Archief voor ‘Filosofie’

21 april 2012

De omkering – Over het epistemologisch godsbewijs van Emanuel Rutten (2)

.:.

Afgelopen dinsdag plaatste ik hier een stukje over het epistemologisch godsbewijs van Emanuel Rutten. Naar aanleiding daarvan heb ik de afgelopen dagen veel discussies gevoerd en ik kan nu nog scherper uitleggen waarom het bewijs niet klopt. Ik herhaal alleen nog de korte formulering van het godsbewijs, of godsargument zoals de opsteller zelf graag zegt. Voor de verwijzingen naar zijn drie artikelen waar hij het uiteenzet, verwijs ik naar mijn vorige weblogstukje. Het bewijs dus:

  1. Voor alle p geldt dat als p noodzakelijk onkenbaar is, dan is p noodzakelijk onwaar.
  2. De propositie ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onkenbaar.
  3. Ergo: ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onwaar.
  4. Ergo: het is noodzakelijk waar dat God bestaat.

Gustave Caillebotte, Rue de Paris, temps de pluie, 1877 (Art Institute of Chicago)

Met de formele geldigheid van de redenering zit het natuurlijk wel goed. Hier wordt gebruik gemaakt van modus ponens: Als K, dan L. Welnu K. Dus L. (Om misverstanden te voorkomen vermijd ik hier het gebruikelijke p en q maar even, omdat het eerste symbool ook al in het epistemologisch argument gebruikt wordt voor een willekeurige propositie.)

Iedereen voelt natuurlijk op zijn klompen aan dat er met de premissen iets mis is: of met eentje of met beide. Maar wat precies? Op het eerste gezicht, ik merkte dat de vorige keer ook al op, ziet de relatie tussen de twee kernbegrippen in de eerste premisse er positief geformuleerd wel enigszins plausibel uit. Als je een oordeel over de kwaliteit van een roman of een film wilt vellen, dan moet je eerst het boek lezen of de film bekijken en er dus kennis van nemen. En pas als je kennis genomen hebt van een bewering (propositie), kun je zeggen of die waar is.

-

Kenbaarheid veronderstelt waarheid
Maar, en dat is het verraderlijke, dat is niet hoe Emanuel Rutten kenbaarheid en onkenbaarheid definieert. Hij verstaat onder kenbaarheid en kennis iets heel anders. Hij maakt gebruik van een zogenaamde ‘Cartesian view of knowledge’, een cartesiaanse notie van kennis. In zijn lange Engelstalige artikel (nummer 2 in mijn lijstje in de vorige blog) omschrijft hij die zo:

‘to know p is to be certain that p is true’.

En in zijn Nederlandse toespraak bij het symposium op de VU (nummer 3 in mijn lijstje) geeft hij deze omschrijving:

‘Een subject S kent propositie p indien p is en indien S zich met betrekking tot p in een ideale epistemische situatie bevindt. Dit laatste wil zeggen dat p voor S zelf-evident of niet-corrigeerbaar is.’

Wat betekent dit? Dat in dit specifieke begrip van kennis het begrip waarheid al is opgenomen. Alleen wat waar is, kun je op die manier kennen. Maar dat wil zeggen dat zijn eerste premisse circulair is of tautologisch is. ‘Onkenbaar’ betekent daarin dat geen enkel subject ooit (in geen enkele mogelijke wereld) kan weten dat p waar is en dus ‘dat p’. In zijn begrip van kenbaarheid en ook van (noodzakelijke) onkenbaarheid zit volgens de definitie al een oordeel omtrent de waarheid opgesloten. Ik citeer uit de toespraak:

‘Indien het metafysisch onmogelijk is om te weten dat p, dan is p noodzakelijk onwaar”. Of anders gezegd: wat mogelijk waar is, is ook mogelijk kenbaar. Deze claim lijkt niet onredelijk.’

Maar dat is volgens de definitie van kennis net niet het hele verhaal. Niet wat kenbaar is, is mogelijk waar, maar alleen wat waar is, is kenbaar. Dat ‘alleen‘ staat niet hier, maar is wel het uitgangspunt van de definitie. Wat noodzakelijk onwaar is, is onkenbaar, dat is de verborgen veronderstelling waar alles op gebaseerd is. Die zin is in de eerste premisse dus precies omgekeerd (maar dus niet equivalent) opgeschreven: wat noodzakelijk onkenbaar is, is onwaar. Maar noodzakelijke onkenbaarheid betekent ‘noodzakelijk niet kunnen weten dat’ en ‘wel kunnen weten dat noodzakelijk niet p’.

De zinnen ‘Als het regent, worden de straten nat’ en ‘Als de straat nat is, heeft het geregend’ kunnen in bepaalde omstandigheden allebei waar zijn, maar ze zijn niet elkaars equivalenten. Je kunt het tweede niet concluderen uit het eerste, maar je kunt wel op grond van ervaring vaststellen dat zowel de eerste als de tweede conditionele zin vaak waar zijn. Het equivalent van de eerste zin is: ‘Als de straten niet nat zijn, heeft het niet geregend’ en van de tweede is die ‘Als het niet geregend heeft, is de straat niet nat’. De omkering van de veronderstelling uit de definitie in de eerste premisse is dus geen equivalent daarvan. Dat wat noodzakelijk niet waar is, niet gekend kan worden, is niet hetzelfde als dat wat noodzakelijk niet gekend kan worden, niet waar is.

-

Noodzakelijke onwaarheden
Als je vraagt naar illustraties van beweringen die noodzakelijk onwaar zijn, dan krijg je voorbeelden in de trant van logische tegenstrijdigheden of uitspraken die gezien de structuur van onze werkelijkheid onmogelijk zijn. Je kunt niet weten dat 2 plus 2 5 is, want dat is niet waar. Je kunt alleen weten dat 2 plus 2 niet 5 is. ‘A is niet A’ is een tegenstrijdigheid en je kunt dus niet weten dat A niet A is.

‘Bernard Smit lunchte gisteren om 12 uur in Parijs en Rome’ is een uitspraak die onmogelijk waar kan zijn, omdat je niet tegelijk op twee plekken die zover uit elkaar liggen, kunt zijn (je kunt nog wel een keer met twee benen in twee landen staan, op de grens). Niemand kan dus volgens de cartesiaanse visie weten dat Bernard Smit gisteren op noentijd tegelijk in Parijs en Rome zat te eten, want dat kan niet waar zijn geweest. En in die zin is die uitspraak volgens de definitie noodzakelijk onkenbaar, wat dus niet wil zeggen dat je de uitspraak in gewoon Nederlands niet kent, want we hebben het erover, maar dat de uitspraak noodzakelijk onwaar is.

Toevallig had ik in mijn vorige blogstukje ook al twee zinnetjes gegeven die zichzelf overduidelijk tegenspreken: ‘Ik ben dood’ of ‘Dit is geen zin’. Ik vind dat altijd nogal flauwigheden, maar van deze zinnen kun je in alledaags Nederlands wel zeggen dat je ze kent, maar niet dat je ze weet. En weten staat dan dus voor die zogenaamde cartesiaans notie van kennis: weten dat p waar is en dus simpelweg weten dat p.

Nu maakt Rutten onderscheid tussen proposities die noodzakelijk onwaar zijn en proposities die wel onwaar zijn, maar niet noodzakelijk. ‘2+2=5’ is noodzakelijk onwaar, maar ‘Nederland won de WK-finale voetbal van Duitsland in 1974’ is wel onwaar, maar niet noodzakelijk onwaar en daarom ook niet noodzakelijk onkenbaar. Je kunt je volgens hem immers een wereld voorstellen waarin dat wel waar is.

-

De juiste formulering
Maar goed, ik geloof dat we er wel zijn en dat we nu definitief vast kunnen stellen dat de conditionele zin die de eerste premisse vormt, nietszeggend is. In de notie van noodzakelijke onkenbaarheid wordt de notie van waarheid en onwaarheid al voorondersteld en de implicatie is dan ook al in het eerste deel gegeven. Het lijkt een beetje op een zin als ‘Als de straten nat regenen, worden de straten nat’ in plaats van ‘Als het regent, worden de straten nat’. Er blijkt iets aan vooraf te gaan: als p noodzakelijk onwaar is, dan blijkt p noodzakelijk onkenbaar te zijn volgens de definitie en dan verbaast het ons niets als p vervolgens weer onwaar is.

De eerste premisse is een fout als uitdrukking van de gehanteerde definitie van kennis. En de juiste zin zou zijn:

‘Voor alle p geldt dat als p noodzakelijk onwaar is, dan is p noodzakelijk onkenbaar [in de zin van weten dat p]’

Wat noodzakelijk onwaar is, dat is in de zogenoemde cartesiaanse opvatting onkenbaar. Maar de uitspraak ‘God bestaat niet’ is in die zin geen noodzakelijk onware uitspraak. Wat Rutten doet, is mensen laten toegeven dat je op empirische gronden nooit helemaal met zekerheid kunt zeggen dat die uitspraak waar is. En dat noemt hij dan ‘noodzakelijke onkenbaarheid’. Maar zijn definitie van onkenbaarheid houdt in dat mensen dan ook meteen zeggen dat de uitspraak ‘God bestaat niet’ noodzakelijk onwaar is. Terwijl menig atheïst en in ieder geval agnost zou stellen dat je niet met absolute zekerheid kunt stellen dat God niet bestaat, maakt Rutten daar zo van dat je noodzakelijk niet kunt stellen dat God niet bestaat.

Het is allemaal niet zo van belang. Zijn eerste premisse is simpelweg verwarrend. En de juiste premisse volgens zijn definitie van kenbaarheid is dat als p noodzakelijk onwaar is, p dan noodzakelijk onkenbaar is, omdat je dan niet kunt weten dat p.

-

Afscheid
Ik geloof dat we nu wel definitief afscheid kunnen nemen van Ruttens godsargument. De eerste premisse draait de volgorde van de definitie om en is in die zin tautologisch. Want de definitie van ‘onkenbaarheid’, die afwijkt van wat ‘onkenbaarheid’ in gewoon Nederlands betekent, impliceert al dat je weet dat iets niet waar is. En of iets waar of onwaar is, dat was nu net de vraag.

Wie meent dat premisse 2 waar is, meent dat de uitspraak die daar gedaan wordt, op dezelfde wijze logische tegenstrijdig is of met de bekende werkelijkheid in strijd is als de andere opgegeven voorbeelden. In mijn vorige stukje had ik ingestemd met de tweede premisse, omdat ik de uitleg van Rutten gevolgd had: dat je over een dergelijke vraag nooit met zekerheid uitsluitstel kunt geven. Maar dan trap je dus in een val, want ‘noodzakelijk onkenbaarheid’ blijkt volgens de definitie te betekenen: weten dat noodzakelijk niet p. Het gaat niet om een empirisch begrip. Het gaat over uitspraken die als zodanig, direct herkenbaar, onwaar zijn.

Met serieuze vragen over het bestaan van God heeft het allemaal niets te maken. Daarom laat dit gegoochel met begrippen ook een wat nare smaak na. Over dergelijke vragen kun je heel goed een serieus gesprek voeren. Je kunt wel proberen om medemensen met kunstgrepen af te troeven, maar je bereikt er niets mee. Of je bereikt er mee dat je eindeloos gesteggel krijgt en dat is ook deze week weer gebeurd.

Rutten gebruikt een omkeringstruc en zodra je iemand zover hebt dat die toegeeft dat iets niet helemaal met zekerheid vastaat en zo gekend kan worden en ‘dus noodzakelijk’ onkenbaar is, kan hij zijn mechanisme in werking zetten. Van alles waarvan je niet met zekerheid meent te kunnen stellen dat het waar is, kun je zo aantonen dat het onwaar is. Maar het enige dat je dan bereikt hebt, is dat je gesprekspartner zich in het ootje genomen voelt.

Aan de vraag waar het om gaat, kom je dan niet meer toe.

Eerste naschrift, zaterdag 21 april 2012, ongeveer 15.00 uur
 Dit stuk was om 13.25 geplaatst en is daarna nog weer op onderdelen herschreven. Het is verwarrende materie. De eerste premissie keert in feite de volgorde van de definitie – waarheid bepaalt wat kennis is – om, maar als je de definitie volledig uitwerkt blijkt het om een tautologie te gaan. Als je nagaat wat noodzakelijke onkenbaarheid, niet op  het gehoor, maar volgens de definitie is, dan is de tweede premisse onjuist. Ruttens empirische uitleg, dat geen enkel subject de waarheid van de tweede premisse ooit kan vaststellen, is misleidend. Noodzakelijke onkenbaarheid houdt het oordeel in dat iets noodzakelijk onwaar is, hetzij wegens innerlijke tegenstrijdigheid, hetzij wegens direct waarneembare strijd met de werkelijkheid.

Tweede naschrift, zondag 22 april 2012, ongeveer 8.25 uur
 Misschien is een kleine toelichting nog verhelderend. Volgens mij is veel ontwarring onstaan door de eigenzinnige wijze waarop in het argument het woordje ‘onkenbaar’ wordt gebruikt. Dat betekent niet wat er staat – altijd een zwak punt, zoiets – maar iets anders: namelijk, ‘onweetbaar’. Kennen wordt hier immers volgens de definitie beperkt tot ‘weten dat’, terwijl kennis, ook wetenschappelijke kennis heel wat meer betekent. Maar als we dat ene woord vervangen, wordt het argument veel helderder:

  1. Voor alle p geldt dat als p noodzakelijk onweetbaar is, dan is p noodzakelijk onwaar.
  2. De propositie ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onweetbaar.
  3. Ergo: ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onwaar.
  4. Ergo: het is noodzakelijk waar dat God bestaat.

 Het zal verder geen betoog hoeven dat ‘God kennen’ iets heel anders is dan ‘weten dat God bestaat’. Maar ook wetenschappelijke en alledaagse kennis is heel wat meer dan weten dat iets waar is. Dat leren kinderen op school al. Ze moeten niet alleen dingen ‘leren’, maar ze ook ‘begrijpen’.

(67)

17 april 2012

Het onkenbare is niet onwaar – Over het epistemologisch godsbewijs van Emanuel Rutten

 .:.

 

Vorig jaar oktober presenteerde Emanuel Rutten een nieuw godsbewijs, of in zijn eigen woorden, godsargument. Onder meer omdat de webrubriek Stone Links in de New York Times er op woensdag 26 oktober één verwijzend zinnetje aan wijdde, trok het al enige aandacht. Op Nu.nl schreef Jean Wagemans er op 22 november 2011 een column over onder de titel ‘Een maagdelijk godsbewijs’.

-

Een ooit mogelijke wereld. Wereldkaart uit de Map Psalter, ongeveer 1265 (British Library)

Aandacht
Afgelopen woensdag, 11 april 2012, was er op de VU een debat over het godsargument (waar ik trouwens niet bij aanwezig was) en daardoor laaide de publiciteit op. Op maandag 9 april 2012 schreef Paul Delfgaauw al een aankondigende beschouwing, ‘Je kunt logisch sluitend afleiden dat God bestaat’ op zijn weblog Van goden en mensen. Woensdag 11 april plaatste Filosofie Magazine een interview door Jeroen Hopster met Emanuel Rutten onder de titel, ‘Nederlandse filosoof presenteert nieuw godsbewijs’. De volgende dag, donderdag 12 april, volgden er enkele verslagen. Paul Delfgaauw was er al vroeg bij met ‘VU-debat: Het is noodzakelijk waar dat God bestaat’. En de kerkredactie van het Reformatorisch Dagblad kwam met ‘“Als God niet niet bestaat, bestaat Hij dus wel”’.

Een dag later, vrijdag 13 april, schreef Paul Delfgaauw nog een stuk, ‘Vier tegenwerpingen godsbewijs Emanuel Rutten’, dat een weergave van de vier tegenwerpingen die Rutten op de VU zelf alvast probeerde te weerleggen, bevatte. Op zaterdag 14 april bracht de Vlaamse krant De Standaard een gesprek met Rutten, ‘Daaruit volgt: God bestaat’. Nederlandse filosoof vindt nieuw argument voor opperwezen’, waar ook een korte bijlage bij was: ‘Het argument van Emanuel Rutten in vier simpele stappen’. Er is her en der nog veel meer verschenen – ik noem alleen nog het weblog van Mihai Martoiu Ticu, die maar liefst vijf stukjes aan het argument wijdde -, maar bij deze verwijzingen laat ik het maar even.

-

De stukken
Hierdoor liet ik me verleiden toch maar eens naar de stukken van Rutten te kijken. Als ik het goed zie, gaat het om drie artikelen, die ik even op een rij zet.

  1.  A metaphysical principle entailing theism?
    Het stuk (van net 4 pagina’s) is ongedateerd, maar op woensdag 19 oktober 2011 zette Rutten het eerste deel op zijn weblog en het was hiernaar dat de New York Times-blog linkte. Op zaterdag 22 oktober verscheen het ook integraal in een bijdrage van Alexander Pruss op de weblog The Prosblogion: ‘Rutten’s argument for the existence of God.
  2.  A modal-epistemic argument for the existence of God
    Rutten kondigde dit stuk (van 25 pagina’s) op zaterdag 24 maart 2012 op zijn weblog aan.
  3. Openingstoespraak ‘Debat Godsargument’ VU Faculteit der Wijsbegeerte
    Op dezelfde dag, woensdag 11 april 2011, kondigde Rutten deze publicatie (van 7 pagina’s) op zijn weblog aan. Eronder staan vele reacties.

Als ik het goed zie, is het tweede artikel een uitbreiding van de eerste tekst. In de eerste tekst voert Rutten vier mogelijke tegenwerpingen tegen zijn godsbewijs op en in de tweede tekst heeft hij die uitgebreid tot een tiental. In de toespraak op 11 april voerde hij weer vier mogelijke objecties op, die overeen lijken te komen met de eerste, vijfde, negende en tiende tegenwerping uit het lange stuk van maart. Wie snel kennis wil nemen van de hoofdlijn, kan de toespraak (3) lezen, wie het hele verhaal wil hebben, kan beter het lange stuk (2) van maart lezen.

-

De kern
De kern is door Rutten in vier korte stellingen samengevat, die op vele plaatsen zijn weergegeven:

  1. Voor alle p geldt dat als p noodzakelijk onkenbaar is, dan is p noodzakelijk onwaar.
  2. De propositie ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onkenbaar.
  3. Ergo: ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onwaar.
  4. Ergo: het is noodzakelijk waar dat God bestaat.

Dit is een nauwkeurige vertaling van de argumentatie die ook al in zijn lange betoog, ‘A modal-epistemic argument for the existence of God’ staat, maar daar is nog iets toegevoegd:

  1. For all p, if p is unknowable, then p is necessarily false (first premise; the principle),
  2. The proposition „God does not exists‟ is necessarily unknowable (second premise),
  3. Therefore, „God does not exists‟ is necessarily false (from both premises)
  4. Therefore, necessarily, God exists (conclusion; from (3)).

-

Epistemologisch
In interviews zegt Rutten dat hij niet over een godsbewijs wil spreken, maar over een argument. ‘Bewijzen doen we in de wiskunde’, zegt hij steeds. Dat lijkt me niet verstandig. Systematische op de rede gebaseerde argumentaties voor het bestaan van God plegen we nu eenmaal godsbewijzen te noemen en dat ze omstreden zijn, is ook bekend. Bovendien beperken bewijzen zich echt niet tot de wiskunde. Voor de rechter wordt van alles bewezen en ook historici kunnen bewijzen dat Willem van Oranje in 1584 is doodgeschoten en ze voeren daarbij allerlei argumenten aan of hij zijn overgeleverde laatste woorden wel of niet gesproken kan hebben. In het dagelijks leven bewijzen we steeds van alles en nog wat. Een leerling kan bewijzen waarom hij te laat op school was, door naar informatie over storingen op de site van de NS te verwijzen.

Zelf noemt hij Rutten zijn godsbewijs een modaal-epistemisch argument voor het bestaan van God, maar het lijkt me dat we het rustig als een epistemologisch godsbewijs kunnen typeren. De argumentatie ligt immers op het vlak van wat we kunnen kennen en in dat opzicht wijkt het ook af van de bekende godsbewijzen. Als ik het goed zie, beginnen die meestal bij ‘iets’ of soms ‘alles’ dat we kennen, en redeneren ze van daaruit verder dat er (nog) ‘meer’ moet zijn en dat heet dan God. In de kosmologische godsbewijzen wordt vanuit het bestaan van de wereld als zodanig of van oorzakelijkheid of beweging daarbinnen terugredenerend geconcludeerd dat er iets ‘voor’ of ‘buiten’ de wereld moet zijn. Het teleologisch godsbewijs gaat uit ervan uit dat iets als doelgerichtheid binnen de wereld bestaat en dat daar iets ‘achter’ moet zitten. Het ontologisch godsbewijs maakt de sprong van een gedachte naar werkelijkheid en ook morele of ethische godsbewijzen concluderen vanuit het verschijnsel dat mensen een moreel vermogen hebben of dat er moraal bestaat, dat bijvoorbeeld God, de ziel en onsterfelijkheid bestaan. Er wordt iets waargenomen of geconstateerd en van daaruit wordt er verder geredeneerd: van iets naar meer.

Het epistemologisch godsbewijs is daaraan in zekere zin tegengesteld: van niets naar iets. Het begint niet bij weten, maar juist bij niet-weten en zelfs bij wat onkenbaar is en concludeert daaruit dat we iets wél weten, namelijk dat God bestaat. Ik neem godsbewijzen zeker serieus en voor het ontologisch godsbewijs van Anselmus heb ik ondanks de evidente zwakte van de sprong van idee naar realiteit zelfs een uitgesproken zwak, maar het argument van Rutten kan me op geen enkele wijze overtuigen.

