dat de heren geen enkel empirisch bewijs hebben, en sterker, geen enkele aanwijzing zelfs. Ook als hun these dat het voorvoegsel vice in het Duits, waar het tegenwoordig als Vize wordt geschreven en als ‘vietse’ wordt uitgesproken, veel breder als vervanging, Ersatz, kan worden gebruikt, klopt, hebben ze zelfs nog niet de minste of geringste aanwijzing dat mensen het ooit, ook niet in een kleine regio, voor een rijwiel zouden hebben gebruikt en over Vizeperd of Vize-Perd zoiets zouden hebben gesproken. (Het gaat om het gebied ten noorden van de Speyerer Linie, schrijven de heren zelf, zodat het de facto alleen om combinaties met Perd en niet met het Hoogduitse Pferd gaat.) Zelfs bij de in de journalistieke verhalen veel geciteerde aanduiding Viez voor cider of appelwijn, waar het allemaal mee begonnen zou zijn, is de afleiding uit Vice-Vinum of Vizevinum niet meer dan tentatief, zo blijkt uit het stuk. Het enige dat een beetje op een soort bewijsplaats lijkt, is een zin uit een brief van Ludwig Börne die in 1832 bepaalde mensen een keer schertsend aanduidt als ‘Vize-Schimmel‘, die wel eens een wagen hadden kunnen trekken. Maar als dat iets bewijst, is dat in het Duits dat prefix inderdaad breder gebruikt kan worden, niet dat een fiets ooit een Vizep(f)erd is genoemd. (Het Groot woordenboek Duits-Nederlands van Van Dale dat ik hier bij de hand heb, heeft overigens bijzonder weinig te melden: alleen Vize en Vizemeister. Meer niet. Maar dat gaat dan ook niet over dialecten.)
-

Een heuse vélocipède en een onvindbaar Vizeperd
Het artikel is een mooi voorbeeld van in- en uitpraten zonder ook maar één enkel empirische bewijsstuk te hebben. De heren nemen een aantal onwaarschijnlijke stappen. Ik volg de vier die ik hiervoor bij het VRT-bericht tussen haakjes aanduidde, en begin dan logischerwijze bij de tweede, het woord waar alles om draait, waarna ik dan pas de eerste stap, een overbodige voorfase namelijk, behandel. En een vijfde stap komt ook nog kort aan de orde.

1 (fase 2). De twee Gentse hoogleraren veronderstellen ten eerste een woord – Vizeperd, Vize-Perd of hoe je het ook wilt schrijven – dat niemand ooit ergens heeft kunnen vinden.

‘Helaas is het oorspronkelijke Duitse woord, althans in deze betekenis, niet bewaard in een tot dusver gevonden tekst’,

schrijven ze. Dat is natuurlijk leuk bedacht, maar zou het niet kunnen zijn dat het woord domweg nooit bestaan heeft? Het kan natuurlijk best dat iets verdwenen is, maar dan zou je toch op zijn minst een indirecte aanwijzing moeten hebben – een latere herinnering, een herkenbare afleiding, wat ook – dat het wel bestaan heeft. Die hebben ze niet. Op geen enkele wijze.

2 (fase 1). Ten tweede laten ze dit woord, dat nooit ergens aangetroffen is, dan toch nog afstammen van de oorspronkelijke aanduiding voor een rijwiel:

‘het gaat om een schertsende, locale vervorming van het woord Vélocipède, die gewoon niet in geschrifte, laat staan als officiële term, gebruikt werd’.

Het lijkt me een overbodige en complicerende aanname, die de heren voor hun theorie ook niet nodig hebben. Als het waar is dat een fiets vaak vergeleken werd met een paard, en dat is waar - ik was eerst wantrouwig, maar heb inmiddels zoveel negentiende-eeuwse teksten over het opkomende wielerwezen gelezen dat ik dat inmiddels wel zeker weet -, dan is het toch nergens voor nodig om een Vizeperd te zien als een verbastering van Vélocipède of Veloziped? Dan zou zo’n woord op zichzelf kunnen staan. Hoe kan vanuit -pède of -ped maar zo paard ontstaan? Het enige woord in hun artikel, dat dat verband mogelijk legt, is velocepirt, dat de heren in een Gents woordenboek in 1953 aantreffen. Ik ga er daarbij maar vanuit dat -pirt dan inderdaad paard betekent, maar van het volledige woord maak je weer niet makkelijker fiets dan van van vélocipède zelf, de vindplaats is te nieuw en het gaat om een heel ander gebied.

Hetzelfde geldt voor Venloosch eVeluwsch peerdje of paardje. Als het al waar is dat die woorden zinspelen op vélocipède - zou het echt? -, ligt dat er niet zeer dik bovenop en gaat het zeker niet om een verbastering, maar eerder om een speelse verwijzing. Een bewijs voor Vizeperd zijn ze zeker niet. En tot fiets leiden ze zeker niet rechtstreeks. Kortom, De Boel en De Grauwe maken het zich onnodig moeilijk. Als ze al een andere oorsprong voor fiets menen te hebben, is het volstrekt onnodig dat woord, Vizeperd, ook nog eens weer tot vélocipède te herleiden. Dan kun je beter een meer rechtstreeks verband zoeken, zoals vanouds gedaan wordt, en ik hierna opnieuw zal doen. Kortom, deze voorafgaande stap is ook binnen hun theorie volstrekt overbodig.
-

Een ook al onvindbare afkorting en vergeetachtige Nederlanders en Duitsers
3. Dan komen we aan bij de derde stap, die dus ook de tweede zou kunnen zijn. Het woord Vizeperd wordt, als ik het goed begrijp, nog in Duitsland afgekort tot Vice of Vize of Vieze iets dergelijks. Maar ook daarvan zijn nergens oudere bewijsplaatsen gevonden, reden waarom we zelfs niet weten hoe men dat woord dan gespeld zou hebben. Alles wat op het fiets of fietse lijkt, is in Duitse teksten immers van veel nieuwere datum. De heren maken nogal wat van die slot-sjwa, maar ik kan verklaren dat ik opgegroeid ben met een Nedersaksisch dialect en dat wij bij mijn weten thuis ook fietse zeiden. Zoiets doe je automatisch met zo’n hoekig Nederlands woord. (In mijn Oost-Nederlandse gevormde oren blijf het Algemeen Nederlands een merkwaardig stugge en onritmische taal en als kind kon ik nooit goed geloven dat mensen in hun dagelijks leven of thuis echt zo onhandig en onnatuurlijk spraken. Ik kan het soms nog niet goed geloven. Maar ik weet inmiddels uit ervaring dat het kan, al blijft het behelpen.) Het lijkt me geen enkele aanwijzing dat het woord oorspronkelijk uit het dialect van de grensstreek afkomstig moet zijn. Bovendien, als die slot-sjwa zo belangrijk is, waarom ontbreekt die dan wel in de alcoholische Viez?

4. Dan de vierde stap, die derde zou kunnen zijn. Het inmiddels verkorte, maar helaas nergens aangetroffen Duitse Vize steekt de Nederlandse grens over, maar niemand heeft dat door. Althans, al binnen de kortste keren ziet niemand meer waar het vandaan komt, zelfs niet terwijl er toch al vanaf 1886 hard naar de herkomst gezocht wordt. Ook daar hebben de twee hoogleraren iets op verzonnen:

‘Wat meer is, onze hypothese verklaart eveneens waarom, onmiddellijk na het oversteken naar het Nederlandse taalgebied, het besef van de etymologie verloren ging: voor een Nederlandstalige is [fıts] of [fits] nu eenmaal iets geheel anders dan [vis􀄼], de manier waarop het Latijnse prefix vice in het Nederlands wordt uitgesproken.’

Maar als het al waar zou zijn dat Duitsers wel onmiddellijk aan zouden voelen dat een Vize een Ersatzpferd is en Nederlanders niet, lijkt me dat geen reden dat Nederlanders de herkomst van het woord al heel snel niet meer zouden herkennen. Ook toen al namen Nederlanders voortdurend woorden over uit de drie naburige talen en juist in de opkomende wielersport gebeurde dat intensief. Men leze de bladen er op na. Maar dan worden vreemde woorden juist als vreemde woorden herkend. Iedereen wist eind jaren tachtig wat een safety was: dat was een lage veiligheidfiets. Juist als Vieze, hoe dan ook gespeld in het Duits, een vreemd woord zou zijn geweest, zou het als zodanig herkend zijn. Maar daar is geen enkele aanwijzing voor.