-

Een onkenbare premisse op schrift
Ik beperk me nu tot de twee premissen. Het punt is dat Rutten ze zonder veel uitleg presenteert en dan vervolgens opmerkt dat ze ‘cogent’, overtuigend dus, of ‘plausibel’ zijn. Ik citeer:

‘I take it that, reasonably, the prior plausibility of premises (1) and (2) of this argument is, everything else taken equal, higher than the prior plausibility of the proposition that God necessarily exists, which, I would say, makes the argument relevant for the debate between theists and atheists.’

Maar voor zover ik zien kan, doet hij eigenlijk nergens een poging om ze te onderbouwen of zelfs maar toe te lichten. Bijna direct gaat hij over op het bestrijden van tegenwerpingen – eerst vier, dan tien en dan weer vier – die hij zelf verzint en vervolgens probeert te weerleggen. Die tegenwerpingen gaan over van alles en nog wat, maar niet of nauwelijks over de overtuigingskracht of zelfs maar plausibiliteit van de twee premissen. En ik vind die allerminst plausibel.

Eerst maar even de tweede:

‘De propositie ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onkenbaar.’

Zoals het er staat, is het overduidelijk een zin die zichzelf tegenspreekt, een beetje in de trant van beweringen als ‘Ik ben dood’ of ‘Dit is geen zin’. ‘Propositie’ – ik heb eerder een overzichtje gegeven van definities – is een technische term voor de inhoud van een bewering of een stelling die waar of onwaar kan zijn. In het gewone debat is de term eigenlijk overbodig, want als we een stelling bespreken, doelen we ook al op de inhoud van die stelling en niet op de exacte bewoordingen.

Maar in de tweede premisse is de stelling of propositie, die ‘noodzakelijk onkenbaar’ zou zijn, gewoon geformuleerd: ‘God bestaat niet’. Dat is een heel begrijpelijke stelling en daarvan kan men zeggen dat die waar is of niet. Een propositie is dus geen feit, een stelling die per definitie waar is volgens degene die iets zo noemt, maar kan dus ook een onwaarheid zijn. Rutten accepteert wel de propositie ‘God bestaat’. Ook dat is een stelling waarvan men kan zeggen dat die waar is of onwaar. En van het tegendeel kan men dus hetzelfde zeggen. Ik neem aan dat Rutten bedoelt dat het geen ware propositie is, maar ook een onware propositie is een propositie en hij staat uitgeschreven voor onze neus. Hoe zo onkenbaar? We kennen de stelling maar al te goed en we kunnen er gewoon over debatteren.

Wat wel mogelijk is: dat je niet over alle beweringen die waar of onwaar zijn of kunnen zijn, met stelligheid een uitspraak kunt doen. Van sommige stellingen weet je nu eenmaal te weinig. En het is waar dat aantonen dat iets niet bestaat, in het algemeen veel moeilijker is dan aantonen dat iets wel bestaat, tenminste als het bestaat. Ik durf anders dan Ludwig Wittgenstein wel met zekerheid te stellen dat er zich geen neushoorn in mijn woning bevindt, maar of er zich op de Pelopponesos niet ergens een olifant bevindt, zou ik zo snel niet kunnen zeggen. Rutten bedoelt iets anders, namelijk ‘dat het onmogelijk is te weten dat God niet bestaat.’ Niet de propositie is onkenbaar, maar de vraag of ze waar is.

-

Het onkenbare
Maar de eerste premisse is belangrijker:

‘Voor alle p geldt dat als p noodzakelijk onkenbaar is, dan is p noodzakelijk onwaar.’

Het is volgens Rutten het ‘beginsel’ waar alles vanaf hangt. En die stelling is allerminst plausibel. Ze lijkt me zelfs regelrecht onjuist. Als iets onkenbaar is, kun je er eenvoudig niets over zeggen. Je kent het immers niet. Om te kunnen zeggen of iets waar of onwaar is, moet er eerst iets concreets voorliggen en voor mijn part noem je dat een propositie. (Ook boeken, verhalen, getuigenverklaringen, hele religies en levensbeschouwingen kunnen waar of onwaar zijn en het lijkt me gekunsteld die in het debat allemaal onder het begrip ‘propositie’ te vatten, maar dit terzijde.) Zonder dat je over een concrete stelling – of iets anders – kunt spreken, kun je niet zeggen of iets onwaar is of onwaar is. Over wat je niet kent, kun je niets zeggen omdat je het niet kent, en als je het noodzakelijk niet kunt kennen, kun je er dus nooit of te nimmer iets over zeggen. Elke dag worden er vele miljarden beweringen gedaan – en dus proposities geformuleerd of geschapen – maar over dat wat mensen niet kennen, kunnen ze ook geen stellingen formuleren.

Nu zit er een addertje onder het gras. Als je spreekt over de vraag of je kunt weten of God bestaat of niet bestaat, heb je het over mensen, zou ik zeggen. Je kunt je afvragen of dieren bijvoorbeeld hun omgeving ‘kennen’ en of ze daarbij zich ook kunnen ‘vergissen’ en dus ook over ‘onware kennis’ kunnen beschikken, maar dieren communiceren daar in ieder geval niet in taal met mensen over en die komen in Ruttens betoog ook niet voor. Maar Rutten beperkt zich niet, zoals je zou mogen verwachten, tot de vraag wat mensen in déze wereld kunnen weten. Ik citeer noot 1 uit het lange stuk:

‘Some given proposition p is metaphysically unknowable, or, in short, unknowable, if and only if there is no logically possible world W and no subject S such that S knows p in W. That is to say, a proposition is unknowable just in case there is no possible world in which that proposition is known. Moreover, it is quite important to note that “subject” does not refer only to human persons. “Subject” refers to any possible type of agent or actor capable of knowledge, or, more precisely, capable of knowing at least one proposition.’

Het is duidelijk dat Rutten hier God in zijn argumentatie opneemt. Dat is uiterst merkwaardig, want je zou toch zeggen dat de vraag nu juist is of anderen dan God van zijn bestaan kunnen weten. Rutten definieert God als de ‘persoonlijke eerste oorzaak’, ‘personal first cause’. Daarmee sluit hij uit dat zijn argumentatie als zodanig ook over de Verschrikkelijke Sneeuwman of het Vliegende Spaghettimonster, die binnen deze wereld gesitueerd moeten worden, gaat. Maar in dit geval gaat de vergelijking daarmee wel op. Als we willen weten of het bestaan van de Verschrikkelijke Sneeuwman gekend kan worden, is het toch merkwaardig om op te merken dat als die figuur bestaat, hij zelf weet dat hij bestaat en dat het dus – in de mogelijke wereld waarin hij wel bestaat – niet onmogelijk is om te weten dat hij bestaat. Maar dat doet Rutten precies met God:

‘For, take a possible world in which God exists. In such a possible world there is a subject that knows that God exists, namely God. Indeed, in that world God knows that God exists. So, it is not impossible to know that God exists after all.’

Tja, de enige zinvolle vraag in dit verband lijkt me toch echt of mensen al redenerend – daar gaat het bij godsbewijzen om, niet om de vraag of God zich openbaart – kunnen weten of God wel of niet bestaat en niet of een ander wezen dat kan weten. Rutten beweert dat zijn argumentatie niet circulair is, maar het blijft toch merkwaardig dat in een betoog waarin het gaat om de vraag of God bestaat en wie dat kan weten, bij het trekken van de scheidslijn tussen wat metafysisch of noodzakelijk kenbaar is en wat niet, de logische mogelijkheid van Gods bestaan wel wordt opgevoerd om een centraal begrip als kenbaarheid en onkenbaarheid te markeren.

-

Het mogelijke
Dat hele gespeel met mogelijke werelden, een truc die in bepaalde vormen van analytische filosofie – David Lewis en zo – schering en inslag is, lijkt me weinig zinvol. Filosofisch lijkt ‘wereld’ me de aanduiding voor alles wat er is, wat je ook de werkelijkheid of de natuur of wat dan ook kunt noemen. Die wereld is weliswaar veranderlijk en je kunt je voorstellen dat de wereld er in de toekomst anders uit gaat zien, zoals je weet dat de wereld een geschiedenis heeft en er vroeger anders uitzag, maar bij dit soort vragen gaat het toch echt om deze ene, veranderlijke wereld en niet om allerlei ander werelden. Het is me ook volstrekt onduidelijk wat er dan wel of niet als ‘mogelijke wereld’ mag gelden. Je kunt immers van alles verzinnen, ook als je er vroom bij zegt dat het ‘logisch’ denkbaar is. Rutten zegt bijvoorbeeld ergens dat ‘reality is ultimately metaphysically intelligible, i.e. amenable to understanding or knowable’, maar hoe ver gaat die intelligibiliteit? Kun je dan ook een wereld verzinnen waarin mensen echt met zekerheid, vanwege een bijzonder vermogen, weten dat God niet bestaat? Waar ligt de grens?

Het concept van mogelijke werelden introduceert allerlei vormen van fantasie in het betoog, maar het is onduidelijk wat al die verzinsels zeggen over wat wij als mensen wel of niet (kunnen) weten. De enige serieuze vraag hier is wat mensen in of vanuit deze ene, veranderende wereld redelijk kunnen argumenteren omtrent het al of niet bestaan van God. Het lijkt me juist dat mensen nooit met zekerheid kunnen stellen dat God niet bestaat, omdat een dergelijke harde stelling hun kenvermogen te boven gaat, maar je kunt dat niet omkeren. En over wat mensen verder niet weten, kun je verder niets zeggen.

Het onkenbare is niet onwaar, heb ik boven dit stukje gezet. Die titel lijkt op bijvoorbeeld de uitspraak: ‘Dat verhaal is zeker niet onwaar’. Je zou je kunnen voorstellen dat een politieman dat bijvoorbeeld tegen een collega zegt na het afnemen van een verhoor bij een verdachte. In dat geval zou het ook betekenen: ‘Dat is verhaal is waar’, al hij zou daar bijvoorbeeld wel aan toe kunnen voegen: ‘Maar het is niet het hele verhaal, hij houdt ook iets achter’. (In het dagelijks leven zijn er meer dan twee waarheidswaarden: zie alleen maar de rubriek ‘Next checkt‘ van NRC Next met vijf categorieën.) Maar in dit geval kun je de stelling dat het onkenbare niet onwaar is, niet omkeren tot: ‘Het onkenbare is waar’. Nee, het onkenbare is ook niet waar. Het is niet onwaar en niet waar, omdat je daarover niets kunt zeggen.

De eerste premisse is domweg onjuist en de tweede premisse was ook al evident onjuist en valt alleen omgeformuleerd te handhaven. Maar er blijft geen redenering over. De volledige argumentatie is volstrekt onduidelijk en zelfs met zoveel woorden onwaar. Het is namelijk niet waar – die woorden zijn hier volledig op hun plaats – dat je over het onkenbare iets zinvols zou kunnen zeggen en in termen van waar of onwaar kan dat al helemaal niet.

-

Waarheid
Zo is het wel genoeg. Voor ik kan zien gaat Rutten nergens in de tien objecties die hijzelf al verzonnen had, hier op in. Maar ik kan iets over het hoofd zien. Ik geloof niet dat het veel nut heeft de tien ‘weerleggingen’ stuk voor stuk langs te gaan lopen. Met het veelvuldige beroep op mogelijke werelden bevinden ze zich deels in de wereld van de fantasie. En zoals dat zo vaak het geval is in bepaalde vormen van analytische filosofie, waar de auteur alvast begint om zelfverzonnen objecties te weerleggen, wekken ze op mij de indruk deels de indruk stropoppen te zijn, maar zonder ze langs te lopen kan ik dat zo niet precies zeggen.

Ik weet niet of ik er verstandig aan gedaan heb toch in te gaan op een argumentatie waarvan elke lezer al op het eerste gezicht moet zien dat die – althans binnen onze ene, niet verzonnen wereld, waarin alleen mensen proposities kunnen formuleren en kunnen uitmaken of ze waar of niet zijn – niet deugt. Niemand zal serieus denken dat dat wat je niet kunt kennen – noodzakelijk nog wel – onwaar is. Wie beweert dat dat een ‘algemeen principe’ is, bluft – en dat is dan wel de meest vriendelijke typering.

Ik vermoed dat er op de achtergrond nog iets meespeelt. Het komt me voor dat de achterliggende vooronderstelling een merkwaardig waarheidsbegrip is, waarbij waarheid geheel losgemaakt wordt van menselijke dragers en van menselijke taal (die men breed mag opvatten en waarbij ook gebaren, afbeeldingen en zo meegenomen worden). Waarheid gaat zeker niet op in taal (ongeveer zoals gedachten niet opgaan in ons brein) want waarheid gaat, vaak althans, over iets buiten de taal, maar zonder taal en mensen heeft het begrip waarheid geen zin.

Misschien dat ik dat binnenkort nog maar eens uit moet leggen: wat waarheid is.

(66)

5 januari 2012

Ik vind… Over hedendaags subjectivisme

 .:.

Er is een klein misverstand in omloop. Dit: dat waardeoordelen puur subjectief zouden zijn. Of anders gezegd: dat uitspraken over de kwaliteit van iets alleen maar het allerpersoonlijkste standpunt van de spreker zouden uitdrukken.

-

Jij-bak
Je zou het de filosofische jij-bak kunnen noemen en die is erg populair vandaag de dag. Als iemand zegt dat iets zus of zo is en daar zit moreel of esthetisch of anderszins een waardeoordeel in, dan wil de reactie nog wel eens zijn: ‘ja, dat vind jij!’ Als iemand argeloos opmerkt dat het optreden van een zekere cabaretier rond Oud en Nieuw weer helemaal niks was – laat ik even voor de helderheid toevoegen dat ik weer eens van niets wist en alleen bij het onverwacht zien van een zekere Youp verveeld weggezapt ben – kun je er donder op zeggen dat iemand anders antwoordt met: ‘ja, dat zeg jij!’

Rijksmuseum in de negentiende eeuw. Koning Willem III weigerde de opening van dit 'klooster' of 'bisschoppelijk paleis' bij te wonen (Collectie Nederlands Architectuurinstituut)

Die jij-bak is op zich wel grappig. Het is immers nogal helder dat de spreker, de als jij aangesprokene, het zegt en niemand anders. Dat wist die figuur zelf ook wel. Maar de bedoeling is natuurlijk: dat is een uitspraak die alleen voor jouw rekening komt en die niet door mij zal worden overgenomen. Het is een andere manier van spreken voor: jij vindt dat wel, maar ik denk daar heel anders over.

Soms kom je zelfs wel eens mensen tegen die in alle ernst betogen dat je dus nooit mag zeggen dat iets mooi of goed of wat dan ook is, maar dat je dat altijd moet zeggen in de vorm van ‘ik vind dat mooi’ of ‘ik vind dat goed’. Ik vrees dat ze er zich zelf niet aanhouden. Ik wed toch dat als iemand hun een fraai cadeau geeft, ze spontaan uitroepen: ‘O, wat fantastisch, wat een prachtig geschenk!’ Of dat als ze net een indrukwekkende opvoering hebben meegemaakt, na afloop tegen hun metgezellen zeggen: ‘Wat was dat aangrijpend!’ en niet omslachtig gaan formuleren: ‘Ik persoonlijk vond dit een aangrijpende voorstelling.’

-

Geldigheid
Dat is namelijk het hele punt. Iemand die een waardeoordeel uit en zegt dat iets goed, mooi, waar, nuttig, prachtig, fantastisch, heerlijk, fijn, leerzaam, informatief, beschamend, tweeslachtig, sprankelend, opzienbarend, ongemakkelijk, faciel, bot of eminent was, en je kunt zo nog met honderden of duizenden adjectieven verder gaan, die beoogt niet alleen maar iets over zijn allerintiemste gemoedsbewegingen te zeggen, maar die spreekt wel degelijk een oordeel uit dat een zekere aanspraak op geldigheid of juistheid maakt.

De mate van die aanspraak kan variëren. Als ik in een verhaal over mijn fietstocht van De Ysbreeker naar De Balie veronderstel dat het Amstelhotel bij de Hogesluis staat, kijk ik gek op als iemand mijn vertelling onderbreekt en vertelt dat dat niet helemaal waar is. Als ik opmerk dat Youp van ’t Hek nu al jaren dezelfde boodschap brengt, verwacht ik ook niet veel tegenspraak, maar het is goed denkbaar dat iemand anders overtuigend kan betogen dat hij zich in dat en dat opzicht werkelijk vernieuwd heeft. Als ik zeg dat Barack Obama teleurstelt als president, weet ik dat ik allerlei reacties kan verwachten, van mensen die me bijvallen, tot mensen die opmerken dat dat veel te zwak is uitgedrukt, tot lieden die met kracht van argumenten komen bewijzen dat hij toch werkelijk wel het een en ander voor elkaar gekregen heeft. Maar ook dan zal ik de antwoorden wegen en kijken of ik mijn stelling in redelijkheid kan handhaven of toch moet bijstellen.

-

Voorkeuren en waardeoordelen
We moeten twee dingen onderscheiden: het verschil in voorkeuren en de geldigheid van waardeoordelen. De eersten zijn veel persoonlijker en subjectiever dan de tweede, al is er uiteraard vaak een zekere samenhang.

Iemand kan niet zo van Bach of Mahler houden en liever naar rockmuziek luisteren. Het is alleszins redelijk als iemand zegt dat hij liever naar de Stones of de Beatles dan naar een uitvoering onder leiding van Ton Koopman luistert. Maar daarmee is nog niet gezegd dat de Stones nu echt beter zijn dan Bach. Het is ook de vraag of je beiden moet of kunt vergelijken. Maar het is heel iets anders om niet van Bach te houden dan om te beweren dat de Hohe Messe een werkje van niks is of dat Mahlers Eerste Symfonie wel een paar aardige deuntjes bevat. Dan kun je wel zeggen dat je het liever niet aanhoort, maar niet in ernst dat het werk niet om aan te horen is (tenzij je het over een hele slechte uitvoering hebt).

Esthethische oordelen zijn niet willekeurig en dat geldt eigenlijk voor alle waardeoordelen, waarbij de inhoud van het oordeel de mogelijkheid in variatie bepaalt. Het ene boek is rijker van inhoud dan het andere en dan kunnen verschillende oordelen nog wel uit elkaar lopen, het is nu ook weer niet toevallig dat bepaalde auteurs klassiek worden, al is het best mogelijk dat anderen ten onrechte vergeten of overgeslagen worden. Je kunt niet zo van de stijl van Pierre Cuypers houden, maar je kunt ook weer niet beweren dat het Rijksmuseum, de Vondelkerk of het Centraal Station onopvallende gebouwen zijn. Maar niemand zal beweren dat een willekeurige aflevering van GTST hoogstaander is dan een opvoering van de Gijsbrecht, al kun je er misschien weer andere oordelen over vellen die positief voor de soapserie zijn. Ik kan me voorstellen dat iemand betoogt dat sommige scholieren van bepaalde comedy’s meer opsteken dan van kwalitatief hoogstaande toneelregistraties waar ze tegen heug en meug naar kijken.

-

Breed
Maar al die waardeoordelen zijn betrokken op het object waar ze over gaan. In die zin zijn ze niet willekeurig. En ze beogen daar iets over te zeggen. Wie opmerkt dat een schilderij prachtig is, hoopt dat anderen daar ook mee instemmen en zal het onaangenaam vinden als een metgezel vervolgens antwoordt dat het een knullig ding is, maar er waarschijnlijk weer niet gek van opkijken als die opmerkt dat hij het portret ernaast toch nog net iets aansprekender vindt. Waardeoordelen beogen niet absoluut te zijn, maar maken wel degelijk aanspraak op een zekere geldigheid. Wie beweert dat Gestel het mooiste dorp van Noord-Brabant is en dan op Sint-Michielsgestel doelt, heeft evident ongelijk, want welke maatstaf je ook aanlegt, er zijn zeker mooiere dorpen, maar wie beweert dat het het gezelligste dorp is of het fijnste dorp om te wonen, gezien alle omstandigheden, doet een bewering die veel persoonlijker is en zich daarom minder voor weerlegging leent, tenzij je dus gezamenlijk alle ondersteunende feiten gaat uitpluizen en analyseren.

In dit stukje heb ik het begrip waardeoordeel nogal breed opgevat. Wie erover schrijft, begint meestal bij ethische en esthetische oordelen en in de literatuur, pak het oeuvre van Roger Scruton er maar bij, worden vaak ook de parallellen uitgewerkt. Iedereen zal immers beseffen dat morele oordelen lang niet altijd willekeurig zijn en zo zijn ook esthetische dat zeker niet altijd. Maar ik heb nu veel meer genoemd, niet alleen nut, maar ook waarheid. Dat laatste wordt vaak als afzonderlijk epistemisch oordeel gezien. Bij waarheid zou het immers om standen van zaken gaan en feiten zou je van waardeoordelen kunnen onderscheiden. Het is een journalistiek basisprincipe.

Dat klopt denk ik ook wel, maar waarheid, dat uitlatingen kloppen, wordt verondersteld. Het is een gegeven. Op een moment dat iemand de vraag naar waarheid opwerpt door op te merken dat iets niet waar is, gaat het wel om een oordeel of een waardering, waar je soms op een vergelijkbare wijze als over morele of esthetische waardering redelijk over kunt debatteren. (In de formele logica wordt zelfs over (twee) waarheidswaarden gesproken, al is dat een nogal wereldvreemd systeem, dat men slechts spaarzaam op het alledaagse spreken kan toepassen.)