5. En vervolgens moet het woord, nadat het de Nederlandse grens is overgestoken, in Duitsland ook nog eens zo grondig verdwijnen, dat er werkelijk geen enkel spoor van over blijft. Stroop hamert terecht op dit punt. Alle bewijsplaatsen voor het gebruik van een Duits woord dat op fiets lijkt, zijn van latere datum. Alle Duitse attestaties, zoals dat heet, zijn veel en veel jonger dan de Nederlandse. De heren hebben dat zelf wel door:

‘Dit alles wijst er ons inziens op dat het woord fiets verspreid is geraakt in Nederland vooraleer het echt wortel kon schieten in Duitsland. Voor die verdringing of verdwijning in Duitsland kan men zich verschillende redenen voorstellen.’

Het gaat om een regionaal woord, zeggen de heren, en voor het een kans kreeg, werd het verdrongen door het algemene Fahrrad. Maar worden regionale woorden dan echt helemaal nooit opgeschreven? En ja, je kunt je best voorstellen dat een woord een tijdje in omloop is geweest en dan door een ander verdrongen wordt. Juist rond de introductie van de fiets zien we dat ook gebeuren. Wie teksten uit de laatste decennia van de negentiende eeuw doorleest, die de opkomst van de fiets en de wielersport begeleiden, ziet heel veel termen die nu niet meer gebruikt worden. Maar meestal herken je ze zo en anders moet je even opzoeken waar ze vandaan komen. Maar je vindt dan ook altijd wel iets. Als het woord echt origineel in het Rijnland of Westfalen ontstaan was, waarom herinnerde zich dan ook later niemand meer dat het lang geleden ook al gebruikt werd? De twee Gentse geleerden veronderstellen wel erg veel vergeetachtigheid.

-
Zelfs geen hypothese
Kortom, het hele artikel van De Boel en De Grauwe is nergens op gebaseerd. Het is letterlijk op niets gebouwd. De twee veronderstellen een woord (Vizeperd) waar ze geen enkel spoor van hebben getroffen, en veronderstellen vervolgens dat het ook nog dat het afgekort wordt (Vize). Kortom, de kern van hun verhaal gaat over de verklaring van twee woorden waar geen enkel bewijs voor is dat ze ooit bestaan hebben. Het gaat om een verzinsel, meer niet.

En alle andere veronderstellingen zijn op dat volstrekte niets gebouwd. Ook daar hebben we al met minstens vijf veronderstellingen te maken die allemaal van een groot verzinsel afhangen en die als zodanig ook al niet erg plausibel zijn. De heren veronderstellen volstrekt overbodig dat een woord waarvan het bestaan verzonnen is, afgeleid is van een ander woord. Ze veronderstellen dat het woord zelf is afgekort. Ze veronderstellen dat woord in het Nederlands is overgenomen. Ze veronderstellen dat Nederlanders dat binnen de kortste keren niet meer wisten. Ze veronderstellen dat werkelijk geen enkele Duitsers de twee veronderstelde woorden ooit heeft opgeschreven.

Kortom, de twee heren veronderstellen eerst het bestaan van iets dat niemand ooit aangetroffen heeft, en vervolgens veronderstellen ze onwaarschijnlijk veel vergeetachtigheid. Het Grote Vergeten is de pendant van hun Verbeelding. Van het niets maken ze iets en vervolgens blijkt dat iets weer verdwenen te zijn. Het is gegoochel met niet-zijn dat zijn wordt en weer niet-zijn wordt.

Misschien zou je nog kunnen zeggen dat het eerste ideetje bij de cider een ‘hypothese’ was, maar zelfs dat is het nu niet meer. De heren hebben ongelooflijk veel uit de kast gehaald en al kun je bij een dergelijke hypothese misschien nooit zeggen dat ie weerlegd is – je kunt niet gemakkelijk bewijzen dat een woord echt nooit bestaan heeft -, je kunt nu wel zeggen dat het zelfs geen serieuze hypothese meer is.

-

Scherts
De vraag is alleen waarom ze het allemaal opgeschreven hebben. Niemand zal dit serieus nemen en het lijkt onwaarschijnlijk dat de auteurs zelf wel zo naïef zijn. Is dit een soort vervroegde 1 aprilgrap? Het gaat om het vierde nummer van de 127e jaargang, maar het is niet zo dat het aprilnummer aan de vroege kant is, zoals dat bij publiekstijdschriften nog wel eens het geval wil zijn. Het gaat om het iets te late nummer van het laatste kwartaal van 2011. Zestien keer wordt over schertsend gebruik van het voorvoegsel vize gesproken.

Dat lijkt zakelijk, maar ik houd het erop dat de twee Gentenaren veel lol hebben beleefd aan het in elkaar knutselen van een volstrekt schertsverhaal. Ik kan alleen nog niet de goede aanwijzing vinden. Zit er ergens in de literatuurverwijzingen een aanwijzing verborgen? Het enige dat me opvalt is dat in het Gentse persbericht gesproken wordt over een ‘uitvoerig beargumenteerde betoog van deze hypothese’ en iedereen die het stuk leest, zal doorzien dat er wel van alles opgevoerd wordt, maar dat de auteurs nergens werkelijk een argumentatie opzetten.

De enige reden dat ook serieuze journalisten hier ernstig op ingingen, moet geweest zijn dat ze wel aannamen dat het artikel werkelijk bewijsmateriaal zou aanvoeren en een soliede redenering zou bevatten. Maar dat was dus niet zo. Het lijkt me onmogelijk dat twee mensen samen zoiets serieus nemen, zelfs niet als ze in een fietstunnel of Vitstunnel pedaleren, zoals Jan Stroop veronderstelt. Dit moet, dunkt me, een soort poging zijn om de bekende grap van Alain Sokal nog eens in de taalkunde over te doen. Maar met welk doel dan? Wat wordt hier dan aan de kaak gesteld? Het omgekeerde zo ongeveer? Dat je met veel precieze aanhalingen de meest onzinnige dingen kunt beweren? Ik kom er eerlijk gezegd niet uit. Ook mij begon het pas langzaam te dagen. De bovenstaande analyse heb ik werkelijk nog in volle ernst gemaakt en pas toen ik daarna alles overzag, werd me duidelijk dat het stuk niet serieus bedoeld kan zijn.

-

Op een viezepee in Arhem
Hoe het ook zij, voor mij was dit aanleiding om nog eens nader naar de herkomst van het woord fiets te kijken en dat leverde wel iets op. In mijn volgende blog zal ik een oudere vindplaats dan tot dusverre bekend was geven. En ik zal proberen aannemelijk te maken dat de conclusie van Jaap de Berg, die ik aan het begin aanhaalde, veel te gelaten is. Het is wel degelijk aannemelijk dat fiets van velocipède afstamt. Ook daarvoor heb ik een nieuwe, maar erg voor de handliggende vindplaats.

En ik zal dan ook de titel uitleggen. Want dat wordt wel tijd.

(59)
2 november 2011

William Spark leefde echt

.:.

Vroeger, toen er nog geen internet was, kon je nog heerlijk onwetend door het leven gaan.

William Spark (1823-1897), componist, dirigent en organist te Leeds

Maandag presenteerde een commissie onder leiding van Pim Levelt de eerste resultaten van een onderzoek naar de wetenschappelijke vervalsingen die de Tilburgse hoogleraar Diederik Stapel gepleegd heeft. Het viel niet mee. Jarenlang heeft de man zich aan structureel bedrog schuldig gemaakt, begeleid door een combinatie van raffinement en machtsmisbruik. Dit is geen geval van iemand die onder druk, publicatiedruk, een eenmalige noodsprong maakte, hier gaat het om welhaast pathologisch gedrag, zou je zeggen. Ondertussen is het natuurlijk ook een tragedie voor de man en zijn naasten.

Het is niet het eerste geval en het zal ook wel niet het laatste blijven. Wie Valse vooruitgang. Bedrog in de Nederlandse wetenschap (1993) van Frank van Kolfschooten wel eens gelezen heeft – en dit is toevallig nou eens een boek dat ik ooit wél helemaal gelezen heb –, zal beseffen dat er altijd weer mensen rondlopen die zich door hun fantasie of door vreemde motieven op een doodlopende weg zullen begeven, zonder dat daar een rationele verklaring voor is. Het lijkt onwaarschijnlijk dat er op dit moment geen andere bedriegers onder ons zijn.