-

Object
Elk object vraagt om bepaalde oordelen. Bij esthetische oordelen bijvoorbeeld is een enorme variatie mogelijk maar dat wil nog niet zeggen dat alles redelijk mogelijk is. Het oordeel moet wel in verhouding tot het object staan. Hoge bergen, watervallen, weidse ruimtes, onmetelijke oceanen vereisen een zeker ontzag, wat in de achttiende eeuw wel gethematiseerd werd in het thema van het sublieme. Doordachte romans of technisch knappe schilderijen kun je niet afdoen als dingen van niks, al kun je er nog altijd heel veel verschillende oordelen over vellen en kun je tegelijk bijvoorbeeld best zeggen dat ze jou niet zo veel zeggen, omdat je het dan in feite niet over een waardeoordeel maar over een persoonlijke voorkeur hebt. En gaat het verder.

Het is niet zo dat elk waardeoordeel als jij-bak afgedaan kan worden. Waardeoordelen zijn uitnodigingen tot nadere discussie en bezinning. Ze vragen om instemming of om tegenspraak.

(50)

4 januari 2012

Van niets iets maken. Over een frivoliteit van Alvin Plantinga

.:.

Laat ik u direct maar even waarschuwen: in dit stukje gaat het flink regenen en sneeuwen, want ik ga het over proposities hebben en als logici proberen uit te leggen wat dat zijn – ik ga daar zo op in – dan weten ze meestal weinig anders dan sneeuw en regen te verzinnen. Het is dus niet het sombere januariweer, maar de logica die tot een overmaat aan neerslag leidt.

-

Alvin Plantinga
Ik wilde het maar eens hebben over Alvin Plantinga (1932), een bekend Amerikaans filosoof, jarenlang de John A. ‘O Brien Professor of Philosophy aan de University of Notre Dame, die de laatste tijd steeds weer overal opduikt, althans op sommige pagina’s die ik op internet pleeg te bezoeken, en wiens opvattingen met name via de facebookgroep Geloof en wetenschap, waar iemand mij om raadselachtige maar wat mij betreft niet onwelkome redenen aan toegevoegd heeft, nogal eens besproken worden. Ik heb dat lang niet allemaal gevolgd. Maar onlangs las ik een uitgebreid en op zich heel aardig interview met hem in of op Philosophy News, naar aanleiding de publicatie van zijn recente boek Where the Conflict Really Lies. Science, Religion, and Naturalism (New York, Oxford University Press, 2011). Jan Riemersma schreef er een mooie beschouwing over en ik geloof dat lezing daarvan genoeg is om te besluiten het boek niet te gaan lezen.

Sneeuw op bergtoppen in Californië (foto: Mindful One - Kathryn Harper)

Ik moet trouwens bekennen, maar dat is een bekentenis die me niet zwaar valt, dat ik maar heel weinig van Plantinga gelezen heb. Wat Jan Riemersma fraai typeert als een boekendrietal dat ‘in de smalle gangen van de academie bekend staat als de ‘warrant’-triologie’ – Warrant and Proper Function (1993), Warrant: The Current Debate (1993), Warranted Christian Belief (2000), allemaal ook uitgegeven door Oxford University Press in New York – heb ik ook al niet gelezen en ook dat was ik voorlopig niet van plan. Ooit heb wel een boek over zijn wijsbegeerte en die van Nicholas Wolterstorff, die ik wel graag lees – hij wil het nog wel eens over zoiets als Justice: Rights and Wrongs hebben - en George Mavrodes, beroemd van de vraag of God een steen kan scheppen die hij niet kan optillen, onder redactie van Linda Zagbzebski, een filosofe die door Jan-Jaap van Peperstraten in zijn dissertatie Literary Intelligence naar verluidt uitvoerig en met waardering wordt aangehaald, Rational Faith. Catholic Responses to Reformed Epistemology (Notre Dame, University of Notre Dame Press, 1993) opgepikt en dat lijkt me vooralsnog wel voldoende. Ik heb namelijk wel één boek van Alvin Plantinga, Essays in the Methaphysics of Modality, verzameld door Matthew Davidson (New York, Oxford University Press, 2003), en daar heb ik me al voldoende aan geërgerd.

Nu wil ik me beperken tot enkele zinsneden uit het laatste, gelukkig erg korte stuk daarin, dat ‘Why Propositions Cannot Be Concrete’ heet en dat, ik ontdekte dat nu pas, afkomstig is uit het eerste Warrant-boek uit 1993. De tekst is op diverse plaatsen op internet beschikbaar, zodat u me kunt controleren. Allereerst is er de oorspronkelijke tekst in de vorm van de Gifford Lectures van 1987-88. Het gaat dan om de laatste twee paragrafen, ‘V. Why Propositions Cannot Be Concrete’ en ‘VI Back to the Causal Requirement’, van de zesde lezing over ‘A Priori Knowledge‘. Het boek uit 1993 is deels raadpleegbaar via Google Books en de essaybundel waar ik het over had, is op Scribd.com beschikbaar in twee uitgaven van 2003, eentje die ik hier fysiek bij de hand heb, en eentje met een andere, fraaiere omslag. Ik geloof dat er tussen al de teksten niet veel verschil is. In de versie van 2003 ontdekte ik alleen nog een voetnoot, de eerste, die in de Gifford Lectures nog ontbrak.

-

Proposities
Ik beperk me als aangekondigd nu tot het uit het boekbetoog gelichte afzonderlijke essay. Dat begint met een stelling over proposities:

‘I should next like to offer an argument for the conclusion that propositions (the things, whatever their nature, that can be believed or disbelieved, are true or false, and stand in logical relations) cannot be concrete objects of any sort—at any rate, they can’t be concrete objects that do not exist necessarily.

En het verhaal loopt uit op deze slotwoorden:

‘And in my event, the view in question—that propositions, sets, properties, and their like are outside space and time and cannot stand in causal relations—is only one view among others. Theists, for example, may find attractive a view popular among medieval philosophers from Augustine on: the view that abstract objects are really divine thoughts. More exactly, propositions are divine thoughts, properties divine concepts, and sets divine collections. But then these objects can enter into the sort of causal relation that holds between a thought and a thinker, and we can enter into causal relation with them by virtue of our causal relation to God. It is therefore quite possible to think of abstract objects as capable of standing in causal relations, and in causal relations with us; hence the causal objection to a priori knowledge can be easily sidestepped.’

Als ik het goed begrijp, neemt Plantinga de aan Augustinus toegeschreven opvatting dat proposities goddelijke gedachten zijn, dat eigenschappen goddelijke begrippen zijn en dat wiskundige verzamelingen goddelijke verzamelingen zijn, daar over.

Aan de bespreking van Jan Riemersma ontleen ik dit citaat uit het nieuwste boek:

‘The sense in which the laws of nature are necessary, therefore, is that they are propositions that God has established or decreed, and no creature (…) has the power to act against these propositions, that is, to bring about that they are false.’

Dat lijkt me in dezelfde lijn te liggen. Maar laat ik het eenvoudig houden: wat verstaat Plantinga nu eigenlijk onder proposities? Hij omschrijft ze als ‘the things, whatever their nature, that can be believed or disbelieved, are true or false, and stand in logical relations’. Maar is dat een bevredigende omschrijving? En wat doet hij er vervolgens mee?

-

Woordenboeken
Ik sla er maar eens een paar hedendaagse filosofische woordenboeken op na. The Penguin Dictionary of Philosophy (1996, in Penguin vanaf 1997, mijn herziene editie is van 2000) van Thomas Mautner zegt dit:

‘Different sentences are said to express the same proposition: for instance, the French “il pleut” and the German “as regnet” express the same proposition as the English “it is raining”. Propositions are commonly said to be bearers of truth and falsity. Sentences used to express commands, questions, etc. do not express propositions. When we say that a person knows that p, denies that p, etc. the letter p stands for a proposition.’

Dat is het bekende werk en ik had u al voorspeld dat het zou gaan regenen. Volgens mij staat hier niet veel meer dan dat proposities de inhoud, misschien de zakelijke inhoud, van beweringen vormen en dat die waar of onwaar kunnen zijn. Het is de gangbare omschrijving.

The Oxford Companion to Philosophy (Second Edition, 2005) onder redactie van Ted Honderich begint zo:

‘The precise formulation varies, but a proposition, or propositional content, is customarily defined in modern logic as ‘what is asserted’ when a sentence (an indicative, or declarative, sentence) is used to say something true of false, or as ‘what is expressed by’ such a sentence.’

Het stuk gaat nog verder, maar de kern lijkt me hetzelfde: het gaat om de inhoud van zinnen, afgezien van de exacte, variërende formulering.

The Shorter Routledge Encyclopedia of Philosophy (2005 en ondanks de titel toch altijd nog 1077 bladzijden) onder redactie van Edward Craig kent alleen een lemma over ‘propositional attitudes’ en zet zo in:

‘Examples of propositional attitudes include the belief that snow is white, the hope that Mt Rosea is twelve miles high, the desire that there should be snow at Christmas, the intention to go to the snow tomorrow, and the fear that one shall be killed in an avalanche.’

Ook dat voorspelde ik al: hele bergen sneeuw. Logica is bij uitstek geschikt voor de wintersportvakantie. En vervolgens wordt nog uitgelegd dat men houdingen – overtuiging, verlangen, intentie, vrees en zo meer – kan onderscheiden van de inhoud ervan – dat sneeuw wit is en zo verder, ik ga dat niet herhalen. De term propositional attitude, wordt nog toegevoegd, is van Betrand Russell en ook dat is bekend. Opnieuw gaat het om de inhoud.

The Stanford Encyclopaedia of Philosophy tenslotte zegt bondig en helder:

‘Propositions, we shall say, are the sharable objects of the attitudes and the primary bearers of truth and falsity.’

-

Alledaagse waarheid
Kortom, hetzelfde verhaal. Een enkele opmerking nog. Proposities staan dus voor de harde inhoud van beweringen, die qua formulering iets kunnen verschillen, en ze kunnen waar of onwaar zijn. Zoals ik eerder in mijn stukje over Historische waarheid en tijdelijkheid (zie met name het stuk onder het kopje ‘Waarheid’) al opmerkte, wijkt de concentratie op proposities als dingen die waar of onwaar kunnen zijn, enigszins af van onze alledaagse omgang met waarheid en vooral het gebruik van het bijvoeglijk naamwoord waar als een van de vele adjectieven die we als typering kunnen gebruiken.

In het dagelijks leven gaat het bij waarheid primair om de overeenkomst of verbinding tussen taal en werkelijkheid (van welke aard die ook is). Het gaat dan niet alleen om de vraag of de inhoud van beweringen waar is, maar ook om de vraag of iets het geval is of was. Die twee staan dan niet los van elkaar. Als je wilt weten of iemand werkelijk ergens was, gaat het niet alleen om de vraag of de opmerking daarover waar was, maar of die persoon daar ook echt aanwezig was. Dat is wat je wilt weten: het gaat niet om de taal, maar wat er met behulp van zinnen en woorden of soms gebaren (een knikje) gezegd wordt over de wereld. Dat verstaan we in het dagelijks leven onder waarheid. De eenzijdige concentratie op de bewering en derzelver inhoud is dan meer een grensgeval of een variant. En er zijn in het dagelijks leven geen twee waarheidwaarden, maar vele op een gevarieerde schaal. Iets kan een halve waarheid zijn of net niet waar zijn of grotendeels waar en nog veel meer.

Deze logische opvatting is een puur theoretische exercitie. Voor hetzelfde geld zou je een tabel kunnen maken van zogenaamde klappels die flip of flop kunnen zijn. Heeft evenveel met onze dagelijkse omgang te maken: niets namelijk. Het gaat om een puur formeel systeem en dat benadrukte Alfred Tarski (1901-1983), de belangrijkste bedenker, ook zelf. Het is nogal verwarrend en misleidend dat dit filosofisch-logische systeem tegenwoordig zomaar onkritisch op ons gewone doen en laten en vooral ons dagelijkse en ook wel eens wat minder alledaagse spreken wordt toegepast. Alleen in bepaalde gevallen kan het enig nut hebben, verder niet.

-

Geen mensen
Maar nu Plantinga’s vervolg. Hij gaat een zelfverzonnen concretist, nog een vrouw ook, een uiting van Amerikaanse ‘correctheid’, waarbij mannen en vrouwen in teksten zorgvuldig afgewisseld worden, maar in dit geval een beetje onsympathiek, weerleggen omdat ze volgens hem ongelijk heeft. Die mevrouw denkt dit:

‘For definiteness, suppose propositions are human mental acts or perhaps brain inscriptions. ‘’

Dit is ineens een heel andere definitie. De beginomschrijving sloot nog wel bij de gangbare omschrijvingen aan, maar hier zijn proposities ineens ‘human mental acts or perhaps brain inscriptions’. Dat is flauw, natuurlijk zijn er mensen die denken wat ze zeggen en dat zal ook wel in hun hersenen opgeslagen liggen of eruit voortkomen, maar waar we het over kunnen hebben, is wat ze zeggen: de inhoud van hun beweringen of houdingen, die we eerst maar eens moeten vernemen voor we er iets over kunnen zeggen. Bij propositional attitudes, we zagen het net nog, is het juist de gewoonte om een onderscheid te maken tussen de houdingen – en dus wat mij betreft ook tussen de human mental acts en wat er zich in hun hersenpan afspeelt – en hun mededeelbare inhoud. Plantinga laat zijn zelfverzonnen tegenstandster alles direct door elkaar halen. En hij gaat verder:

‘It follows that if there had been no human beings, then there would have been no propositions. But doesn’t that seem wrong? If there had been no human beings, one thinks, then it would have been true that there are no human beings—that is, that there are no human beings would have been true—in which case there would have been at least one truth (and thus one proposition): that there are no human beings.’

Het spijt me, maar ik kan hier niet anders dan sofisterij in zien. Als er geen mensen geweest waren, was dus de bewering dat er geen mensen zijn, nog wel waar geweest en dan zou er dus op zijn minst één waarheid, een ware propositie dus, bestaan hebben. Het is flauwekul. Over wat er niet is, kun je niets zeggen, omdat het er niet is. Je kunt dan ook wel zeggen dat er dan geen auto’s of huizen geweest waren geweest en nog veel meer: nog veel meer ware proposities in een mensenloze wereld dus. Maar proposities bestaan niet los van mensen en menselijke uitingen (die ook op kleitabletten of USB-sticks vastgelegd kunnen zijn, die dan wel ooit weer door mensen ontcijferd moeten worden). Het eenvoudige punt is dat we over die situatie helemaal niets kunnen zeggen. Wat er niet is, kennen we niet. En als we wel zeggen dat iets niet bestaat, dan hebben we al een voorstelling geschapen, die als zodanig, als voorstelling bestaat. Maar over datgene waar we ons geen voorstelling van kunnen maken, kunnen we niets zeggen.

-

Van niets iets maken
Als er geen mensen geweest waren, waren er geen zinnen en waren er geen beweringen, die een inhoud hebben. Het is gewoon onzin om te zeggen dat dan de inhoud van de bewering dat er geen mensen zijn, nog waar is, want er is niemand om die bewering in te brengen. Beweringen en proposities zijn ‘dingen’ – dat nogal massieve woord, dat op zich best bruikbaar is als losse aanduiding, kan ons al misleiden, als we het te serieus als werkelijk op zichzelf staande dingen gaan opvatten -, die door mensen in hun omgang met de wereld geschapen worden en alleen daar kunnen we nu als mensen iets over zeggen.

Het niets is ondenkbaar. We kunnen ons wel een wereld voorstellen waarin er geen mensen meer zijn. Denk aan een boek als The Fate of the Earth (1982) van Jonathan Schell. Maar daar kunnen we ons nu iets over voorstellen. Als het eenmaal zover zou komen, is er niemand meer die nog iets zou kunnen opmerken. En het is volkomen nonsens om dan toch nog over proposities die waar of onwaar zouden kunnen zijn, te gaan fantaseren. Zonder mensen en taal is het onzin. Proposities worden nu telkens geschapen en ze zijn in het verleden gecreëerd en soms aan ons overgeleverd op schrift of in de herinnering en alleen over wat zich concreet aandient, kunnen we discussiëren.

En natuurlijk kunnen we wel iets zeggen over dingen uit het verleden die er ooit waren, maar die er nu niet meer zijn. Dinosaurussen bijvoorbeeld bestaan nu niet, maar bestonden ooit en dat weten we omdat ze sporen hebben nagelaten en we kunnen ze reconstrueren. En van de dodo kennen we afbeeldingen. Dat zijn dieren die niet bestaan, niet meer bestaan, maar ooit bestonden. En omdat we daar weet van hebben, kunnen we over die ooit bestaande, maar niet nu meer bestaande wezens iets zeggen.

Maar als er geen mensen meer zijn, kunnen mensen daar ook niets meer over zeggen en is de bewering dat de propositie er dan geen mensen meer zijn, dan waar zou zijn, dan zinloos. Niemand zal het erover hebben. Alleen nu kunnen we er met het oog over de toekomst over praten. Wat Plantinga doet, is van niets via een trucje toch weer iets maken. Ik kan ook wel zeggen dat er geen kalumanikels bestaan, maar zolang ik niet weet wat dat zijn, zegt dat niets. En zodra ik ze omschrijf, praten we over een verzinsel dat ik nu bedenk. Maar over het niets, het echte niets zal ik maar eens enigszins paradoxaal zeggen, kunnen we helemaal niets zeggen. Dat ligt buiten onze voorstellingswereld, zoals we ook niet buiten de grenzen van de tijd – wat was er, oude kantiaanse vraag, vóór de tijd en de Big Bang of de schepping? – kunnen treden. Het is filosofische hubris toch te doen alsof dat wel kan. Plantinga verliest zich in onzinnigheden.

-

Verzinsels
Binnen zijn onzinnige, grensoverschrijdende kader laat Plantinga de concretist nog een tijdje verder redeneren en zich verstrikken in tegenspraken. En zijn redenering loopt hier opuit:

‘The conclusion, I think, is that propositions can’t be concrete, contingently existing objects such as human mental acts, or brain inscriptions or other arrays of neural material, or sentence tokens, or anything else of that sort.’

Tja, als je eenmaal een valse start maakt, is de rest ook onzin. Het is geredeneer in het luchtledige, waar je je hersens wel op kunt pijnigen, maar dat nergens toe leidt. Al het volgende geredeneer over contingentie en noodzakelijkheid slaat gezien het absurde uitgangspunt nergens op. Wat ook onsympathiek is, Plantinga gaat niet in op voorliggende, controleerbare beweringen van andere filosofen, maar verzint zelf een tegenstandster die hij vervolgens vloert. Zo kan ik het ook. Maar met werkelijk debat of de uitwisseling van argumenten heeft het opzetten van absurde stropopredeneringen niets te maken. Maar je ziet dat vaker bij zogenaamde analytische filosofen: ze boksen in de lucht. Dan kun je nog beter luchtgitaar gaan spelen.

Plantinga maakt in zijn eigen alternatieve gedachtengang waar het essay op uitloopt, proposities helemaal los van de concrete, tijdelijke, eindige menselijke ervaring, dat is de makke. Ik denk niet dat we zo’n filosoof, hoe spitsvondig en humoristisch misschien ook, verder nog serieus hoeven te nemen. Natuurlijk kan het wel zinvol zijn om over God of eeuwigheid, begrippen die boven of buiten onze menselijke ervaring staan, verder te denken. Maar dan niet op zijn manier die de alledaagse redelijkheid tart. Ik kan in die hele redenering die van niets toch weer iets maakt, namelijk één ware propositie, zonder dat er mensen zijn die die ter discussie stellen, niets anders dan een frivoliteit zien.

-

Bergen
In het interview dat ik al noemde, vertelt de op dat moment nog 78-jarige Plantinga overigens, het is algemeen bekend, dat hij erg van bergbeklimmen houdt. Hij ging de afgelopen zomer in Californië klimmen met zijn vrienden Ric Otte - ken ik niet, maar ik weet veel niet - en Bas van Fraassen. Tijdens het interview was dat nog toekomst, maar ik neem maar aan dat de plannen gerealiseerd zijn.

De laatstgenoemde, Bas van Frassen, is toevallig in een bepaalde kringen wereldberoemde filosoof, die ik ooit op een feestje ontmoette. We waren al een kwartier of misschien wel een half uur aan de praat, over van alles en nog wat en met name over de merkwaardige Nederlandse uitvinding van de ‘allochtoon’, herinner ik me, toen we besloten ons maar eens voor te stellen. Ik was aangenaam verrast, al moet ik bekennen dat het heel lang geleden is dat ik me een ietsiepietsie in zijn werk verdiept heb. Ook daar weet ik dus niets (meer) van. Maar het was een leuke vent, zoals Alvin Plantinga dat kennelijk ook is. Juist daarom verbijstert zijn frivole wijze van filosoferen me zo.

Ik hoop dat de heren in de ijle hoogten van bergen vooral genoten en genieten van het fraais dat onze wereld, die we ook wel schepping noemen – we hebben de wereld immers niet zelf bedacht, maar treffen die aan, zoals we onszelf in die wereld aantreffen – te bieden heeft.

Ik denk dat je vanuit die concrete ervaringen een stuk verder komt dan met wat logische spitsvondigheden, die in strijd met wat we in het leven van alledag onder logica verstaan, verre van redelijk zijn.

(49)

1 januari 2012

Gelukkig Nieuwjaar! Over het persoonlijke als cliché

.:.

Taal en wereld
Aan het begin van de Philsophische Untersuchungen (1953) reageert Ludwig Wittgenstein (1889-1951) op een fragment uit de Confessiones (397/8) van Aurelius Augustinus (354-430), waarin de geleerde bisschop van Hippo beschrijft hoe de woorden van de taal voorwerpen aanduiden. Wittgenstein lijkt hier vooral in gesprek te zijn met zijn eigen oude afbeeldingstheorie uit de Tractatus logico-philosophicus (1921/22).