-

Bij Stapel draaide het om verzonnen data, zoals dat heet. Maar er zijn natuurlijk ook aardige vormen van ‘bedrog’ of beter, van het spelen met de grens tussen feiten en fictie. Ik dacht aan een specifiek geval en maakte daar maandag deze tweet van:

‘Er gaan overigens geruchten dat Wolfgang Hildesheimer voor zijn biografie van Andrew Marbot (1801-1830) ook feiten uit de duim zoog. #Stapel’

Men zal zich het geval herinneren. Nadat zijn literaire biografie Mozart uit 1977 een bestseller was geworden, kwam Wolfgang Hildesheimer (1916-1991) in 1981 met een nieuw boek in dezelfde stijl, Marbot. Eine Biographie geheten. Het was het verhaal van de jong overleden Engelse kunstpsycholoog Sir Andrew Marbot (1801-1830), zelf weliswaar in de vergetelheid geraakt, maar die wel met groten als de schilder William Turner en de dichter Samuel Taylor Coleridge omging en die op zijn reizen figuren als Lord Byron, Arthur Schopenhauer en Johann Wolfgang van Goethe ontmoette. Het verhaal, dat ik nu maar eens niet kapot ga checken, wil dat menig recensent met de handen in het haar zat en niet wist wat ervan te denken. Of er zelfs intuinde. (Het zal in ieder geval wel niet voor niets zijn dat de recensie in Der Spiegel van de hand van Peter Wapneski, die na vele feiten gecontroleerd te hebben, aanroert dat het wel fictie moet zijn, in de zoekresultaten zo hoog eindigt.)

Op mijn tweet reageerde Bas Paternotte met:

‘Zorgelijk. Las onlangs ook zoiets over de biografie van de hand van publicist G. Bomans over Thomas Robert Spoon’

Ik heb hem geantwoord dat het in dat geval om laster moest gaan. Wat Bomans schreef, was immers altijd waar, zelfs als het verzonnen was. In mijn jeugd hadden we een huisarts die altijd zei: ‘Waar? Wat is er nou waar in de krant? Alleen Panda is waar.’ Panda was de hoofdfiguur in de gelijknamige strip van Marten Toonder, waarin ook ene Joris Goedbloed figureerde. Zo is het. Fictie kan meer waar zijn dan pure berichtgeving, mits men even omschrijft hoe men het normatieve adjectief aanwendt.

-

Van het een komt het ander. Deze twee gevallen brachten me op een nog sprekender geval van fictie die de realiteit binnendrong. Op donderdag 24 juni 1943 werd in het gijzelaarskamp Sint-Michielsgestel, waar diverse Nederlandse prominenten geïnterneerd waren in het gebouw en op het terrein van het kleinseminarie Beekvliet, een herdenking gehouden van de grote Britse componist William Spark, die die dag precies een eeuw geleden overleden was. Er werden inleidingen over zijn betekenis gehouden en uitvoeringen van zijn werk op de piano ten gehore gebracht. Sommige aanwezigen schijnen opgemerkt te hebben dat ze de componist altijd al enorm bewonderd hadden. Het bleek dus een grap te zijn. De naam was afgeleid van de Amsterdamse Willemsparkweg, die als Willem Sparkweg werd opgevat.

Ik kende het verhaal uit De gijzelaars van Sint Michielsgestel. Een elite-beraad in oorlogstijd (1979) van Madelon de Keizer, maar voordat ik me uit mijn stoel verhief en mijn boekenkast opzocht, tikte ik, zoals dat vandaag de dag gaat, eerst even ‘William Spark’ in Google in. Ik had per ongeluk Google Books open staan, en wat schetst mijn verbazing? Als eerste zoekresultaat kwam het boek Musical Memories van William Spark uit 1888 naar boven! En direct daaronder verscheen een tweede titel: Musical Reminiscences. Past and Present uit 1892 van dezelfde auteur. Ik raakte echt even in de war en dacht: heb ik het dan verkeerd onthouden? Zat het verhaal over William Spark dat ik vaak opgehaald had of waaraan een referentie soms genoeg was, omdat velen het immers blijken te kennen, dan helemaal anders in elkaar? Bestond er dan wel degelijk een Britse musicus met die naam, doelde men ook wel degelijk op hem en was de grap met de Willemsparkweg dan anders van opzet?