Haus Wittgenstein (ook wel Stonborough House), Kundmanngasse te Wenen, in 1925 in opdracht van Margarethe Stonborough-Wittgenstein ontworpen door de architect Paul Engelmann en de filosoof Ludwig Wittgenstein en voltooid in 1928 (foto: camera_obscura)

Wittgenstein stelt zich nu een primitieve taal voor waarin slechts vier woorden bestaan. Ik geef het Duitse origineel en (voor wie van vreemde talen houdt) de Engelse vertaling direct achter elkaar.

‘Denken wir uns eine Sprache, für die die Beschreibung, wie Augustinus sie gegeben hat, stimmt: Die Sprache soll der Verständigung eines Bauenden A mit einem Gehilfen B dienen. A führt einen Bau auf aus Bausteinen; es sind Würfel, Säulen, Platten und Balken vorhanden. B hat ihm die Bausteine zuzureichen, und zwar nach der Reihe, wie A sie braucht. Zu dem Zweck bedienen sie sich einer Sprache, bestehend aus den Wörtern: »Würfel«, »Säule«, »Platte«, »Balken«. A ruft sie aus; – B bringt den Stein, den er gelernt hat, auf diesen Ruf zu bringen. – Fasse dies als vollständige primitive Sprache auf.’

‘Let us imagine a language for which the description given by Augustine is right: the language is meant to serve for communication between a builder A and an assistant B. A is building with building stones: there are blocks, pillars, slabs, and beams. B has to pass the stones, and that in the order in which A needs them. For this purpose they use a language consisting of the words “block,” “pillar”, “slab,” “beam.” A calls them out; B brings the stone which he has learnt to to bring at such-and-such a call. – Conceive this as a complete primitive language.’

Het aardige is dat Wittgenstein zijn taal wel uit vier woorden laat bestaan die voorwerpen in de wereld aanduiden, maar dat die woorden hier al meer doen dan simpelweg beschrijven. Hij merkt dat iets verderop zelf ook op. Ze functioneren als vragen of bevelen. De bouwer geeft er aan een assistent mee aan wat hij wil. Wittgenstein heeft het in dit postume boek dan ook vooral over het gebruik van de taal en hoe die functioneert. Toch zie je aan dit beginvoorbeeld dat hij nog wel erg denkt vanuit de gedachte dat taal een verschijnsel is dat buiten of tegenover de wereld staat en die beschrijft of ‘representeert’, en pas tegen die achtergrond opmerkt dat taal nog wel iets anders doet.

-

Groeten
Neem nou alleen die twee bouwlieden. Het is wel een erg surrealistische wereld waarin mensen slechts vier woorden spreken. Maar er is meer. Het kan natuurlijk niet. Voor ze aan het bouwen gingen, moeten de beide bouwlieden toch bepaalde afspraken gemaakt hebben: ik ga dit doen, jij gaat dit doen. Ze hebben zich samen iets voorgenomen en iets afgesproken omtrent de rolverdeling. En daarvoor al moeten ze elkaar ontmoet hebben en daarbij zullen ze elkaar toch zeker begroet hebben.

Zelfs dieren groeten elkaar. Ik herinner me een hond en een kat die elkaar elke morgen als de eerste naar buiten kwam, in een uitvoerig ceremonieel begroetten. Dat werd weliswaar begeleid door klanken, maar was vooral een lijfelijk gebeuren, maar sommige dieren gebruiken wel degelijk geluiden om elkaar te begroeten. Als ik een ‘theorie’ over het ontstaan van taal zou opstellen, als zoiets al zou kunnen, zou ik, denk ik, bij de groet beginnen. Taal begint bij de ontmoeting.

Dat zie je ook bij baby’s. Wat zijn de ouders trots als het kind voor het eerst ‘papa’ of ‘mama’ zegt, terwijl een dergelijke uiting in beschrijvende zin toch weinig aan de wereld toevoegt. Het gaat om herkenning en erkenning. En volgens mij beginnen baby’s en kleine kinderen ook niet met woorden, maar met klanken, die al snel iets van zinnen krijgen. Ze weten niet wat losse woorden zijn. Ze willen iets duidelijk maken en dat doen ze in klanken die steeds meer samenhang gaan vertonen, en pas veel later leren ze wat afzonderlijke woorden zijn.

Om het maar eens scherp te zeggen: taal is niet samengesteld uit woorden. Pas later leer je om talige uitingen in woorden te ontleden. Woorden vinden hun plaats alleen in samenhangende gedachten en komen daaruit voort.

-

Dagelijks
In het tweede, jahwistische scheppingsverhaal in Genesis benoemt de mens eerst de dieren. Er wordt vaak de nadruk op gelegd dat het geven van namen een vorm van beheersing of macht is en dat zou heel goed kunnen, maar je kunt er ook meer nuchter een oefening in praktische ontologie in zien: de wereld van de dieren wordt ingedeeld in soorten: vee, vogels en wilde dieren. De indeling is nog gericht op het gebruik ook, gezien het onderscheid tussen huisdieren en de dieren buiten op het veld.

Er zit iets vreemds in het gebruik van taal door iemand die volgens het verhaal in zijn eentje is, maar juist bij het geven van de namen ontdekt dat mens dat hij geen helper heeft die bij hem past, terwijl dat toch de bedoeling was van het uit de aardbodem vormen van de dieren. Er klopt iets niet in de orde van de wereld, ontdekt hij zo. Vervolgens bouwt God dan uit een rib een vrouw, eindelijk iemand die bij hem past, van zijn eigen gebeente en zijn eigen vlees. Dat is erg fysiek uitgedrukt, maar het is wel iemand die hij kan groeten en die iets terug zal zeggen, die hij kan liefhebben en die hem zal liefhebben.

Taal is allereerst relationeel. Taal is niet primair een verhouding tussen een subject en de wereld, waarin het object afgebeeld wordt, taal is allereerst een kwestie van menselijke communicatie. In vorige stukjes, vooral in Taal en de orde van de wereld, maar ook wel in Vergankelijkheden en scheppingen, heb ik er vaak de nadruk op gelegd dat we gedoemd zijn om origineel te zijn. Als je ergens een beschouwing over schrijft, dan zal het overgrote deel van je zinnen voor de eerste keer en waarschijnlijk ook voor de laatste keer zo geformuleerd worden. Maar het opmerkelijke is dat dat niet geldt voor de dagelijkse omgang.

Juist in het persoonlijke verkeer overheerst het cliché. De meest persoonlijke uiting van alle, ‘ik hou van je’, is meteen het grootste cliché aller tijden dat in kleine variaties in allerlei liedjes en in wat meer varianten in goede poëzie bezongen wordt. Aan tafel vragen we of iemand de boter even wil doorgeven en daar zijn niet zo verschrikkelijk veel verschillende mogelijkheden voor en bij het arriveren op het werk volgen er bij de begroeting wat obligate opmerkingen over het weer van die dag of over de drukte op de weg of in de trein. Het zijn woorden die elke dag weer vallen en waar niets origineels aan is en die toch de onderlinge verstandhouding scheppen.

-

1 januari 2012
Ook vandaag wemelt het weer van één zo’n cliché dat we alleen op deze dag en de volgende dagen in de mond nemen en dat in vele talen vertaald kan worden:

Gelukkig Nieuwjaar!

(46)

22 december 2011

Vergankelijkheden en scheppingen

.:.

Zijn en zijnden
Je hebt het zijn en de zijnden. Althans zo zeggen sommige filosofen dat.

Het zijn – of het Zijn – is dan de meest omvattende term voor alles wat er is. Er zijn andere termen voor wat alles omvat. Het woord wereld wordt wel losjes zo gebruikt en dan gaat het niet om de aarde, maar om een aanduiding voor ons gehele bestaan, op zich ook al een mogelijke kandidaat. Sommigen menen dat het begrip natuur ook als zodanig kan functioneren en gebruiken het ook zo. Anderen letten liever meer op het tijdsaspect en opteren voor geschiedenis. En overigens, alles is in omschrijving al twee keer voorbij gekomen.

De geest mag dan meer zijn dan het lichaam, tegelijk valt er veel te zeggen voor de stelling dat het lichaam werkelijker is dan de geest.

Als het Zijn het meest omvattende is, worden de dingen die er zijn, vaak de zijnden genoemd. En entiteit fungeert dan soms als synoniem: iets dat er is. In de omschrijving gebruikte ik net al, bijna onbewust, de term dingen en dat woord wordt dus ook wel gebruikt. Het geeft meteen al aan waar een kleine moeilijkheid zit. Bij een ding denken we in de eerste plaats aan een fysiek object dat in ruimte en tijd bestaat. Sommige mensen houden er erg van om allerlei ‘dingetjes’ om zich heen te hebben. Maar in de meer algemene zin van de dingen die er zijn, wordt het woord breder gebruikt. Je kunt ook zeggen dat je vandaag nog veel dingen moet doen: nog naar de bibliotheek, de winkel, met je dochter naar het verjaardagsfeest van een vriendinnetje van haar, en zo verder, en ondanks de drukte kunnen dat toch hele leuke dingen zijn.

Ook bij zijnden of entiteiten hebben we waarschijnlijk de neiging om het eerst aan concrete objecten en mensen te denken. Dat is niet toevallig, omdat ons eigen bestaan in de wereld een fysiek gegeven is. Wij mensen hebben een lichaam en ons bestaan is lichamelijk. Ik snap best wat er wordt bedoeld met de uitspraak dat de geest meer dan het lichaam is, maar in zekere zin is ons lichaam toch werkelijk echter en werkelijker dan onze geest (en dat ik twee keer hetzelfde woord gebruik is opzettelijk). Abstracte taal is doordesemd van ruimtelijke en lichamelijke metaforen. De dag ligt voor ons, de moeilijkheden van gisteren liggen achter ons. Een term omvat iets. Je problemen kunnen groot zijn, de rapportcijfers van je kinderen kunnen hoog zijn, maar ook zwaar tegenvallen. De wereld van de geest is in de wereld van de ruimte, van de dingen – letterlijk – en de lichamen geworteld (ook al zo’n metafoor, zij het misschien niet de beste).

*

Natuurlijk kun je zeggen dat een zijnde ‘iets dat bestaat’ is. Maar wat je daarbij nooit over het hoofd moeten zien, zijn twee dingen (hè, dat woord duikt ook overal op en ook hier is het vanzelfsprekend in meer metaforische zin bedoeld). Ten eerste dat veel dingen, en nu weer in de zo algemene zin dat ook mensen eronder vallen in onze wereld, slechts tijdelijk bestaan. En ten tweede dat wat bestaat, een voortdurende schepping van ons menselijke geest is.

-

Vergankelijkheden
De dingen ontstaan, bestaan en verdwijnen weer: πάντα ῥεῖ, zoals dat op allerlei huizen staat. De bewoners beseffen dat hun aanwezigheid daar tijdelijk en onzeker is, zoiets zullen ze wel willen zeggen. Alles verandert voortdurend. Mensen worden geboren, leven en sterven. Dat geldt voor dieren ook. Onze spullen, van onze woningen tot onze kleren, hebben een beperkt bestaan. Mijn horloge draag ik al 43 jaar, maar dat vind ik dan ook bijzonder. En als men het tegenwoordig over duurzaamheid heeft, dan gaat het er, geloof ik, meer om dat we verstandig met natuurlijke hulpmiddelen en energie en met de leefomgeving omgaan, dan dat we zolang met onze spullen moeten doen. (Volgens mij komt het er in de praktijk meestal op neer dat je je oude dingen snel weg moet gooien en moet vervangen door nieuwe duurzame goederen.) Het gaat ook over hergebruik. Ik meen me te herinneren dat op twee van de schilderijen van Rembrandt dezelfde persoon voorkomt en dat deskundigen vaststelden dat hij na vele decennia, vier meen ik, nog steeds – of opnieuw: voor de speciale gelegenheid – dezelfde jas droeg. Dat vinden wij nu opmerkelijk: veertig jaar met dezelfde jas doen!

De termen zijnde en entiteit zeggen slechts dat iets er is. En als je van iets kunt zeggen dat het er is, kun je het een zijnde of een entiteit noemen. Maar toch denk je dan niet zo snel aan een gebeurtenis, een handeling of een proces. Of niet eerst. Je begint bij de fysieke objecten en bij planten, dieren en mensen. Waren of zijn de middeleeuwen een zijnde? Was het in de rij staan voor de disco van je dochter vorige week vrijdagavond een entiteit en was het feit dat ze na twintig minuten ongeduldig werd weer een andere entiteit? Was de oversteek van Julius Caesar over de Rubicon een zijnde? Het taalgebruik wringt hier wat. Tuurlijk kun je alles wat je kunt benoemen als bestaand, per definitie, stipulatief, een zijnde of entiteit noemen, maar vanuit die begrippen stel je je het een eerder voor dan het ander.

In feite zou je niet over zijnden maar over vergankelijkheden moeten spreken. Want een groot deel van de zogenaamde entiteiten bestaat maar kort. Wij leven in de tijd. Wij zijn zelf aan de tijd onderworpen – ook al weer zo’n ruimtelijke metafoor overigens – en ons eigen bestaan is tijdelijk: wij zijn sterfelijke wezens. Ik bedoel dit meer als aandachtspunt. Het zou nog heel wat werk kosten om van alle zijnden uit te maken of ze al dan niet vergankelijk zijn. Alles wat tot de wereld van de menselijke arbeid valt, behoort er in ieder geval toe en ook onze aarde is vergankelijk. Ook onze abstracta zijn in die zin vergankelijk. Als er geen mensen meer zijn, zal er geen wiskunde meer zijn, want het gaat om een uitvinding van de menselijke geest, die uiteraard geworteld is in de ruimtelijke, natuurlijke wereld die we aantreffen.

Zijnden zijn in het algemeen vergankelijke zijnden, met een kort bestaan. Natuurlijk kun je dan nog steeds zeggen dat het zijn al die vergankelijke zijnden omvat, maar of het veel zin heeft om over de eenheid van alle zijnden of al het zijnde te bespreken, weet ik niet. Wat zeg je dan eigenlijk?

-

Scheppingen: woorden
Wat er bestaat, is niet alleen aan voortdurende verandering onderhevig, wij weten eigenlijk niet eens wat er allemaal bestaat. De menselijke geest schept voortdurend nieuwe dingen en vergeet vroegere scheppingen of annuleert die.

Je hebt bijvoorbeeld natuurlijke personen en rechtspersonen. De laatsten zijn scheppingen van het recht. Of beter gezegd: dat recht, en ook dat is zelf alweer een vinding – zij het mogelijk in de kern een noodzakelijke (denk aan de idee van het natuurrecht!) – van de menselijke geest, maakt het mogelijk een stichting of een vereniging op te richten. Rechtspersonen kunnen vaak allerlei dingen die natuurlijke personen ook kunnen en ze kunnen allerlei rechtshandelingen verrichten. Ze kunnen bijvoorbeeld bezit of eigendom hebben of onrechtmatige daden plegen. Maar het blijft om een metafoor gaan. Een natuurlijk persoon kan plotseling sterven en dat heeft ook juridische gevolgen. Een rechtspersoon kan dat niet. Die kan wel opgeheven of ontbonden worden. Rechtspersonen kunnen trouwens ook ouder worden dan mensen van vlees en bloed.

Maar het hoeft niet eens om rechtspersonen te gaan. Mensen kunnen elk weekend met elkaar gaan hardlopen of elke woensdagavond met elkaar een biertje gaan drinken en dan vormen ze een renclubje of een vriendenclubje en het kan zijn dat ze daar na een tijdje een al dan niet grappige naam aangeven: de Reeuwijkse Renners bijvoorbeeld of de Vijf Keizers, als bevriende bierdrinkers bijvoorbeeld gewend zijn altijd ergens in een schenkgelegenheid aan de Keizersgracht bijeen te komen. Zoiets kan langzaam groeien, maar na tien jaar zal iemand misschien zeggen: de Vijf Keizers bestaat nu tien jaar, zullen we dat niet eens vieren? En dan kan het best zijn dat de naam pas in de loop van het derde seizoen opkwam en dat niemand dat meer weet te dateren. Toch bestond de nu aldus genaamde vriendenkring daarvoor al, zoals allerlei geleerden in de de zestiende eeuw ook niet wisten dat ze tot de stroming van het humanisme behoorden.

Door woorden en handelingen creëren mensen steeds nieuwe werkelijkheden en je kunt daarom ook nooit exact zeggen wat er bestaat of wat al dan niet een zijnde is. Op Twitter vroeg iemand onlangs of zijn volgers ook een net woord voor ‘afzeiken’ wisten. En ook nadat allerlei suggesties voor alternatieven waren gedaan, bleef hij, terecht denk ik, ontevreden. Er zijn vele uitdrukkingen die ongeveer hetzelfde fenomeen aanduiden, maar de betekenis en vooral de gevoelswaarde zijn net iets anders. Er zal ook wel geen ‘net woord’ voor bestaan, want het fenomeen is dat niet zo erg en het woord geeft ook uitdrukking aan het minder fraaie aspect van het beschreven verschijnsel. Het gaat niet voor niets, ook hier, om een metafoor. ‘Afzeiken’ is een woord dat tamelijk recent algemener is geworden en dat waarschijnlijk uit studentikoze kringen afkomstig is en dan misschien zo’n ruime kwart eeuw, misschien ook wel langer of zelfs veel langer, bestaat. Maar het woord is natuurlijk in omloop gekomen omdat het een eigen realiteit omschrijft, en zo verdwijnen er met het in onbruik raken van woorden ook weer werkelijkheden, al kunnen we die deels met behulp van oude geschriften en woordenboeken weer oproepen. Maar niet alle woorden die ooit gebezigd zijn, zijn vastgelegd.

-

Scheppingen: ook zonder woorden
Maar je hoeft zelfs geen woord te zeggen om toch een nieuwe geestelijke werkelijkheid in het leven te roepen. Als Anja even drie biertjes aan de bar haalt en, terwijl het gesprek over politiek druk voort gaat, er eentje aan Willem en Rebecca toeschuift, heeft ze daarmee nieuwe bezits- of eigendomsverhoudingen gecreëerd. Als iemand even later aan Rebecca vraagt, ‘is dit glas nu van jou of van mij’, kan Rebbeca zeggen: ‘nee, dit is het mijne, dat daar, dat moet van jou zijn’. Die eigendomsverhouding of die aanspraak bestaat. (Het gaat dan om de inhoud, want het glas als voorwerp blijft ondertussen van de uitbater, dat ook nog.) Maar het is niet de moeite waard het erover te hebben. Als ze het café verlaten, is het glas leeg en de aanspraak verdwenen en nooit zal iemand er nog aan denken. Maar heeft het dan zin om de eenheid van dit ontegenzeggelijke kortstondige zijnde met andere zijnden te gaan zoeken, zoals wijsgeren doen die over de eenheid van al het zijnde of van alle zijnden spreken?

Als er in een buurt een samenscholingsverbod is afgekondigd en dertig mensen op een plein worden aangehouden vanwege overtreding van het verbod, is hun samenscholing dan net zo reëel als hun eigen bestaan? Dat die dertig mensen bestaan, daaraan zal niemand twijfelen. Maar de officier van justitie zal eerst nog maar eens moeten bewijzen dat er een samenscholing bestond. Het is mogelijk dat die mannen beweren dat ze daar allemaal of deels om hun moverende redenen waren, dat ze elkaar niet kenden en ook geen gemeenschappelijk doel hadden en dat het wel leek of ze een zekere eenheid vormden, maar dat het echt een toevallige samenloop van omstandigheden was dat diverse groepjes, die op zich uit zo weinig leden bestonden dat ze niet onder het verbod vielen, daar net op het zelfde moment zich bevonden en dicht bij elkaar in de buurt liepen. Het is maar de vraag of het ooit duidelijk was of er sprake was van een samenscholing.

En deze benoeming is een duidelijke menselijke daad. Dertig mensen op een plein kunnen ook samen een feest vieren. Of een uiting van hangouderenproblematiek vormen. En ook die uiting of die problematiek bestaat dan – en die kun je dus volgens de definitie een zijnde of een entiteit noemen – en kan in de gemeenteraad besproken worden. Bestaat de Hofstadgroep? De leden wisten niet dat ze lid waren van een aldus genaamde organisatie en de ene rechter zegt dat ie wel bestond, terwijl de andere hem niet kan ontdekken of althans de contouren te zwak vindt om eenduidig te kunnen zeggen dat deze club werkelijk bestond. Of iets bestaat, is niet altijd duidelijk.

Van sommige dingen is het kortstondig bestaan onomstreden. Mensen bestaan en allerlei fysieke dingen bestaan ook. Sommige gedachten en ideeën bestaan ook. Je kunt zo even nazoeken wat historisch materialisme ook al weer was en welke verschillende opvattingen erover de ronde deden en doen. Maar elke dag ontstaan er nieuwe dingen en wat er bestaat, is grotendeels een gevolg van de menselijke omgang met de wereld: door hetzelfde anders te benoemen bestaat het ook anders. Iemand kan werken. Hij kan ook een zogenaamd instituut oprichten en zeggen dat het instituut, waarvan hij de enige deelnemer, die dag dat en dat gedaan heeft.

-

Vergankelijke scheppingen
Bestaan is niet eenduidig. De zijnden zijn vooral vergankelijkheden, zij het mogelijk niet alle. En wat er is, hangt af van hoe mensen de dingen benoemen en van wat ze elke dag weer aan nieuwe scheppingen in de wereld zetten.

We weten niet wat er bestaat. Van sommige dingen weten we het, van andere dingen weten het niet en soms weten we het niet zeker. En steeds scheppen mensen weer nieuwe dingen die vergankelijk zijn.

.:.

Leeuwen van Tawheed (de eenheid Gods) of PolderMujahideen. Was dit het logo van de Hofstadgroep en bestond die nu wel of niet?

Naschrift
Dit is voor mijn doen een tamelijk kort stukje. De polemiek in mijn twee vorige stukjes beviel me achteraf niet erg. Ik was veel te veel woorden kwijt aan het uitleggen van wat er naar mijn idee niet klopte. In het stukje van maandag - Over vliegende roze olifantjes, zijn en niet zijn. En of bestaan univook is - nam ik stelling in betrekking tot een uitgangspunt dat op zich niet helder was, althans niet in mijn ogen, en in het stukje van gisteren - Historische waarheid en tijdelijkheid - ging het over een gedachte die op zich al verward was.

Ik had gewoon even kunnen uitleggen dat zinnen waar zijn, omdat de inhoud waar blijkt te zijn, en dat het begrip waarheidsmaker niets anders is dan de verdubbelde omschrijving voor dat wat de waarheid van een zin bepaalt, en dat zinnen over iets in het heden iets over iets in het heden zeggen en dat uitspraken over iets uit het verleden iets over het verleden zeggen en dat in het laatste geval alleen nog bepaalde bewijzen omtrent het voorbije gebeuren waar je iets over zegt, nodig zijn om de waarheid te bewijzen. Waarbij het bewijs dan uiteraard niet de waarheid is, maar die juist bewijst.

Er moet iets uit het verleden overgeleverd zijn waardoor het überhaupt mogelijk is om iets over een gebeuren uit het verleden te zeggen. Er moet nog iets bestaan. Het kan om herinneringen gaan, om een dikwijls overgeschreven tekst of om beelden, documenten of voorwerpen: het gebouw van het Rijksmuseum staat er al sinds 1885 en de Amsterdamse Oude Kerk al sinds de middeleeuwen. Ik heb regelmatig zand uit de achttiende eeuw, dat uit gerechtsboeken viel, in het niet meer bestaande gebouw van het gemeentearchief aan de Amstel van tafel geveegd.

Het hele idee van een waarheidsmaker is volstrekt overbodig en leidt alleen maar tot verwarring. Je moet gewoon kijken wat er in een zin staat en als die waar is, bepaalt de inhoud van die zin en waar die betrekking op heeft, dat ie waar is en het maakt dan niet uit of de zin al dan niet naar een nu bestaande fysieke realiteit verwijst. Het gaat er maar net om waar de zin over gaat. Dat kan over van alles en nog wat zijn en lang niet alle beweringen gaan, gelukkig maar, over een externe realiteit. Er is nog wel wat meer in het leven. Er bestaat nog wel wat meer.

Maar goed, deze afsluitende polemische opmerkingen om te laten zien waarom ik geen zin meer heb in polemieken. Het heeft geen zin om warrigheden te weerleggen, het is zinvoller om positief na te denken over wat we over onze werkelijkheid kunnen zeggen.

(41)

21 december 2011

Historische waarheid en tijdelijkheid

.:.

De tijd, dat is het probleem.

Maandag plaatste ik hier een stukje over zijn en niet zijn en de vraag of bestaan univook is. Het was deels een reactie op de stelling van Emanuel Rutten dat bestaan eenduidig of eenzinnig is. Ik had er met plezier aan gewerkt, maar zijn reacties (hier en lager) bezorgden mij een katterig gevoel, vooral omdat hij tot dusverre naar mijn idee vooral niet reageerde op mijn betoog en mijn vragen. Mij is nog steeds niet duidelijk wat de uitspraak dat bestaan eenduidig is, nu zou kunnen toevoegen aan ons begrip van de wereld.

-

Gerd Müller maakte tijdens de WK-finale Duitsland-Nederland in 1974 het beslissende doelpunt (foto: Wikipedia)

De veranderlijkheid van het bestaan
Misschien ga ik op de vraag naar de al dan niet bestaande eenduidigheid van het bestaan nog wel eens nader in. Rutten mag dan volhouden dat bestaan eenzinnig of eenduidig is, hij erkent tegelijkertijd wel dat er allerlei zijnswijzen zijn en dat is naar mijn idee veel belangrijker als het om ontologie gaat: de beschouwing van de verschillende manieren waarop de dingen bestaan. Ik zou zeggen dat als bestaan op verschillende zijnswijzen betrekking kan hebben, het begrip daarmee al meerduidig is. Als je van het ene zegt dat het bestaat, bedoel je iets anders dan wanneer je dat van het andere ding zegt: ze bestaan op andere wijze. Maar hij erkent dat pas als die zijnswijzen ook gradueel verschillen en dan is de vraag ook hoe je gradaties tussen zijnswijzen bepaalt. Van sommige dingen zeg je dat ze in werkelijkheid bestaan, van andere zeg je dat ze in het echt niet voorkomen. Ik zou dat een gradueel verschil noemen, maar dat is mogelijk een kwestie van semantiek.

Wat mij in de reacties van Emanuel Rutten vooral opvalt, is dat hij niet ingaat op tijdsverloop, het ontstaan, het bestaan en het verdwijnen van de dingen. Eekhoorns bestaan, eenhoorns bestaan niet en dodo’s bestonden ooit, maar bestaan niet meer en het is niet onmogelijk dat tijgers over niet al te lange tijd niet meer zullen bestaan.

Elke dag ziet uiteraard de opkomst en de ondergang van veel dingen. Ook vandaag worden er weer veel woorden, handelingen en dingen aan de wereld toegevoegd, die er gisteren nog niet waren – een selectie noemen we nieuws – en ook vandaag verwaaien er weer woorden en gedachten, vergeten we handelingen, daden, voorvallen en gebeurtenissen en worden er huizen afgebroken, bomen gekapt, dieren gedood en wordt afval verbrand. Wat er wel of niet bestaat, is voortdurend aan verandering onderhevig, dat is wel duidelijk. En slechts van een deel van wat ooit bestond, hebben we weet, zoals we ons over wat er ooit zal bestaan, niet meer dan een vage voorstelling kunnen maken.

Ook vandaag sterven er mensen en worden er nieuwe baby’s geboren, wat Hannah Arendt aanleiding gaf tot het vestigen van aandacht op het begrip nataliteit: de veranderlijkheid van het bestaan is niet alleen vergankelijkheid, er ontstaat ook steeds iets nieuws. Ook in dit stukje zullen bijna alle zinnen weer volstrekt nieuw zijn: ze hebben nooit eerder bestaan en ze zullen voor het grootste deel ook nooit weer opgeschreven worden. Daar heb je het nieuwe en het vergankelijke en tijdelijke ineen. Dingen ontstaan en dingen verdwijnen en in de vluchtigheid van het bestaan liggen beide bijeen of vallen ze vrijwel samen. De wereld zal morgen anders zijn dan die vandaag is of gisteren was. De wereld van 1900 was een andere dan die van 300 na Christus of die van 2500 voor Christus.

Dat is geschiedenis, een dubbelzinnige term, waarmeer tegelijk wordt geduid op wat er in die eeuwen achter ons is gebeurd, en op onze kennis daarvan, die we meestal in de vorm van een ordelijk verhaal of een beschouwing gieten. En ik geloof niet dat het toevallig is dat die term dubbelzinnig is. Het is geen eigenschap van het Nederlands, maar je ziet hetzelfde in vele talen en het zou me niet verbazen als het zelfs in (vrijwel) alle talen zo zou zijn. ‘Dit is de geschiedenis van …’ of ‘dit is het verhaal van …’ heeft altijd een dubbele referentie: aan dat of diegene(n) waarover die geschiedenis of dat verhaal gaat, én aan de geschiedenis of het verhaal zoals het op dat moment, rond het avondvuur op het plein waar de mannen van het dorp zich verzameld hebben om naar de bard te luisteren, of in een boek dat je bij de open haard zit te lezen, verteld wordt.

-

Geschiedenis
Over geschiedenis moet ik het hier hebben. Het stukje van Rutten waar ik maandag op reageerde, eindigde namelijk met een zin over het bestaan van het verleden en de vraag wat historische uitspraken waarmaakt. Ik citeer de passage even:

‘Wie stelt dat het verleden bestaat en zo direct ware historische uitspraken waarmaakt ontkomt er namelijk niet aan om aan de term ‘bestaan’ in de uitspraak dat het verleden bestaat dezelfde betekenis toe te kennen als aan de term ‘bestaan’ in de uitspraak dat, zeg, protonen bestaan, hetgeen absurd lijkt.’

Dit heeft op zich veel weg van een stropopredenering. Iemand die stelt ‘dat het verleden bestaat en zo direct ware historische uitspraken waarmaakt’ – de verbinding tussen de twee stellingen is ook al hoogst merkwaardig en absoluut niet noodzakelijk –, is natuurlijk absoluut niet verplicht om aan de term ‘bestaan’ een zelfde betekenis toe te kennen als aan die term in de constatering dat keukenkastjes of zeeanemonen bestaan. Integendeel, iemand die dat zou doen, zou een volstrekte dwaas zijn. Rutten ziet dat ook wel, want hij meent dat het in beide gevallen toekennen van een zelfde betekenis aan de term ‘bestaan’, ‘absurd’ lijkt. Ja, zeg dat wel. Maar waarom voert hij dan toch een dergelijke denkbeeldige figuur op? Waarom stelt hij dat deze virtuele man of vrouw niet aan een zelfdebetekenistoekenning ontkomt, terwijl het volstrekt duidelijk is dat die absurd is? Niemand is toch verplicht om absurde dingen te beweren? Daar kun je best aan ontkomen, namelijk door het niet te doen.

Wie zegt dat de tijd of de geschiedenis bestaan, gebruikt het woord in een heel andere zin dan wanneer ik zeg dat mijn koffiemok bestaat: meerzinnig dus en niet eenzinnig, zou ik zeggen. Als ik mijn koffiemok straks in de keuken kapot laat vallen, bestaat ie niet meer, maar bestond die koffiemok tussen waarschijnlijk ergens een datum in 1995 – er staat een kalender van 1996 op en het ding zal dus wel in het voorgaande jaar of, wie weet, een van de voorgaande jaren in China of elders in Azië geproduceerd zijn – en een dag tegen het eind van december 2011. Volgens Rutten is er tussen het kortstondige of althans beperkte bestaan van mijn koffiemok – zestien jaar is ook weer niet zo’n gekke levensduur voor een aardewerken voorwerp en hij is gelukkig nog steeds heel en kan mogelijk nog heel wat jaren mee – of de uitroep ‘hatsjie’ als u moet niezen, en het bestaan van het heelal geen gradueel verschil – alle drie bestaan immers – maar ik vraag me dan nog steeds af wat je daarmee aan ons begrip van de wereld toevoegt. Was die korte, vluchtige blik van de persoon tegenover u in de trein vanmorgen nu werkelijk even reëel als de liefde van uw partner? De vraag is het antwoord.

Ondertussen is de vraag nog steeds wat Rutten bedoelt met zijn redenering over zijn denkbeeldige persoon die uit de volstrekt normale en begrijpelijke opmerking dat het verleden bestaat, zulke absurde conclusies trekt. Als ik het goed zie, gaat het hem vooral om het bestaan nu. In zijn voorgaande stuk ging het namelijk over zogenaamde ‘waarheidsmakers van historische waarheden’ en daarom ga ik daar nu op in.

-

Waarheid
Rutten heeft het daarin over de waarheid van historische waarheden of beter gezegd over de waarheid van uitspraken over historische waarheden. Hij gebruikt namelijk een in de filosofie niet geheel onbekend waarheidsbegrip dat enigszins afwijkt van hoe we in het dagelijks leven met het begrip waarheid, in de zin van het toepassen van het begrip waar, omgaan.

Waarheid is een elusief begrip. Er zijn honderden of duizenden adjectieven en waar is er daar slechts eentje van. Zoals de meeste woorden wordt het in steeds andere contexten gebruikt en kun je dat nooit eenduidig in een enkele formulering vangen. Maar de meest gebruikelijke omschrijving van het begrip waarheid is deze:

‘Veritas est adaequatio intellectus et rei.’

De volgorde ‘rei et intellectus’ kan uiteraard ook. Het is de omschrijving die de meesten van u nog wel van school zullen kennen. Ze wordt ook zo vaak aangehaald, dat het niet meer nodig is de originele plaats bij Thomas van Aquino, want van zijn hand is de formulering, na te slaan om daar de betekenis te zoeken (ik heb dat trouwens wel eens gedaan). Deze definitie zal uiteraard lang niet alle situaties waarin we het begrip waarheid zinvol gebruiken, dekken, maar ze vormt een goed beginpunt omdat ze tamelijk adequaat beschrijft hoe veel mensen in de praktijk met het begrip waarheid omgaan. O ja, ik vergat bijna een vertaling te geven. Dit is een mogelijke:

‘Waarheid is de overeenstemming tussen begrip en zaak.’

Er zijn varianten mogelijk, met name voor dat woordje ‘intellectus’. Je kunt dat ook vertalen als verstand, of misschien inzicht of voorstelling en nog op diverse andere wijzen. Maar op zich is het wel zo ongeveer duidelijk waar het om gaat: je hebt een zaak of een ding en je hebt een begrip of een woord en die zijn met elkaar overeenstemming. Je hebt het begrip koe en het beest in de stal en dat begrip past wonderwel bij dat dier. Nu is de uitspraak ‘dit is een koe’ niet bijster zinvol, behalve als je een klein kind de namen van de dingen en de dieren wilt bijbrengen, maar je kunt de parallel uitbreiden tot hele zinnen of beweringen en wat we de werkelijkheid noemen. Iets is waar omdat het in overeenstemming is met de werkelijkheid.

In het dagelijks leven volgen we de definitie vaak ook vrij letterlijk (al denk ik, nogmaals, dat die lang niet al het zinvolle en juiste gebruik van het adjectief waar en het bijbehorende abstractere substantief waarheid uitputtend beschrijft). Net zoals we naar de vraag of iets bestaat, alleen stellen als dat omstreden is, geldt dat ook voor waarheid. Als iemand uit Groningen je aan de telefoon vertelt dat het daar regent, vertrouw je erop dat het waar is. Pas als iemand je dat op een stralende zomerdag in juni vertelt en het KNMI voor het hele land nog minstens drie droge dagen voorspeld had, vraag je: ‘Hè, je zit me nu toch niet voor de gek te houden, is dat echt waar?’ Waarheid is in het menselijk verkeer voorondersteld als een van de elementen die de taal en uitwisseling van gedachten zinvol maken. Maar in het dagelijks leven leggen we de waarheid in de overeenstemming tussen taal en werkelijkheid.

Voorbeeld. De politie is op zoek naar een voortvluchtige autodief of althans een grote crimineel – het delict moet wellicht iets ernstiger zijn, willen de dienders echt op jacht gaan – op de A28. Men gaat alle benzinestations af en vraagt of de man daar gezien is. Dan zegt een bediende achter een kassa ineens: ‘Ja, die heb ik hier pakweg een kwartier geleden nog gezien’. ‘Werkelijk, echt waar, weet je dat zeker?’, vraagt de politieman. En terwijl de benzinepompmedewerker nog eens goed naar de foto kijkt, zegt hij: ‘Jazeker, ik heb die man een kwartier geleden nog geholpen. Hij had een volle tank getankt, even kijken, hier staat het in de computer, hij tankte 43 liter en hij kocht nog een pakje sigaretten en een zak met krentenbollen’. Wat is er hier waar? Dat die man daar was. Dat wordt in taal uitgedrukt, maar het gaat er niet alleen om dat er ware zinnen worden uitgesproken, het gaat erom dat die man daar echt was.

Waarheid heeft dan een dubbele referentie, zou je kunnen zeggen: naar de taal en naar de werkelijkheid. Het is waar dat die man daar was. De uitspraak klopt, dat is het woord in het Nederlands. Uitspraak en werkelijkheid vallen samen. Dat is wat we meestal een feit noemen. Feiten zijn per definitie waar. En het is een feit dat de voortvluchtige man wegreed richting het noorden. De bewering beschrijft de werkelijkheid. Waarheid is een kwestie van overeenstemming, zoals de definitie of omschrijving dat zegt. En deze waarheidstheorie noemen we dan ook de correspondentietheorie: woord en werkelijkheid corresponderen met elkaar, ze stemmen overeen. Maar die woorden staan niet alleen tegenover de werkelijkheid, ze vormen er ook een onderdeel van en vandaar ook de onverbrekelijke samenhang.

-

Waarheidsdagers en waarheidsmakers
In de filosofie en met name de logica wordt soms een net iets andere opvatting van waarheid gehanteerd, een variant hierop. De waarheid wordt dan eenzijdig aan één zijde gelokaliseerd, in de taal. Je kijkt eigenlijk net de andere kant op: niet naar de werkelijkheid, maar naar wat normaal vanzelfsprekend is, de woorden over die werkelijkheid. Dat komt in het leven ook wel eens voor. Als iemand bijvoorbeeld van meineed wordt beschuldigd, verschuift alle aandacht naar de woorden die hij gebezigd heeft of de zinnen die op papier staan en die hij met zijn eed bekrachtigd heeft. Was het onwaar wat hij zei? Nog steeds gaat het om de overeenkomst, maar het zwaartepunt ligt nu bij de zin of de verklaring. Stel dat de pompbediende later voor de rechtbank verklaard heeft dat hij de man naar het noorden zag wegrijden, maar dat hij een maatje van de gezochte autodief was en in werkelijkheid gezien heeft dat de man bij de volgende afslag via een viaduct de andere baan nam en naar het zuiden reed, dan zal er heel nauwkeurig gekeken worden naar zijn uitspraken. Was wat hij verklaarde, letterlijk waar? Of wilde hij toch bewust iets misleidends formuleren? Dat soort dingen. Elke zin zal dan nauwgezet gewogen worden.

Ook in de filosofie gebeurt dat wel. Men onderscheidt dan vaak de letterlijke formulering van de inhoud. ‘Het regende’, ‘es regnete’ en ‘het bleef die dag niet droog’ betekenen dan hetzelfde, al kan de formulering variëren. En dan is de vraag dus of het ook echt regende. De voorbeelden in handboeken logica zijn vaak wat kinderlijk en het regent voortdurend in die geschriften. ‘Als het regent, worden de straten nat’, is ook al zo’n voorbeeld waar je als lezer enorm van opkijkt – goh, dat had je nou nooit gedacht. En de vraag is dan of die propositie dat het regent, waar is. Ik zal het in vervolg gewoon over beweringen of varianten daarop hebben, dat is een gebruikelijker woord in de alledaagse omgang. En de uitspraak ‘het regent’ is dan en alleen dan waar als het ook echt regent.

De zin waarin je zegt dat het regent, is dan de waarheidsdrager en het gegeven dat het buiten echt regent, is dan de waarheidsmaker, maar ook die formuleer je nog steeds als zin. (Meestal of althans vaak worden hier trouwens andere termen voor gebruikt, maar voor de gelegenheid ga ik nu met Ruttens gebruik mee, dat ik overigens weinig verhelderend acht, maar dat blijkt gaandeweg vanzelf wel.) Het gaat om twee keer dezelfde formulering of om dezelfde formulering, waaraan je twee aspecten onderscheidt: dat het een formulering is en dat er iets is waarnaar verwezen wordt. Het zijn geen termen die je voor de gewone omgang met waarheid nodig hebt. Wat dan samenvalt, wordt hier kunstmatig uit elkaar gehaald. En de waarheid wordt dus eenzijdig aan één zijde van de overeenkomst gelegd en niet in de overeenstemming zelf, zoals we gewoonlijk doen. Maar je kunt een dergelijk onderscheid kunstmatig maken.

Je vindt het ook bij de zogenaamde T-sentences van Alfred Tarski:

‘p’ is waar dan en alleen dan als (if and only if) p
‘Sneeuw is wit’ is waar dan en alleen dan als sneeuw wit is

Het gaat dan al snel om een waarheidsbegrip dat met het alledaagse weinig meer te maken heeft. Er zouden bijvoorbeeld maar twee waarheidswaarden bestaan: waar en onwaar, soms weergegeven als W en O of 1 en O (en nog op diverse wijzen: als er maar twee verschillende symbolen zijn). En je kunt dan de befaamde waarheidstabellen maken. In het dagelijks leven heeft waarheid daarentegen vele gradaties. Iets kan een beetje waar zijn of een halve waarheid. Als een getuige vertelt dat er een zwarte Skoda om de hoek kwam, kun je dat ontleden in ‘Er was een auto, die was zwart, het was een Skoda en hij kwam om de bocht.’ Je hebt dan al vier proposities en als het bijvoorbeeld om een Volkswagen ging, is de combinatie onwaar: drie keer waar (auto, zwart, kwam om de bocht), één keer onwaar (Volkswagen, geen Skoda), maakt de bewering samen onwaar. In werkelijkheid zullen we de mededeling voor waar houden, maar opmerken dat er een klein foutje rechtgezet moet worden.

Het gaat hier om een typische verdubbeling: de waarheidsdrager en de waarheidsmaker zijn beide p of ‘sneeuw is wit’, alleen zeg je van de eerste (of wat die draagt) nog eens expliciet dat die waar is. Maar in beide gevallen gaat hem beweringen die waar zijn of dat kunnen zijn en die allebei betrekking hebben op een (soms externe) werkelijkheid buiten de taal (althans in het voorbeeld) of die als zodanig waar zijn. En ja, de waarheidsmaker zelf wordt geacht buiten de taal te liggen, het is een feite een rare abstracte en overbodige term voor een specifiek stukje werkelijkheid dat een uitspraak waarmaakt, maar je kunt er in een tekst als deze toch niet anders verwijzen naar dan in taal (of in een concrete situatie door te wijzen: kijk maar, sneeuw is wit).