Nu haastte ik me met des te meer spoed naar de planken die de boeken over de Nederlandse twintigste eeuw dragen, en pakte het vertrouwde en druk onderstreepte boek van Madelon de Keizer. De passage was niet moeilijk terug te vinden, omdat op bladzijden ervoor zelfs afbeeldingen van William Horace Lawrence Spark en diens echtgenote Amalia opgenomen waren. Het verhaal bleek zo te zijn als ik me herinnerde en zoals ik het hierboven kort naverteld heb – zo’n datum heb ik uiteraard niet in mijn hoofd. Ook een werk dat er net naast stond, Een ruwe hand in het water. De gijzelaarskampen Sint-Michielsgestel en Haaren (1993) van Saskia Jansen, Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel en J.C.H. Blom – de een heeft achternamen, de ander initialen, zullen we maar zeggen – bevatte hetzelfde verhaal, iets soberder verteld en met een klein detailverschil. Terwijl bij De Keizer de aanwezigen woedend worden als ze na afloop van de plechtigheid te horen krijgen dat het een grap was geweest die door de naam van de Amsterdamse straat was ingegeven, krijgen ze in het verhaal van Saskia Jansen zelfs nog niets door als die straatnaam al tijdens het programma genoemd wordt. Toen ik hierna nog eens verder op internet keek, zag ik dat er zelfs een speciaal Wikipedia-lemma over Willem Spark bestaat. Men vindt daar ook de verwijzing naar de na de oorlog uitgegeven The Spark Papers en nog meer aardige details, zoals dat de grap dus inmiddels een heuse Willem Sparkweg in het leven heeft geroepen, waar ik dan zelf nog maar aan toevoeg dat er tegenwoordig zelfs een kinderdagverblijf is dat Willem Sparkje heet. Op Wikipedia is de bewering overigens dat Spark op 24 juni 1843 geboren zou zijn, mijn twee boeken houden het op zijn fictieve overlijdensdatum en dat geloof ik vooreerst meer. Ook in fictie heb je meer en minder waar.

Ondertussen blijkt er dus wel degelijk een Engelse musicus genaamd William Spark (1823-1897) geleefd te hebben. Hij was componist, dirigent en organist en moet een groot man te Leeds zijn geweest. En hij schreef dus meerdere boeken. Men kan dat desgewenst allemaal opzoeken, maar mij interesseert dat nu niet in detail. De Britste componist William Spark die werkelijk geleefd heeft, en de verzonnen Britse componist William Spark die stierf toen de ‘echte’ negentien was, blijken bij nader inzien niets met elkaar te maken te hebben. Maar dat moest ik eerst wel even uitzoeken. Sinds internet horen we ook van dingen die we niet eens willen weten.

-

Gelukkig kan men zich heden ten dage niet goed een gijzelaarskamp in Nederland voorstellen, maar onder dergelijke condities waar iedereen volledig van de buitenwereld is afgesloten, zou men zich een vergelijkbare grap waarschijnlijk nog wel kunnen voorstellen. Maar sinds iedereen elementaire feiten in Google kan intikken of intoetsen, kun je sommige dingen zo uitzoeken. Van een boek als Marbot zou geen enkele recensent nu nog langdurig in de war raken.

Toch is het nog niet zo lang geleden dat dat wel kon. Ik herinner me dat ik in 1999 voor Trouw het boek Zaraffa. De geschiedenis van een giraffe van Michael Allin besprak. Dat dat gebeurd is, kan men nog vinden, maar op internet is het stukje ernstig in het ongerede geraakt. Het kan best een kortje van 400 woorden geweest zijn, maar ook een langer stuk; ik weet het niet meer (en mijn stukjes uit die tijd heb ik nooit structureel bewaard). Het kan zijn dat ik toen thuis net internet had, of misschien ook niet, op het werk in ieder geval wel. Maar dat was de begintijd waarin nog niet erg veel informatie beschikbaar was. Of je kwam eenvoudig nog niet op het idee om alles automatisch op te zoeken in Altavista of Yahoo, ik weet het niet meer. Maar ik herinner me nog wel dat ik dat boek wat wantrouwend las. Het was mooi, literair, gedetailleerd, maar ook zonder literatuuropgaven, en steeds vroeg ik me af of de auteur in een raamwerk van historisch kloppende feiten niet een fraai fantasieverhaal in elkaar had geflanst. Destijds kon je zoiets heel moeilijk op grond van je boekenkast uitzoeken, nu kon ik zo in een paar klikken vaststellen dat het verhaal wel degelijk op werkelijkheid is gebaseerd.

Data kon Stapel kennelijk nog wel uit zijn duim zuigen, maar er zijn vormen van bedrog, zoals plagiaat, die enerzijds door internet gemakkelijker begaan kunnen worden, maar anderzijds ook eerder op zullen vallen en daarom door een geraffineerd oplichter niet zo snel meer toegepast zullen worden. En er wordt op internet ongetwijfeld ook veel onzin verteld en vooral doorverteld (waarbij het kritiekloze kopiëren vaak een goede eerste indicatie vormt). Maar het medium maakt het je soms ook onmogelijk om dingen niet te weten.

En dat is een geruststellende gedachte.

(16)

1 november 2011

Luther met hamer en spijkers

.:.

Vandaag is het Allerheiligen, gisteren was het dus Hervormingsdag en de datering van die laatste dag is gebonden aan de eerste, al gebruik ik nu aanduidingen die precies tegen de temporele orde ingaan.

De opvolger van de deur waar Luther zijn 95 stellingen aan opgehangen zou kunnen hebben (foto: Gertrud K.)

Ook gisteren zag ik weer hoe de voorstelling dat Martin Luther (1483-1546) op 31 oktober 1517 driftig met hamer en spijkers in de weer was geweest, nog immer tot de verbeelding spreekt. Maar zoals dat gaat met aansprekende historische gebeurtenissen, is het omstreden of Luther op de vooravond van Allerheiligen zijn 95 stellingen, die hij op die dag onmiskenbaar als bijlage bij een brief aan Albrecht van Brandenburg, de aartsbisschop van Mainz en Brandenburg, heeft gevoegd, toen ook heeft opgehangen. Maar over de datering hoeven we verder niet te twijfelen. De dag en de theses horen bij elkaar: ze waren die dag in ieder geval af en ze werden daarna ook in wijde kring bekend.

-

In 1961 stelde de katholieke kerkhistoricus Erwin Iserloh – eerst in een artikel, vervolgens in zijn gelijknamige brochure Luthers Thesenanschlag. Tatsache oder Legende? (1962), daarna in 1968 in een iets uitgebreider werk hernomen - vast dat Luther het bij zijn leven nooit over het aanslaan van de stellingen op de deur van de Wittenberger slotkapel gehad heeft. Dat is toch op zijn minst merkwaardig voor een gebeurtenis die later zo’n belangrijke symbolische betekenis kreeg. De vroegste vermelding was net na zijn dood in 1546 door zijn Weggefährte Philippus Melanchthon (1497-1560), die Luther pas in 1518 persoonlijk leerde kennen, in zijn voorrede bij de tweede band van een uitgave van Luthers Latijnse geschriften. Dit is de vertaling die Iserloh van de cruciale zin geeft (uit praktische overwegingen, in Google Books vind je niet alles, verwijs ik naar een andere pagina):

‘Luther, brennend von Eifer für die rechte Frömmigkeit, gab Ablaßthesen heraus, die im 1. Band dieser Ausgabe gedruckt sind. Diese hat er öffentlich an der Kirche in der Nähe des Wittenberger Schlosses am Vortage des Festes Allerheiligen 1517 angeschlagen.’

Het was even zoeken naar het Latijnse origineel in het zesde deel van het Corpus Reformatorum, maar hier is de tweede zin, die er in dit verband toe doet:

‘Et has publice Templo, quod arci Witebergensi contiguum est, affixit pridie festi omnium Sanctorum anno 1517.’

Het woord waar het hier om gaat, is affixit en dat moet zoveel betekenen als dat hij de stellingen aan de slotkapel bevestigde. Hoe hij dat deed, dat staat er niet.