-

Historische waarheden
Welnu, bij dergelijke op zich wat omslachtige ideeën lijkt Emanuel Rutten aan te sluiten in zijn blogstukje ‘Waarheidsmakers van historische waarheden’ ook aan te sluiten. Zijn vraag is wat de waarheidsmaker van historische gebeurtenissen is. Wat maakt de uitspraak dat Nederland in 1974 het wereldkampioenschap voetbal van Duitsland verloor, waar? Maar eerst geeft hij nog een voorbeeld uit het heden.

‘De uitspraak ‘Mijn auto is blauw’ wordt waargemaakt door mijn blauwe auto. Mijn blauwe auto kan daarom de waarheidsmaker van genoemde uitspraak worden genoemd.’

Dit is evident onjuist. De waarheidsmaker van de uitspraak dat zijn auto blauw is of dat hij een blauwe auto heeft, is natuurlijk niet die blauwe auto, maar het gegeven dat hij de bezitter van een blauwe auto is. Een waarheidsmaker is in zijn omschrijving nadrukkelijk iets anders dan het bewijs dat hij een blauwe auto heeft of dat er ergens een blauwe auto op straat staat. Als we hem regelmatig weg zien rijden in een blauwe auto, geloven we zonder meer dat hij een blauwe auto heeft. Als de politie hem vraagt of die blauwe auto die hij wil ophalen uit een afgezette straat, van hem is, kan hij zijn papieren laten zien en aantonen dat die auto daar iets verderop met dat en dat kenteken van hem is. De zin beschrijft een blauwe auto en zijn relatie daarmee. En wat de bewering waarmaakt in zijn indeling, zijn niet die bewijzen zelf, maar de uitkomst – of vanaf de andere zijde gedacht: de bron – ervan: dat hij een blauwe auto heeft. Dat is een bewering die deels met een externe fysieke realiteit te maken heeft, die auto, en deels met opvattingen omtrent bezit.

Omdat de uitspraak in de tegenwoordige tijd is gesteld, is het huidige bestaan van die auto wel nodig, omdat ze anders immers niet gaat over een automobiel dat hij nu heeft. Maar als die auto per ongeluk onder een enorme betonplaat geplet wordt en met recht geen auto meer genoemd kan worden, dan kan hij met de papieren nog steeds aantonen dat die auto van hem was en dat hij nog recht op schadevergoeding heeft. De uitspraak verandert dan in ‘Mijn auto was blauw’ of ‘Ik had een blauwe auto’ en wat die zin waarmaakt, is dat hij een blauwe auto had.

Hier doet zich een vergissing voor in zijn tekst. Laten we het vervolg even lezen:

‘Welnu, het lijkt niet onredelijk om te beweren dat meer in het algemeen uiteindelijk iedere ware uitspraak een waarheidsmaker moet hebben. Zo’n waarheidsmaker moet dan natuurlijk wel bestaan. Iets dat niet bestaat kan immers niets, en dus ook niet iets waarmaken.’

Tja, dat is wel grappig: alsof een waarheidsmaker uit zichzelf ook maar iets zou kunnen en geen abstract verzinsel is dat een klein, specifiek deel van de werkelijkkeid waar een – naar we veronderstellen – ware uitspraak betrekking op heeft, aanduidt. Een waarheidsmaker is ondanks de antropomorfe beeldspraak – alleen mensen en misschien dieren maken dingen – toch niets anders dan een object van onze voorstellingen en geen handelend subject. En nee, de waarheidsmaker hoeft nu niet te bestaan tenzij het huidige bestaan geïmpliceerd is in de uitspraak. Het ligt er maar net aan of die over het heden of iets uit het heden of de toekomst of iets dat als zodanig geen tijdelijkheid kent, gaat.

Alleen de waarheidsdrager moet nu bestaan, maar dat is per definitie het geval omdat de waarheidsmaker qua formulering per definitie gelijk is aan de waarheid die gedragen wordt. Maar de blauwe auto is op zich geen waarheidsmaker, die is slechts een onderdeel van het bewijs. En als iemand zegt dat hij nu een blauwe auto heeft, moet hij inderdaad nu een blauwe auto hebben, maar als iemand zegt dat hij tot een gisteren een blauwe, nu niet meer bestaande, geplette auto had, is het alleen maar nodig dat hij tot gisteren een blauwe auto had. Hij moet daar bewijzen voor hebben, maar de bron daarvoor is de nogal kunstmatig geconstrueerde waarheidsmaker zelf (die vervolgens in woorden gevat niet afwijkt van de waarheid zelf). Hij had een blauwe auto.

Als een bewering waar is, is er volgens het analytische onderscheid per definitie een waarheidsmaker die daaraan qua formulering als waarheidsdrager identiek is, maar die zelf iets anders geacht wordt te zijn. Daarom schieten we ook niet zoveel op met die verdubbeling. Om vast te stellen of iets waar is, kijken we naar het bewijs. Als we willen weten of het echt regent in Groningen, kijken we bijvoorbeeld even op de buienradar. En als die een vlek laat zien boven de noordoostelijke provincie geloven we dat het daar regent. En dan is de uitspraak dat het in Groningen regent waar, en dan is de geformuleerde waarheidsmaker per definitie waar. Het regent dan namelijk in Groningen. Of anders gezegd: dan is er een werkelijkheid die die bewering waarmaakt. Nogmaals, de abstracte verdubbeling komt analytisch uit de gegeven verdeling voort en verwijst als zodanig wat betreft de dragende formulering niet meer naar een (eventuele) externe werkelijkheid dan de waarheid zelf dat doet: steeds dezelfde p. De waarheidsmaker staat als zodanig wel buiten de tekst, maar kan in de tekst toch niet anders dan op dezelfde wijze als de waarheidsdrager of door middel van die waarheidsdrager worden weergegeven.

-

Een verloren voetbalspelletje
De rest kunnen we nu snel afhandelen. Emanuel Rutten vervolgt zo:

‘Neem nu historische uitspraken, zoals de uitspraak dat Nederland in 1974 de WK finale verloor. Deze uitspraak is ontegenzeggelijk waar. Daarvoor is immers meer dan voldoende bewijsmateriaal. Het zou volstrekt onzinnig zijn om, gegeven al dit bewijsmateriaal, te betwijfelen of Nederland in 1974 het WK verloor.’

Dat klopt. Er zou aan die vaststelling nog van alles uit te leggen zijn, bijvoorbeeld hoe het komt dat we direct begrijpen wat Nederland hier betekent, niet het land, maar een elftal jongemannen die graag een potje voetbal speelden, en nog veel meer. Een historicus die over 5.000 jaar een snipper informatie dat Nederland in 1974 van Duitsland verloor, vindt, zal misschien uit moeten zoeken wat Nederland en Duitsland waren en zou bijvoorbeeld kunnen denken dat Nederland een oorlog van Duitsland verloor, vooral als hij ook nog ergens de uitspraak dat voetbal oorlog is, aantreft, maar dat is hier niet van belang. We begrijpen wat hier bedoeld wordt en we achten de uitspraak waar. Maar dan gaat het grondig mis. Rutten schrijft:

‘Maar, wat is dan haar waarheidsmaker? Welke bestaande stand van zaken maakt deze uitspraak op dit moment waar?’

Nee, die waarheidsmaker is er nu niet meer, maar dat hoeft ook helemaal niet. Wat deze geconstrueerde abstractie aanduidt, was er in 1974 (zoals we ook de verzuiling in de negentiende eeuw en beginnende twintigste eeuw kunnen spreken, terwijl het begrip van begin jaren vijftig is). Die als waarheidsmaker benoemde realiteit bestond, die bestaat niet meer, behalve dan in de vorm van de qua formulering identieke waarheidsdrager. Er was toen een werkelijkheid, een gebeurtenis, en daar komt het op aan, die de uitspraak van nu toen al waarmaakte. De uitspraak is er nu en die gaat over een gebeurtenis uit 1974. Wie een uitspraak over iets uit dat jaar doet, vindt wat die uitspraak waarmaakt, natuurlijk daar en niet in 1966 of in 2014. Een waarheidsmaker is immers niet meer dan een op zich volkomen overbodige theoretische abstractie voor dat waar je ware uitspraak over gaat.

En het aardige is dat het in dit geval, die verloren WK-finale, vanaf het allereerste begin een historische uitspraak betrof. Bij de geplette auto is een voormalig heden nog in verleden veranderd, maar hier ging de uitspraak direct over twee keer vijfenveertig minuten. Op het moment dat het fluitsignaal ergens tegen zes uur, schat ik zo in, klonk op zondag 7 juni 1974, stond vast dat Nederland van Duitsland had verloren, en pas dan stel je dat definitief vast, of concreter: pas toen stelde men dat definitief vast.

Uitslagen van voetbalwedstrijden zijn per definitie oordelen over wat voorbij is, het verleden, historische uitspraken. De waarheid van de zin werd door de voorgaande twee speelhelften bewezen en sindsdien is er aan deze historische vaststelling niets veranderd. Het enige dat nodig was, is dat ze overgeleverd werd. Ze was op zondagavond 7 juni 1974 waar en ze is nog steeds waar. Of je kunt nu een opname bekijken en dan opnieuw tot dezelfde conclusie komen. De uitspraak gaat over toen, over wat nu een ver verleden is. Alleen de formuleringen kunnen veranderen. Het is dit jaar ruim 37 jaar geleden dat Nederland de WK-finale verloor en in 2024 zal het 50 jaar geleden zijn. Dat kun je nu al zien aankomen en in die zin kun je hiermee meteen een uitspraak over de toekomst doen, die zonder meer waar is.

-

Zoeken onder een lantaarnpaal
Het misverstand was al dat Rutten de waarheidsmaker van de bewering dat hij een blauwe auto heeft, in die auto zocht, want het bestaan daarvan vormt hooguit een onderdeel van het bewijs dat hij nu een blauwe auto heeft, maar als hij door zou redeneren, zou de waarheidsmaker – dus niet de zin die ook weer de waarheidsmaker draagt, maar dat waar die zin over gaat – van de uitspraak dat Nederland de WK-finale in 1974 verloor, dan op zijn minst in 1974 moeten liggen. Maar de waarheidsdrager – of dat aspect van een en dezelfde zin – bestaat, die is er nu en die zin verwijst nu naar een gebeurtenis uit 1974. Het is dan ook merkwaardig dat hij die externe waarheidsmaker hardnekkig in het heden zoekt als hij daarmee niet op de zin, maar op dat waar de zin over gaat, doelt. Het is even willekeurig en ongerijmd als de waarheidsmaker in 534 of in Taiwan te zoeken.

Het is als met de man die zijn autosleuteltjes onder een lantaarnpaal staat te zoeken en op de vraag of hij zeker weet dat ze hier moeten liggen, antwoordt: ‘Nee, ik moet ze honderd meter verderop verloren hebben, maar daar is het te donker, hier is tenminste licht’. Ook verderop blijft Rutten hardnekkig zoeken naar een waarheidsmaker die in het heden zou moeten bestaan, maar zelfs binnen zijn eigen indeling zou hij naar iets moeten zoeken dat ooit bestond of beter gebeurde, want een wedstrijd kenmerkt zich door en handelingen en gebeurt dus. En deze gebeurde dus, want die is voorbij.

Maar het hele idee dat een analytisch onderscheid ontologisch geworteld zou moeten zijn in een heden, is al een denkfout. De waarheid van de uitspraak is geworteld in gebeurtenissen in 1974. Daar gaat de uitspraak namelijk over. De uitspraak verwijst naar gebeurtenissen die toen plaatsvonden en de zogenaamde waarheidsmaker bestaat uit die samenhangende gebeurtenissen, al kennen we hem slechts in taal als een analytische verdubbeling van een uitspraak die nu (nog steeds) gedaan wordt. In die zin bestaat hij nu, net zoals de uitspraak dat zijn auto nu blauw is, als zin, en als je die uitspraak nu formuleert, wordt hij waarheidsdrager genoemd. De ware uitspraak zelf gaat over 1974 en daar is geen enkel probleem bij.

De rest is niet van belang. Rutten heeft het over de vraag of het verleden bestaat, maar dat is een heel andere vraag, waar van alles over te zeggen valt. Ja, het verleden bestaat, zoals de toekomst bestaat en het verleden gaat over dingen die vroeger gebeurden en de toekomst gaat over dingen die nog zullen gebeuren. Als hij zelf stelt dat het absurd is om aan de bewering dat het verleden bestaat, dezelfde betekenis toe te kennen als aan de uitspraak dat protonen bestaan, is de enige logische conclusie om dan twee verschillende betekenissen te onderscheiden. Hij moet zelf maar uitmaken of dat iets zegt over zijn geliefde univociteit van het bestaan. Ik vrees voor hem van wel, want juist vanwege de eerder in dat korte stukje geponeerde eenduidigheid van bestaan weigert hij kennelijk, via de opgevoerde denkbeeldige dwaas, de volstrekt voor de hand liggende gevolgtrekking te maken dat hier sprake is van een andere betekenis.

Ons bestaan is tijdelijk van aard. Die wedstrijd is voorbij. Ze werd ooit gespeeld, nu herinneren mensen zich die nog en ligt er in beeld en geschrift van alles over vast. De vraag wat het verleden dan is, of waar het dan is, heeft niets te maken met de vraag wat er op een grasveld in München op een junidag in 1974 gebeurde. Die dag is voorbij. Ze behoort tot de geschiedenis. En de waarheid van de bewering dat er in 1974 iets gebeurde, wordt niet bepaald door een verleden dat nu zou bestaan, maar door concrete gebeurtenissen die toen plaatsvonden.

-

Tijd
Ik vermoed dat veel van de misverstanden rond de discussie van gisteren en eergisteren over bestaan te maken hebben met Ruttens verwarring omtrent de tijdelijkheid van veel dat bestaat. Sommige dingen bestonden, ze bestaan niet meer. Sommige dingen bestaan, maar ze zullen over een tijdje niet meer bestaan. Zijn blauwe auto zal een keer naar de sloop gaan. Dan had hij een blauwe auto, dan heeft hij geen blauwe auto meer. Maar misschien koopt hij dan een andere auto, misschien wel een rode of een gele, en dan zal hij mogelijk een rode of gele auto hebben. Als hij vast voornemens is die te gaan aanschaffen, kan hij zeggen: ‘Over een week zal ik in een zwarte BMW rijden’. En die uitspraak zal dan een week later waargemaakt worden door het feit dat we hem in een zwarte BMW voorbij zien komen. ‘Je had gelijk’, zeggen we dan.

Ik geloof er niets van dat een auto met een korte levensduur op dezelfde wijze bestaat als de tijd bestaat of de wereld of het heelal of het verleden of de toekomst. Natuurlijk kun je stipuleren dat zowel het bestaan van die huidige blauwe auto als de tijd eenduidig is, maar ik heb geen idee wat je dan meedeelt. Wat voegt die bewering toe aan ons inzicht omtrent de werkelijkheid die we aantreffen? En hoe verdisconteer je daarin dat dinosaurussen ooit bestonden, maar nu niet meer? Of dat er in 1974 een voetbalwedstrijd plaatsvond? Is bestaan, bestaan hebben (geweest zijn, geleefd hebben) en bestaan zullen dan ook univook, eenduidig? Hoe zit het met worden of vergaan? En wat zeg je daar dan mee?

De tijd, dat is het probleem, zij het niet het enige in de beschouwingen van Rutten. Sommige dingen bestaan kort, andere hebben een lange duur en buiten de tijd, waarvan we zinvol kunnen zeggen dat die bestaat, kunnen we niet eens kijken.

En over de ‘herinneringen van God’, waar Rutten over fantaseert, kunnen we al helemaal niets zeggen. Wij mensen weten daar niets van.

(40)

[Gepubliceerd: woensdag 21 december 2011, 8.59 uur, licht herzien rond 9.35 uur.]

19 december 2011

Over vliegende roze olifantjes, zijn en niet zijn. En of bestaan univook is.

.:.

Ooit stond mijn bureau ergens boven de twintigste verdieping pal naast het raam. In de verte kon je zien of de vlag op Huis ten Bosch wapperde. Het uitzicht was vooral weids, maar er kwam ook wel eens wat voorbijvliegen. Meeuwen vooral, het was niet ver van zee. Maar op een dag leek het alsof de oorlog was uitgebroken. Gelukkig bleek het Veteranendag te zijn en wat we zagen, was vooral de verwijzing naar vroegere, voorbije oorlogen (al doen we er altijd nog, matigjes, mee aan eentje in Azië, oude traditie). Kortom, er kwamen soms vreemde dingen voorbij dat raam, maar een roze vliegend olifantje was daar nooit bij.

Roze olifant. Deze kan niet vliegen. En hij kan ook niet trompetteren. Hij bestaat wel. (foto: Anne Burgess)

Dingen die niet bestaan
Ik weet niet wat u zoal ziet als u wel eens gedachteloos uit het raam staart, maar ik vermoed dat u zo’n grappig en ongetwijfeld vriendelijk beest ook nog nooit voorbij hebt zien vliegen. Of denkt u dat vliegende roze olifantjes wel degelijk bestaan? En zo zijn er meer van die vragen. Bestaan er deeltjes die sneller dan het licht gaan? Bestaan er eenhoorns? Bestaan zuivere driehoeken? Bestaat het perpetuum mobile? Bestaat het befaamde Monster van Loch Ness eigenlijk wel? Hoe zit het nu werkelijk met Sinterklaas?

Ik zou zeggen dat op de meeste van die vragen het antwoord een eenduidige ontkenning is. Olifanten zijn niet roze en ze kunnen niet vliegen. Dat zit er nu eenmaal niet in bij olifanten. Daar zijn ze te zwaar voor en ontbreekt het hun aan natuurlijke hulpmiddelen om zich ver van de aardbodem te verheffen. Of er neutrino’s of deeltjes bestaan die sneller dan het licht gaan, is nog omstreden. Men heeft ze gemeten, maar ook de fysici die dat gedaan hebben, denken zelf eigenlijk dat hun waarnemingen niet kunnen kloppen. En andere onderzoekers denken dat inmiddels ook. En de eenhoorn is vanouds hét voorbeeld van een dier waar veel over gesproken is, maar dat toch maar niet gevonden kon worden. Met zuivere driehoeken ligt het al weer lastiger, maar de geodriehoeken die u bij de Hema of de Axion kunt kopen, zijn toch net niet helemaal zuiver, vrees ik, althans in de ogen van strenge wiskundigen. Ook het perpetuum mobile is nog steeds niet uit de ontwikkelingsfase. En het Monster van Loch Ness, is dat inmiddels niet onopvallend een stille dood gestorven? Gevangen is het in ieder geval nog steeds niet. En Sinterklaas? Tja, in menig kinderleven breekt het moment van de harde conclusie aan dat de goedheiligman toch werkelijk niet bestaat.

Die dingen, dieren en mensen bestaan dus niet. En toch bestaan ze op een bepaalde manier ook weer wel. Het roze vliegende olifantje is inmiddels een bekende figuur en u las er hierboven vast en zeker niet voor het eerst over. Ik heb het niet verzonnen. De vraag of het toch misschien zo zou kunnen zijn dat neutrino’s onderweg van Genève naar Gran Sasso in Italiaanse bodem de maximumlichtsnelheid hebben overschreden, heeft de afgelopen maanden heel wat pennen en tongen in beweging gezet. En over eenhoorns zijn heel wat boeken volgeschreven. En wiskundigen en scholieren kunnen zich wel degelijk zuivere driehoeken voorstellen. Het plaatje in het leerboek mag dan fysiek, als je er een microscoop boven zet, onvolkomen zijn, je kunt je die figuur wel degelijk voorstellen. En een zoekopdracht naar afbeeldingen van het perpetuum mobile levert meteen resultaten op, al is het wat verdacht dat al die apparaten er nogal verschillend uitzien. Het Monster van Loch Ness is een befaamde casus uit de wetenschap der cryptozoölogie. En Sinterklaas, ja Sinterklaas? Ja, die hebben we toch allemaal de afgelopen weken weer regelmatig gezien? Zelfs de Tweede Kamer heeft de verdwijning van zijn paard nog besproken. En de minister ondernam snel actie.

-

Univociteit
Er is een beroemd opstel over deze vragen. Het heet ‘On What There Is’ en het is van William Van Orman Quine (25 juni 1908, antikerstmis – 25 december 2000, kerstmis) en hij was de grootste filosoof van de twintigste eeuw, maar daar zijn er, zoals dat onder wijsgeren gaat, gelukkig heel veel van – Ludwig Wittgenstein en Martin Heidegger zijn ook goede (of volgens sommigen dan weer: slechte) kandidaten. Quine was zeker de saaiste van het stel: geen geestlozere autobiografie dan The Time of My Life (1985), waarin hij vertelt wanneer hij welk land bezocht en werkelijk niets, maar dan ook volstrekt niets mee te delen heeft over wat hij daar dan zag. Onleesbaar, terwijl er geen onbegrijpelijke zin in staat, voor zover ik dat tenminste hapsnap gecontroleerd heb. Maar dit terzijde. Dat opstel dus, dat in 1948 in een tijdschrift verscheen en in 1953 in From a Logical Point of View, een titel naar een liedje dat hij Harry Belafonte had horen zingen, werd gebundeld en dat na zijn dood nog eens werd opgenomen in Quintessence (2004), een boek waarin zijn beroemdste artikelen zijn verzameld. Quine komt in dat stuk tot deze schokkende vaststelling:

‘To be assumed as an entity is, purely and simply, to be reckoned as the value of a variable.’