-

Daar kwam in 2007 een tweede zinnetje bij, dat iets daarvoor door Martin Treu opgemerkt werd. Het gaat om een aantekening van Luthers secretaris Georg Rörer (1492-1557), die er in 1517 ook al niet bij was, op het laatste blad van het register bij een uitgave van Luthers Duitse vertaling van het Nieuwe Testament uit 1540 en die op de late herfst van 1544 gedateerd wordt. Dat was dus nog bij Luthers leven en het gaat om diens eigen handexemplaar. Hij kan die opmerking dus onder ogen hebben gehad:

‘Anno do[m]ini 1517 in profesto o[mn]i[u]m Sanctoru[m], p<…> (1)
Wite[m]berge in valuis temploru[m] propositæ sunt pro (2)
de Indulgentiis, a D[octore] Mart[ino] Luth[ero]’

Wat de (1) en de (2) mogelijk betekenen, kan men hier zelf nakijken. Treus eigen voorstel voor een vertaling luidt:

‘Am Vorabend des Allerheiligenfestes im Jahre des Herren 1517 sind von Doktor Martin Luther Thesen über den Ablass an die Türen der Wittenberger Kirchen angeschlagen worden.’

Merk op dat Treu propositae conform de traditie vertaalt met angeschlagen, en wat dat woord ook precies betekenen moge, het lijkt me sterk dat we daarbij alleen maar aan hameren of spijkeren moeten denken. Dat zal afhangen van wat de gebruikelijke wijze van ophangen in die dagen was.

-

Over de theses van Iserloh is veel gediscussieerd. De kracht van zijn argumenten was dat Luther zelf nooit over de Thesenanschlag heeft geschreven en dat de vermelding door Melanchthon wel erg laat was, bijna dertig jaar na dato, en pas na Luthers dood. De vondst van Treu veranderde daar in zoverre iets aan dat Luther de aantekening van Rörer in ieder geval onder ogen gehad kan hebben, al weten we niet of dat ook zo was.

In zijn bekende biografie Luther. Mensch zwischen Gott und Teufel die in 1982 aan de vooravond van de grote Luther-herdenking in 1983 verscheen, schreef de gezaghebbende kerkhistoricus Heiko A. Oberman onbekommerd:

‘Am Vorabend des Festes ‘Allerheiligen’, am 31. Oktober 1517, schlug Luther gemäß dem Brauch der Universität seine Lateinisch verfäßten Thesen an die Tür des Schloßkirche zu Wittenberg.’

Hoewel hij alle literatuur toch wel degelijk kende – ik herinner mij dat vrienden in die tijd vertelden dat hij op colleges in Tübingen fijntjes kon opmerken dat iemand ondanks zijn geringe kennis van de bronnen toch nog een verrassend vlot boek over Luther had weten te schrijven – hield hij dus vast aan de historiciteit van de Thesenanschlag. Maar let op: hij schrijft ‘gemäß dem Brauch der Universität’. Dat wil dus zeggen dat het ophangen van de stellingen niet iets bijzonders was, maar onderdeel vormde van de gewone, alledaagse universitaire gang van zaken. Hij verwijst daarvoor in een noot naar zijn boek Werden und Wertung der Reformation uit 1977 (herzien in 1979 en later nog eens in 1989), waarin hij op de pagina’s 190-192 een en ander nader toelicht.

-

Ik ga dat nu niet verder uitzoeken. Er is daar veel literatuur over, die ik niet ken. Ik verwijs alleen nog naar het boek dat onder redactie van Joachim Ott en de al genoemde Martin Treu verscheen en dat ik ook al niet ken: Luthers Thesenanschlag – Faktum oder Fiktion? (2008). Zeker is in ieder geval dat het ophangen van de stellingen niet iets was dat tijdens Luthers leven een bekend verhaal was. Dat kwam pas later. En als het om een historisch gebeuren ging, dan was het dus niet iets uitzonderlijks. Maar dat kan juist ook weer verklaren waarom Luther of anderen er tijdens zijn leven eigenlijk nooit aan referereerden: wat routine is, benoem je niet afzonderlijk. De latere voorstelling van een hoogleraar die een opzienbarende daad pleegt, klopt dus in ieder geval niet. Hoe men in die dagen zaken ophing, weet ik niet. Punaises had men nog niet. Maar of men dan echt hele bladen met stellingen met spijkers op een deur timmerde of dat er al haken of spijkers waren, waar men bladen met touwtjes – denk aan de bekende lias – aan ophing of dat men plakte of andere methoden gebruikte, weet ik niet. Ik wilde alleen even de originele zinnen opzoeken.

Maar het is een mooi verhaal.

(15)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.456 other followers