Als ik mezelf flink op de kast wil jagen, herlees ik dat stuk nog wel eens. Ik ga daar nu verder aan voorbij. Dit keer reageer ik op een blogstuk van de filosoof Emanuel Rutten: Bestaan is univook. Het telt slechts 247 woorden en u moet dat eerst maar even lezen. De eerste regels komen direct ter zake:

‘Het lijkt mij redelijk om te zeggen dat iets wel bestaat of niet bestaat. Bestaan is niet iets dat gradaties kent. Het begrip ‘bestaan’ is derhalve niet analoog, maar univook. ‘

Eerst maar even over dat woord, univook. Het is geen term die de meesten van ons dagelijks in de mond nemen. Het staat ook niet in alle woordenboeken, tenminste niet in mijn Dikke Van Dale uit 1976. Rutten vertaalt het als eenzinnig. Mijn Van Dale kent wel univociteit en dat omschrijft dat woordenboek als ‘eenduidigheid, het tegendeel van equivociteit.’ Univook zou dan dus eenduidig zijn. Het verschil met eenzinnig is niet groot. Het aardige is dat een handwoordenboek Frans dat ik hier bij de hand heb, ook al van Van Dale trouwens, maar dan de later bedachte firma, univoque vertaalt als ‘eenduidig → eenzinnig’. Dat zit dus wel goed. En het grappige is dat mijn Van Dale, de echte uit 1976 dus, wel verwijst naar equivociteit, waar univociteit het tegendeel van zou zijn, maar dat woord dan weer niet heeft. Maar op de plek waar men het zoekt, vindt men wel equivoque en dat wordt weer omschreven als dubbelzinnig en als zelfstandig naamwoord betekent het ‘dubbelzinnigheid, dubbelzinnig gezegde, onbetamelijke woordspeling’. Laten we ons hier tot het betamelijke beperken. Wat de juiste spelling is, weet ik niet: univook en equivook of univoque en equivoque. Het Groene Boekje kent beide woorden niet. Ik volg Rutten, maar het gaat natuurlijk niet om het woord, maar om het begrip. En of bestaan dat is, univook, waarbij ik er gemakshalve maar van uitga dat bestaan en zijn hier begripsmatig uitwisselbaar zijn, al kun je beide woorden niet altijd in elke zin door het andere vervangen. Als iets bestaat, is het. Als iets is, bestaat het.

-

Fysiek en geestelijk
Bestaan kent geen gradaties, betoogt Rutten. Iets bestaat of het bestaat niet. Iets is of het is niet. Is dat zo? Ik zou zeggen dat het net een tikkie ingewikkelder ligt en daarom gaf ik al die voorbeelden van dingen die niet bestaan, maar waarover we toch kunnen spreken en waarbij we ons toch van alles kunnen voorstellen. Al die dingen bestaan niet, stelde ik vast, en toch bestaan ze op een bepaalde manier ook weer wel, namelijk als dingen waarvan we kunnen zeggen dat ze niet bestaan. Van mijn zeven voorbeelden veronderstellen er een stuk of vijf een fysiek, ruimtelijk bestaan. Roze olifantjes hebben een lichaam en dat geldt ook voor eenhoorns, het Monster van Loch Ness en Sinterklaas, tenminste als ze werkelijk zouden bestaan. Dat olifanten zouden kunnen vliegen, is een voorstelling die niet door de praktijk wordt bevestigd. Neutrino’s bestaan wel, tenminste dat neem ik maar even op gezag van geleerde geesten aan, maar het is nog maar de vraag of ze harder dan het licht kunnen. En driehoeken, die zie je op straat in de vorm van verkeersborden en je kunt ze in de winkel kopen, maar zuivere driehoeken bestaan alleen maar als voorstelling.

Maar, en dat is mijn punt, al deze niet bestaande dingen of dieren of mensen bestaan niet in het echt, zoals we dat zeggen, maar wel in onze gedachten of voorstellingen. We weten waar we het over hebben en we kunnen er lange verhalen over houden. Ik zou dus zeggen dat er minstens twee bestaanswijzen zijn: een fysieke, ruimtelijke, en een geestelijke, onruimtelijke. Ja, dat is zo ongeveer het beroemde onderscheid dat Descartes al maakte tussen res extensa en res cogitans. Het enige verschil is dat ik niet denk dat ze op dezelfde wijze naast elkaar, onverbonden of vrijwel onverbonden, bestaan. Gedachten en voorstellingen bestaan, voor zover we weten, niet zonder fysieke of lichamelijke dragers, waarbij ik een mogelijk onderscheid tussen dode dingen en levende organismen, planten, dieren en mensen maar even buiten beschouwing laat.

En gedachten en voorstellingen – en u mag hier zelf nog allerlei termen bij verzinnen – worden op twee wijzen gedragen: door levende mensen bijvoorbeeld, die erover kunnen praten, en door of op dode materie. De Dode Zeerollen of de geschriften van Nag Hammadi lagen lang in grotten of onder het zand verborgen, maar toen men ze eenmaal vond, kon men de betekenis van de letters ontcijferen, zoals u nu de betekenis van deze lettertekens op uw scherm, dat in ieder geval niet leeft, zoveel is wel zeker, ook kunt begrijpen. Je zou een onderscheid kunnen maken tussen objectieve en subjectieve geest, maar voor het vervolg heb ik dat nu niet zo nodig. Het gaat mij om het grote onderscheid tussen fysicaliteit in ruime én ruimtelijke zin enerzijds en geest anderzijds, waarbij geest zonder fysieke drager bij ons weten niet voorkomt. Alleen God stellen we ons als zuivere geest voor, ook al komen er in het Oude Testament en elders ook wel degelijk fysieke, lichamelijke voorstellingen van God voor. Maar ook dat thema laat ik nu maar even buiten beschouwing.

-

Plaatjes kijken
Ik zou dus zeggen dat bestaan of zijn niet eenduidig is. Dingen bestaan fysiek of ze bestaan geestelijk. Dingen die niet bestaan, bestaan op het moment dat we ze verzinnen of erover praten, wel degelijk in onze geest: als fysiek niet bestaande dingen bijvoorbeeld, terwijl we misschien ook nog wel geestelijk niet bestaande dingen kunnen verzinnen, zoals een vierkante driehoek of de kwadratuur van de cirkel. Er is daarbij mogelijk een zeker verschil tussen olifanten, die begripsmatig al verondersteld worden een nogal log lichaam en een kenmerkende slurf te hebben, en zuivere driehoeken die helemaal niet geacht worden ook fysiek te bestaan, groot is dat niet. Het gaat om wat we ons voor kunnen stellen. En hoewel het ons niet zal lukken een driehoekige rechthoek te tekenen, lukt het ons wel die in woorden te verzinnen – deze zin is het bewijs. En door te combineren kunnen we ons heel veel voorstellen. Ik heb al eens eerder betoogd dat het vrijwel onmogelijk is om geen originele zinnen op te schrijven. De menselijke geest schept steeds nieuwe dingen. De mogelijkheden zijn oneindig, waarbij die voorstellingen, vaak of misschien wel per definitie, dat weet ik even niet, wel weer in onze fysieke ervaringen geworteld zijn. Wij mensen zijn geen geesten, wij hebben een lichaam. En een geest.

Neem eens dit. Kleine kinderen leren we hoe de wereld in elkaar zit door met hen plaatjesboeken door te nemen. Misschien is er geen beter empirisch bewijs voor het idee dat dingen een platonische essentie hebben, want ook tamelijk abstracte plaatjes die weinig op de ‘werkelijkheid’ lijken, herkennen ze feilloos. Met een groene leeuw of een pimpelpaarse giraffe hebben ze geen enkele moeite. Maar ook dat terzijde. De plaatjes. Je laat een bladzijde zien met een kat en je vraag wat dit is. ‘Een poes.’ Volgend plaatje. ‘Een schaap.’ Bladzijde om, nog een afbeelding. ‘Een koe’. ‘Heb je wel eens een koe gezien?’ ‘Ja hoor, gisteren nog, heel veel koeien.’ ‘Waar dan?’ ‘Nou, toen we gingen wandelen, bij de molen’. Elk kind legt de relatie moeiteloos. Het ziet een koe in het boek en het weet wat echte koeien zijn. Zijn die beide koeien dan op dezelfde manier? Nee toch?

Je kunt zeggen: ja, maar als je wijzend op de afbeelding in het boek zegt ‘dit is een koe’, dan bedoel je in werkelijkheid: ‘dit is een plaatje van een koe’. Het zijn is het zelfde, maar het woord koe is hier een afkorting voor afbeelding van een koe. René Magritte met zijn Ceci n’est pas une pipe dus. Ik had die afbeelding hierbij kunnen doen, als ik die niet al eerder gebruikt had. Nee, dat is inderdaad geen pijp, maar een schilderij van een pijp. Ruud Kaulingfreks schreef er ooit een proefschrift over Meneer iedereen. Over het denken van Rene Magritte (1984), maar dat heb ik natuurlijk weer niet gelezen. Maar is het waar? Zien we geen pijp? Nee, zou ik zeggen, we zien wel degelijk een pijp, zoals het kind in zijn plaatjesboek wel degelijk een koe ziet. Dat het om een schilderij of een boek gaat, is namelijk voorondersteld. Het kind beseft echt het verschil wel tussen de wereld van de voorstellingen en de wereld daarbuiten, bij de molen, waar de koeien in het land grazen. Wat hij ziet, is een koe en geen plaatje van een koe. En wat we bij Magritte zien, is een pijp en geen afbeelding van een pijp. We bevinden ons in een andere wereld. Of binnen een andere afdeling van onze ene wereld, zo kun je het ook zeggen. Er is de wereld van de ruimte en het fysieke en er is de wereld van de geest, ook zoals die zich op papier of beschilderd linnen aan ons voordoet. Die koe en de pijp bestaan wel degelijk, maar op een andere wijze als de koe in de wei of de pijp van opa.

-

Gedifferentieerde ontologie
De kaart is niet het gebied. Maar op de kaart zien we wel degelijk hoe de omtrekken van het IJsselmeer eruit zien of hoe de Rijn zich vertakt in de voorzetting van zichzelf en de Waal. En wat we in de wereld van de geest zien, kan daarbuiten in het echt, fysiek, ook bestaan, de olifanten in de dierentuin, en het kan ook niet bestaan, het roze vliegende olifantje. En ook dat onderscheid leren kinderen al snel. Sinterklaas bestaat niet in het echt, maar als cultureel en historisch fenomeen bestaat Sinterklaas wel degelijk. En later vermommen sommigen van hen zichzelf als Sinterklaas en ze weten hoe dat moet, want ze hebben een heldere voorstelling hoe die niet bestaande Sinterklaas eruit hoort te zien. Sinterklaas bestaat niet, maar er bestaan heel veel Sinterklazen, die elk jaar die rol weer met plezier vervullen.

De wereld van de geest en de wereld van de fysieke ruimtelijkheid horen samen. Abstract taalgebruik heeft een metaforische onderlaag. Je hebt lageropgeleiden en hogeropgeleiden en op een schema zet je de universiteit boven het vwo en daaronder maak je dan weer een hokje voor de basisschool. En zonder een plaatje van een driehoek leren we nooit ons een zuivere driehoek voor te stellen, zoals we ook met blokken of autootjes leren om een, twee en drie te onderscheiden. En in de wereld van de geest of de fantasie en het verlangen maken mensen, vrouwen of modeontwerpers in dit geval, zich een voorstelling van een mooie nieuwe jurk, tekenen een patroon en zetten ze zich achter de naaimachine of, nog vaker, zetten iemand anders erachter. Of ze, mensen dus, stellen zich voor hoe hun nieuwe huis eruit moeten zien en vragen een architect om hun droomwoning te ontwerpen en vertellen hem wat ze voor ogen hebben.

Bestaan is dus meerduidig, zou ik zeggen, al weet ik niet hoe je dat verder moet benoemen. Zonder een gedifferentieerde ontologie komen we er niet. Dingen bestaan op verschillende wijzen, op zijn minst op twee, misschien op meer, maar dat is een aangelegenheid van latere zorg. Ik weet niet of we nader moeten onderscheiden tussen dode dingen en levende dingen, tussen voorstellingen van dingen die ook fysiek bestaan (leeuwen, planeten), die ook geestelijk bestaan (priemgetallen) en die niet bestaan (eenhoorns, natuurlijke getallen tussen acht en negen). Of tussen dingen die geestelijk op actualisering liggen te wachten (manuscripten en oude tijdschriften in een bibliotheek, archiefstukken) en dingen die we ons nu herinneren en waarover we kunnen praten.

-

Het verleden
Emanuel Rutten eindigt zijn stukje met een passage over het verleden en of dat bestaat. Daar is het hem kennelijk ook om te doen. Later hoop ik nog eens terug te komen op zijn vraag naar wat de ‘waarheidsmakers’ van ware historische uitspraken zijn. Ik geloof dat ik die term, waarheidsmaker, wel begrijp en dat hij mogelijk in een bepaalde, beperkte context ook wel begrijpelijk en bruikbaar is, maar dat ze uitgaat van een niet geheel adequaat waarheidsbegrip en met name van een onjuiste lokalisering van waarheid in taal of in proposities – ik zal meteen maar bekennen dat ik hierover vroeger ook onjuiste dingen geschreven heb – en daarom ga ik daar nu aan voorbij. Ik hoop daar nog eens op terug te komen.

Bestaat het verleden? Nee en ja dus. Eerst het eerste antwoord. Nee, als zodanig bestaat het verleden niet. Het is namelijk voorbij. Daarom is het ook het verleden. Als ik zojuist uit de supermarkt terug kwam, dan bevond ik mij misschien tien minuten geleden op het zebrapad op de Wibautstraat en men had daar een – overigens weinig spectaculaire – foto van kunnen maken. Het kan zijn dat een kennis mij daar heeft zien lopen en kan bevestigen dat ik daar om dat en dat tijdstip was en dat het dus volstrekt onmogelijk is dat ik op dat zelfde tijdstip op het Neude in Utrecht wandelde. Maar het is voorbij. Ik zit nu hier achter mijn laptop te schrijven en op het moment dat u dit leest – als u tenminste zover gekomen bent –, ben ik misschien wel bezig de afwas te doen of even een krant halen bij de sigarenboer. Dat is de tijd: de dingen gaan voorbij. En dingen komen.

De huidige Wibaustraat is een weg met twee banen en vier rijstroken. Men kan even gaan kijken om te controleren of het klopt wat ik zeg. Maar tot 1939 lag er op die plek een spoorweg en iets verderop, op wat nog steeds het Rhijnspoorplein heet, stond tot dat jaar het Weesperpoortstation. Die spoorweg en dat station bestonden ooit, maar ze bestaan niet meer. De rails zijn weggehaald en het stationsgebouw is afgebroken. Ze bestaan echt niet meer. Op de plek waar ik nu woon, stonden ooit andere panden. In de jaren tachtig heb ik gezien hoe ze afgebroken werden en hoe op het eind zelfs een heel sloopblok op een nacht in de fik stond. Ik heb gezien hoe de plek waar ik nu woon, een vlakte was, waar het grondwater tot bijna op straathoogte stond en daarna heb ik gezien hoe hier nieuwe woningen gebouwd werden. Ik heb op de steigers gelopen om uit te zoeken in welk appartement ik het liefst wilde wonen. Ik heb gezien hoe een oud fabrieksgebouw op het binnenterrein een paar meter achter mijn balkon werd afgebroken. Het bestond ooit, het bestaat niet meer. Bijna nooit denk ik eraan, maar in het gemeentearchief is vast en zeker nog documentatie te vinden over de bouw en het gebruik in de loop de jaren. Dodo’s, lievelingsdieren van Boudewijn Büch, die ook al niet meer leeft – ik zie nog voor me hoe we vanaf onze postie op een terras hem niet lang voor zijn dood in 2002 met twee plastic zakjes met boeken eenzaam over de Torensluis op weg naar huis zagen lopen – leefden ooit. Nu bestaan ze niet meer. Ze zijn uitgeroeid. De trekschuit bestond ooit, als vervoersmogelijkheid. Nu bestaat een enkele trekschuit alleen nog in het museum.

In die zin bestaat het verleden dus, als voorstelling, als verhaal en als betrouwbaar verhaal. Dat is dus het tweede antwoord: ja, het verleden bestaat in de vorm van verzamelde, beschikbare en steeds herordende en vernieuwde kennis. Niemand zal in ernst kunnen beweren dat Jezus of Willem van Oranje niet bestonden. Daarvoor is het bewijs dat ze ooit leefden, te sterk. Een geschiedenis van Nederland zonder Oranje is niet eens denkbaar. In de middeleeuwen bestond Nederland nog niet, ten tijde van de Slag bij Nieuwpoort wel zo ongeveer en zeker bestaat het huidige koninkrijk sinds 24 augustus 1815. Eens bestond het niet, nu bestaat het en eens zal het naar alle waarschijnlijkheid niet meer bestaan. Opgaan, blinken en verzinken, zoals Willem Bilderdijk het in 1811 formuleerde, dat is geschiedenis. Het is zelfs het lot van iedere dag, zoals de dichter schreef en declameerde. Sommige dingen bestaan maar kort, andere hebben een lange duur. En het verhaal van die geschiedenis bestaat, als voorstelling, en dat verhaal kan op vele manieren verteld worden, maar er is een harde kern. Het verleden bestaat in die zin dat het ging over mensen, en ook wel dingen, die ooit bestonden en soms niet meer bestaan en soms ook nog wel. Wij hebben er weet van.

-

Geen predicaat 
Het Rijksmuseum bestaat, al kun je al jarenlang maar in een klein gedeelte terecht als bezoeker. Bestond het in 1886? Ja, want een jaar eerder werd het geopend. Bestond het in 1844? Jazeker, want Potgieter bezocht het toen en schreef er een beroemd opstel over. Maar de kans is dus groot dat je in beide vragen iets anders bedoelt. In het eerste geval gaat het om het huidige gebouw, in het andere om de instelling, die toen in het Trippenhuis, dat trouwens ook nog steeds bestaat, gevestigd was. Maar in 1745 bestond het Rijksmuseum nog niet, omdat het pas in 1800 werd opgericht, als instelling en dan ook nog onder een andere naam, Nationale Kunstgalerij. In hoeverre gaat het bij de instelling en het gebouw om een zelfde wijze van bestaan? Heeft het eigenlijk wel zin om over de univociteit van bestaan of zijn te spreken. Wat zegt bestaan eigenlijk?

Niet veel, denk ik. Bestaan of zijn is geen predicaat, in de zin dat het iets kenmerkends meedeelt, een eigenschap of zo. Je kunt van iemand zeggen dat ze bruin haar heeft, of van Barack Obama dat hij de vierenveertigste president van de Verenigde Staten is, en dan deel je iets wezenlijks of kenmerkends over hen mee. Maar wat deel je mee als je zegt dat mensen bestaan? Niet veel, want dat wisten we al. Het is als met waarheid. De vraag ernaar is alleen interessant als die omstreden is. Waarheid wordt verondersteld. We zeggen niet bij elke mededeling dat die waar is. Daar gaan we vanuit. Pas bij twijfel of ontkenning zeggen we dat iets echt waar is. ‘Heus, ik houd je niet voor de gek.’ En zo is het ook bij zijn of bestaan. Dat mensen of bloemen bestaan, is niet interessant. Dat eenhoorns niet bestaan, was dat ooit wel. Was het niet mogelijk dat de verhalen teruggingen op waarnemingen van mensen die ze ver weg ooit gezien hadden? Sommigen vinden de vraag of Atlantis, waar Plato het al over had, nu echt bestaan heeft, of niet, nog steeds de moeite waard.

Ook de toekomst bestaat op die manier. Niet als iets dat er is, maar als iets waar we ons voorstellingen van maken, vaag vaak, maar toch. Dat Nederland nog bestaat in 2020, lijkt waarschijnlijk, maar is niet zeker. Of de euro eind 2012 nog zal bestaan, is al weer een heel andere vraag. Op veel kaartjes van IJburg zijn de oostelijke eilanden ingetekend. Ooit dachten we dat die er zouden komen. En als we op de Bert Haanstrakade over het water van het Markermeer uitkeken, stelden we ons voor hoe daar verderop nieuwe huizen zouden verrijzen. Nu houden we het mogelijk dat die eilanden en die huizen er niet meer komen, en we kijken dus met een andere verwachting.

We stellen ons voor dat er een dag zal komen dat mensen niet meer in benzineauto’s zullen rijden, op enkele liefhebbers van oldtimers na dan, omdat er andere middelen van aandrijving zijn ingevoerd. We stellen ons dingen voor die er nog niet zijn, maar waar we al wel zekere ideeën over hebben, en we stellen ons voor dat er nog allerlei nu ongedachte uitvindingen gedaan zullen worden. En we stellen ons voor dat van alles dat er nu is, er ooit niet meer zal zijn. Wij – ik laat de kinderen van nu buiten beschouwing – zullen er over een eeuw niet meer zijn, althans niet hier op deze aarde – en van de bespreking van mogelijk andere bestaanswijzen in een hiernamaals, zie ik nu even praktisch af. ‘Elk afscheid betekent de geboorte van een herinnering’, citeerde ik eerder de dankkaart na de begrafenis van Jan Sperna Weiland. Mensen leven na hun dood voort in onze harten, omdat ze daar ook voor hun dood al in present waren. Ze leefden, zij leven nu niet meer. Ze bestonden, ze bestaan niet meer – niet meer als mensen van vlees en bloed, maar wel op die andere wijze in onze gedachtenis.

-

In het geding
Bestaat de tijd? Ja. Maar op dezelfde manier als waarop mijn ouder wordende laptop bestaat? Lijkt me niet. Als bestaan niets prediceert, heeft het ook weinig zin om te zeggen dat het eenduidig is. De vraag is pas interessant als het gaat om de vraag of iets wel of niet bestaat en dan op de wijze zoals in het begrip gegeven is. Mensen bestaan, maar bestaan er werkelijk mensen die denken dat de maan van kaas is. Echt? Nu nog? August Willemsen beschrijft in zijn Braziliaanse brieven (1985) ergens hoe hij iemand tegenkomt die niet weet dat hij in Brazilië woont. De man heeft nog nooit van een kaart of een atlas gehoord en begrijpt er niets van als Willemsen hem zoiets voorhoudt. Hij heeft werkelijk geen idee hoe de wereld in elkaar zit. Zo’n man bestaat dus en dat is een nieuwe mededeling. Of bestond – want we weten niet of hij nog leeft.

De vraag naar het zijn is alleen van belang als het zijn of niet zijn in het geding is. Of iets nu bestaat of niet. En of iets bestond of niet. En soms ook of iets in de toekomst zal bestaan of niet. Is dit of dat mogelijk of denkbaar of niet?

-

Verschil in zijnswijze
Misschien had ik dit ook korter af kunnen doen. Emanuel Rutten schrijft namelijk zelf:

‘Ik meen dan ook dat alle ogenschijnlijke analoge duidingen van de term ‘bestaan’ na analyse slechts neerkomen op verschillen in zijnswijze, op verschillen in type zijnde, en dus niet op een verschil in zijn.’

Kortom, hij heeft het hier zelf over over ‘verschillen in zijnswijze’, maar als er een verschil is in de wijze waarop iets is, is dan dat zijn ook hetzelfde? Een verschil in de wijze van bestaan of zijn is méér dan een verschil in type zijnde, zou ik zeggen. Of je definieert zozeer elke betekenis weg uit zijn of bestaan, dat je er helemaal niets meer over kunt zeggen en dat de bewering dat bestaan univook of eenduidig is, een a priori gegeven stipulatieve definitie is, waar geen nadere discussie meer over mogelijk is. Maar dan zegt de bewering ook helemaal niets meer. Zijn is dan altijd hetzelfde en daarbinnen heb je dan verschillende zijnswijzen.

Maar om dat laatste gaat het: dat niet alles op dezelfde wijze bestaat. En dat als je de ene keer zegt dat iets bestaat, je dat op een andere manier bedoelt dan bij een andere gelegenheid. Vliegende roze olifantjes bestaan niet, niet als werkelijke beesten die voorbij je raam kunnen komen, ze bestaan wel als voorstellingen in boeken, tekeningen, films en animaties en stukjes als dit. Wat je in het kinderplaatjesboek ziet, is een koe, en wat daarbuiten loopt, is ook een koe, maar ze bestaan op verschillende wijze en dat hoef je er niet bij te zeggen, omdat de context dat al duidelijk maakt. Je gebruikt vervoegingen van zijn of bestaan wel degelijk op een verschillende wijzen.

En het lijkt me een vrij zinloze semantische kwestie of verschillen in zijnswijze, die Rutten erkent, dan weer iets anders zijn dan verschillen in gradatie, die hij niet erkent. Hoe zouden we dat onderscheid vast kunnen stellen? Het punt lijkt me nu juist dat eenhoorns niet bestaan, en op een andere wijze, als voorstelling, toch weer wel. Ik zou zeggen dat de wijze waarop een eenhoorn dan in zekere zin bestaat, toch gradueel afwijkt van hoe een eekhoorn bestaat. Tenzij je ook dat verschil weer stipulatief wegdefinieert.

-

De uitspraak dat zijn univook is, lijkt me onjuist. Het alledaagse spraakgebruik weerspreekt dat in ieder geval. Het verleden bestaat op een andere wijze dan mijn koffiemok. Of de uitspraak is zinledig, dat kan ook.

Ons bestaan is ons gegeven en de wereld ook. En wij begrijpen er niet zoveel van.

(39)

13 oktober 2011

Filosofie gaat over tafels

.:.

Filosofie gaat over tafels. Of men ze kan kennen. En of ze wel bestaan.

Tafels zijn het meest besproken object in de wijsbegeerte, althans de epistemologie, vermoed ik zo. Soms gaat filosofie trouwens ook nog over de stoel waarin de auteur zit en hoe die aanvoelt. En over de boom voor het raam. De wereld is groot, zullen we maar zeggen.

Model Russell door Niels Bendtsen voor Bensen

Neem Bertrand Russell, The Problems of Philosophy (1912), dat ik hier in de Nederlandse vertaling uit 1967 voor me heb, Problemen der filosofiedus – het lidwoord is in een halve eeuw tijds kennelijk gesneuveld. Direct op de eerste bladzijde is het al raak:

‘Ik stel mij voor dat ik nu in een stoel zit aan een tafel van een bepaalde vorm, waarop ik beschreven of bedrukte vellen papier zie liggen.’

Ik heb even nagedacht waarom hij niet gewoon schreef dat hij aan die tafel zat, maar ik meen dat Russell nogal veel dicteerde. De kans lijkt me niet uitgesloten dat hij op en neer ijsbeerde, terwijl een secretaresse aan een bureau – hoewel op plaatjes zitten ze altijd met een blocnote op schoot naast of voor schrijftafels – zijn woorden opschreef. Ik ga dat nu niet nakijken; ik kan u dus ook op verkeerde ideeën brengen.

Hoe het ook zij, het komt er op neer dat dat hele eerste hoofdstuk, ‘verschijning en werkelijkheid’ geheten, over die tafel gaat. En het ding verdwijnt steeds verder uit zicht. Niets blijken we met stelligheid te weten: de kleur blijkt niet te kloppen, althans steeds anders te zijn, het hout blijkt, als we wat nauwkeuriger kijken, ook al niet zo keurig glad te zijn en de vorm is bij nader inzien zogezegd ook niet erg vormvast. En zo gaat het aan de hand van Berkeley en Leibniz nog een tijdje door. Het gaat van kwaad tot erger, mits men dit epistemologisch en niet moreel opvat. Het is ‘verbijsterend’, zegt Russell er zelf van.

‘Zo is onze vertrouwde tafel, die eerst slechts heel vluchtige gedachten bij ons had opgewekt, tot een probleem geworden met verrassende mogelijkheden. Het enige wat er van weten is, dat ze niet is wat ze schijnt te zijn.’

Kortom, de tafel wordt steeds minder werkelijkheid en steeds meer verschijning dus, zoals de hoofdstuktitel zegt. En de vraag of die tafel bestaat, wordt dan nog even tot het volgende hoofdstuk uitgesteld.

Wat moeten we hiermee? Is dit allemaal onzin? Nee, sommige redeneringen zijn best aardig en zo af en toe moeten zulke vragen ook gesteld worden, want het verhaal gaat natuurlijk veel verder. Misschien gaat het wel degelijk om fundamentele vragen. Maar als ik dat zo opschrijf, ben ik wel in een milde bui. Ik word namelijk vaak nogal iebel van zulke beschouwingen, vooral als ze leiden tot de conclusie dat we bijvoorbeeld die tafel an sich niet kunnen kennen – alsof we daar überhaupt op uit waren, dat ‘als zodanig’ bedoel ik – en alleen sense-data, dat was toentertijd Russells term, tot onze beschikking hebben. Ik meen namelijk te weten dat ik de tafel waaraan ik zit te werken, wel degelijk ken, al besef ik ook dat een kenner van materialen er nog allerlei andere dingen over weet, terwijl een designspecialist er nog weer anderssortige dingen over kan vertellen. We zien allemaal andere aspecten, maar we zien geen zintuiglijke gegevens, maar een tafel, zou ik zo zeggen. Volgens mij is die tafel wel degelijk wat ze lijkt te zijn: een tafel.

Heeft epistemologie in onze dagen nog zin? Gaat die filosofische richting nog ergens over? Aan de waarde twijfel ik in ieder geval nogal, vooral omdat sommige wijsgeren er zo diepernstig over doen. Hoe vaak heb ik al niet gelezen dat in de kentheorie de ‘kern’ van iemands wijsbegeerte lag? Die zou het fundament onder de rest vormen. Ik denk dan meestal: gelul. Misschien dat ik de verkeerde boeken lees, maar ik zie zelden dat de epistemologie nu echt doorslaggevend is. Vaak is het niet meer dan wat gegoochel. Je hebt wat termen – object subject, noumenon, phenomenon, a priori, a posteriori en nu vergeet ik vast en zeker de meest frequente –, je hutselt ze wat door elkaar, maakt nog wat onderscheidingen, legt allerlei verbanden en ziedaar, je hebt een heuse kentheorie bij elkaar. Diepzinnig, heel diepzinnig.

Of is dat te gemakkelijk? De vraag wat we kunnen weten of kennen, is natuurlijk niet gratuit. Over de randen van het kennen, over de verhouding van immanentie en transcendentie bijvoorbeeld, en wat die termen betekenen, waar ze voor staan en hoe ze zich tot elkaar verhouden, zijn er wel degelijk verschillende visies, die nogal bepalend kunnen zijn voor hoe mensen in het leven staan. Maar zulke vragen kun je eigenlijk alleen goed behandelen in samenhang met ontologie en metafysica en hoe je de bezinning op ons menselijk bestaan verder ook maar aanduidt. Of epistemologie als afzonderlijke discipline dan nog veel waarde heeft? Ik weet het niet.

Naast het bestaan als zodanig is er natuurlijk dat specifieke corpus aan kennis dat we wetenschap noemen en dat trouwens behoorlijk overloopt in wat we van dag tot dag zo opmerken en beweren. En bezinning daarop is nooit weg. In die zin heeft de klassieke epistemologie zich dan ook vooral voortgezet als wetenschapsfilosofie. En ook dan zijn vragen naar wat zekere of betrouwbare kennis is, naar verificatie en falsificatie, zeker van belang. Maar ook dergelijke vragen doen het het best als ze met concrete wetenschapsbeoefening verbonden worden. Ze zijn als het ware in de praxis van het onderzoek en het schrijven – veel wetenschap, vooral in brede zin, is gewoon een kwestie van een verhaal opschrijven of een betoog verzinnen – opgenomen.

Op mij maakt epistemologie vaak een beetje de indruk een fossiel te zijn. Ooit was het een spannend en hoogstnoodzakelijk vak, zo tussen Bacon of Descartes en Kant, zeg maar. Dat was de tijd waarin aan het beeld van de wereld gesleuteld werd en er fundamentele ontdekkingen gedaan werden. Beelden kantelden, heet dat dan. Maar ook toen was er een intensieve samenhang met de nieuwe natuurwetenschap – waarvan het ontstaan in de zestiende, zeventiende eeuw kantje boord was, als ik de boodschap van Floris Cohen goed onthouden heb – en met het denken over de inrichting van de samenleving in de vorm van met name allerlei natuurrechtsfilosofieën. Toen was epistemologie dus geen hersenkrakerij als interessante vrijetijdsbesteding. Descartes’ Discours de la methode uit 1637 was de methodologische – de titel zegt het al – inleiding bij drie verhandelingen over dioptriek, meteorologie en meetkunde. Ik vermoed dat veel filosofiestudenten die maar overslaan. En over de betreffende onderwerpen is ook wel wat nieuwere literatuur te vinden.

Het ging niet om filosofie, maar om wetenschap. Maar men noemde dat wel filosofie. Dat was tot het eind van de achttiende eeuw, misschien nog wel langer, een alledaagse aanduiding voor wetenschap. Maar wij hebben die twee uit elkaar gehaald. Of beter: de wetenschap heeft zich zelfstandig in allerlei disciplines voorgezet. Het verhaal van de vroegmoderne epistemologie is dan ook heel spannend, maar eigenlijk alleen als je die als onderdeel van de wetenschapsgeschiedenis beziet. Filosofie – en vooral filosofiegeschiedenis – in onze zin van het woord is in feite een historische constructie op grond van het wereldbeeld van nu. En dan krijg je dus het misverstand dat epistemologie een opzichzelfstaand vak zou zijn. Voor Descartes of Locke was de kenleer iets heel anders dan voor hedendaagse filosofen: een onderdeel van hun poging om de wereld wetenschappelijk en praktisch te begrijpen. Daar komt overigens nog bij dat juist het empirisme de epistemologie complexer maakte. Als je in aangeboren ideeën gelooft, is het niet zo moeilijk: die zitten al in je hoofd. Maar als je de ervaring en de zintuiglijke wereld vooropstelt, is het nog een heel verhaal hoe wat je ziet of hoort of ruikt, als idee of voorstelling in je brein terechtkomt of in de vorm van woorden op je lippen belanden. Het is ook het probleem van de correspondentietheorie van de waarheid: wat komt er nu precies met wat overeen? Woorden en bakstenen verschillend immers nogal en toch correspondeert je beschrijving van een monumentaal pand met iets buiten de taal.

Natuurlijk kan het aardig puzzelen zijn op een tekst van Kant, of van Chisholm bijvoorbeeld, om maar eens iemand te noemen wiens werk ik niet ken en van wie ik het vage idee heb dat dat wel zou moeten. Maar of het allemaal zulke diepe inzichten oplevert? Mij vaak valt op dat filosofen enorme pretenties hebben, dat zij de échte vragen zouden stellen, maar in de praktijk van het leven lijken ze vaak niet meer te doorzien dan iemand die gewoon met zijn gezonde verstand redeneert. Over de meeste kennis, die we trouwens voor het overgrote deel van horen zeggen hebben en helemaal niet kunnen controleren, zijn we het namelijk helemaal niet oneens en als er twijfels oprijzen, kunnen wie die ter plekke bespreken.

Het meeste nut van epistemologie heb ik er altijd in gezien dat het tot een zekere behoedzaamheid kan leiden. Mensen denken al gauw meer te weten dan bij nader inzien het geval is. Men trekt zo zijn conclusies en daar betrap ik mezelf ook wel eens op. Voortdurend de vraag stellen wat je nu echt weet, dat is nuttig. Maar elke keer de vraag stellen naar de fundamenten, of ik die tafel wel ken, daar schiet je meestal niet veel mee op.

Maar dit is natuurlijk een heel oppervlakkig stukje.

(5)

11 oktober 2011

Metafysica – een paar woorden ter nagedachtenis van Jan Sperna Weiland

.:.

Op de eerste dag van september overleed de theoloog en filosoof Jan Sperna Weiland (30 mei 1925 – 1 september 2011). Het laatste decennium vergaderde ik een paar keer per jaar met hem, totdat hij vanwege zijn afnemende gezondheid niet meer kon komen.

Sperna Weiland was iemand met een zeker kordaat gezag. Hij kon dingen zeggen als: ‘Dit is een voortreffelijk stuk, dat echter volkomen ongeschikt is voor ons lexicon.’ Kort, krachtig. Tijdens de afscheidsdienst in de Rotterdamse Laurenskerk of beter de ‘dankdienst voor het leven van Jan Sperna Sperna Weiland’, zoals de liturgie het noemde, vertelde een van zijn leerlingen hoe hij in een vergadering waarin eindeloos argumenten voor en tegen een voorstel werden behandeld, de discussie of het nieuwe voormenen uitgevoerd moest worden, eenvoudig besliste met de woorden: ‘Ik dacht het niet’. Daarmee was de zaak afgedaan.

Tijdens de watersnoodramp van 1953 was hij predikant in Brouwershaven. Hij schijnt toen met zandzakken gesjouwd te hebben, maar het fijne weet ik er niet van. Wel weet ik dat hij de typemachine waarop hij tot het eind van zijn leven schreef, daarna kocht van rondreizende handelaren, zigeuners, zoals men dat toen zei en misschien nu nog wel. Zijn proefschrift over een negentiende-eeuwse en een twintigste-eeuwse denker, Humanitas Christianitas. A Critical Survey of Kierkegaard’s and Jaspers’ Thoughts in Connection with Christianity (Assen 1951), verdedigd aan de Rijksuniversiteit Groningen, had hij toen al geschreven, op een machine die in het woedende water verloren was gegaan, neem ik aan.

Na vier jaar – direct na zijn promotie in 1951 was hij predikant geworden – vertrok hij naar Rotterdam, waarna hij in 1962 hoogleraar in de geschiedenis van de theologie werd aan de Universiteit van Amsterdam, een positie die hij in 1974 verruilde voor het hoogleraarschap in de wijsgerige antropologie en de fenomenologie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Daar bouwde hij de Centrale Interfaculteit op – filosofie was toen gedacht als het vak dat de universiteit met haar fundamentele vragen zou moeten verbinden – en werd hij vervolgens rector-magnificus.

Van theoloog naar wijsgerig antropoloog: Feuerbachs dictum dat theologie antropologie is, lijkt dus in zijn leven wel heel plastisch tot uiting te zijn gekomen, maar die stelling zou Jan Sperna Weiland toch geen recht doen. De man die jarenlang de grote man achter het befaamde tijdschrift Wending was, bleef zich altijd theoloog én filosoof voelen. Nog in zijn Rotterdamse jaren publiceerde hij Romeins schetsboek. Over de metamorfose van geloven (Amsterdam 1980) en de ondertitel geeft al een indicatie. In het dit jaar verschenen boek Denkers en religie. Kritiek, traditie en nieuwe oriëntatie in de twintigste eeuw (Diemen 2011), dat onder redactie van Hans Achterhuis, Jan Sperna Weiland, Sytske Teppema en Jacques De Visscher stond – en waarvoor ik trouwens de inleidende beschouwing schreef, maar dit terzijde – waren zelfs vijf artikelen van zijn hand verzameld: over Adolf von Harnack (1851-1930), Martin Buber (1878-1965), Karl Barth (1886-1968), Paul Tillich (1886-1966) en Dietrich Bonhoeffer (1906-1945).

Toen Jan Sperna Weiland ergens gedurende de laatste jaren in een nieuw verzorgingstehuis werd opgenomen, vertelde zijn dochter tijdens de afscheidsdienst, werd hij verwelkomd door een Marokkaans meisje met een hoofddoek op. Het was een humanistische instelling en zij vroeg: ‘Zal ik u uitleggen wat humanisme is?’. ‘Ja, graag’, antwoordde hij die zijn hele leven over dergelijke zaken gedoceerd had. Het betekende volgens haar dat hij daar de baas was. Dat vond hij een mooie verklaring.

Ik wil het nu laten bij een kleine observatie, die me opviel toen ik een paar van zijn boeken uit de kast trok en er wat in bladerde. Allereerst is daar zijn destijds beroemde boek Oriëntatie. Nieuwe wegen in de theologie (Baarn 1966). Ik heb de vierde omgewerkte en uitgebreide druk uit 1968 bij de hand. In het laatste hoofdstuk, ‘Het begin van een kaart’ geheten, besluit hij een van de twee paragrafen over Christus met de constatering:

 ‘Kortom, ook in de Christologie wordt afscheid genomen van de metafysica.’

Het was meer dan een vaststelling, hij stemde er ongetwijfeld mee in, want in de laatste paragraaf, ‘Geloof’, waarin hij zijn eigen opvattingen verwoordt, schrijft hij over twee ‘misvattingen van het christelijk geloof’. De eerste is dat geloof het aannemen van ‘waarheden’ op gezag zou zijn. En de tweede introduceert hij zo;

 ‘Naast deze misvatting van het geloof staat de andere, metafysische opvatting, die Marx er toe heeft gebracht de religie opium voor het volk te noemen, en die klassiek is geformuleerd in de encycliek Rerum Novarum – wij zullen dan waarlijk leven als wij uit dit leven zijn gescheiden! – en in Gezang 181:3 van het Hervormde Gezangboek:
Zie uit, mijn ziel, naar ’t ander leven,
uw toegewezen erfenis…
Het gaat hier dus om de misvatting, dat het in ons leven niet om dit leven zelf maar om ‘het ander’ leven gaat, dat straks moet komen. Hier vooral laat het Oude Testament, dat immers het leven na de dood niet kent, zich gelden in de doordenking van het christelijk geloof.’

Het boek eindigt dan ook met de vaststelling dat

 ‘theologie wordt geschreven in de tijd, niet in de eeuwigheid.’

Geen metafysica dus, althans in de theologie. Maar daarna pakte ik zijn laatste grote boek, dat diverse herdrukken heeft gekregen en dat velen nog wel bij de hand zullen hebben, De mens in de filosofie van de twintigste eeuw (Amsterdam 1999), erbij. In het afsluitende hoofdstuk komt opnieuw een paragaaf voor onder dat woord dat hem kennelijk lief was, ‘Oriëntatie’, waarna hij in de volgende in twaalf punten ‘De menselijke natuur’ – dat is ook het opschrift – beschrijft. En het laatste kenmerk luidt dan:

 ‘Tenslotte, in alle vragen zijn er de zogenaamde laatste, metafysische, vragen. Die betreffen de dood, de zin van het leven, het ‘eeuwige leven’, dat zich ook aan deze kant van de dood zou kunnen bevinden, de grote samenhang der dingen. Die metafysische vragen zijn er doordat de mens van nature animal metafysicum is. De wijsgerige antropologie van de toekomst zal daarom ook, zonder het definitieve antwoord te kunnen geven dat aan alle vragen een einde maakt, een overpeinzing van metafysische vragen zijn.’

Ik vond het opvallend. In de theologie een afscheid van de metafysica, maar in de filosofie, de wijsgerige antropologie, gaat het kennelijk toch niet zonder de ‘overpeinzing van metafysische vragen’.

Op de dankkaart die de nabestaanden onlangs stuurden, staat een citaat van S. Dali, de kunstenaar van wie hij in het begin van zijn aangehaalde boek over de mens het doek Il Divino beschrijft:

 ‘Elk afscheid betekent de geboorte van een herinnering.’

(3)

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 1.456 other followers